id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260219.1N.13 Rolnummer: C.24.0102.N Zaak: BELGISCHE STAAT FINANCIEN c. BROUWERIJ HAACHT nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-03-25 Raadplegingen: 422 - laatst gezien 2026-06-18 06:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260219.1N.13 Fiche 1 De sanctie voor rechtsmisbruik bestaat in de matiging van de rechtsuitoefening tot een normale rechtsuitoefening, onverminderd het herstel van de schade die het misbruik heeft berokkend
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK Fiche 2 De rechtsuitoefening moet worden gematigd tot een normale rechtsuitoefening voor zover dat mogelijk is; de matiging tot een normale rechtsuitoefening kan erin bestaan dat de houder van het recht de mogelijkheid wordt ontzegd zich erop te beroepen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK Tekst van de conclusie C.24.0102.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering.
- Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan blijkt dat de eerste verweerster sedert 1977 eigenaar werd van een café met bijhorende schutterstoren. In de jaren 90 van de vorige eeuw was sprake van noodzaak tot herstelling van de toren. In 2003 werd de aanvraag van de eerste verweerster tot sloping van de schutterstoren geweigerd omdat de toren in aanmerking kwam voor bescherming als monument. Bij ministerieel besluit van 3 juni 2005 werd de Schutterstoren als monument beschermd. Uit een inspectieverslag van 2007 van Monumentenwacht blijkt dat zich op korte termijn een restauratie van de schutterstoren opdringt. In 2009 en 2012 vond over het herstel van de schutterstoren vervolgoverleg plaats tussen onder meer de eerste verweerster en Onroerend Erfgoed. Het verzoek op 2 januari 2015 tot opheffing van de bescherming van de schutterstoren werd afgewezen. In een notariële akte van 10 november 2016 deed de eerste verweerster eenzijdig, zuiver en eenvoudig afstand van de volle eigendom van de schutterstoren. Op 18 februari 2020 verzocht de eerste verweerster de eiser om dringende veiligheidsmaatregelen te treffen omdat door een storm panelen van de schutterstoren op haar eigendom waren gevallen. Met een dagvaarding van 10 september 2020 heeft de eiser de huidige procedure opgestart voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde. De eiser vorderde samengevat dat de afstand van de schutterstoren door de eerste verweerster niet rechtsgeldig was wegens gebrek aan toestemming krachtens artikel 713 oud BW, hetzij wegens ongeoorloofde oorzaak. Op 11 juli 2020 werd de schutterstoren getroffen door een brand waardoor op 13 september 2021 tot opheffing werd besloten van de bescherming van de schutterstoren als monument. In een tussenvonnis van 22 oktober 2021 oordeelde de eerste rechter dat de eerste verweerster haar recht om afstand te doen van de schutterstoren heeft misbruikt.
- Het bestreden arrest bevestigt het rechtsmisbruik van de eerste verweerster door de afstand van de schutterstoren. De afstand blijft rechtsgeldig maar de eerste verweerster wordt veroordeeld tot één euro provisioneel voor de schade die de eiser heeft geleden ingevolge het rechtsmisbruik.
- In de voorziening in cassatie tegen dit arrest voert de eiseres één middel aan met drie onderdelen. 2 Algemene bespreking van het arrest.
- De appelrechters beslissen dat de eerste verweerster rechtsmisbruik pleegde door afstand te doen van het eigendomsrecht van de schutterstoren. Ze motiveren die beslissing op zes vaststellingen waaronder deze dat de eerste verweerster, die reeds sedert 1977 eigenaar is van de toren, in wezen niets heeft gedaan voor het onderhoud en herstel ervan, en door de afstand de inmiddels hoog kostenintensieve toestand ervan heeft afgewenteld op de overheid. Ondanks het vaststellen van het rechtsmisbruik, oordelen ze dat de eenzijdige afstand rechtsgeldig is maar de eerste verweerster wel ertoe is gehouden de schade te vergoeden die voor de eiser voortvloeit uit het rechtsmisbruik.
- Gelet op de specifieke kenmerken van het betrokken perceel, namelijk klein en ingesloten en om die reden onbruikbaar, is het onbegrijpelijk waarom de appelrechters niet besloten tot wederovername (en sanering) van het volkomen verwaarloosd, volledig ingesloten en onbereikbaar onroerend goed. Er kan geen twijfel over bestaan dat door het behoud van de afstand het beheer van het perceel door de eiser feitelijk quasi onmogelijk, onwerkzaam en zinloos is. Die realiteit noopt onvermijdelijk tot een kritisch onderzoek van het arrest.
- Hoewel de eiser in zijn (in de voorziening geciteerde) syntheseconclusie het herstel van het rechtsmisbruik vorderde door wederovername van het perceel, lijkt het arrest die vordering te ontkennen. Het arrest overweegt immers als volgt: “Hoewel het denkbaar is dat het herstel ook kan gebeuren door de appellante tot wederovername op haar kosten te dwingen (met aanstelling van een notaris ingeval van onwilligheid, enz.) vordert de eerste geïntimeerde voor het geval waarin – zoals hier – de eenzijdige overdracht geldig is, maar misbruik van recht wordt vastgesteld, om de appellante te veroordelen tot het betalen aan hem van een schadevergoeding die, in afwachting van de definitieve schadevaststelling provisioneel bepaald wordt op 1,00 euro” (eigen onderlijning). Hieruit blijkt dat het arrest
(1)laat verstaan dat rechtsmisbruik niet zou kunnen leiden tot het ongeldig verklaren van de rechtshandeling,
(2)de vordering van de eiser tot herstel in natura door wederovername ontkent, en
(3)de afwijzing van het herstel in natura niet beantwoordt,
(4)oordeelt dat het herstel van rechtsmisbruik enkel kan leiden tot ofwel de matiging van de rechtsuitoefening tot een normale rechtsuitoefening, ofwel het herstel van de schade die werd veroorzaakt door het misbruik. Deze vier punten worden hierna afzonderlijk behandeld. 7. Het arrest maakt eerst een analyse van de rechtsgeldigheid op zich van de afstand en stelt vast dat de eerste verweerster dit recht juridisch correct heeft uitgeoefend. Hoewel het arrest nadien oordeelt dat de afstand van het eigendomsrecht rechtsmisbruik uitmaakt, blijft het bij de voordien gemaakte analyse dat de afstand juridisch geldig is, zonder nog concreet na te gaan of het rechtsmisbruik ertoe kan leiden dat die rechtshandeling ongeldig kan worden verklaard, zoals nochtans uitdrukkelijk gevorderd door de eiseres. Daaruit blijkt dat de appelrechters oordelen dat rechtsmisbruik niet kan leiden tot het ongeldig verklaren van de rechtshandeling (nl. de afstand). Dat oordeel is in strijd met de rechtspraak van het Hof volgens welke de sanctie van het verbod op rechtsmisbruik bestaat in het herleiden van het recht dat zover kan gaan dat de rechter aan de houder van het recht de mogelijkheid ontzegt om zich erop te beroepen
(1). Door na de vaststelling van de juridische geldigheid van het recht, de ongeldigheid ervan uit te sluiten als sanctie van het vastgestelde rechtsmisbruik miskent het arrest de essentie van het verbod op rechtsmisbruik. Ondanks dat de eerste verweerster over het recht op afstand van eigendomsrecht beschikt en ze dat recht regelmatig heeft uitgeoefend, houdt het rechtsmisbruik in dat haar dit recht kan worden ontzegt, namelijk het ongedaan maken van dat (misbruikte) recht door de beslissing tot wederovername van het onroerend goed. Het arrest zegt dat de wederovername wel “denkbaar” is, maar dat aangezien de eenzijdige afstand rechtsgeldig is, enkel met de ondergeschikte vordering tot schadevergoeding van de eiser rekening kan worden gehouden. Het arrest dat oordeelt dat rechtsmisbruik niet kan leiden tot het ontzeggen van het ongeldig verklaren van de rechtshandeling (nl. de afstand) omdat het recht formeel en juridische kon worden uitgeoefend, miskent het beginsel van het verbod op rechtsmisbruik.
- De vaststelling dat het arrest de mogelijkheid tot het ongeldig verklaring van de afstand uitsluit na eerder in een objectieve analyse tot de formele en juridische rechtsgeldigheid ervan te hebben geoordeeld, wordt bevestigd door de ontkenning van de vordering van de eiser om de afstand ongeldig te verklaren en de wederovername te bevelen. Dit betreft het tweede en derde kritische punt van het arrest, namelijk het ontkennen of minstens niet beantwoorden van de vordering tot het ongeldig verklaren van de afstand.
- Het vierde kritische punt betreft de gevolgen die kunnen worden verbonden aan de vaststelling van rechtsmisbruik. Het arrest geeft de indruk dat er enkel alternatieve en geen cumulatieve sancties mogelijk zijn bij rechtsmisbruik. Op basis van de analyse dat op rechtsgeldige wijze afstand werd gedaan van het eigendomsrecht, laten de appelrechters verstaan dat enkel herstel via een schadevergoeding mogelijk is als sanctie. Die opvatting is in strijd met het arrest van het Hof van 16 november 2023 (zie verder)
(2). 3 De gevolgen van rechtsmisbruik. 10. Het Hof heeft al in meerdere arresten geoordeeld dat rechtsmisbruik wordt gesanctioneerd, niet door het verbeuren van het recht, maar door het recht tot zijn normale uitoefening te herleiden of door het opleggen van het herstel van de schade die door het misbruik is teweeggebracht
(3). Het recht op zich blijft bestaan maar de uitoefening ervan is verboden in de gegeven omstandigheden. Met deze regel heeft het Hof alle mogelijke nadelige gevolgen van het rechtsmisbruik willen dekken. 11. Een rechtshandeling kan geen rechtsgevolgen teweegbrengen in de mate dat die rechtshandeling strijdig is met een regel van dwingend recht. Bij rechtsmisbruik dient de abusieve of ongeoorloofde rechtsuitoefening worden gematigd tot een normale rechtsuitoefening. De matiging bestaat slechts in een ontzegging van de rechtsgevolgen in de mate dat ze abusievelijk zijn. De rechtshandeling moet dus niet in zijn geheel abusievelijk zijn
(4). Desgevallend kan de matiging de vorm aannemen van een volledige ontzegging van elk rechtsgevolg (d.i. de ontzegging van de mogelijkheid om in de concrete omstandigheden op het recht een beroep te doen)
(5), maar dat kan alleen indien de rechtsuitoefening ook in zijn geheel abusievelijk was
(6), en/of het (dus) de enige manier is waarop het misbruik kan worden gesanctioneerd’
(7).
- De matiging van de rechtsuitoefening omvat niet de eventuele schade die door het rechtsmisbruik kan ontstaan zijn. Het is mogelijk dat de abusieve rechtsuitoefening ook schade veroorzaakt. Het rechtsmisbruik wordt dan niet benaderd als een rechtshandeling, maar als een rechtsfeit, namelijk de materiële handeling die de titularis meende te kunnen rechtvaardigen door een beroep te doen op zijn recht, maar bij nader inzien een fout uitmaakt omdat de gedraging onzorgvuldig was.
- Het Hof heeft in zijn arrest van 16 november 2023 erkend dat rechtsmisbruik niet enkel kan worden gesanctioneerd met een alternatieve sanctie maar ook met een cumulatieve sanctie, namelijk niet louter met hetzij ofwel een matiging of ontzegging van de rechtsuitoefening ofwel met een herstel van de schade. De sanctie voor rechtsmisbruik bestaat in de matiging van de rechtsuitoefening tot een normale rechtsuitoefening, onverminderd het herstel van de schade die het misbruik heeft berokkend
(8)Beide zijn samen mogelijk afhankelijk van de concrete omstandigheden. Dit komt ook tot uiting in het nieuwe artikel 1.10, lid 3, BW. Een verboden rechtshandeling moet worden gematigd, en als het tevens een foutieve materiële gedraging betreft, is ook een schadeloosstelling verschuldigd voor zover die gedraging schade heeft veroorzaakt. 4 Eerste onderdeel: rechtsmisbruik moet hier de rechtsuitoefening ontzeggen.
- In het eerste onderdeel voert de eiseres aan dat de appelrechters, door te oordelen dat de uitgeoefende afstand van eigendomsrecht rechtsgeldig is, zowel het rechtsbegrip rechtsmisbruik alsook artikel 1382 oud BW miskennen, aangezien de uitoefening van een recht op een wijze die rechtsmisbruik inhoudt, die rechtsuitoefening ongeldig maakt.
- Zoals de eiser zelf aangeeft in de voorziening wordt rechtsmisbruik gesanctioneerd, niet door het verbeuren van het recht, maar in het bijzonder door het recht tot zijn normale uitoefening te herleiden. Rechtsmisbruik leidt aldus niet per definitie of automatische tot het ontzeggen van het recht en houdt aldus evenmin voor de rechter die het misbruik vaststelt de verplichting in om het uitgeoefende recht als niet rechtsgeldig aan te merken. De rechter die rechtsmisbruik vaststelt, dient het recht tot zijn normale uitoefening te herleiden en is niet verplicht de rechtsuitoefening (in zijn geheel) rechtsongeldig te verklaren.
- Het eerste onderdeel, dat stelt dat de uitoefening van een recht op een wijze die rechtsmisbruik inhoudt, die rechtsuitoefening (steeds of per definitie) ongeldig maakt, berust op een onjuiste rechtsopvatting.
- Het is dan ook op zich niet tegenstrijdig eensdeels te oordelen dat er rechtsmisbruik is door het doen van de afstand van het eigendomsrecht, anderdeels de afstand niet rechtsongeldig te verklaren en de eerste verweerster te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding die voortvloeit uit het rechtsmisbruik.
- In zoverre het onderdeel het Hof uitnodigt tot een onderzoek van de feiten, is het niet ontvankelijk.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden aangenomen. Ik adviseer dat het Hof die marginale toets maakt. Het is niet naar recht te verantwoorden dat het arrest oordeelt dat de afstand van het eigendomsrecht rechtsmisbruik uitmaakt zonder vervolgens te besluiten dat de enige mogelijke matiging van het recht bestaat uit de ontzegging ervan (dus dat de afstand ongeldig is). Daarmee schenden ze de regel dat de sanctie van het rechtsmisbruik bestaat uit het herleiden van het recht tot zijn normale proporties, die hier enkel kan bestaan in de ongeldig verklaring van de afstand. Door aldus, na te hebben geoordeeld dat de afstand van het eigendomsrecht rechtsmisbruik uitmaakt, de uitoefening van dat recht niet te hebben ontzegd of herleid tot een normale uitoefening, schendt het arrest het beginsel van het verbod op rechtsmisbruik. 5 Tweede onderdeel: schending van de bewijskracht van de conclusie.
- In het tweede onderdeel voert de eiser aan dat het arrest de bewijskracht schendt van de syntheseconclusie van de eiser aangezien het daaraan een inhoud ontzegt die zij wel bevat, met name de vordering in hoofdorde, dat aan de verweerster als gevolg van het rechtsmisbruik het verbod moet worden opgelegd het eigendomsrecht uit te oefenen op een wijze die kennelijk de grenzen van een redelijke rechtsuitoefening door een voorzichtig persoon te buiten gaat.
- De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat, dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die wel erin voorkomt, kortom wanneer hij het geschrift doet liegen.
- Een strikte toepassing van deze grief zou het Hof ertoe kunnen doen besluiten dat het arrest geen uitlegging geeft van de syntheseconclusie en het onderdeel feitelijke grondslag mist. Het Hof zou ook kunnen oordelen dat het arrest de hoofdvordering van de eiser wel ontmoet in de volgende overweging, namelijk door te oordelen dat “voor het geval waarin – zoals hier – de eenzijdige overdracht geldig is, maar misbruik van recht wordt vastgesteld, [vordert] om [de verweerster] te veroordelen tot het betalen aan hem van een schadevergoeding die, in afwachting van de definitieve schadevaststelling provisioneel bepaald wordt op 1,00 euro”.
- Zoals reeds hoger vermeld, overtuigt het zonet weergegeven citaat uit het bestreden arrest geenszins als antwoord op de hoofdvordering van de eiser, namelijk dat de enige zinvolle remediëring van het rechtsmisbruik er hier in bestaat de afstand van het eigendomsrecht te ontzeggen of ongeldig te verklaren. Het arrest lijkt die mogelijkheid uit te sluiten omdat de afstand juridisch geldig werd uitgevoerd. Daarmee verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. 6 Derde onderdeel: het enige juiste herstel.
- In het derde onderdeel voert de eiser aan dat het arrest het recht op herstel in natura ontzegt door de eerste verweerster niet de mogelijkheid te ontzeggen zich te beroepen op het recht afstand en de verweerster (enkel) te veroordelen tot de betaling aan de eiser van een provisionele schadevergoeding van één euro voor de schade die in oorzakelijk verband staat met het vastgestelde rechtsmisbruik, waardoor het arrest de artikelen 1382 en 1383 van het Oud Burgerlijk Wetboek alsook het algemeen rechtsbeginsel inzake het verbod van rechtsmisbruik miskent.
- Hoewel hoger werd gewezen op de twee componenten van rechtsmisbruik, namelijk enerzijds een kennelijk abnormale rechtsuitoefening en anderzijds een ongeoorloofde gedraging, beoogt de sanctie een integraal herstel van die beide componenten waarbij (naar analogie van een schadevergoeding) herstel in natura de voorkeur verdient. Herstel van de schade in natura is de normale wijze van vergoeding van schade. De rechter is bijgevolg verplicht het herstel van de schade in natura te bevelen wanneer het slachtoffer dit vordert of de aansprakelijke dit aanbiedt en deze wijze van herstel bovendien mogelijk is en geen rechtsmisbruik uitmaakt
(9).
- Zoals reeds aangehaald, komt het onbegrijpelijk voor waarom de appelrechters niet besloten tot wederovername (en sanering) van dit klein en ingesloten perceel. Er kan geen twijfel over bestaan dat door het behoud van de afstand het beheer van het perceel door de eiser feitelijk volstrekt onmogelijk, onwerkzaam en zinloos is.
- Door op basis van de vastgestelde feiten niet te beslissen tot de enige mogelijke matiging van de rechtsuitoefening tot een normale rechtsuitoefening, namelijk door een herstel in natura door de wederovername van het onroerend goed, schendt het arrest het verbod op rechtsmisbruik. Het arrest dat ervan uitgaat dat de afstand van het eigendomsrecht op een juridisch correcte wijze werd toegepast en deze rechtsuitoefening om die reden ondanks het vastgestelde rechtsmisbruik niet kan worden ontzegt, schendt het beginsel van het verbod op rechtsmisbruik. Door, na te hebben geoordeeld dat de afstand van het eigendomsrecht rechtsmisbruik uitmaakt, de uitoefening van dat recht niet te hebben ontzegd of herleid tot een normale uitoefening, schendt het arrest het beginsel van het verbod op rechtsmisbruik. De eiser voert terecht aan dat door aldus te oordelen, het arrest aan de eiser het recht op een herstel in natura ontzegt, terwijl dit mogelijk was, wat het hof van beroep ook erkent met de overweging dat het denkbaar is dat het herstel ook kan gebeuren door de verweerster tot wederovername op haar kosten te dwingen (p. 26, eerste alinea, van het bestreden arrest), en terwijl niet wordt vastgesteld dat het rechtsmisbruik zou uitmaken. Conclusie: cassatie. __________________________________________________________
(1)O.a. Cass. 8 februari 2021, AR S.20.0009.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210208.3N.4, NJW 2021, afl. 444, 491, noot M. MEIRLAEN.
(2)Cass. 16 november 2023, AR C.23.0053.N, ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231116.1N.13.
(3)Cass. 23 februari 2024, AR C.23.0324.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240223.1F.5; Cass. 26 maart 2021, AR C.20.0342.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.10; Cass. 8 februari 2021, AR S.20.0009.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210208.3N.4, NJW 2021, afl. 444, 491, noot M. MEIRLAEN; Cass. 7 september 2020, AR C.19.0034.N-C.19.0118.N, AC 2020, nr. 495, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.3; Cass. 19 december 2019, AR C.19.0127.N, AC 2019, nr. 682, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191219.1N.4; Cass. 19 oktober 2018, AR C.15.0086.N, AC 2018, nr. 570, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181019.1.
(4)Cass. 26 maart 2021, AR C.20.0342.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.10: Het is mogelijk dat het invorderen van een dwangsom pas na verloop van tijd abusievelijk wordt doordat het bedrag ervan buitensporig wordt. In dat geval moet de dwangsom worden gematigd.
(5)Cass. 7 september 2020, AR C.19.0034.N-C.19.0118.N, AC 2020, nr. 495, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.3; Cass. 19 december 2019, AR C.19.0127.N, AC 2019, nr. 682, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191219.1N.4 (invordering van een dwangsom); Cass. 6 januari 2011, AR C.09.0624.F, AC 2011, nr. 12, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110106.4 (beroep op een schadebeding); Cass. 14 oktober 2010, AR C.09.0608.F, AC 2010, nr. 603, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101014.4 (beroep op een EOT-overeenkomst).
(6)Cass. 23 februari 2024, AR C.23.0324.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240223.1F.5: Het Hof vernietigt het arrest omdat, in plaats van de vordering volledig af te wijzen, de rechter had moeten nagaan of het rechtsmisbruik niet kon worden teruggebracht tot een normale rechtsuitoefening); Cass. 19 oktober 2018, AR C.15.0086.N, AC 2018, nr. 570, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181019.1.
(7)Cass. 8 februari 2021, AR S.20.0009.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210208.3N.4, NJW 2021, afl. 444, 491, noot M. MEIRLAEN (De rechters oordeelden dat de enige manier waarop het misbruik kon worden gesanctioneerd, bestond in het ontzeggen van het recht om zich op de verjaring te beroepen).
(8)Cass. 16 november 2023, AR C.23.0053.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231116.1N.13; F. POLLEFEYT, “Beschamen van rechtmatig vertrouwen erkend als bijzonder criterium van het verbod op rechtsmisbruik”, RW 2023-2024, afl. 42, 1669; S. STIJNS en F. AUVRAY, “L’abus de droit peut résulter de la méconnaissance de la confiance légitime créée chez autrui”, TBBR 2024, afl. 6, 262.
(9)Cass. 3 april 2017, AR S.16.0039.N, AC 2017, nr. 240, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170403.5. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260219.1N.13 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260219.1N.13 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101014.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110106.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170403.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181019.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191219.1N.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210208.3N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231116.1N.13 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231116.1N.13 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240223.1F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div