← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.7 Rolnummer: P.25.1646.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 334 - laatst gezien 2026-06-18 15:42 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.7 Fiches 1 - 6 De in artikel 43 Wegverkeerswet bepaalde uitvoerbaarheid van een rijverbod wegens lichamelijke of geestelijke rijongeschiktheid vanaf de betekening van het verstekvonnis heeft niet tot gevolg dat hij die na een hem betekend verstekvonnis dat het rijverbod als beveiligingsmaatregel oplegt een motorvoertuig bestuurt zich automatisch schuldig maakt aan de door de artikelen 30, § 1, 4°, en 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet bedoelde misdrijven; ook voor die misdrijven, die een reglementair karakter hebben, is een moreel bestanddeel vereist; dat moreel bestanddeel wordt evenwel vermoed aanwezig te zijn door de enkele vaststelling van het voorhanden zijn van het materieel bestanddeel van de misdrijven, tenzij de beklaagde op aannemelijke wijze aanvoert dat zijn onwetendheid over het verbod om een rijtuig te besturen niet te wijten is aan enige fout of nalatigheid die hij heeft begaan; de rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde erin slaagt aannemelijk te maken dat het voor de door de artikelen 30, § 1, 4°, en 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet bedoelde misdrijven vereiste moreel element ontbreekt gelet op de afwezigheid van enige fout of nalatigheid bij hem; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 30 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30, § 1, 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 43 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 48 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30, § 1, 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 43 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 43 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30, § 1, 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 43 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30, § 1, 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 43 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30, § 1, 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 43 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30, § 1, 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 43 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de conclusie P.25.1646.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET:
  1. Bestreden vonnis.
  2. Eiser werd op 22 april 2024 in eerste aanleg bij verstek veroordeeld voor meerdere verkeersinbreuken, in twee gevoegde zaken (vaststellingen op 17 maart 2023 en 6 april 2023), en heeft alleen hoger beroep ingesteld. In tweede aanleg voerde hij over de schuld alleen betwisting voor de feiten C, D, F en G, namelijk: a) rijden spijts een rijverbod als straf en als beveiligingsmaatregel (C en F, art. 48, eerste lid, 1° Wegverkeerswet) en b) rijden in een staat van fysieke ongeschiktheid (D en G, art. 30, §1, 4° Wegverkeerswet). Aanleiding is een verstekvonnis van de politierechtbank te Halle van 4 mei 2022 dat een rijverbod oplegt als straf, voor drie maanden, en een rijverbod als maatregel, wegens een fysiek gebrek. Uit de stukken blijkt niet dat eiser verzet heeft ingesteld tegen deze veroordeling.
  3. Eiser voerde in zijn beroepsconclusie aan dat bij gebrek aan kennisgeving van het rijverbod als straf en als beveiligingsmaatregel, hij niet schuldig is aan rijden spijts verval, minstens dat de onachtzaamheid ontbreekt. Volgens eiser is het verweer dat hij voorafgaand aan de kennisgeving in persoon niet op de hoogte was van de rijverboden geloofwaardig omdat 1°de veroordeling bij verstek slechts betekend zou zijn aan zijn woonst, op 20 oktober 2022, dit is voorafgaand aan de vier betwiste en 2°hij toen woonde in een appartementsgebouw ‘waar het al eens voorvalt dat brieven in een verkeerde bus belanden of verdwijnen’. De rijverboden zijn hem pas persoonlijk ter kennis gebracht op 3 juni 2023, waarbij hij tekende voor ontvangst, dit is na de betwiste inbreuken.
  4. Het bestreden vonnis houdt deels rekening met dit verweer, voor wat betreft het rijden spijts verval van het recht tot sturen opgelegd als straf, en verduidelijkt dat alleen het verval wegens rijongeschiktheid dient als grondslag voor de vier betwiste inbreuken (C en F (art. 48) en D en G (art. 30)). Voor de betwiste feiten samen legt de correctionele rechtbank een geldboete op van 4.000 euro, met uitstel voor de helft voor drie jaar, en een rijverbod van drie maanden, verbonden aan de vier herstelmaatregelen
(1).
  1. De schuldigverklaring voor deze telastleggingen, beperkt tot de rijongeschiktheid, steunt op volgende motieven: - Aan het inwerkingtreden van de beveiligingsmaatregel van het rijverbod wegens ongeschiktheid, wanneer deze bij verstek wordt opgelegd, zijn overeenkomstig artikel 43 Wegverkeerswet geen andere vormvereisten verbonden dan een rechtsgeldige betekening van het verstekvonnis; - Deze wetsbepaling vereist niet dat het verstekvonnis aan de betrokkene in persoon zou worden betekend, zodat een rechtsgeldige betekening aan de woonst volstaat opdat het in toepassing van artikel 42 van de Wegverkeerswet opgelegde verval van het recht tot sturen zou ingaan; - De rechtbank stelt vast dat het verstekvonnis op correcte wijze aan de woonst van beklaagde werd betekend op 20 oktober 2022, zodat eiser op 17 maart 2023 en 6 april 2023 reeds spijts het hem bij vonnis van 4 mei 2022 opgelegde verval van het recht tot sturen; - De vereiste onachtzaamheid wordt daarmee vermoed en het door eiser ingeroepen ontbreken van fout is ontdaan van elke geloofwaardigheid.
  2. Middel van eiser over de kennis van het rijverbod.
  3. Eiser komt in cassatie alleen op tegen de schuldigverklaring en de veroordeling tot straf voor de telastleggingen C, D, F en G, en voert in zijn eerste middel, eerste onderdeel, schending aan van de artikelen 30, 48 en 43 Wegverkeerswet, van artikel 149 Grondwet en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel nullum crimen sine culpa. Het bestreden vonnis verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan een inbreuk op artikel 48 Wegverkeerswet, zonder dat hij kennis had van het tegen hem uitgesproken verval en de gevolgen van de miskenning ervan kon voorzien. Er is immers pas vaststaande persoonlijke kennisname van het verstekvonnis dat een rijverbod wegens ongeschiktheid bevat op 3 juni 2023, dit is na de betwiste feiten. Er is geen verantwoording waarom uit het enkele feit van de betekening van een verstekvonnis met verval van het recht tot sturen als beveiligingsmaatregel aan de woonst van de eiser, de persoonlijke kennis zou kunnen worden vermoed. Bovendien is de schuldigverklaring niet naar recht verantwoord, omdat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat op moment van het besturen van het motorvoertuig hij geen kennis had van de betekening, niet wist dat een verval bij verstek was uitgesproken.
  4. In ondergeschikte orde verzoekt de eiser twee prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof, te weten: “Schendt artikel 48 Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet in de interpretatie dat uit het enkele feit van betekening van een verstekvonnis met verval van het recht tot sturen als beveiligingsmaatregel aan de woonst van de beklaagde, de persoonlijke kennisname van het verstekvonnis wordt vermoed, terwijl de betekening aan de woonst van de beklaagde van de dagvaarding niet volstaat als bewijs van persoonlijke kennis van de dagvaarding met het oog op de ongedaanverklaring van een verzet overeenkomstig artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering”? “Schendt artikel 48 Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet in zoverre wordt aangenomen dat het verval van het recht tot sturen als straf ingaat vanaf de kennisgeving van het verval aan de veroordeelde, met melding van de rechtsmiddelen die openstaan van de termijnen om die aan te wenden en van de na te leven vormvoorwaarden in geval van verstek, terwijl het verval van recht tot sturen ingevolge een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid ingaat vanaf de loutere betekening ook aan woonst van het vonnis, zodat wie rijdt spijts verval ingevolge een ongeschiktheid strafbaar is vanaf de loutere betekening van het vonnis zelf zonder persoonlijke kennisname en wie rijdt spijts verval als straf niet strafbaar is zonder persoonlijke kennisgeving met melding van de rechtsmiddelen die openstaan van de termijnen om die aanwenden en van de na te leven vormvoorwaarden in geval van verstek”?
  5. Beoordeling.
  6. Artikel 48, eerste lid, 1° Wegverkeerswet bestraft het besturen van een motorvoertuig spijts verval van het recht tot sturen. Het gaat daarbij om miskenning van een rijverbod als bijkomende straf (tijdelijk of levenslang) of als beveiligingsmaatregel van onbeperkte duur, wegens rijongeschiktheid
(2). Het hof oordeelde dat de bestanddelen van dit misdrijf bestaan uit “het besturen van een voertuig op de openbare weg en de ongehoorzaamheid die deze gedraging inhoudt ten aanzien van de rechterlijke beslissing die dat verbiedt”
(3). Voor de schuldigverklaring aan het misdrijf van rijden spijts een rijverbod wegens ongeschiktheid lijken mij volgende beginselen van belang: - Is het rijverbod als beveiligingsmaatregel uitgesproken bij verstek, dan is dat rijverbod uitvoerbaar vanaf de geldige betekening van het verstekvonnis, niettegenstaande voorziening (art. 43 Wegverkeerswet) De beklaagde moet dat rijverbod dus naleven vanaf de geldige betekening, ook al kan de beklaagde nog hoger beroep of verzet in de gewone of buitengewone termijn aantekenen
(4). Op die manier is voldaan aan art. 43 Wegverkeerswet, bedoeld om de verkeersveiligheid te vergroten
(5). Het rijverbod opgelegd als straf gaat daarentegen in vanaf de vijfde dag na de geldige kennisgeving ervan aan de veroordeelde (art. 40, eerste lid, Wegverkeerswet)
(6). - De beslissing waarbij een verval wegens ongeschiktheid is uitgesproken bij verstek kan vanaf de geldige betekening ook de grondslag vormen voor een veroordeling wegens het besturen van een motorvoertuig door een bestuurder die leed aan een lichaamsgebrek of aandoening, bepaald door de Koning overeenkomstig art. 21, § 3 Wegverkeerswet, of die niet voldeed aan het geneeskundig onderzoek, door de Koning opgelegd in de gevallen die Hij bepaalt (art. 30, § 1, 4° Wegverkeerswet)
(7). - Na een geldige betekening van het verstekvonnis is de bestuurder die een rijverbod wegens ongeschiktheid moet naleven strafbaar wanneer hij een motorvoertuig op de openbare weg bestuurt. Het maakt daarbij geen verschil uit of de deurwaarder de akte persoonlijk heeft overhandigd aan de betrokkene (art. 33 Ger.W) of aan een familielid of dienstbode op de woon-of verblijfplaats (art. 35 Ger.W.), dan wel achterliet onder gesloten omslag in de brievenbus van de woon-of verblijfplaats van de betrokkene (art. 38 Ger.W., zoals in deze zaak). Er is ook geen verplichting om na een regelmatige betekening van het verstekvonnis aan de woonst het rijverbod ter kennis te brengen aan de veroordeelde, door een akte overhandigd door een politieambtenaar. - - Het enkele feit dat is vastgesteld dat de beklaagde een motorvoertuig bestuurde tijdens de periode van verval, is onvoldoende om hem te veroordelen wegens inbreuk op art. 48, eerste lid, 1° Wegverkeerswet. Aan dit misdrijf is ook een moreel element verbonden, dat bestaat in opzet of onachtzaamheid, gelet op het algemeen rechtsbeginsel van “geen misdrijf zonder schuld (nullum crimen sine culpa)”
(8). - Het misdrijf van rijden spijts verval van het recht tot sturen vereist dat de beklaagde op het ogenblik van het besturen van een voertuig kennis had van de beveiligingsmaatregel van het rijverbod. De rechter oordeelt onaantastbaar over de aanwezigheid van die kennis, met controle op de wettigheid van de motieven door het Hof. Indien deze beveiligingsmaatregel is opgelegd door een verstekvonnis, kan die kennis ook blijken uit andere gegevens dan de betekening van het verstekvonnis
(9). - Het staat aan de rechter om op basis van de regelmatig voorgelegde gegevens van het dossier, vatbaar voor tegenspraak, uit te maken of de beklaagde het hem opgelegde rijverbod opzettelijk of uit onachtzaamheid heeft miskend. Het Hof ziet wel toe of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. - De bewijslast voor het opzet of de onachtzaamheid berust hij het Openbaar Ministerie en twijfel is in het voordeel van de beklaagde, gelet op het vermoeden van onschuld (art. 6.2 EVRM). De beklaagde moet bijgevolg dus niet aantonen dat hij geen kennis had van het rijverbod uitgesproken bij verstek. Een dergelijk negatief bewijs leveren is trouwens erg moeilijk, zo niet onmogelijk. - Net als voor andere verkeersinbreuken bevat art. 48, eerste lid, 1° Wegverkeerswet geen omschrijving van een moreel bestanddeel (opzet of onachtzaamheid). Het gaat om ‘schuld door wetsinbreuk’, wat inhoudt dat het Openbaar Ministerie het bewijs moet leveren van de overtreding van de strafwet en de beklaagde die de overtreding betwist, geloofwaardig of aannemelijk moet maken dat hij zich kan beroepen op onwetendheid, dwang, noodtoestand of overmacht
(10). Is dit verweer geloofwaardig, dan dient het Openbaar Ministerie het tegenbewijs te leveren. In artikel 7 van het nieuwe Strafwetboek, van toepassing vanaf 8 april 2026, is bepaald: “Elk misdrijf vereist het bestaan van een schuldbestanddeel bij de dader” en dit bestanddeel kan voor reglementaire misdrijven (zoals verkeersmisdrijven) bestaan in “het zonder rechtvaardiging aannemen van het strafbaar gestelde gedrag dat de uiting is van de algemene verplichting tot waakzaamheid waartoe de dader gehouden is” (Wet van 29 februari 2024, BS 8 april 2024)
(11).
  1. Voor zover eiser ervan uitgaat dat na een betekening van een verstekvonnis over een rijverbod wegens ongeschiktheid aan de woonst van de beklaagde er nog een nieuwe betekening aan de persoon van de beklaagde of een persoonlijke kennisgeving door de politie nodig zou zijn, voorafgaand aan de vaststelling van rijden spijts verval, faalt het onderdeel m.i. naar recht. Bijkomend lijkt mij het bestreden oordeel over de onmiddellijke uitwerking van het rijverbod als beveiligingsmaatregel, vanaf de geldige betekening van het verstekvonnis, (art. 43 Wegverkeerswet) naar recht verantwoord, en kan het onderdeel op dat punt niet worden aangenomen.
  2. Indien de beklaagde bij verstek is veroordeeld tot een rijverbod als straf en rijongeschikt is verklaard, volstaat het voor de schuldigverklaring aan rijden spijts verval het besturen van een motorvoertuig dat het verstekvonnis vooraf is betekend aan de woonplaats van de beklaagde, wat betreft het onderdeel van de rijongeschiktheid. Heeft de beklaagde na de vastgestelde inbreuk van rijden spijts verval nog bij een aparte akte persoonlijk kennis gekregen van het rijverbod als straf en als beveiligingsmaatregel, dan is de rechter niet verplicht aan te nemen dat de beklaagde voorafgaand aan deze persoonlijke kennisname geen weet had van het rijverbod als beveiligingsmaatregel. In zoverre faalt het onderdeel m.i. eveneens naar recht. Het feit dat het bestreden vonnis vaststelt dat eiser op 3 juni 2023 persoonlijk kennis nam van het rijverbod als beveiligingsmaatregel, uitgesproken bij verstek, sluit een schuldigverklaring wegens rijden spijts verval bijgevolg niet uit, voor de periode na de geldige betekening aan de woonst van de beklaagde. Uit de veroordeling moet wel blijken dat de eiser kennis had van de veroordeling voorafgaand aan de vastgestelde inbreuk.
  3. Er is discussie mogelijk of uit de vaststelling van het materieel element van het misdrijf, namelijk het besturen van een motorvoertuig na de correcte betekening aan de woonst van het verstekvonnis over het rijverbod wegens ongeschiktheid, de correctionele rechtbank de betwiste feiten kon bewezen verklaren louter door te stellen dat: “de vereiste onachtzaamheid wordt daarmee vermoed en het door de beklaagde ingeroepen ontbreken van fout is ontdaan van elke geloofwaardigheid”.
  4. Men kan de motivering zo interpreteren dat het bestreden vonnis geen kennis vaststelt van het rijverbod op moment van de betwiste inbreuken, maar alleen uitgaat van een vermoeden van kennisname van het rijverbod en van een vermoeden van onachtzaamheid. Deze vermoedens zouden voortvloeien uit de betekening van het verstekvonnis over het rijverbod aan de woonst van eiser, voorafgaand aan het besturen van het motorvoertuig. Nochtans bevatten de artikelen 30, 43 en 48 Wegverkeerswet geen wettelijk vermoeden dat vanaf de betekening van het verstekvonnis dat een rijverbod wegens ongeschiktheid oplegt, de bestuurder schuldig is aan het misdrijf rijden spijts verval of rijden in staat van ongeschiktheid
(12). 12. Uit het algemeen rechtsbeginsel dat de straf persoonlijk is, dat aansluit op het door eiser ingeroepen rechtsbeginsel ‘geen misdrijf zonder schuld’, volgt dat de rechter pas kan veroordelen, ook in verkeerszaken, als hij voldoende duidelijk aangeeft dat de beklaagde het ten laste gelegde feit heeft begaan
(13). Een vermoeden van schuld is ontoereikend voor een veroordeling, zelfs als de bewering van de beklaagde dat hij geen verkeersinbreuk beging niet geloofwaardig overkomt
(14). Met de aangehaalde redenen is de schuldigverklaring aan de betwiste inbreuken niet naar recht verantwoord, en komt het middel gegrond voor. Deze visie geniet mijn voorkeur. 13. Een andere, minder strikte interpretatie, houdt in dat de correctionele rechtbank met de aangehaalde redenen te kennen geeft, hoe summier ook, dat eiser op moment van de vastgestelde inbreuken kennis had van het rijverbod uitgesproken bij verstek, hem regelmatig betekend aan zijn woonst, en uit onachtzaamheid een motorvoertuig heeft bestuurd ondanks het uitvoerbaar rijverbod of de vastgestelde rijongeschiktheid. Aangezien vanaf de geldige betekening aan de woonst het rijverbod uitgesproken bij verstek uitvoerbaar is, mag van de beklaagde die nadien met een motovoertuig reed een geloofwaardig verweer worden verwacht over zijn onwetendheid. Daarover dient de rechter geen uitgebreide toelichting te geven. Indien de rechter de beklaagde zou moeten vrijspreken louter en alleen omdat hij de kennisname betwist, zou in de praktijk alleen een beklaagde aan wie het rijverbod uitgesproken bij verstek in persoon is betekend (art. 33 Ger.W.), nog kunnen worden veroordeeld wegens rijden spijts verval. Is het verweer geloofwaardig, waarover de rechter onaantastbaar oordeelt, dan dient het Openbaar Ministerie het tegenbewijs te leveren. Eiser stelt hierover zelf: “Het vermoeden van onachtzaamheid kan immers weerlegd worden, wanneer de betrokkene kan aanbrengen dat hem terzake geen fout treft. Het volstaat daarbij dat het door de beklaagde ingeroepen ontbreken van fout niet ontdaan is van elke geloofwaardigheid”
(15). De motivering komt erop neer dat er in hoofde van eiser geen sprake was van overmacht, noodtoestand, onwetendheid of dwaling, ten tijde van de betwiste inbreuken en het Openbaar Ministerie geen tegenbewijs moest leveren, bij gebrek aan een geloofwaardig verweer van eiser. Tenzij het nodig is één van de prejudiciële vragen van eiser te stellen, kan in deze (tweede) visie het onderdeel niet worden aangenomen.
  1. Voor zover eiser aanvoert dat hij wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen kennis had van de betekening van het verstekvonnis en dus niet wist dat een verval was uitgesproken, is het onderdeel in de tweede visie niet-ontvankelijk, omdat het opkomt tegen een onaantastbaar oordeel van feitelijke gegevens, of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten. Hetzelfde geldt voor het argument van eiser dat het niet bewezen is dat hij kennis had van de betekening van het verstekvonnis en dus wist dat een verval was uitgesproken. Bijkomend is het onderdeel dat een motiveringsgebrek aanvoert niet-ontvankelijk, bij gebrek aan nauwkeurigheid, omdat eiser niet verduidelijkt welk in zijn appelconclusie gevoerd verweer niet wordt beantwoord met het bestreden vonnis.
  2. Indien het Hof van oordeel is dat er reden is tot cassatie, omdat de motivering over de schuld aan de inbreuken C, D, F en G ontoereikend is of niet naar recht is verantwoord is, is er m.i. geen reden tot het stellen van de twee voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof.
  3. Ondergeschikt meen ik dat er reden kan zijn voor het stellen van de tweede prejudiciële vraag. Wanneer het gaat om een beklaagde die wordt vervolgd wegens rijden spijts verval van het recht tot sturen, uitgesproken bij verstek, sprak het Grondwettelijk Hof zich m.i. nog niet uit over de verschillende inwerkingtreding van het rijverbod, naar gelang deze als beveiligingsmaatregel dan wel als straf is opgelegd, en het effect van dit verschil op het misdrijf van rijden spijts verval (art. 48, eerste lid, 1° Wegverkeerswet) en eventueel het misdrijf van rijden in staat van ongeschiktheid (art. 30, § 1, 4° Wegverkeerswet). Houdt de geldige betekening aan de woonst van een verstekvonnis dat een rijverbod wegens ongeschiktheid oplegt een vermoeden in van schuld ten aanzien van de beklaagde die nadien een motorvoertuig heeft bestuurd?
  4. De eerste voorgestelde prejudiciële vraag heeft m.i. betrekking op rechtstoestanden die geenszins te vergelijken zijn, en moet daarom niet worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof
(16). De betekening aan de woonst van de beklaagde van een rijverbod wegens ongeschiktheid dat bij verstek is uitgesproken, als voorwaarde voor de strafbaarheid van het besturen van een motorvoertuig na die betekening (artikelen 43 en 48, eerste lid, 1° Wegverkeerswet), is een formaliteit met andere doelen dan de betekening van een dagvaarding in strafzaken aan de woonst van de beklaagde, als mogelijk beletsel voor de processuele sanctie van het ongedaan verzet, indien het bewijs van kennisname van de dagvaarding niet blijkt uit andere gegevens dan de betekening (art. 187, § 6, 1° Wetboek van Strafvordering
(17)). Bovendien vermeldt de eerste prejudiciële vraag m.i. geen verschil in behandeling tussen twee categorieën van personen dat in strijd kan zijn met de ingeroepen artikelen 10 en 11 van de Grondwet
(18).
  1. In zijn eerste middel, tweede onderdeel, voert eiser een schending aan van de artikelen 30 en 48 Wegverkeerswet, omdat hij werd schuldig verklaard aan rijden spijts een rijverbod als straf op 17 maart 2023 en 6 april 2023, terwijl het verval tot het recht op sturen pas is ter kennis gebracht op 3 juni
  2. Het verval als straf gaat echter pas in de vijfde dag na de kennisgeving (art. 40, eerste lid, Wegverkeerswet). Het middel gesteund op artikel 48 Wegverkeerswet mist naar mijn mening feitelijke grondslag, omdat het bestreden vonnis is beperkt tot het rijden ondanks een rijverbod als beveiligingsmaatregel op vermelde data. Verder verduidelijkt eiser m.i. niet hoe en waarom de betwiste motivering in strijd zou zijn met het toegepaste artikel 30, § 1, 4° Wegverkeerswet en is het onderdeel op dit punt niet-ontvankelijk. Conclusie: Ik heb geen ambtshalve middelen en concludeer tot gedeeltelijke cassatie met verwijzing van de zaak, beperkt tot de schuldigverklaring aan de inbreuken C, D, F en G, de opgelegde straf en herstelproeven en de bijdrage aan het Slachtofferfonds, en verwerping voor het overige. Ondergeschikt lijkt het mij aangewezen om de tweede prejudiciële vraag van eiser te stellen aan het Grondwettelijk Hof. ______________________________________________________________________
(1)Anders dan de politierechtbank legt de correctionele rechtbank geen gevangenisstraf op (van drie maanden).
(2)Cass. 12 september 2023, AR P.23.0540.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230912.2N.16, VAV 2024/1, 36-37, RW 2023-2024, 1426; J. MICHIELS, “Het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid”, RW 2023-24, 970; F. VAN VOLSEM, “Het verval van het recht tot sturen uitgesproken wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid”, in En Passant. Liber amicorum Philip Traest, Gompel & Svacina 2025, 218.
(3)Cass. 14 september 2022, AR P.22.0430.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220914.2F.5, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220914.2F.5
(4)Cass. 18 maart 2025, AR P.24.1255.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.11; Cass. 19 december 2023, AR P.23.1506.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.1; Cass. 20 juni 2023, P.24.0444.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.10, arrest niet gepubliceerd, NC 2024, 356; Cass. 26 september 2023, AR P.23.0879.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230926.2N.2; Cass. 12 september 2023, AR P.23.0540.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230912.2N.16, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS, RW 2023-24, 1426; F. VAN VOLSEM, “Het verval van het recht tot sturen uitgesproken wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid”, in En Passant. Liber amicorum Philip Traest, Gompel & Svacina 2025, 206-208; T. PAPART en B. CEULEMANS, Vademecum du tribunal de police, Kluwer 2022, 176.
(5)Over deze doelstelling zie Cass. 22 april 2025, AR P.24.1791.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.12; Cass. 19 december 2023, AR P.23.1506.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.1.
(6)Over de voorwaarden voor de kennisgeving van het rijverbod als straf, met de bewijslast van de kennisgeving die rust op het Openbaar Ministerie, zie o.a. Cass. 18 november 2025, AR P.25.0576.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.20; Cass. 17 december 2024, AR P.24.1é.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.18, met concl. OM; Cass. 14 mei 2024, AR P.23.1006.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.10; Cass. 19 september 2023, AR P.23.0816.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.9; GwH 25 november 2021, arrest 172/2021, B.13; GwH 11 oktober 2018, arrest 134/2018, B.8.2, www.const-court.be
(7)Cass. 20 juni 2023, AR P.23.0444.N, arrest niet gepubliceerd, NC 2004, 356; F. VAN VOLSEM, “Het verval van het recht tot sturen uitgesproken wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid”, in En Passant. Liber amicorum Philip Traest, Gompel & Svacina 2025, 219.
(8)Over de schuldcomponent zie Cass. 13 december 1994, AR P.94.0736.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941213.8, AC 1994, nr. 553, RW 1995-96, 533 noot B. SPRIET, “Elk misdrijf-ook dat uit het bijzonder strafrecht- vereist een moreel of schuldbestanddeel” (533-537); Cass. 12 mei 1987, AR 728, AC 1987, nr. 531, met concl. van advocaat-generaal J. DU JARDIN; GwH 12 februari 2009, arrest 17/2009, B.26.12, B.40 en B.43.2, www.const-court.be; Corr. Gent 16 mei 2000, TGR 2001, 221; Pol. Mechelen 7 januari 2002, Verkeersrecht 2003, 67; P. HOET, “Algemeen opzet: nood aan differentiatie?”, T. Strafr. 2023, 81-84; M. STERKENS, “Verval van het recht tot sturen (art. 38-49/1 Wegverkeerswet)”, in Handboek wegverkeer, Kluwer 2025, 971; F. KUTY, Précis de droit pénal. Commentaire du livre 1er du Code pénal, Larcier 2025, é-239.
(9)In die zin zie Cass. 21 februari 2023, AR P.22.1335.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.7 weliswaar wat betreft art. 48, eerste lid, 2° over miskenning van de beveiligingsmaatregel van de herstelexamens verbonden aan een rijverbod als straf.
(10)Wat betreft art. 67ter Wegverkeerswet zie Cass. 27 september 2017, AR P.17.0482.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.4, AC 2017, nr. 504, VAV 2018, 58. Zie ook concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., in de zaak Cass. 21 februari 2018, AR P.16.1199.F, AC 2018, nr. 111, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180221.2; ze alg. C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 325-326.
(11)J. DE HERDT, J. ROZIE en D. VANDERMEERSCH, Boek I van het nieuwe Strafwetboek. De regels van het algemeen strafrecht toegelicht, die Keure 2024, 65-68; F. KUTY, Précis de droit pénal. Commentaire du livre 1er du Code pénal, Larcier 2025, 251-256.
(12)Op dit punt is er een verschil met art. 67bis Wegverkeerswet, ingevoegd bij Wet van 4 augustus 1996, dat een vermoeden bevat van schuld van de houder van de kentekenplaat van het voertuig, indien de bestuurder bij de vaststelling van de verkeersovertreding niet geïdentificeerd werd.
(13)Cass. 23 mei 2012, AR P.12.0268.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120523.3, AC 2012, nr. 328; Cass. 24 mei 1995, AR P.94.0080.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950524.4, AC 1995, nr. 254; Cass. 26 oktober 1994, P.94.0752.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941026.4, AC 1994, nr. 454; Cass. 3 november 1992, AR 4699, AC 1991-92, nr. 711.
(14)Cass. 24 mei 1995, AR P.94.0080.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950524.4, AC 1995, nr. 254.
(15)Met verwijzing in zijn memorie met cassatiemiddelen naar D. HOSLTERS, “Bewijsvoering in strafzaken”, in Comm. Straf., Kluwer 1995, p. 10.
(16)Over deze exceptie vb. Cass. 30 april 2024, AR P.24.0605.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2F.2; Cass. 30 mei 2023, AR P.21.1231.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.1.
(17)Over de persoonlijke kennisname van de dagvaarding als één van de voorwaarden voor ongedaan verzet zie Cass. 10 oktober 2023, AR P.23.1156.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.5; Cass. 6 juni 2018, AR P.18.0254.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180606.1, AC 2018, nr. 357, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 17 januari 2017, AR P.16.0989.N, AC 2017, nr. 36, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170117.7; GwH 25 november 2021, arrest 172/2021, B.9.2, www.const-court.be.
(18)Vb. Cass. 24 januari 2024, AR P.23.0510.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240124.2F.1, JLMB 2024, 1024, RDPC 2024, 1004. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941026.4 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941213.8 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950524.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120523.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170117.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180221.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180606.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220914.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220914.2F.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230912.2N.16 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230926.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240124.2F.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2F.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.18 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.12 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.