id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260226.1N.5 Rolnummer: C.24.0142.N Zaak: R. contra BELGISCHE STAAT, BINNENLANDSE ZAKEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2026-03-26 Raadplegingen: 239 - laatst gezien 2026-06-18 06:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260226.1N.5 Fiche Wanneer de pensioenaanspraak berust op een door de bevoegde commissie tijdens de herzieningsaanvraag erkende afzonderlijke invaliditeit met overeenstemmend invaliditeitspercentage, heeft de militair of rijkswachter recht op een integrale tussenkomst voor de kosten van prothese- en andere toestellen veroorzaakt door die invaliditeit, ook wanneer het pensioenbedrag ongewijzigd blijft door het niet-bereiken van een totale in-validiteitsgraad van een hoger veelvoud van vijf in vergelijking met de vorige aanvraag
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: PENSIOEN - MILITAIR PENSIOEN Wettelijke bepalingen: Wet 8 juli 1970 tot instelling van nieuwe voordelen ten behoeve van de slachtoffers van de militaire plicht of van een daarmede gelijkgestelde plicht - 08-07-1970 - Art. 62, eerste lid - 31 Link Justel databank 19700708-31 Regentsbesluit 5 oktober 1948 houdende goedkeuring van de tekst van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen - 05-10-1948 - Art. 37, §§ 2 en 3 Tekst van de conclusie C.24.0142.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering.
- Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan, blijkt dat de eiser rijkswachter was, daarna lid van de federale politie Genk, en genieter van een overlevingspensioen in toepassing van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen van 5 oktober
- Op 19 augustus 1999 diende de eiser een aanvraag in tot invaliditeitspensioen o.a. wegens lawaaitraumatische hardhorigheid rechts en links als gevolg van het leiden van de schietoefeningen in de eenheid te Leopoldsburg van 1987 tot 1996 (zonder gehoorbescherming). Daarnaast leed hij ook aan artrose aan de linker knie ten gevolge van zijn beroepsactiviteit. Dit laatste letsel heeft aanleiding gegeven tot een invaliditeit van 12% met een vergoedingspensioen van 15% tot gevolg. Wat betreft de hardhorigheid oordeelde de Commissie voor vergoedingspensioenen op 7 februari 2002 dat het letsel aanrekenbaar is aan het dienstfeit (schietoefeningen). Er werd evenwel geoordeeld dat het letsel buiten de vergoedbare grenzen viel. Het beroep werd verworpen bij beslissing van 3 december
- Bij beslissing van 7 september 2004 kende de Commissie van beroep voor vergoedingspensioenen aan de eiser 1% invaliditeit voor gehoorverlies. Na herberekening bleef het pensioen op hetzelfde totale percentage vastgesteld, zodat de verergeringsaanvraag werd afgewezen. Op 30 oktober 2016 diende eiser een aanvraag in om een tussenkomst te bekomen in de aanschaf van een hoorapparaat. Deze tussenkomst werd hem geweigerd, waarop hij de Belgische Staat dagvaardde voor het Vredegerecht van het tweede kanton Brussel in betaling van een aandeel in de kosten. Bij vonnis van 17 maart 2022 verklaarde de Vrederechter de vordering ontvankelijk doch ongegrond. In het bestreden vonnis van 20 maart 2023 verklaarde de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg Brussel het hoger beroep van eiser eveneens ongegrond.
- Tegen deze beslissing voert eiser het volgend middel tot cassatie aan. 2 Doelstelling van de relevante bepalingen.
- Tussen de vele als geschonden aangevoerde bepalingen, zijn hier artikel 62, eerste lid van de wet van 8 juli 1970 tot instelling van nieuwe voordelen ten behoeve van de slachtoffers van de militaire plicht of van een daarmede gelijkgestelde plicht, 2, eerste lid, en artikel 37, §§ 2 en 3, van het Regentsbesluit van 5 oktober 1948 relevant.
- De vraag stelt zich of de eiser als gewezen rijkswachter recht heeft op de terugbetaling van een hoorapparaat voor een verergering met 1% van zijn gehoorverlies dat hij tijdens de dienst heeft opgelopen. Het middel houdt in dat dient te worden nagegaan wat de betekenis is van de zinsnede ‘toestellen welke door de ziekten of kwetsuren waarop de pensioensaanspraak berust’.
- De regeling is gebaseerd op de Wet van 9 maart 1953 houdende sommige aanpassingen in zake militaire pensioenen en verlening van kosteloze genees- en artsenijkundige verzorging voor de militaire invaliden van vredestijd
(1). In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp van deze wet staat dat de regeling voor de (militaire) invaliden in vredestijd onbillijk was en aangepast diende te worden omdat de betrokkene ook het recht hadden vergoed te worden voor een invaliditeit opgedaan in dienst van het land. Er was als het ware een ‘schuld van het Vaderland’ jegens hen in te lossen. Volgens de opstellers van de wet waren de pensioenen toen voor militaire invaliden in vredestijd veel lager dan die van de oorlogsinvaliden en soms zelfs bespottelijk gering. Het betreft “om het even welke invaliditeit”, uit oorlogs- of vredestijd, als een gevolg van de uitoefening van de vaderlandse plicht die als dusdanig moet worden vergoed
(2). Meer specifiek wordt vooropgesteld dat het billijk zou zijn om aan de betrokken invaliden ook de genees- en artsenijkundige verzorging ten laste van de Staat te verlenen. Er wordt verwezen naar een ‘brede uitlegging’ van artikel 35 van de samengeordende wetten op de militaire pensioenen, zoals goedgekeurd bij KB van 11 augustus 1923, en van artikel 58 van de wetten op de vergoedingspensioenen
(3). De militaire invaliden in vredestijd die recht hebben op een vergoedingspensioen zouden aldus ook genieten van het voordeel van de kosteloze genees- en artsenijkundige verzorging, noodzakelijk gemaakt door de ziekte of de kwetsuur, “basis van het pensioen”. Het voormelde artikel 58 van het voornoemde Regentsbesluit van 5 oktober 1948 verwijst naar artikel 58 van de wet van 26 augustus 1947
(4), zoals gewijzigd door artikel 1, § 5, 19°, van de wet van 10 augustus 1948 (BS 16 augustus 1948, 6652). Artikel 58 zoals opgenomen in het Regentsbesluit bepaalt: “De krachtens deze wet wegens invaliditeit gepensioneerde personen, met inbegrip van deze bedoeld bij artikel 57, ontvangen levenslang kosteloos alle prothesetoestellen en andere benodigdheden voor deze invaliditeit”. Artikel 58 van de wet van 26 augustus 1947 gaat in dezelfde lijn als volgt: “De krachtens deze wet wegens invaliditeit gepensioneerde personen zullen levenslang al de wegens die invaliditeit benodigde kunstledematen en andere toestellen kosteloos ontvangen”. 3 Bespreking. 6. Vooraf dient te worden opgemerkt dat de eiser geen verhoging van zijn pensioen nastreeft. Hij wenst de tussenkomst van de Belgische Staat voor de kosten van zijn hoorapparaat (€ 3.741,50). Er is geen betwisting over de vaststelling dat de erkende bijkomende invaliditeit van 1% wegens gehoorverlies te wijten aan het dienstfeit (schietoefeningen) geen aanleiding geeft tot een herziening van het pensioenbedrag (omdat de totale invaliditeitsgraad (van 12% naar 13%) niet met ten miste 5% is gestegen
(5)). 7. Artikel 62, eerste lid, van de wet van 8 juli 1970 tot instelling van nieuwe voordelen ten behoeve van de slachtoffers van de militaire plicht of van een daarmede gelijkgestelde plicht
(6), verkrijgen de militaire of de rijkswachters, wier invaliditeit te wijten is aan een schadelijk feit dat zich in vredestijd heeft voorgedaan, hun leven lang, op Staatskosten, de genees- en artsenijkundige verzorging, de verpleging in een ziekenhuis en de prothese- en andere toestellen welke door de ziekten of kwetsuren waarop de pensioenaanspraak berust, noodzakelijk gemaakt worden. 8. Artikel 37, §§ 2 en 3, van het voormeld Regentsbesluit
(7), bepalen dat wanneer bij een herzieningsaanvraag een nieuwe totale invaliditeitsgraad overeenkomstig artikel 9 wordt vastgesteld, het pensioen wordt herzien wanneer de nieuwe totale invaliditeitsgraad ten minste 5 pct. hoger is dan de graad op basis waarvan het pensioen is gevestigd.
- Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat wanneer een pensioenaanspraak berust op een invaliditeit en deze invaliditeit wordt herzien van 0% naar 1, deze misschien niet leidt tot een verhoging van het pensioenbedrag, maar wel tot een integrale tussenkomst van de prothese- en andere toestellen met betrekking tot die invaliditeit.
- De appelrechter maakt de volgende feitelijke vaststellingen: - de aanvraag tot invaliditeitspensioen van de eiser was gesteund enerzijds op lawaaitraumatische hardhorigheid links en rechts en anderzijds artrose aan de linker knie; - in het kader van een verergeringsaanvraag heeft de Commissie voor Vergoedingspensioenen in 2003 een invaliditeitsgraad van 1% weerhouden voor het gehoorverlies.
- De erkenning van een invaliditeitsgraad van 1% gehoorverlies, zijnde een invaliditeit waarop de pensioenaanspraak berust, leidt ertoe dat de Staat moet tussenkomen voor het hoorapparaat van de eiser. 12 Op basis van (in het bijzonder) de voormelde twee feitelijke vaststellingen kon de appelrechter niet zonder schending van artikel 62 van de eerste lid van de voormelde wet van 8 juli 1970 en artikel 37, van het Regentsbesluit van 5 oktober 1948, oordelen dat de aanvraag tot tussenkomst van het hoorapparaat ongegrond was. Het middel komt gegrond voor. Conclusie: cassatie. _____________________________________________________________
(1)BS 22 maart 1953, 1730; link naar deze wet van 9 maart 1953.
(2)Parl.St. Senaat, 1951-52, nr. 267/1, 1-3.
(3)KB van 11 augustus 1923, https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1923/08/11/1923081102/justel.
(4)BS 19 september 1947, 8514.
(5)Artikel 37, § 2 en § 3, van het Regentsbesluit van 5 oktober 1948 houdende goedkeuring van de tekst van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, BS 17 oktober 1948, err. BS 20 oktober 1948, zoals gewijzigd bij artikel 1, § 2, van de wet van 11 juli 1973 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving op de oorlogspensioenen en -renten.
(6)Zoals vervangen door artikel 29 van de wet van 18 mei 1998 tot wijziging van de wetgeving betreffende de oorlogspensioenen en -renten.
(7)Zoals vervangen en gewijzigd door artikel 4 van de wet van 17 juli 1975 en artikel 15 van de wet van 30 juni 1983. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260226.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260226.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div