id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260302.3N.3 Rolnummer: S.24.0022.N Zaak: Baloise Insurance contra G. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2026-04-27 Raadplegingen: 187 - laatst gezien 2026-06-18 15:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260302.3N.3 Fiche Het arbeidsgerecht dat in het kader van een prejudicieel geschil uitspraak moet doen over de vraag of een ongeval kwalificeert als een arbeidsongeval moet in de regel ook oordelen over het bestaan van een arbeidsovereenkomst
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - BEGRIP. BESTAAN. BEWIJS Wettelijke bepalingen: Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 - 10-04-1971 - Art. 7, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 - 10-04-1971 - Art. 74, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Tekst van de conclusie S.24.0022.N Conclusie van advocaat-generaal MORMONT:
- Eiseressen tot cassatie komen op tegen een arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, gewezen op 6 november
- Door eiseressen wordt één middel aangevoerd.
- Het eerste onderdeel. a. Probleemstelling. Het dispuut dat voor Uw Hof wordt gebracht betreft de toepassing van artikel 74, tweede lid Arbeidsongevallenwet. Deze bepaling, die ingevoegd werd door de wet van 7 juli 1978
(1), stelt dat de strafrechter die geconfronteerd wordt met een prejudicieel geschil omtrent de interpretatie van de Arbeidsongevallenwet gehouden is om dit voor te leggen aan de arbeidsgerechten. Ter discussie staat de vraag of het arbeidsgerecht dat gevat wordt met een dergelijke prejudiciële vraag zich tevens kan uitspreken over het al dan niet bestaan van een arbeidsrechtelijke relatie in het kader van hun oordeel of sprake is van een arbeidsongeval. In de bestreden beslissing oordelen de appelrechters dat het ongeval niet kan gekwalificeerd worden als een arbeidsongeval in de zin van artikel 7 Arbeidsongevallenwet. Het ongeval van het slachtoffer is hem niet overkomen als werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst daar het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet is bewezen
(2). Eiseressen voeren aan dat door te oordelen dat er geen arbeidsovereenkomst bestond het arbeidshof een geschil beslecht dat zich onderscheidt van de in het voormelde artikel bedoelde geschillen en waarover de strafrechter uitspraak kan doen. b. Beoordeling. Ik deel het standpunt van eiseressen tot cassatie niet. De in artikel 74, tweede lid van de Arbeidsongevallenwet bedoelde prejudiciële exceptie moet betrekking hebben op de interpretatie van de Arbeidsongevallenwet. Daar deze bepaling een uitzondering is moet ze beperkend worden geïnterpreteerd in de zin dat deze verplichting enkel geldt in hoofde van de strafrechter doch niet in hoofde van de burgerlijke rechter
(3). De verplichting in hoofde van de strafrechter is bovendien zeer specifiek. Het betreft de vraag te weten of het ongeval als een arbeidsongeval dient te worden gekwalificeerd, wat zijn consequenties heeft betreffende de gebeurlijke vorderingen die gesteld worden door de burgerlijke partijen. Het gaat hem dus om de interpretatie van de bepalingen van de Arbeidsongevallenwet
(4). Dit betreft derhalve aspecten zoals er zijn: kan de burgerlijke partij als rechthebbende in het kader van de arbeidsongevallenwetgeving worden beschouwd; wat is de omvang van het verhaalsrecht van de gesubrogeerde arbeidsongevallenverzekeraar ten aanzien van de derde aansprakelijke zo hierover betwisting is voor de strafrechter
(5); is er sprake van een arbeidswegongeval in de zin van artikel 8 van deze wet; betreft het een plotselinge gebeurtenis in de zin van artikel 9 van dezelfde wet, … Het artikel 74, tweede lid legt, in zoverre het oordeel van de arbeidsgerechten gaat over de interpretatie van de bepalingen van de Arbeidsongevallenwet, geen beperkingen ter zake op. Het betreft de wet in globo. Uit Uw rechtspraak komt naar voor dat de strafrechter kan oordelen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst
(6). Het al dan niet bestaan van een arbeidsrechtelijke relatie is inderdaad an sich niet eigen aan de arbeidsongevallenwet. Dus de strafrechter kan, overeenkomstig het voorschrift van artikel 15 VT. Sv., zich hierover uitspreken
(7). Echter, het gegeven dat het de strafrechter toegestaan is desbetreffend een oordeel te vellen houdt evenwel niet in dat dit onttrokken zou zijn aan het oordeel van de arbeidsgerechten die gevat worden met een prejudiciële vraag ex artikel 74, tweede lid Arbeidsongevallenwet zo de strafrechter hierover geen standpunt heeft ingenomen. In dat geval komt het aan de arbeidsgerechten toe om hierover te oordelen. Immers artikel 7, eerste lid van deze wet, stelt dat een arbeidsongeval een ongeval betreft dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt. Of er sprake is van “tijdens en door het feit van de van de uitvoering van een arbeidsovereenkomst” is dus een aspect dat eigen is aan Arbeidsongevallenwet
(8). Opdat er uitvoering kan zijn van zulk een overeenkomst moet deze natuurlijk bestaan. Derhalve om te oordelen of het de uitvoering van een arbeidsovereenkomst betreft dienen de arbeidsgerechten vooreerst te beoordelen of er inderdaad een arbeidsovereenkomst bestaat. Het is slechts indien de strafrechter heeft geoordeeld dat er wel degelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst dat het prejudicieel geschil zich beperkt tot de andere aspecten van de arbeidsongevallenwet. Het arbeidsgerecht is gebonden door dit standpunt van de strafrechter
(9). Door er anders over te oordelen zou eerst vernoemde immers de bewijskracht van het strafrechtelijk vonnis schenden
(10). Door eisessen wordt niet aangevoerd dat de strafrechter zich al uitgesproken heeft over het al dan niet bestaan van een arbeidsovereenkomst. De appelrechters die, gevat met een vraag in het kader van een prejudicieel geschil ex artikel 74, lid 2, Arbeidsongevallenwet, oordelen dat het ongeval niet kan worden gekwalificeerd als een arbeidsongeval daar het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet is bewezen zodat het ongeval het slachtoffer niet is overkomen tijdens en door het feit van de uitvoering van een arbeidsovereenkomst schenden het voormelde artikel niet. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. De overige grieven zijn afgeleid en in zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. 2. Tweede onderdeel. (…) Conclusie: verwerping. ________________________________________________________________________
(1)B.S. 12 oktober 1978.
(2)Bestreden beslissing p. 33.
(3)M. MASSCHELEIN, Arbeidsongevallen in de private sector in APR, Kluwer 2023, 460.
(4)H. VAN ROMPAEY, “Bevoegdheid en rechtspleging” in Comm. Arbeidsongevallen, Kluwer 2022, 5.3/7 en M. MASSCHELEIN, o.c., p. 460.
(5)H. VAN ROMPAEY, o.c., 2022, 5.3/9 en M. MASSCHELEIN, o.c., p. 460.
(6)Cass. 7 oktober 2015, AR P.15.0185.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151007.2, AC 2015, nr. 583 en H. VAN ROMPAEY, o.c., 2022, 5.3/7 en M. MASSCHELEIN, o.c., p. 460.
(7)H. VAN ROMPAEY, o.c., 2022, 5.3/7.
(8)De appelrechters oordelen, niet bekritiseerd, dat de partijen niet betwisten dat er zich een plotselinge gebeurtenis heeft voorgedaan en dat deze plotselinge gebeurtenis de letsels hebben kunnen veroorzaken. En verder, dat deze letsels worden geacht te zijn overkomen door de uitvoering van de overeenkomst (bestreden beslissing pag. 19). Dit oordeel betreft het artikel 7, lid 2 en artikel 9. Echter, teneinde aan het voorschrift van het eerste lid van artikel 7 te voldoen diende derhalve nog te worden beoordeeld of er sprake was van een arbeidsovereenkomst.
(9)M. MASSCHELEIN, o.c., p. 461.
(10)De prejudiciële vraag is een voorbereidende beslissing van onderzoek. (H. VAN ROMPAEY, o.c., 2022, 5.3/9) Het antwoord van de arbeidsgerechten kadert derhalve in één en dezelfde rechtspleging. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260302.3N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260302.3N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151007.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div