← België

TWO WAY MEDIA Ltd contra PROXIMUS nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 februari 2026

Art. 602

, 1° - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 622

- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 602

, 1° - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 622

- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Fiches 6 - 7 De algemene bevoegdheid van het hof van beroep te Brussel om kennis te nemen van het hoger beroep tegen beslissingen van de ondernemingsrechtbank te Brussel belet geenszins de verwijzing door het Hof naar een ander rechtscollege van een ander rechtsgebied met toepassing van artikel 1110, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: UITVINDINGSOCTROOI - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 602

, 1° - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 622

- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1110, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN.

OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 602

, 1° - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 622

- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1110

, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 8 - 9 De rechter is slechts bevoegd binnen de grenzen van het rechtsgebied dat hem door de wet is toegekend, behalve in de gevallen waarin de wet anders bepaalt; artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek aangaande de verwijzing na cassatie vormt dergelijke andere wetsbepaling

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Plaatselijke bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 622

- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1110, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN.

OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -

Art. 622

- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1110

, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 10 - 11 De in artikel XI.337 WER bedoelde exclusieve bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank te Brussel blijft niet derwijze gelden in hoger beroep dat het Hof zou verplicht zijn in geval van cassatie van een arrest van het hof van beroep te Brussel inzake een octrooigeschil, de zaak met toepassing van artikel 1110, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek te verwijzen naar het hof van beroep te Brussel, anders samengesteld; het Hof kan in geval van cassatie van een arrest van het hof van beroep te Brussel inzake een octrooigeschil, de zaak met toepassing van artikel 1110, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek ook verwijzen naar een ander hof van beroep

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: UITVINDINGSOCTROOI - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1110

, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XI.337 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1110

, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XI.337 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de conclusie C.25.0125.N Conclusie van advocaat-generaal Frederic VROMAN: Eiseres verzoekt tot verbetering van het arrest gewezen door de eerste kamer van het Hof op 10 maart 2023 in de zaak gekend onder het rolnummer C.22.0126.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230310.1N.5 tussen PROXIMUS nv als eiseres tot cassatie en TWO-WAY MEDIA Ltd als verweerster in cassatie. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de vraag of de verwijzing door het Hof van een zaak in verband met een octrooirecht en die op basis van artikel XI.337 WER tot de exclusieve materiële en territoriale bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank te Brussel behoort, naar een ander hof van beroep dan dat van Brussel al dan niet noodzakelijk op een vergissing berust en dus voor verbetering in aanmerking komt. De relevante elementen kunnen als volgt worden samengevat: Er is een octrooigeschil tussen partijen dat onder meer uitmondt in een vonnis van 23 oktober 2019 van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel die eiseres beveelt om een borg te stellen ten belope van 200.000 euro door consignatie bij de Deposito- en Consignatiekas en voor het overige de zaak naar de rol verwijst. Tegen dit vonnis stelt eiseres hoger beroep in. Dit hoger beroep werd ontvankelijk en gegrond verklaard bij arrest van 28 juni 2021 van het hof van beroep te Brussel. Het vonnis van 23 oktober 2019 werd tenietgedaan en de exceptie van borgstelling van de eisende vreemdeling werd ongegrond verklaard en het hof van beroep te Brussel hield de zaak in toepassing van artikel 1068, § 1, Gerechtelijk Wetboek aan voor behandeling ten gronde. Tegen dit arrest stelde verweerster cassatieberoep in en bij arrest van 10 maart 2023 vernietigde het Hof het arrest van 28 juin 2021 en verwees het de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Het hof van beroep te Antwerpen heropende bij tussenarrest van 13 november 2024 de debatten om de partijen toe te laten standpunt in te nemen over de ambtshalve vraag of de verwijzing naar het hof van beroep te Antwerpen in het arrest van het Hof van Cassatie mogelijks geen vergissing betreft gelet op de exclusieve bevoegdheid van de rechtbanken te Brussel inzake octrooigeschillen. Op 3 april 2025 legt eiseres huidig verzoekschrift tot verbetering neer waarin wordt gevraagd om het arrest van het Hof van 10 maart 2023 te verbeteren door de verwijzing naar het hof van beroep te Antwerpen te vervangen door een verwijzing naar het hof van beroep te Brussel, anders samengesteld. II. Beoordeling. Uit de stukken van het rechtsplegingsdossier lijkt het dat verzoekster met het verzoek tot verbetering eigenlijk (ook) een uitlegging van het vernietigingsarrest of een standpunt van het Hof omtrent de omvang de cassatie wenst te bekomen. Het is echter aan verwijzingsrechter om de omvang van cassatie en dus zijn saisine te bepalen onder het toezicht van het Hof

(1)en in de regel zal het Hof dan ook niet ingaan op een verzoek tot interpretatie van het vernietigingsarrest in verband met de omvang van cassatie
(2). Hetzelfde geldt mijns inziens voor een verzoek tot verbetering overeenkomstig artikel 794 Gerechtelijk Wetboek. Ofwel verbetert het Hof zijn arrest ofwel verbetert het Hof zijn arrest niet. Op geen enkele manier zal uit dit arrest een aanwijzing kunnen worden gepuurd met betrekking tot de omvang van de cassatie van het al dan niet-verbeterde cassatiearrest. Als het Hof het arrest verbetert spreekt het voor zich dat het hof van beroep te Antwerpen niets meer te beslissen heeft en dat de zaak in gereedheid zal moeten worden gebracht voor het hof van beroep te Brussel. Voor dit laatste hof van beroep zal dan de discussie moeten worden gevoerd over de omvang van cassatie. Wanneer het Hof daarentegen niet overgaat tot verbetering, zal dit in geen enkel opzicht een aanduiding opleveren voor de omvang van cassatie en of het hof van beroep te Antwerpen zich nu al dan niet moet uitspreken over de exceptie van borgstelling en/of over de beweerde inbreuk op het octrooirecht en de daaruit voortvloeiende vorderingen die daaromtrent werden gesteld. Het is de vaste rechtspraak van het Hof dat de aanwijzing in een cassatiearrest van de rechter naar wie de zaak wordt verwezen een daad van gerechtelijke administratie is die het Hof ofwel op vordering van de Procureur-generaal, ofwel op verzoek van de partijen of van een van hen te allen tijde kan verbeteren of wijzigen als die op een vergissing berust, ongeacht de aard ervan of ongeacht of het belang van partijen dit gebiedt. In toepassing van dit principe ging het Hof reeds over tot verbetering van de verwijzingsrechter in volgende gevallen: - wanneer een arrest van het Marktenhof wordt vernietigd en het Hof de zaak verwees naar het hof van beroep van Antwerpen. Het Hof verbeterde dit naar een verwijzing naar het Marktenhof
(3); - wanneer een vonnis van een vredegerecht wordt vernietigd en het Hof de zaak verwees naar een vredegerecht waarvan de zetel werd opgeheven
(4); - wanneer een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Oudenaarde die zich ten onrechte onbevoegd verklaarde, wordt vernietigd en het Hof de zaak verwees naar de rechtbank van koophandel te Gent terwijl dit rechtbank van koophandel te Oudenaarde moest zijn
(5); - wanneer het Hof een vonnis van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel dat de vordering tot nietigverklaring van de arbitrale uitspraak niet-ontvankelijk verklaarde, vernietigt en het Hof de zaak verwees naar de rechtbank van eerste aanleg van Waals-Brabant die territoriaal gezien en volgens de Taalwet Gerechtszaken niet bevoegd kon zijn. Het Hof verwees deze zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Luik
(6). Artikel XI.337 WER bepaalt dat de ondernemingsrechtbank te Brussel kennisneemt van alle vorderingen inzake octrooien of aanvullende beschermingscertificaten, ongeacht het bedrag van de vordering, tenzij de partijen ervoor kiezen hun vordering voor een scheidsgerecht te brengen. De wetgever had met deze bepaling de centralisatie van octrooigeschillen voor de rechtbank van koophandel te Brussel (thans de ondernemingsrechtbank) op het oog. De wetgever oordeelde: “Immers, rekening houdend met de overeenkomst betreffende het eengemaakt octrooigerecht, zullen de Belgische rechtbanken enkel bevoegd blijven voor geschillen in verband met nationale octrooien. Dit heeft tot gevolg dat de Belgische rechtbanken slechts een klein aantal octrooigeschillen zullen behandelen. Octrooizaken zijn echter bijzonder technische zaken. Het wordt daarom beter geacht om deze zaken te centraliseren voor de rechtbank van Brussel waardoor een grotere specialisatie mogelijk wordt”
(7). De verzoekster leidt uit deze bepaling eveneens een exclusieve bevoegdheid voor het hof van beroep te Brussel af voor de beroepen gericht tegen de vonnissen van de ondernemingsrechtbank te Brussel op basis van artikel XI.337 WER
(8). Deze gevolgtrekking blijkt echter niet uit de wet zelf noch uit de parlementaire voorbereiding. Het zou kunnen dat het een vergetelheid van de wetgever betreft om ook het hof van beroep te Brussel niet exclusief bevoegd te maken maar het zou evengoed ook mogelijk kunnen zijn dat de wetgever dit laatste niet wou. Het standpunt van de verzoekster volg ik niet. Een exclusieve materiële en territoriale bevoegdheid moet blijken uit de wet zelf. Er is geen bepaling terug te vinden in het WER of in titel III van Deel III Bevoegdheid van het Gerechtelijk Wetboek waaruit een dergelijke exclusieve territoriale bevoegdheid voor het Hof van Beroep te Brussel volgt en dit in tegenstelling met andere materies waar wel een dergelijke bevoegdheid is ingeschreven (vb. artikel 633ter Gerechtelijk Wetboek). De territoriale bevoegdheid van het hof van beroep van Brussel in het kader van het octrooirecht wordt dan ook bepaald volgens de normale regels. Artikel 156 Grondwet bepaalt het rechtsgebied waarvoor het hof van beroep van Brussel bevoegd is. Artikel 602, 1°, Gerechtelijk Wetboek (in verband met de materiële bevoegdheid) bepaalt dat het hof van beroep kennisneemt van het hoger beroep tegen beslissingen in eerste aanleg gewezen door de rechtbanken van eerste aanleg en door de ondernemingsrechtbanken. Wat de territoriale bevoegdheid van de appelrechter betreft is het de plaats van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft geveld die bepaalt welke appelrechter bevoegd is
(9). Volgens artikel 622 Gerechtelijk is de rechter slechts bevoegd binnen de grenzen van het rechtsgebied dat hem door de wet is toegekend, behalve in de gevallen waarin de wet anders bepaalt. Artikel 1110, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het Hof in geval van vernietiging, indien daartoe grond bestaat, de zaak verwijst hetzij naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing gewezen heeft, hetzij naar hetzelfde gerecht, anders samengesteld. Deze bepaling werd ingevoegd door de Wet van 6 juli 2017
(10). Met de wijziging had de wetgever de bedoeling om het Hof de keuze te laten om te verwijzen naar gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing heeft gewezen of naar hetzelfde gerecht, anders samengesteld, zoals dit reeds gold in strafzaken
(11). De Wet van 14 februari 2014 had immers artikel 435 Wetboek van Strafvordering reeds in die zin aangepast
(12). Ook met die wet had de wetgever de bedoeling om het Hof van Cassatie een ruime beoordelingsvrijheid te geven met betrekking tot het gerecht waarnaar de zaak verwezen wordt en om de recente ontwikkeling in de rechtspraak een wettelijk basis te geven
(13). Het Hof heeft dus een ruime bevoegdheid om zelf te bepalen wanneer het een zaak na cassatie verwijst naar een ander rechtscollege van dezelfde rang of naar hetzelfde rechtscollege anders samengesteld. Er zijn geen wettelijke criteria waaraan het zich moet houden. Het Hof bepaalt met andere woorden zelf de regels maar de terugverwijzing naar het rechtscollege is eerder de uitzondering
(14). Artikel 1110, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dus een geval waarin de wet anders bepaalt, zoals bedoeld in artikel 622 Gerechtelijk Wetboek. Het Hof had dan ook de keuze om ofwel te verwijzen naar het hof van beroep te Brussel anders samengesteld ofwel naar een ander hof van beroep. Enkel in geval er door de wet een specifiek hof van beroep is aangewezen om kennis te nemen van een vordering of van het hoger beroep en er dus sprake is van een uniek rechtscollege dat bevoegd is, zoals de Raad van State of het Marktenhof, of in geval tuchtzaken wanneer het Hof toepassing maakt van artikel 1121/5, 5°, Gerechtelijk Wetboek, moet het Hof volgens mij verwijzen naar dit hof van beroep, anders samengesteld en mag het dus niet verwijzen naar een ander hof van beroep
(15). Het verzoek tot verbetering faalt dus naar recht. De beslissing van het Hof in het arrest van 10 maart 2023 met AR C.22.0126.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230310.1N.5 om de zaak te verwijzen naar het hof van beroep te Antwerpen berust dan ook niet op een vergissing die moet worden verbeterd. Conclusie: Verwerping van het verzoek tot verbetering. _____________________________________________________________
(1)Vb. Cass. 8 maart 2019, AR C.16.0481.N, AC 2019, nr. 147, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.2, met concl. van advocaat-generaal Ria MORTIER, ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190308.2.
(2)Cass. 10 december 2007, AR C.07.0313.N, AC 2007, nr. 622, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071210.5; Cass. 14 februari 1991, AR 9109, AC 1991, nr. 320, ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19910214.13 (contra Cass. 18 maart 1983, AR 3766, AC 1983, nr. 403); Zie ook WYLLEMAN B., “Beschouwingen over de omvang van de cassatie in burgerlijke zaken”, RW 2022-2023/1, 5.
(3)Cass. 9 januari 2020, AR C.19.0489.N, AC 2020, nr. 29, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.7.
(4)Cass. 28 oktober 2011, AR C.11.0593.F AC 2011, nr. 580, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111028.1.
(5)Cass. 9 december 2005, AR C.05.0516.N AC 2005, nr. 658, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051209.9.
(6)Cass. 21 maart 2019, AR C.19.0063.F, AC 2019, nr. 172, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190321.2.
(7)Mvt bij het wetsontwerp houdende de invoeging van boek XI, “Intellectuele eigendom” in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van bepalingen eigen aan boek XI in de boeken I, XV en XVII van hetzelfde Wetboek en bij het wetsontwerp houdende invoeging van de bepalingen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, in boek XI “Intellectuele eigendom”van het Wetboek van economisch recht, houdende invoeging van een bepaling eigen aan boek XI in boek XVII van hetzelfde Wetboek, en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de organisatie van de hoven en rechtbanken betreffende vorderingen inzake intellectuele eigendomsrechten en inzake transparantie van het auteursrecht en de naburige rechten betreft, KAMER 2013-2014, 21 februari 2014, 53-3991/001 en 53-3992/001, 66.
(8)Ook in de rechtsleer werd deze gevolgtrekking gemaakt vb. JANSSENS M.-C., VANHEES H. en VANOERMEIRE V., “Intellectuele rechten in het Wetboek Economisch Rech”, RW 2015-2016/17, 645, nr. 12; FIGYS J., “De exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van koophandel en het hof van beroep te Brussel in het nieuwe Wetboek Intellectuele Eigendom (Boek XI van het WER)”, RABG 2014/18, 1305-1306. Geen van de auteurs bespreekt echter de hypothese van de vernietiging van een arrest van het hof van beroep te Brussel door het Hof van Cassatie.
(9)DE LEVAL G., HOC A., J.-F. VAN DROOGHENBROECK, Droit judiciaire – Tome 2 Procédure civile – Volume 2 Voies de recours, Larcier-Intersentia 2021, 58, nr. 9.55.
(10)Nl. door artikel 149, 1° van de Wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie (BS 24 juli 2017), ingevoegd via amendement nr. 23 van de heer TERWINGEN c.s., KAMER 2016-2017, 13 maart 2017, 54-2259/003, 32 zonder verantwoording maar volgens het verslag in de kamercommissie (Verslag van de eerste lezing, KAMER 2016-2017, 2 juni 2017, 54-2259/008, 62) gebaseerd op de installatierede van procureur-generaal Dirk THIJS, “Van wandelstok naar zwaard - Voorstellen tot modernisering van de cassatieprocedures in het licht van het proceseconomisch gebruik van middelen”, RW 2016-2017/27, 1043-1057.
(11)Amendement nr. 23 van de heer TERWINGEN c.s., KAMER 2016-2017, 13 maart 2017, 54-2259/003, 32 zonder verantwoording maar volgens het verslag in de kamercommissie (Verslag van de eerste lezing, KAMER 2016-2017, 2 juni 2017, 54-2259/008, 62) gebaseerd op de installatierede van procureur-generaal Dirk THIJS, “Van wandelstok naar zwaard - Voorstellen tot modernisering van de cassatieprocedures in het licht van het proceseconomisch gebruik van middelen”, RW 2016-2017/27, 1050.
(12)Wet met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken, BS 27 februari 2014.
(13)Wetsvoorstel met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken, SENAAT 2012-2013, 7 november 2012, 5-1832/1, 22.
(14)Zie hieromtrent CLAUS L. De gevolgen van de vernietiging door het Hof van Cassatie, LeA-uitgevers 2024, 267-268, randnr. 441-442.
(15)Zie in deze zin CLAUS L., De gevolgen van de vernietiging door het Hof van Cassatie, LeA-uitgevers 2024, 268, randnr. 443; PARMENTIER C., Comprendre la technique de cassation - 2e édition, Larcier 2018, 199-200, randnr. 186; BAUDONCQ, F., “Commentaar bij art. 1110 Ger.W.”, in DEPUYDT P., ALLEMEERSCH B., VAN DEN BERGH B. en RAES S. (eds.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl.,
(1)15, nr. 12. In de studie van sectievoorzitter REGOUT in het jaarverslag 2016 van het Hof, verdedigt deze het standpunt dat wanneer het rechtscollege dat de bestreden beslissing heeft gewezen een exclusieve bevoegdheid heeft, de verwijzing enkel voor dat college, anders samengesteld, kan plaatsvinden (Jaarverslag 2016, p. 213). Dit standpunt wordt ook gevolgd door BAUDONCQ (zie BAUDONCQ F., “Commentaar bij art. 1110 Ger.W.”, in DEPUYDT P., ALLEMEERSCH B., VAN DEN BERGH B. en RAES S. (eds.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl.,
(1)15, nr. 12). PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260219.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260219.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19910214.13 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051209.9 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071210.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111028.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190321.2 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190308.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230310.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.