← België

H. ESSERS TRANSPORT COMPANY contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260302.3N.8 Rolnummer: S.23.0066.N Zaak: H. ESSERS TRANSPORT COMPANY contra P. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2026-04-27 Raadplegingen: 228 - laatst gezien 2026-06-18 06:42 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260302.3N.8 Fiche 1 De burgerlijke rechter die uitspraak doet over een op een misdrijf gegronde vordering en nagaat of de vordering verjaard is, moet vaststellen dat de feiten die aan die vordering ten grondslag liggen, onder de toepassing van de strafwet vallen; hij moet hierbij de bestanddelen van het misdrijf nagaan die de beoordeling van de verjaring beïnvloeden; indien verschillende strafbare feiten de opeenvolgende uiting zijn van eenzelfde misdadig opzet, is dat misdrijf voltooid op het ogenblik van het laatste feit

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Cass. 25 oktober 2004, AR S.99.0190.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041025.8, AC 2004, nr. 505; Cass. 19 oktober. 1992, AR 7857, AC 1991-92, nr 670, R.C.J.B., 1995, p. 229 en de noot A. DE NAUW, inz. p. 239 en 240; zie Cass. 27 september. 1990, AR 8723, AC 1990-91, nr. 43; Cass. 11 februari. 1991, AR 8949, AC 1990-91, nr. 311; J. CLESSE, “Examen de jurisprudence (1987 à 1994), Contrat de travail”, R.C.J.B., 1996, pp. 586 en 587; Art. 26 V.T.Sv., vóór en na zijn wijziging door art. 2, Wet 10 juni
  1. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 26 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 2 - 4 Het misdrijf dat erin bestaat loon, vakantiegeld en eindejaarspremies niet in overeenstemming met de wettelijke regels te betalen, is voltooid van zodra niet betaald is op het ogenblik waarop betaald moest worden. Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Wettelijke bepalingen: Wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers - 12-04-1965 - Art. 42, 1° - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités - 05-12-1968 - Art. 56, eerste lid, 1° - 01 ELI link Pub nr 1968120503 Wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971 - 28-06-1971 - Art. 54, 2° - 03 ELI link Pub nr 1971062850 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 162, 1° en 3° - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 167 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING Wettelijke bepalingen: Wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers - 12-04-1965 - Art. 42, 1° - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités - 05-12-1968 - Art. 56, eerste lid, 1° - 01 ELI link Pub nr 1968120503 Wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971 - 28-06-1971 - Art. 54, 2° - 03 ELI link Pub nr 1971062850 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 162, 1° en 3° - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 167 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: JAARLIJKSE VAKANTIE Wettelijke bepalingen: Wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers - 12-04-1965 - Art. 42, 1° - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités - 05-12-1968 - Art. 56, eerste lid, 1° - 01 ELI link Pub nr 1968120503 Wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971 - 28-06-1971 - Art. 54, 2° - 03 ELI link Pub nr 1971062850 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 162, 1° en 3° - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 167 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Tekst van de conclusie S.23.0066.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN:
  2. Eiseressen tot cassatie komen op tegen een arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, gewezen op 22 juni
  3. Door eiseressen worden er drie middelen aangevoerd.
  4. Wat betreft het tweede middel. A. Eerste onderdeel. (…) B. Tweede onderdeel in zijn geheel. Het onderdeel betreft het aspect voortgezet misdrijf en verjaringstermijn in de beoordeling van de appelrechters. a) Principes. Betreffende de taak van de burgerlijke rechter indien een ex delicto vordering voor hem wordt gesteld kan ik verwijzen naar de rechtspraak van Uw Hof. Uit Uw vaste rechtspraak komt naar voor dat zo deze rechter uitspraak dient te doen over een op een misdrijf gegronde vordering en nagaat of de vordering verjaard is, hij moet vaststellen dat de feiten die aan de vordering ten grondslag liggen, onder de toepassing van de strafwet vallen. Hij moet tevens melding maken van de bestanddelen van het misdrijf die een uitwerking hebben op de beoordeling van de verjaring
(1). Wat dit laatste betreft dient erop gewezen te worden dat betreffende de verjaring van een rechtsvordering uit een misdrijf artikel 26 VT.Sv. van toepassing is. Onder voortgezet of collectief misdrijf verstaat men een misdrijf dat bestaat uit verscheidene gedragingen van dezelfde of verschillende aard, die elk afzonderlijk strafbaar zijn doch die geacht worden om samen slechts één misdrijf te vormen wegens de eenheid van misdadig opzet in hoofde van de dader. Wanneer het daden van eenzelfde aard zijn spreekt men van een voortgezet misdrijf, zo het handelingen van een verschillende aard betreft dan betreft het een collectief misdrijf
(2). Uit Uw rechtspraak komt naar voor dat er sprake is van eenzelfde opzet wanneer de misdrijven onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking, en zodoende in die zin één feit, te weten een complexe gedraging opleveren
(3). Of de diverse strafbare gedragingen wegens eenheid van opzet één enkel strafbaar feit opleveren betreft een beoordeling in feite van de rechter waarop Uw Hof een marginale toetsing op uitoefent
(4). Het aanvangspunt van de verjaring bij een voortgezet of collectief misdrijf is het laatste feit dat bewezen wordt verklaard, één en ander op voorwaarde dat tussen de feiten geen termijn gelegen is die langer is dan de verjaringstermijn
(5). Dit aanvangspunt geldt voor het geheel der feiten dat deel uitmaakt van het voortgezet of collectief misdrijf
(6)
(7). b) Beoordeling. De eerste vraag die zich stelt is of er sprake is van een voortgezet misdrijf. De appelrechters weerhouden voor de inbreuken die zich situeerden voor 1 juli 2011 artikel 42, 1° Loonbeschermingswet, artikel 56, eerste lid, 1° cao-wet en artikel 54, 2° Vakantiewet en vanaf die datum de artikelen 162, 1° en 3°, 167 Sociaal Strafwetboek
(8), zoals in deze van toepassing
(9)
(10). Zoals door de appelrechters terecht vastgesteld is betreffen de inbreuken die weerhouden werden, zoals de artikelen 162, 1° en 3°, 167 Sociaal Strafwetboek en artikel 42 Loonbeschermingswet, onachtzaamheidsmisdrijven
(11). Het criterium is derhalve het gebrek aan voorzichtigheid en voorzorg. Dit is de vereiste doch voldoende schuldvorm. De toetssteen is de rechtsfiguur van de “goede huisvader”, waarbij reeds de lichtste fout dient weerhouden te worden
(12). De appelrechters die oordelen dat een ex-delicto vordering gegrond is dienen zich uit te spreken over het materiële en morele bestanddeel van de weerhouden inbreuken. Voor eerst wat betreft het “materieel bestanddeel”. De appelrechters oordelen dat het materieel bestanddeel van het misdrijf bewezen is daar het niet betwist is dat verweerder de sectoraal toepasselijke minimumlonen, de ARAB- en verblijfsvergoedingen, de eindejaarspremie en het vakantiegeld niet heeft ontvangen
(13). Blijft het aspect “moreel bestanddeel”. Betreffende het intentioneel element van de weerhouden inbreuken sluiten de appelrechters
(14)zich aan bij het standpunt dat ingenomen werd door toenmalig advocaat-generaal DU JARDIN, voor Uw arrest van 12 mei 1987
(15). In zijn conclusie weerhield de advocaat-generaal dat elk misdrijf zowel een materiële alsook een morele component heeft. Specifiek voor wat betreft de onachtzaamheidsmisdrijven stelde hij dat de rechter dient vast te stellen dat de verboden handeling werd gesteld en dat, behoudens een rechtvaardigingsgrond
(16), hieruit blijkt dat de handeling als dusdanig een fout oplevert. Op grond van de overweging dat eiseressen, voor de inbreuken die het voorwerp uitmaken van de vordering, geen rechtvaardigingsgrond aanvoeren oordelen zij dat de schuldvorm van nalatigheid bewezen is. Zoals hoger gesteld betreft het gegeven of de strafbare gedragingen wegens eenheid van opzet één enkel strafbaar feit opleveren een beoordeling in feite. Op grond van de overwegingen die aan te treffen zijn onder titel 6.3 “De delictuele vordering is niet verjaard”, inzonderheid de pagina’s 31 en 32, oordelen de appelrechters dat er in hoofde van eiseressen, zowel wat betreft de transportactiviteiten, alsook de activiteiten als stelplaatsmedewerker, sprake is van aangehouden, voorgezette wil tot het niet betalen van de verschuldigde sommen. Hiermede verantwoorden zij naar recht hun oordeel dat er eenheid van opzet is betreffende de weerhouden inbreuken van 27 april 2011 tot het laatste strafbare feit
(17). In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechters louter uit het materiele bestanddeel van de misdrijven van niet betaling van het loon en de andere vergoedingen, de opeenvolging en herhaling van die misdrijven, het louter voortduren van die misdrijven en het moreel bestanddeel op zich van die misdrijven het bestaan van eenheid van opzet en dus van een voorgezet misdrijf afleiden gaat, gelet op het voorgaande, uit van een onvolledige lezing van de bestreden beslissing en mist in zoverre feitelijke grondslag. Wat betreft de vraag of er verjaring is ingetreden. De toepasselijke bepalingen zijn de artikelen 21, eerste lid, 4°
(18)en 26 VT Sv. De voor de strafvordering geldende verjaringstermijn, voor de door de appelrechters weerhouden inbreuken is, ingevolge artikel 21, eerste lid, 4° VT Sv., dus 5 jaar daar het Sociaal Strafwetboek niet voorziet in afwijkende termijnen. Waarbij het zo is dat, ingevolge artikel 26 VT Sv., de burgerlijke vordering niet kan verjaren voor de strafvordering. Uit de stukken waar Uw Hof acht op mag slaan blijkt dat het geding voor de arbeidsgerechten werd ingeleid op 29 januari
  1. De vordering van verweerder had betrekking op de sommen die verschuldigd waren voor zijn tewerkstelling van 27 april 2011 tot en met 30 januari
  2. De appelrechters oordelen dat zij niet bijtreden dat na september 2013 geen strafbare feiten meer werden gepleegd. Zij beslissen verder dat de verjaringstermijn [aanvat] op het ogenblik dat de verschuldigde sommen de laatste keer niet zijn betaald. Zoals hoger is aangehaald weerhouden de appelrechters eenheid van opzet tussen de diverse strafbare feiten. Gelet op de geding inleidende dagvaarding van 29 januari 2020 is hun oordeel dat de delictuele vordering voor de periode van 27 april 2011 tot en met 30 januari 2015 voor wat betreft de activiteiten als vrachtwagenchauffeur, hierin inbegrepen de vordering voor de periode van 27 november 2011 tot 13 september 2013 voor de arbeidsprestaties als stelplaatsmedewerker, niet verjaard is dan ook naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. De grief inzake het feit dat de appelrechters het startpunt van de verjaringstermijn plaatsen op het einde van de arbeidsovereenkomst in de plaats van de laatste betaling, dat voor het einde van de arbeidsovereenkomst gelegen is, is in zoverre niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang. De appelrechters, op grond van de overwegingen en vaststellingen die zij doen, oordelen zoals zij hadden moeten oordelen, te weten dat de delictuele vordering niet verjaard is, ongeacht het gegeven dat zij de datum van het einde van de arbeidsovereenkomst als vertrekpunt van de verjaring zien. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters zouden weerhouden dat er sprake is van voortdurende misdrijven mist het feitelijke grondslag. Uit het geheel van de overwegingen van de bestreden beslissing blijkt dat de appelrechters weerhouden dat er sprake is van aflopende misdrijven die door de eenheid van opzet een voortgezet misdrijf vormen.
  3. Wat betreft het eerste middel. (…)
  4. Wat betreft het derde middel. (…) Conclusie: verwerping. _________________________________________________________________
(1)Cass. 25 oktober 2004, AR S.99.0190.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041025.8, AC 2004, nr. 505; Cass. 19 oktober 1992, AR 7857, AC 1991-92, nr. 670, RCJB 1995, p. 229 en de noot A. DE NAUW, inz. p. 239 en 240; zie Cass. 27 september 1990, AR 8723, AC 1990-91, nr. 43; Cass. 11 februari 1991, AR 8949, AC 1990-91, nr. 311; J. CLESSE, “Examen de jurisprudence (1987 à 1994), Contrat de travail”, RCJB 1996, p. 586 en 587; art. 26 V.T.Sv., vóór en na zijn wijziging door art. 2, Wet 10 juni 1998.
(2)Ch. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel&Svacina 2019, pag. é en L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, Handboek Belgisch Strafrecht, Leuven, Acco 1990, pp. 201 en 491.
(3)Cass. 10 oktober 2017, AR P.17.0603.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171010.7, AC 2017, nr. 542 en L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, o.c., p. 491.
(4)Ch. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, o.c., p. 234 en L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, o.c., p. 491.
(5)Ch. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, o.c., p. é en L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, o.c., p. 203.
(6)M.-A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procedure pénale – 2025, La Charte, Brugge, p. 245.
(7)Deze regel vloeit voort uit de vaste rechtspraak van Uw Hof, zo onder andere Uw arrest van 31 mei 2005, (AR P.05.0536.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050531.3, AC 2005, nr. 305). Sedert de wet van 9 april 2024 werd deze regel opgenomen in artikel 21, lid 5 VT.Sv.
(8)Voor de wijziging door de wet van 15 mei 2024 waarbij de incriminatie wordt behouden doch het sanctieniveau wordt verhoogd.
(9)Bestreden beslissing pp. 30 en 31.
(10)Bij de weerhouden inbreuk van artikel 56, eerste lid cao-wet dient een kanttekening te worden gemaakt. Het is inderdaad zo dat er sprake is van een eendaadse samenloop voor wat betreft de handelingen die gevat worden onder artikel 42, 1° Loonbeschermingswet en het voormelde artikel van de cao-wet. Er moet evenwel op gewezen worden dat artikel 56 van de cao-wet ook na de inwerkingtreding van het Sociaal Strafwetboek gehandhaafd werd. De opheffing van deze laatste bepaling, en de inwerkingtreding van artikel 189 Sociaal Strafwetboek had slechts plaats op 30 juni
  1. De wet van 10 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek voorzag immers, in artikel 111, dat de invoering van voormeld artikel 189 en de opheffing van het aangehaalde artikel 56 plaats zou hebben twee jaar na de invoering van het Sociaal Strafwetboek. Bij wet van 30 juli 2013 werd bepaald dat dit slechts plaats zou hebben op 30 juni
  2. Dus tot 30 juni 2015 was er sprake van een eendaadse samenloop tussen artikel 56 cao-wet en artikel 162, 1° Sociaal Strafwetboek. Vanaf die datum is er enkel nog een strafrechtelijke handhaving door artikel 162, 1° Sociaal Strafwetboek.
(11)Bestreden beslissing pag. 31.
(12)L. DUPONT en R. VERSTRAETEN, o.c., p. 260.
(13)Bestreden beslissing p. 31.
(14)Bestreden beslissing pag. 31.
(15)Cass. 12 mei 1987, AR 728, AC 1986-87, nr. 531.
(16)In het artikel 7 van het Nieuwe Strafwetboek is er een codificatie van de rechtspraak inzake het morele element van het misdrijf. Het moreel element van de zogenaamde “reglementaire misdrijven” bestaat erin dat de dader de verplichting die hem werd opgelegd door de wet niet heeft nageleefd terwijl hij zich niet kan beroepen op een schuldontheffingsgrond of rechtvaardigingsgrond. (J. DE HERDT, J. ROZIE en D VANDERMEERSCH, Boek I van het Nieuwe Strafwetboek – De nieuwe regels van het algemeen strafrecht toegelicht, Brugge, Die Keure 2024, p. 65.
(17)Bestreden beslissing p. 32.
(18)Voor de wijziging door de wet van 9 april 2024. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260302.3N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260302.3N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041025.8 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050531.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171010.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.