← België

Versluys Bouwgroep nv c. BELGISCHE STAAT FOD Financiën

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 februari 2026

Art. 2

, eerste lid - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 2 Uit de vaststaande rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat er sprake is van een rechtstreeks verband wanneer twee prestaties van elkaar afhankelijk zijn, dit wil zeggen dat de ene prestatie enkel wordt verricht op voorwaarde dat de andere prestatie ook wordt verricht, en omgekeerd; indien wordt vastgesteld dat de betaling door de ene partij aan de andere een voorwaarde was voor de dienst van de andere partij, en dat de ene partij deze bedragen uitsluitend als tegenprestatie voor die prestatie heeft betaald, dient volgens diezelfde rechtspraak te worden geoordeeld dat er een rechtstreeks verband tussen die twee prestaties bestaat

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 2

, eerste lid - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 3 Voor het bestaan van een rechtstreeks verband tussen twee prestaties is alleen vereist dat de ene prestatie enkel wordt verricht op voorwaarde dat de andere prestatie ook wordt verricht, en omgekeerd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 2

, eerste lid - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 4 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de werkzaamheden die elk lid van een samenwerkingsverband in het kader en voor rekening ervan verricht, in beginsel niet verschillen van die welke een onderneming voor eigen rekening verricht, en dat deze bijgevolg op dezelfde wijze moeten worden behandeld

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 2

, eerste lid - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 5 De rechter beoordeelt in feite of de litigieuze bepaling in redelijkheid voor principiële betwisting vatbaar was; het Hof kan evenwel nagaan of de rechter gelet op de gedane vaststellingen wettig heeft kunnen besluiten dat de litigieuze bepaling in redelijkheid voor principiële betwisting vatbaar was

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 70

, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 84- 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr.

41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW - 41 - 30-01-1987 - Art. 1 - 32 Link Justel databank 19870130-32 Fiche 6 De rechter aan wie gevraagd wordt een geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1, Btw-wetboek of het voormelde KB nr. 41 van 30 januari 1987, die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM, te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 70

, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 84- 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr.

41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW - 41 - 30-01-1987 - Art. 1 - 32 Link Justel databank 19870130-32 Fiche 7 Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, houdt niet in dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief; aan het vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht is immers voldaan indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 70

, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 84- 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr.

41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW - 41 - 30-01-1987 - Art. 1 - 32 Link Justel databank 19870130-32 Fiche 8 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de nationale rechter een overeenkomstig voormeld KB nr. 41 van 30 januari 1987 opgelegde administratieve geldboete in toepassing van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel kan verminderen tot beneden de in dit koninklijk besluit bepaalde vaste boetetarieven, rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuk en de concrete omstandigheden van de zaak

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 70

, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 84- 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr.

41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW - 41 - 30-01-1987 - Art. 1 - 32 Link Justel databank 19870130-32 Tekst van de conclusie F.24.0026.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN:

  1. Situering. 1.
  2. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat eiseres als btw-plichtige onder meer geregistreerd is voor activiteiten van algemene bouw van residentiële gebouwen, ontwikkeling van residentiële bouwprojecten en handel in eigen onroerend goed. Een btw-controle voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 leidde tot de opmaak van een proces-verbaal van regularisatie ten laste van eiseres op 20 november
  3. Daarin deed de btw-administratie volgende vaststellingen: * eiseres richt op gronden die eigendom zijn van Versluys Real Estate nv of van derden; appartementsgebouwen op; * blijkens verklaring van de belastingplichtige en de basisaktes van verschillende projecten wordt voor elk vastgoedproject door Versluys Real Estate nv of door derden een recht van opstal aan eiseres toegekend dan wel afstand gedaan van het recht van natrekking; * de constructies en de grondaandelen die bij deze constructie horen, worden in één notariële akte verkocht, waarbij eiseres de constructies verkoopt met toepassing van de btw en Versluys Real Estate nv of een derde-grondeigenaar de grondaandelen verkoopt met vrijstelling van de btw op grond van artikel 44, § 3, 1° WBTW; * eiseres heeft een recht van aftrek van de btw toegepast van de handelingen die een rechtstreeks verband hebben met de constructies; Versluys Real Estate nv heeft geen recht van aftrek van de btw toegepast van de handelingen die een rechtstreeks verband hebben met de verkoop van de grond; * de publiciteitskosten/reclamediensten in verband met de projecten (grond en constructies) en de commissielonen van de makelaars die tussenkomen bij de verkoop van de projecten worden volledig gefactureerd aan eiseres; eiseres trekt de btw geheven van deze kosten volledig af; * eiseres heeft voor 2016 en 2017 aan Versluys Real Estate nv prestaties inzake publiciteit gefactureerd ten bedrage van 250,00 EUR per verkoopakte. De belastingadministratie leidde uit deze vaststellingen af dat er sprake was van wederkerige prestaties, waarbij de grondeigenaar enerzijds aan eiseres de toelating tot bouwen met afstand van het recht van natrekking verleende en eiseres anderzijds als makelaar voor de grondeigenaar handelde. De grondeigenaar zou aldus voor het verlenen van de toelating tot bouwen en de afstand van het recht van natrekking een vergoeding verkregen hebben bestaande uit de diensten van publiciteit en tussenkomst bij de verkoop van de grond. Bijgevolg zou eiseres een factuur moeten uitreiken aan de grondeigenaar voor deze prestaties. Met toepassing van de artikelen 26, 32 en 33, § 3 WBTW werd de waarde van de door eiseres geleverde prestatie door de administratie bepaald aan de hand van de door eiseres gedane uitgaven met betrekking tot publiciteit en verkoopsbemiddeling die volgens de administratie deels betrekking hadden op de verkoop van grondaandelen en deels op de verkoop van de constructies. Om de waarde van de door eiseres verrichte prestaties te bepalen werd een breuk in aanmerking genomen met in de teller de verkoopprijs van de grond en in de noemer de verkoopprijs van de grond vermeerderd met de verkoopprijs van de constructies. De aan eiseres gefactureerde kosten van publiciteit en commissies werden vervolgens vermenigvuldigd met die breuk. De verschuldigde, nog te betalen btw werd zodoende berekend op 126.734,24 EUR. Een proportionele, afgeronde geldboete van 25.340,00 EUR (20%) werd toegepast. De btw-schuld werd vastgesteld onder het RCIV-schuldnummer 500/2212/08371 en aan de eiseres betekend. 1.
  4. Bij verzoekschrift van 23 juni 2020 stelde eiseres haar vordering in bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, ter betwisting van de voormelde belastingschuld. De eerste rechter oordeelde in zijn vonnis van 28 februari 2022 dat de prestaties van eiseres onlosmakelijk verbonden waren met het verkregen recht van opstal op de gronden. Bijgevolg was de btw-navordering terecht en werd de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond verklaard. Het hof van beroep van Gent verklaarde bij arrest van 24 oktober 2023 het hoger beroep van eiseres ontvankelijk, maar ongegrond en bevestigde het vonnis van eerste rechter. Eiseres komt op tegen dit arrest met twee middelen tot cassatie.
  5. Bespreking van het eerste middel. (…) Tweede onderdeel. 2.
  6. In het tweede onderdeel wordt aangevoerd dat de appelrechters niet wettig hebben beslist dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het verleende recht van opstal enerzijds en het dragen van (een deel van) de uitgaven inzake publiciteit en verkoopsbemiddeling anderzijds op grond dat de door appelrechters vastgestelde feitelijke omstandigheden niet ondersteunen dat het recht van opstal enkel werd verleend op voorwaarde van het dragen van de kosten van de publiciteit en verkoopsbemiddeling door eiseres (Schending van de artikelen 2, eerste lid, 9, eerste lid en tweede lid, 2°, 10 en 18, § 1 WBTW). In haar toelichting bij dit tweede onderdeel argumenteert eiseres dat het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld (weliswaar met betrekking tot prestaties waarbij de tegenprestatie bestaat uit de betaling van een geldsom) dat er enkel sprake is van een handeling onder bezwarende titel wanneer de geldsom “uitsluitend als tegenprestatie” voor de verkregen dienst wordt betaald

(1). Nu deze rechtspraak ook toegepast kan worden in het kader van een ruiltransactie, zou er bijgevolg enkel sprake kunnen zijn van een belastbare ruiltransactie als de dienst of het goed “uitsluitend” als tegenprestatie wordt geleverd voor het verkregen goed of de verkregen dienst. 2.4. Krachtens artikel 2, eerste lid WBTW zijn de leveringen van goederen en de diensten die door een belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden. Een handeling onder bezwarende titel onderstelt een rechtstreeks verband tussen de verrichte handeling en de ontvangen tegenwaarde
(2). 2.
  1. Anders dan het tweede onderdeel aanvoert, is het m.i. niet vereist, opdat er sprake kan zijn van een handeling onder bezwarende titel, dat de dienst of het goed “uitsluitend” als tegenprestatie voor de verkregen dienst wordt betaald. Dit blijkt alvast niet uit het door eiseres aangehaalde arrest San Domenico Vetraria van het Hof van Justitie, zoals verweerder met reden opwerpt in zijn memorie. 2.5.
  2. Het Hof van Justitie herhaalde in dit arrest zijn vaste rechtspraak over de criteria om te bepalen wanneer er sprake is van een handeling onder bezwarende titel: “
  3. Dienaangaande volgt uit vaste rechtspraak dat er voor belastbare handelingen in het kader van het btw-stelsel sprake moet zijn van een transactie tussen partijen waarbij een prijs of een tegenwaarde wordt bedongen. Wanneer de activiteit van een dienstverrichter uitsluitend bestaat in het verlenen van diensten zonder directe tegenprestatie, ontbreekt een belastinggrondslag en zijn deze diensten dus niet aan de btw onderworpen (arrest van 22 juni 2016 Ceský rozhlas, C 11/15, EU:C:2016:470, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
  4. Daaruit volgt dat een dienst enkel ‘onder bezwarende titel’ in de zin van artikel 2, punt 1, van de Zesde richtlijn wordt verricht en dus enkel belastbaar is wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst, Dit is het geval wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenwaarde (zie in die zin arresten van 22 juni 2016, Ceský rozhlas, C 11/15, EU:C:2016:470, punten 21 en 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 22 november 2018, MEO – Serviços de Comunicações e Multimédia, C 295/17, EU:C:2018:942, punt 39, en 3 juli 2019, UniCredit Leasing, C 242/18, EU:C:2019:558, punt 69).). (…)
  5. Volgens de rechtspraak van het Hof is er sprake van een rechtstreeks verband wanneer twee prestaties van elkaar afhankelijk zijn (zie in die zin arresten van 3 maart 1994, Tolsma, C-16/93, EU:C:1994:80, punten 13-20, en 16 oktober 1997, Fillibeck, C-258/95, EU:C:1997:491, punten 15-17), dit wil zeggen dat de ene prestatie enkel wordt verricht op voorwaarde dat de andere prestatie ook wordt verricht, en omgekeerd (zie in die zin arresten van 23 november 1988, Naturally Yours Cosmetics, 230/87, EU:C:1988:508, punt 14, en 2 juni 1994, Empire Stores, C-33/93, EU:C:1994:225, punt 16). (…)
  6. Hierbij is het bedrag van de tegenprestatie, en met name de vraag of dit bedrag gelijk is aan, dan wel hoger of lager is dan de door de belastingplichtige in het kader van de verrichte prestatie gemaakte kosten, niet relevant (zie in die zin arresten van 20 januari 2005, Hotel Scandic Gäsabäck, C-412/03, EU:C:2005:47, punt 22, en 2 juni 2016, Lajvér, C-263/15, EU:C:2016:392, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een dergelijke omstandigheid kan immers niet afdoen aan het rechtstreekse verband tussen de verrichte diensten en de ontvangen tegenprestatie (arrest van 2 juni 2016, Lajvér, C-263/15, EU:C:2016:392, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak)”. Het Hof van Justitie beslist vervolgens: “
  7. Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 2, punt 1, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling volgens welke de uitlening of detachering van personeel van een moedermaatschappij bij haar dochteronderneming waarvoor uitsluitend de desbetreffende kosten worden vergoed, niet relevant wordt geacht voor de btw, voor zover de door de dochterneming aan haar moedermaatschappij betaalde bedragen, enerzijds, en de uitlening of detachering, anderzijds, van elkaar afhankelijk zijn”. 2.5.
  8. Het arrest San Domenico Vetraria betreft m.i. aldus enkel de vraag of de omstandigheid dat ‘aan kostprijs’ wordt geleverd ervoor zorgt dat een prestatie niet langer als ‘ten bezwarende titel’ kan worden beschouwd (meer bepaald of een nationale wet een dergelijke regeling kan voorzien). Het Hof van Justitie heeft in dit arrest niet geoordeeld dat er enkel sprake is van een belastbare handeling als de dienst of het goed uitsluitend als tegenprestatie wordt geleverd, zoals het onderdeel op basis van r.o. 27 van het arrest San Domenico Vetraria aanvoert. De verwijzing naar de term “uitsluitend” was louter en alleen te verklaren doordat de prejudiciële vraag betrekking had op een handeling waarbij personeel was uitgeleend of gedetacheerd waarvoor “uitsluitend” de kosten worden vergoed, welke handeling volgens de Italiaanse wet als niet relevant werd beschouwd voor de btw. Het Hof van Justitie kon zich bij deze Italiaanse wet niet aansluiten nu artikel 2, punt 1, van de Btw-richtlijn “in de weg staat aan een nationale regeling volgens welke de uitlening of detachering van personeel van de moedermaatschappij bij haar dochteronderneming waarvoor uitsluitend de desbetreffende kosten worden vergoed, niet relevant wordt geacht voor de btw, voor zover de door de dochterneming aan haar moedermaatschappij betaalde bedragen, enerzijds, en de uitlening of detachering, anderzijds, van elkaar afhankelijk zijn”? Met deze laatste zinsnede bevestigt het betreffende arrest in tegendeel dat het enkel van belang is dat de beide prestaties wederzijds van elkaar afhankelijk zijn om te kunnen spreken van een ‘rechtstreeks verband’, ongeacht of de prijs louter kostendekkend is of niet. 2.5.
  9. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt m.i. naar recht. (…) Vierde onderdeel. 2.
  10. Eiseres voert aan dat het bestreden arrest, gelet op de vastgestelde feitelijke gegevens van de zaak, op grond van het beginsel van de economische en commerciële realiteit niet wettig heeft kunnen besluiten dat er sprake was van een rechtstreeks verband tussen, enerzijds, de door eiseres geleverde prestaties (incl. het ontlasten van de grondeigenaars van het doen van uitgaven inzake publiciteit en verkoopsbemiddeling) en de door de grondeigenaars geleverde prestaties (het verlenen van een recht van opstal) (Schending van de artikelen 2, 9, eerste lid en tweede lid, 2°, 10, § 1 en 18, § 1, eerste lid WBTW). In het onderdeel wordt aangevoerd dat er in het voorliggend geval een samenwerkingsverband bestond tussen enerzijds eiseres, die instaat voor het optrekken van constructies en voor de verkoop van het geheel door het dragen van kosten inzake publiciteit en verkoopsbemiddeling, anderzijds de respectieve grondeigenaars, die een recht van opstal verlenen dan wel een afstand van de natrekking, in het kader waarvan het zo is
(1)dat de prestaties die door de leden van een samenwerkingsverband (om niet) worden verricht en die overeenstemmen met het afgesproken aandeel dat aan ieder van hen werd toebedeeld, geen handelingen onder bezwarende titel in de zin van artikel 2, eerste lid, a) en c), van de Btw-richtlijn uitmaken, doch
(2)dat de prestaties die het afgesproken aandeel te boven gaan en die door de andere leden vergoed moeten worden via de betaling van een geldsom, handelingen onder bezwarende titel zijn in de zin van deze bepaling, waarbij de maatstaf van heffing beperkt blijft tot de werkelijk ontvangen geldsom. De op 31 december 2018 opgemaakte factuur zou dan de vergoeding uitmaken voor het deel van de prestaties geleverd door eiseres dat de afgesproken prestaties te boven gaat. 2.10. Uit de toelichting bij het onderdeel blijkt dat eiseres zich baseert op het arrest EDM van het Hof van Justitie
(3), om aan te voeren dat de door de appelrechters vastgestelde ruiloperatie eigenlijk moet worden beschouwd als een ‘samenwerkingsverband’, zodat de in het kader van dat samenwerkingsverband uitgevoerde prestaties slechts belastbaar zouden zijn in zoverre een saldo wordt betaald. In voorliggend geval zou dat saldo dan de 250 euro per akte zijn. Het bestaan van het samenwerkingsverband zou er (naar het voorbeeld van de zaak EDM) aan in de weg staan dat de prestaties als elkaars tegenprestatie worden aangemerkt. In het arrest EDM werd inderdaad beslist dat “werkzaamheden zoals die welke aan de orde zijn in het hoofdgeding, die door de deelnemers aan een consortium overeenkomstig de bepalingen van een consortiumovereenkomst worden verricht en die overeenstemmen met het in die overeenkomst aan elk van hen toebedeelde aandeel, geen levering van goederen of diensten ‘onder bezwarende titel’ [zijn] in de zin van artikel 2, punt 1, van de Zesde richtlijn, en bijgevolg ook niet een krachtens deze bepaling belastbare handeling”. Daarbij moet evenwel worden gepreciseerd dat de ‘werkzaamheden zoals die welke aan de orde zijn in het hoofdgeding’ door de verwijzingsrechter uitdrukkelijk waren aangemerkt als prestaties ‘om niet’. Dat blijkt uit r.o. 87 van het arrest: “In het hoofdgeding worden blijkens de verwijzingsbeschikking en de bij het Hof ingediende opmerkingen de werkzaamheden van de leden van de betrokken consortia die overeenstemmen met het aan elk van hen toebedeelde aandeel niet vergoed. Voor deze werkzaamheden is dus geen belastbare handeling verricht”. Dat is ook de lezing van auteur VAN DOESUM: “Het HvJ EG stelt simpelweg vast dat uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat geen vergoeding valt aan te wijzen en oordeelt dan ook dat, als er geen vergoeding is, er ook geen bezwarende titel kan zijn”
(4). Bovendien ging de prejudiciële vraag in die zaak specifiek over het saldo, i.e. het bedrag dat de aandelen van de leden van het consortium te boven ging, zodat ook om die reden het Hof van Justitie geen uitspraak doet over de vraag of de ‘binnen aandeel’ gepresteerde prestaties belastbaar zijn
(5). Het Hof van Justitie oordeelt derhalve niet, zoals eiseres lijkt aan te voeren, dat heen en weer uitgevoerde prestaties elkaar voor btw-doeleinden tenietdoen wanneer zij in het kader van een samenwerkingsverband worden gepresteerd, zodat alleen het eventuele saldo belastbaar zou zijn. Het enige dat wordt beslist in het arrest EDM is dat het saldo, waarvoor de betrokken onderneming effectief een betaling ontving, inderdaad een belastbare handeling is. Dat prestaties ‘binnen aandeel’ geen belastbare handelingen waren, volgde uit de vaststelling van de verwijzingsrechter dat deze ‘om niet’ gebeurden en niet uit het arrest van het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie benadrukt dit alles zelf: “
  1. Opgemerkt zij dat in verband met de BTW, de werkzaamheden die elk lid van een consortium in het kader en voor rekening ervan verricht, in beginsel niet verschillen van die welke een onderneming voor eigen rekening verricht, en dat deze bijgevolg op dezelfde wijze moeten worden behandeld. Zoals immers volgt uit artikel 2, punt 1, van de Zesde richtlijn, zijn alleen de leveringen van goederen en de diensten welke onder bezwarende titel worden verricht, onderworpen aan de BTW. Derhalve kunnen leveringen van goederen en diensten die niet onder bezwarende titel voor rekening van een derde zijn verricht, in principe geen belastbare handelingen vormen, met uitzondering van met name de in artikel 6, lid 2, eerste alinea, sub b, van de Zesde richtlijn bedoelde gevallen”. Dit arrest lijkt mij aldus niet van toepassing op de voorliggende situatie, waar de appelrechters juist wél hebben vastgesteld dat de over en weer geleverde prestaties elkaars tegenprestatie vormen. 2.
  2. In zoverre het onderdeel aanvoert dat ook in de huidige zaak ‘om niet’ wordt gepresteerd, mist het m.i. feitelijke grondslag. 2.
  3. In zoverre het onderdeel voorhoudt dat de leer van het arrest EDM ook van toepassing is wanneer uitdrukkelijk werd vastgesteld dat niet ‘om niet’ werd gepresteerd, lijkt het mij te falen naar recht. (…)
  4. Bespreking van het tweede middel. Eerste onderdeel. 3.
  5. In het eerste onderdeel wordt aangevoerd dat de appelrechters niet wettig hebben beslist dat er geen redenen zijn om de geldboete teniet te doen op grond dat er te dezen geen sprake was van een "principiële beslissing". Volgens eiseres heeft het geschil wel degelijk betrekking op een principiële rechtsvraag en is het in dat geval onevenredig om een belastingplichtige te sanctioneren op vlak van btw. (Schending van de artikelen 70, § 1, eerste lid, en 84, derde lid, WBTW, artikel 1, eerste lid, 1° KB nr. 41) 3.
  6. Het onderdeel kan m.i. niet worden aangenomen. De rechter beoordeelt in feite of de litigieuze bepaling in redelijkheid voor principiële betwisting vatbaar was. Het Hof kan evenwel nagaan of de feitenrechter gelet op de gedane vaststellingen wettig heeft kunnen besluiten dat de litigieuze bepaling in redelijkheid voor principiële betwisting vatbaar was. De appelrechters oordelen dat “het geschil […] in essentie een feitelijk onderzoek [betreft] of de tenlasteneming door de [eiseres] van de kosten voor publiciteit en verkoopsbemiddeling ten behoeve van de grondeigenaars op wiens gronden zij mag bouwen, al dan niet een geheel van verrichtingen onder bezwarende titel betreft en naar wat de maatstaf van heffing voor de btw van deze transacties is” en dat “de loutere complexiteit van de fiscale regelgeving [niet] kan […] doen besluiten dat het geschil een princiepskwestie tot voorwerp heeft”. Het lijkt mij dat de appelrechters aldus hun beslissing naar recht verantwoorden. Tweede onderdeel. 3.
  7. Eiseres voert aan dat de toepassing van een proportionele geldboete van 20% van de verschuldigde btw in voorliggend geval, waarin de interpretatie en toepassing van de bepalingen ter omzetting van de btw-richtlijn daadwerkelijk moeilijkheden hebben opgeleverd door de complexiteit van de fiscale wetgeving, hetgeen door het appelgerecht wordt erkend, en waarin de goede trouw van eiseres ook niet ter discussie staat, onverenigbaar is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Bijgevolg hebben de appelrechters het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel geschonden door te oordelen dat de proportionele geldboete van 20 % niet vernietigd diende te worden; aldus eiseres. (Schending van de artikelen 70, § 1, eerste lid, en 84, derde lid, WBTW, artikel 1, eerste lid, 1° KB nr. 41 artikel 6 EVRM en het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel). 3.
  8. Artikel 70, § 1 WBTW bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting. Krachtens artikel 84, derde lid WBTW wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens artikel 1, eerste lid, 1° KB nr. 41 is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboete op het stuk van de btw bepaald in tabel G van de bijlage ten aanzien van overtredingen beoogd in artikel 70, § 1 WBTW, begaan na 31 oktober
  9. Volgens de voormelde tabel G bedraagt de toepasselijke geldboete 20 pct. van de verschuldigde belasting voor belastbare handelingen die niet zijn opgenomen in de daartoe bestemde aangifte zo dit bedrag meer dan 1.250 euro bedraagt voor een controleperiode van één jaar. 3.
  10. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, de wettigheid van die sanctie moet onderzoeken en in het bijzonder mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, houdt niet in dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief. Aan het vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht is immers voldaan indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst
(6). 3.
  1. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het m.i. naar recht. 3.
  2. Krachtens artikel 51 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie zijn de bepalingen van dit handvest gericht tot de instellingen en organen van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Bijgevolg geldt de verplichting om de grondrechten te eerbiedigen zoals ze in het kader van de Europese Unie zijn omschreven, voor de lidstaten alleen wanneer ze met toepassing van het communautair recht handelen. Het Hof van Justitie oordeelde in een arrest van 23 februari 2013 C-617/10 inzake Åkerberg Fransson als volgt met betrekking tot een nationale regeling die als grondslag gold voor een BTW-boete: “
  3. Op btw-gebied vloeit uit de artikelen 2, 250, lid 1, en 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1), waarin onder meer de bepalingen van artikel 2 van de Zesde richtlijn en artikel 22, leden 4 en 8, van die richtlijn, in de versie van artikel 28nonies daarvan, zijn overgenomen, en uit artikel 4, lid 3, VEU voort dat iedere lidstaat alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen dient te treffen om te waarborgen dat de btw op zijn grondgebied volledig wordt geïnd en om fraude te bestrijden (zie arrest van 17 juli 2008, Commissie/Italië, C 132/06, Jurispr. blz. I 5457, punten 37 en 46).
  4. Bovendien moeten de lidstaten volgens artikel 325 VWEU onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad bestrijden met maatregelen die afschrikkend werken en doeltreffend zijn, en moeten zij in het bijzonder ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen treffen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad (zie in die zin arrest van 28 oktober 2010, SGS Belgium e.a., C 367/09, Jurispr. blz. I 10761, punten 40 42). De eigen middelen van de Unie omvatten volgens artikel 2, lid 1, van besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 163, blz. 17) met name de ontvangsten uit de toepassing van een uniform percentage op de btw-grondslag die op uniforme wijze is vastgesteld volgens voorschriften van de Unie, zodat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de inning van de btw-ontvangsten met inachtneming van het toepasselijke Unierecht en de terbeschikkingstelling van de overeenkomstige btw-middelen van de begroting van de Unie, aangezien elk mankement in de inning van de btw-ontvangsten potentieel tot verlaging van de btw-middelen van de Unie leidt (zie in die zin arrest van 15 november 2011, Commissie/Duitsland, C 539/09, Jurispr. blz. I-11235, punt 72). 27 . Bijgevolg wordt met belastingboeten en strafvervolging wegens belastingfraude, zoals die waarvan de verdachte in het hoofdgeding het voorwerp is of is geweest wegens verstrekking van onjuiste inlichtingen op btw-gebied, uitvoering gegeven aan de artikelen 2, 250, lid 1, en 273 van richtlijn 2006/112 (voorheen de artikelen 2 en 22 van de Zesde richtlijn) en artikel 325 VWEU, en dus aan het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.
  5. Dat de nationale regelingen die als grondslag dienen voor die belastingboeten en strafvervolgingen niet zijn vastgesteld om uitvoering te geven aan richtlijn 2006/112, doet niet af aan die vaststelling, aangezien met de toepassing van deze regelingen wordt beoogd schending van de bepalingen van deze richtlijn te bestraffen en dus uitvoering te geven aan de door het Verdrag aan de lidstaten opgelegde verplichting om gedragingen waarmee de financiële belangen van de Unie worden geschaad, effectief te bestraffen.
  6. Dit vooropgesteld, kan een nationale autoriteit of rechterlijke instantie die moet onderzoeken of een nationale bepaling of maatregel waarmee in een situatie waarin het optreden van de lidstaten niet volledig door het Unierecht wordt bepaald, het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, in overeenstemming is met de grondrechten, daarbij nog steeds nationale maatstaven voor de bescherming van de grondrechten toepassen, op voorwaarde dat deze toepassing niet afdoet aan het door het Handvest geboden beschermingsniveau, zoals uitgelegd door het Hof, noch aan de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht (zie voor dit laatste aspect arrest van 26 februari 2013, Melloni, C 399/11, punt 60)”. In een arrest van 26 april 2017 (C-564/15 - Farkas) oordeelde het Hof van Justitie in een zaak waarin een fiscale sanctie van 50% van de BTW werd opgelegd:
  7. Er zij aan herinnerd dat bij ontbreken van harmonisatie van de Uniewetgeving op het gebied van de toepasselijke sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van een bij deze wettelijke regeling ingesteld stelsel, de lidstaten bevoegd zijn de sancties te kiezen die hun passend voorkomen. Zij moeten hun bevoegdheid echter uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en dus ook met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel (zie in die zin met name arresten van 7 december 2000, de Andrade, C 213/99, EU:C:2000:678, punt 20, en 6 februari 2014, Fatorie, C 424/12, EU:C:2014:50, punt 50). (…)
  8. Dergelijke sancties mogen derhalve niet verder gaan dan noodzakelijk is ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude. Bij de beoordeling of een sanctie in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, moet met name rekening worden gehouden met de aard en de ernst van de inbreuk waarvoor die sanctie wordt opgelegd en met de wijze waarop de hoogte ervan wordt bepaald (zie in die zin arresten van 8 mei 2008, Ecotrade, C 95/07 en C 96/07, EU:C:2008:267, punten 65 67, en 20 juni 2013, Rodopi M 91, C 259/12, EU:C:2013:414, punt 38).
  9. Weliswaar staat het ter beoordeling van de verwijzende rechter of het boetebedrag niet verder gaat dan nodig om de in het vorige punt aangegeven doelstellingen te bereiken (arrest van 20 juni 2013, Rodopi M 91, C 259/12, EU:C:2013:414, punt 39), maar hij moet op bepaalde elementen in het hoofdgeding worden gewezen die hem toestaan te beoordelen of de aan Farkas opgelegde sanctie, op basis van de bepalingen van het wetboek fiscaal procesrecht, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel is”. 3.
  10. Uit de voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie volgt m.i. dat de bepalingen in verband met administratieve boetes in het Belgisch Btw-wetboek en zijn uitvoeringsbesluiten ertoe strekken het Unierecht te handhaven, en derhalve zijn op deze bepalingen de algemene beginselen van het Unierecht van toepassing. Tot die algemene beginselen behoort het evenredigheidsbeginsel
(7). Ook bij de toepassing die lidstaten geven aan Uniemaatregelen, moeten zij bijgevolg het evenredigheidsbeginsel respecteren, bijvoorbeeld bij het opleggen van sancties
(8). Uit voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie lijkt mij dan ook te volgen dat de nationale rechter een overeenkomstig KB nr. 41 opgelegde administratieve geldboete in toepassing van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel kan verminderen tot beneden de in het voormelde KB nr. 41 voorziene vaste boetetarieven, rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuk en bepaalde omstandigheden eigen aan de zaak waarop wordt gewezen (te dezen de principiële aard van de betwisting, de complexe regelgeving en de goede trouw van de belastingplichtige). 3.
  1. In voorliggend geval verwerpen de appelrechters de vordering van eiseres tot vernietiging van de geldboete op grond van de redenen vermeld op p. 19, 2de al. tot en met p. 20, 1ste al. van het arrest. De appelrechters houden in hun overwegingen zodoende rekening met het toepasselijke wettelijke en reglementaire kader, de complexiteit van de zaak, de aard, de ernst en de omvang van de inbreuken, en de goede trouw van eiseres. Op grond van deze redenen konden de appelrechters m.i. zonder schending van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel oordelen dat er geen reden is om de kwestieuze geldboete teniet te doen. Het onderdeel kan m.i. niet worden aangenomen.
  2. Besluit: Verwerping. _________________________________________
(1)Eiseres verwijst naar HvJ 11 maart 2020, C-94/19, San Domenico Vetraria, EU:C:2020:193, r.o. 27.
(2)Zie Cass. 7 april 2016, AR F.14.0209.N, AC 2016, nr. 246, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160407.6.
(3)HvJ 29 april 2004, EDM, C-77/01, r.o. 87-90.
(4)A. VAN DOESEM, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW, Deventer, Kluwer 2009, 391.
(5)De prejudiciële vraag luidde meer bepaald als volgt: “Vormt de uitvoering van werkzaamheden in het kader van een consortium als het onderhavige, door een onderneming die lid is van het consortium en het tevens beheert, met name wanneer die werkzaamheden haar in de overeenkomst vastgelegde aandeel overschrijden, en de overige consortiumdeelnemers haar de tegenwaarde van deze werkzaamheden betalen, een‚ economische activiteit’ in de zin van de Zesde richtlijn?” (r.o. 28.).
(6)Cass. 25 april 2025, AR F.22.0162.N-F.22.0166.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250425.1N.1.
(7)Zie daarover K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees Recht, Intersentia 2017, p. 91-92.
(8)Ibid., 92, nr. 120. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260212.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260212.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160407.6 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250425.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.