id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260302.3N.4 Rolnummer: S.24.0027.N Zaak: S. contra DE KRAAMVOGEL GEBOORTECENTRUM EN EXPERTI Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2026-04-27 Raadplegingen: 200 - laatst gezien 2026-06-18 11:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260302.3N.4 Fiche 1 Het beweerde slachtoffer, het Instituut of de belangenvereniging moet concrete feiten aanvoeren waaruit een vermoeden van discriminatie blijkt, opdat de bewijslast dat er geen discriminatie is ten laste van de verweerder valt; voor de verschuiving van de bewijslast is vereist dat het beweerde slachtoffer feiten aanvoert die discriminatie doen vermoeden, het volstaat niet dat deze feiten discriminatie kunnen doen vermoeden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 10 mei 2007 houdende diverse maatregelen inzake de heling en inbeslagneming - 10-05-2007 - Art. 33, § 1 - 63 ELI link Pub nr 2007009689 Fiche 2 De appelrechters die oordelen dat er geen afdoende en concrete feiten worden aangevoerd die een discriminatie op basis van geslacht doen vermoeden verantwoorden naar recht hun beslissing
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 10 mei 2007 houdende diverse maatregelen inzake de heling en inbeslagneming - 10-05-2007 - Art. 33, § 1 - 63 ELI link Pub nr 2007009689 Tekst van de conclusie S.24.0027.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN:
- Eisers tot cassatie komen op tegen een arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, gewezen op 14 november
- Door eiseres wordt er één middel aangevoerd.
- Wat betreft het eerste onderdeel. a. Probleemstelling. Het eerste onderdeel betreft de interpretatie van de bewijslastverdeling zoals deze aan te treffen is in artikel 33, § 1
(1)van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen. Inzonderheid gaat het om de vraag naar de graad van bewijslast in hoofde van de persoon die aanvoert het slachtoffer te zijn van geslachtsdiscriminatie opdat er vervolgens een tegenbewijs dient te worden geleverd. Eisers stellen dat de vereiste bewijslast, zoals te lezen in het aangehaalde artikel, deze is dat feiten worden aangevoerd die een discriminatie “kunnen doen vermoeden”. De appelrechters hanteren in hun oordeel als criterium dat er feiten dienen te worden bewezen die discriminatie “doen vermoeden”. c. Beoordeling. Ik onderschrijf de visie van de appelrechters. De eisers gaan van een verkeerde rechtsopvatting uit. Het onderdeel faalt dan ook naar recht. De regels inzake de bewijslast zoals deze aan te treffen zijn in artikel 33 betreffen enerzijds een verlaging van de bewijstandaard in hoofde van de persoon die zich gediscrimineerd acht en anderzijds een verdeling van de bewijslast
(2). Inzake de invulling van de kwestieuze zinsnede van artikel 33, § 1 dient teruggegrepen te worden naar wat de oorsprong was van de wetsbepaling. Deze gaat terug naar Europese regelgeving. Dit betreft de Richtlijn 97/80/EG die vervangen werd door Richtlijn 2006/54/EG. In deze Richtlijnen is de bewoording “kunnen doen vermoeden” inderdaad letterlijk aan te treffen. Zo kan men dit lezen in overweging 30 en artikel 19 van de Richtlijn 2006/54/EG waarbij er op dient gewezen te worden dat deze laatste bepaling gaat over het aspect bewijslast. Dezelfde zinsnede is tevens aan te treffen in de Richtlijn 97/80/EG zij het dat het daar te lezen is in overweging 13 en artikel 4, ook deze laatste bepaling betreft de bewijslast. Een Richtlijn kenmerkt zich door het feit dat de lidstaten gehouden zijn om de doelstellingen van de richtlijn te verwezenlijken doch een zekere vrijheid hebben om de geschikte maatregelen hiertoe te bepalen. Tevens is het zo dat een Richtlijn, in de regel, de minimumnormen bepaalt. Het betreft dus de minimumrechten die de Richtlijn waarborgt en die door de lidstaten dienen te worden gevrijwaard. Daar het minimumdrempels betreft zijn de lidstaten vrij om ruimere rechten toe te kennen. Wanneer het gaat om een verplichting zoals wanneer het gaat over de bewijslast in hoofde van een persoon die geniet van een beschermd recht, in casu het recht op niet-discriminatie dan betreft dit een maximumdrempel. Dus noch de regelgeving, noch de rechtspraak van de lidstaten mogen zwaardere eisen opleggen betreffende deze bewijslast. Specifiek aan de regelgeving van de Europese Unie is dat deze in de diverse officiële talen
(3)van de Unie wordt opgesteld. Al deze talen zijn gelijkwaardig. Derhalve om de draagwijdte van een bepaling van een richtlijn te bepalen is het nuttig om deze richtlijn in de diverse talen in ogenschouw te nemen. Indien men de Richtlijn 2006/54/EG nader beschouwt dan dient men vast te stellen dat andere taalversies er een andere strekking op na houden. Inderdaad uit de vergelijking van de diverse taalversies van de Richtlijn, zo bijvoorbeeld de Franse versie “… des faits qui permettent de présumer l'existence d'une discrimination directe ou indirecte,…”; de Duitse “…Tatsachen glaubhaft machen, die das Vorliegen einer unmittelbaren oder mittelbaren Diskriminierung vermuten lassen,… of nog de Engelse “…facts from which it may be presumed that there has been direct or indirect discrimination…” (eigen onderlijning) volgt dat, in een vrije vertaling, deze passages aangeven dat de bewijsstandaard deze is van “doen vermoeden”. Echter is het thans van belang om te verwijzen naar wat hoger staat, namelijk dat alle talen gelijkwaardig zijn. De implicaties van een onderscheid in de taalversies en hoe dit dient te worden beslecht kan men lezen in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zo onder anderen de arresten van 3 april 2008
(4)en 26 april 2012
(5). In dit laatste arrest komen de in de rechtspraak vastgelegde principes voor in de overwegingen 44 en
- Het Hof van Justitie overwoog desbetreffend: “44 Volgens vaste rechtspraak kan de in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen; evenmin kan er in zoverre voorrang aan worden toegekend boven de andere taalversies. Een dergelijke benadering zou immers onverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het Unierecht (zie arresten van 12 november 1998, Institute of the Motor Industry, C 149/97, Jurispr. blz. I 7053, punt 16, en 3 april 2008, Endendijk,C-187/07, Jurispr. blz. I 2115, punt 23). 45 Wanneer er verschillen bestaan tussen twee taalvarianten van een Unierechtelijke bepaling, moet in deze omstandigheden bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de context en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie in die zin arresten van 27 oktober 1977, Bouchereau, 30/77, Jurispr. blz. 1999, punt 14; 7 december 2000, Italië/Commissie, C 482/98, Jurispr. blz. I 10861, punt 49, en 1 april 2004, Borgmann, C 1/02, Jurispr. blz. I 3219, punt 25). Hieruit volgt dat men, zo er een onderscheid in formulering is, de andere taalversies van de Richtlijn niet kan hanteren als maatstaf voor de interpretatie van een bepaling want op dat ogenblik zou men dan voorrang geven aan een andere taalversie dan de Nederlandse. Er moet derhalve op zoek gegaan worden naar de “context en de doelstelling” van de regeling. Deze kan men aantreffen in de preambule van de Richtlijn, inzonderheid de overwegingen 2, 5, 28, 29 en
- Voor de invulling hiervan dient men zich keren naar de standpunten ingenomen in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de rechtsleer. Hieruit komt naar voor dat het criterium dat weerhouden moet worden “doen vermoeden” is. Vooreerst kan desbetreffend de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden geraadpleegd. Zo kan gewezen worden naar het arrest van 10 juli 2008
(6), meer in het bijzonder de overwegingen 30 en 31. Het Hof van Justitie overwoog daar: “30 Artikel 8 van richtlijn 2000/43 preciseert in dit verband dat de verweerder dient te bewijzen dat het beginsel van gelijke behandeling niet werd geschonden wanneer feiten directe of indirecte discriminatie kunnen doen vermoeden. Voor de verplichting om het tegenbewijs te leveren, die dus rust op degene die zou hebben gediscrimineerd, volstaat dus een vermoeden van discriminatie, mits het op vaststaande feiten is gebaseerd. 31 Feiten die een discriminerend aanwervingsbeleid doen vermoeden, kunnen zijn, de verklaringen waarmee een werkgever publiekelijk te kennen geeft dat hij in het kader van zijn aanwervingsbeleid geen werknemers van een bepaalde etnische afstamming of van een bepaald ras zal aanwerven.” (eigen onderlijning) Een standpunt dat in dezelfde lijn ligt is aan te treffen in het arrest van 16 juli 2015
(7), overweging 85, alwaar het Hof van Justitie stelde: “85 Voorts zij eraan herinnert dat, mocht de verwijzende rechter tot de slotsom komen dat sprake is van een vermoeden van discriminatie, een doeltreffende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling vereist dat de bewijslast in dat geval rust op de betrokken verwerende partijen, die dienen aan te tonen dat dit beginsel niet is geschonden (zie met name arresten Coleman, C 303/06, EU:C:2008:415, punt 54, en Asociatia Accept, C 81/12, EU:C:2013:275, punt 55)…”. (eigen onderlijning) In de rechtsleer wordt éénzelfde standpunt ingenomen
(8). Het woord “kunnen” slaat op het feit dat op grond van de bewezen feiten het zo is dat het rechtscollege het vermoeden van discriminatie kan afleiden
(9). Men moet immers voor ogen houden dat de bewijsvoering een verdeling van de bewijslast betreft. Indien het tegenbewijs niet kan worden geleverd dan moeten de aangevoerde en bewezen feiten inderdaad een discriminatie “doen vermoeden” en niet louter “kunnen doen vermoeden”. Dit is in overeenstemming met de rechtsspraak van Uw Hof en van het Grondwettelijk Hof. In Uw arrest van 9 september 2019
(10)weerhoudt Uw Hof bij de beoordeling de bewoordingen “doet vermoeden”. Het Grondwettelijk Hof weerhoudt hetzelfde criterium in zijn arrest van 12 februari 2009 nr. 17/2009
(11). Er dient bovendien een rechtstreeks verband te bestaan tussen de bewezen feiten en het vermoeden van discriminatie. Dit komt tevens duidelijk aan bod in het vermelde overwegingen van het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof. De appelrechters hanteren dan ook terecht als criterium “doen vermoeden”.
- Wat betreft het tweede onderdeel. Het tweede onderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van de bestreden beslissing en mist dan ook feitelijke grondslag. De appelrechters oordelen, pagina 15 supra van de bestreden beslissing, dat eisers geen afdoende en concrete feiten aanvoeren die een discriminatie op basis van geslacht doen vermoeden. Vervolgens worden de argumenten van eisers overlopen. Uit de vaststellingen en overwegingen die de appelrechters vervolgens doen, zoals deze naar voorkomen in de randnummer 2.12 pagina’s 15 tot 22, blijkt dat zij, de elementen die weerhouden worden onder de (iii), (iv) en (v), als niet bewezen beoordelen zodat deze niet in aanmerking komen in de beoordeling of zij een discriminatie doen vermoeden. De feiten gerubriceerd onder (i) en (ii) zijn verweven met elkaar. De beoordeling hiervan door de appelrechters houdt in dat ze met hun oordeel hierover globaal hebben beoordeeld of de feiten in hun geheel genomen discriminatie doen vermoeden. De prejudiciële vraag dient dan ook niet gesteld te worden.
- Wat betreft het derde onderdeel. (…) Conclusie: verwerping. ______________________________________________________________________
(1)Artikel 33, § 1, voor de wijziging ervan door de wet van 15 november 2022, B.S. 9 januari 2023.
(2)S. DE REY, I. SAMOY. en P. FOUBERT “Afdwinging van de antidiscriminatiewetgeving in private rechtsverhoudingen: heeft het privaatrecht iets te bieden?”, RW 2021-2022, pp. 1213 en 1214; J. RINGELHEIM, “The burden of proof in anti-discrimination proceedings. A focus on Belgium, France and Ireland”, European equality law review 2019/2, p. 51; D. DE PRINS, S. SOTTIAUX en J. VRIELINK, Handboek discriminatierecht, Mechelen, Kluwer 2005, p. 546 en J. RINGELHEIM en V. VAN DER PLANCKE, “Prouver la discrimination en justice” in Comprendre et pratiquer le droit de la lutte contre les discriminations, Luik, Anthemis 2018, p. 141.
(3)De Europese Unie telt 24 officiële talen. Zie desbetreffend Artikel 1 van Verordening 1 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap.
(4)HvJ, 3 april 2008, C-187/07.
(5)HvJ, 26 april 2012, C-510/10.
(6)HvJ, 10 juli 2008, C-54/07. Dit betreft Richtlijn 2000/43/EG artikel 8 hiervan hanteert dezelfde terminologie als in artikel 19 Richtlijn 2006/54/EG.
(7)HvJ, 16 juli 2015, C-83/14. Dit arrest betrof tevens Richtlijn 2000/42/EG.
(8)D. DE MEYST en M. SCHOUDENDEN, “Private enforcement of Belgian non-discrimination law: perspectives on evidence and remedies”, Abstract for the BCCE 9th Annual Conference: Comparative Equality Law in a Post-Pandemic World, 2022, p. 3; S. DE REY, I. SAMOY. en P. FOUBERT, o.c., p. 1214; J. RINGELHEIM, o.c., p. 51; D. DE PRINS, S. SOTTIAUX en J. VRIELINK, o.c., pp. 112 en 546; J. RINGELHEIM en V. VAN DER PLANCKE, o.c., p. 141.
(9)H. FUNCK, “Kunnen doen vermoeden” in de discriminatiewetten”, noot onder Arbh. Brussel, 22 november 2022, Soc. Kron., 2024, p. 381 en I. RORIVE en V. VAN DER PLANCKE, “Quels dispositifs pour prouver la discrimination?”, in De nieuwe federale antidiscriminatiewetten, Brugge, die Keure 2008, p. 421.
(10)Cass 9 september 2019, AR S.18.0085.N, arrest niet gepubliceerd.
(11)GwH, 12 februari 2009, nr. 17/2009, B.93.3. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260302.3N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260302.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div