← België

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING contra L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260216.3N.6 Rolnummer: S.24.0046.N Zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING contra L. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2026-03-25 Raadplegingen: 242 - laatst gezien 2026-06-18 06:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260216.3N.6 Fiche 1 De werknemer die zelf een einde aan de arbeidsovereenkomst maakt, is niet werkloos wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil, tenzij zijn ontslag het gevolg is van omstandigheden welke van die aard zijn dat van hem redelijkerwijze niet kan worden gevergd de dienstbetrekking te laten voortduren

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WERKLOOSHEID - RECHT OP UITKERING Wettelijke bepalingen: KB 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - 25-11-1991 - Art. 44 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 KB 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - 25-11-1991 - Art. 51, tweede lid, § 1, 1° - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Fiche 2 Dat een bedrijfs-cao in het kader van een herstructurering de mogelijkheid biedt om het bedrijf te verlaten, is op zich geen omstandigheid die de werkloze verplicht om zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen, tenzij wanneer aan de hand van de feiten wordt aangetoond dat de werknemer geen andere keuze had dan de arbeidsovereenkomst te beëindigen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WERKLOOSHEID - RECHT OP UITKERING Wettelijke bepalingen: KB 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - 25-11-1991 - Art. 44 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 KB 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - 25-11-1991 - Art. 51, tweede lid, § 1, 1° - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Tekst van de conclusie S.24.0046.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN:
  1. Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, gewezen op 16 mei
  2. Door eiser worden twee middelen aangevoerd.
  3. Het eerste middel. De problematiek in het middel betreft de vraag of verweerder inderdaad te beschouwen is als onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid, zoals bepaald in artikel 44 Werkloosheidsbesluit. Hierbij dient verwezen te worden naar artikel 51, tweede lid, § 1, 1° van hetzelfde besluit waarbij het verlaten van een passende dienstbetrekking beschouwd wordt als werkloos wegens omstandigheden afhankelijk van de wil van de betrokken werknemer. Het principe is dus dat een werknemer die ontslag neemt uit een passende dienstbetrekking of die in onderling akkoord met de werkgever een einde stelt aan de arbeidsovereenkomst niet beschouwd kan worden als een werknemer die onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid is. Inderdaad werkverlating betreft een vrijwillige handeling van de werknemer
(1). Uit Uw rechtspraak
(2)volgt dat een werknemer onafhankelijk van zijn wil werkloos is wanneer het ontslag het gevolg is van omstandigheden die van die aard zijn dat van hem niet redelijker wijze kan worden gevraagd om de dienstbetrekking te laten voortduren
(3). In die zin kan de rechter dus bij de beoordeling van het aspect wettige werkverlating andere gegevens in aanmerking nemen dan de criteria die weerhouden worden om te bepalen wat een passende dienstbetrekking is
(4). Dus andere criteria, dan deze die weerhouden worden in het ministerieel besluit van 26 november 1991, om uit te maken of er al dan niet sprake is van een passende dienstbetrekking
(5). Dit betreft een beoordeling in feite van de rechter waarop Uw Hof een marginale toetsing uitoefent. Uit de niet betwiste vaststellingen van de appelrechters blijkt dat de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord werd beëindigd. Dit kaderde in een herstructurering van de werkgever waaruit de noodzaak voortvloeide om over te gaan tot vrijwillige beëindiging en/of gedwongen ontslag van een deel van de werknemers
(6). Verweerder ging in op de vertrekregeling. Voor hem betekende dit dat hij vanaf 29 december 2014 zou genieten van een halftijds tijdskrediet, hij vanaf 1 maart 2016 zou vrijgesteld worden van prestaties om op 1 maart 2021 met vervroegd pensioen te gaan
(7)
(8). Nu, het aspect einde arbeidsovereenkomst in onderling akkoord in het kader van een herstructurering kwam reeds aan bod in Uw rechtspraak. Dit betreft Uw arrest van 19 januari 2004
(9). De appelrechters, in de toenmalig bestreden beslissing, oordeelden dat er sprake was van een werkverlating om wettige reden. De werknemer maakte gebruik maakte een bedrijfs-cao om het bedrijf te verlaten met vervroegd bedrijfspensioen. De wettige reden was volgens de appelrechters gegrond op het gegeven dat het vrijwillig ontslag kaderde in de herstructurering van het bedrijf en dat de werknemer de facto geen andere keuze had dan te vertrekken. Uw Hof vernietigde de beslissing daar de appelrechters geen feiten vaststelden waaruit naar voor kwam dat de werknemer geen andere keuze had. In het thans bestreden arrest stelt zich hetzelfde probleem dat aan de orde was in Uw arrest van 2004. Betreffende de redenen die de appelrechters weerhouden om te oordelen dat er in hoofde van verweerder geen andere keuze was dan in te gaan op de voorstellen van het herstructureringsplan kan ik verwijzen naar de overwegingen die aan te treffen zijn op de bladzijden 14 en 15 van de bestreden beslissing. Zij oordelen daar dat: - de verweerder de keuze had tussen (allicht) het risico om onmiddellijk ontslagen te worden ofwel meegaan in het herstructureringsplan en zodoende opteren voor een halftijds tijdskrediet waardoor verweerder eigenlijk nog de zekerheid had om een negental jaren in dient te kunnen blijven; - elke rechtgeaarde, rationeel denkende werknemer dezelfde beslissing zou nemen als deze die door verweerder werd genomen en zich eigenlijk aan hem opdrong; - verweerder niet gekozen heeft voor de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst hetgeen in het kader van een gedwongen ontslag (allicht) het geval zou zijn geweest, maar opteerde voor een beëindiging op (lange) termijn, zijnde tegen de datum dat hij aanspraak zou kunnen maken op vervroegd pensioen, zijnde negen jaar na het afsluiten van de overeenkomst inzake de vertrekregeling; - dit de enige echte keuze mogelijkheden waren die de onderneming hem bood en dat verweerder aan de appelrechters toont dat hij geen andere keuze had dan op dit stelsel in te gaan; - de perspectieven van verweerder beduidend minder “aantrekkelijk” waren indien hij niet meeging in het stelsel. Op grond van deze overwegingen verantwoorden evenwel de appelrechters niet naar recht hun oordeel dat verweerder niet onvrijwillig werkloos zou zijn. De appelrechters stellen niet vast dat zo verweerder niet in zou zijn gegaan op het voorstel hij onmiddellijk ontslagen zou worden waardoor er op ingaan inderdaad de enige mogelijkheid was om zijn tewerkstelling te behouden. Uit de bestreden beslissing blijkt inderdaad niet dat verweerder zou behoren tot deze werknemers die onmiddellijk ontslagen zouden worden zodat hij verplicht was om te kiezen voor de regeling van de bedrijfs-cao om dit ontslag te vermijden. De appelrechters oordelen immers dat er sprake is van “(allicht) het risico lopen op een onmiddellijk ontslag” en dat “[verweerder] niet [heeft] gekozen voor de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst, hetgeen in het kader van een gedwongen ontslag (allicht) het geval zou zijn geweest”. Uit de overwegingen blijkt derhalve niet dat de verweerder geen andere keuze had dan ingaan op het systeem dat voortvloeide uit de ondernemings-cao. Het middel is gegrond. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Conclusie: cassatie. ___________________________________________________________________
(1)L. MARKEY, “Le chomage: conditions d’admission, conditions d’octroi et indemnisation”, Wolters Kluwer 2024, pag. 342.
(2)Cass. 26 september 1977, AC 1978, 122 met concl. van toenmalig advocaat-generaal LENAERTS in JTT, 1978 p. 192 en 22 oktober 1984, AR 4431 AC 1984-85, nr. 135. Deze arresten werden gewezen onder de gelding van het Werkloosheidsbesluit 1963 doch kunnen weerhouden worden onder de gelding van het Werkloosheidsbesluit.
(3)W. VAN EECKHOUTTE, Sociaal Compendium – Socialezekerheidsrecht, 2024-2025, Kluwer, Mechelen, 2024, p. 1331; S. HUYGHE en L.-M. PLATTEAU, De sanctiepraktijk van de RVA onder de loep, Tijdschrift Sociaal Recht en Human Resources – Nieuwsbrief ontslag, november 2021, p. 2; G. GAILLIET, F. LAMBRECHT, A. MORTIER en M. SOMON, Chômage, RPDB, Larcier, Brussel, p. 228 en L. MARKEY, o.c., p. 314.
(4)Cass. 30 januari 1984, AR 4075, AC 1983-84, nr. 288 en X, J. FUNCK en L. MARKEY, “L’abandon d’emploi sans motif légitime”, Guide social permanent. Tome 4 - Droit de la sécurité sociale: commentaire , Partie I - Livre IV, Titre III, Chapitre III, 10.
(5)L. MARKEY, o.c., p. 314.
(6)Bestreden beslissing pag. 14.
(7)Bestreden beslissing pag. 13.
(8)Door een wijziging in de pensioenwetgeving kon verweerder evenwel slechts vanaf 1 mei 2022 met pensioen gaan.
(9)Cass. 19 januari 2004, AR S.03.0094.N, niet gepubliceerd. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260216.3N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260216.3N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.