id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 maart 2026 EC
Art. 92
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 3, 3° en 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Straf - Algemeen Wettelijke bepalingen:
Art. 92
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 3, 3° en 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Allerlei Wettelijke bepalingen:
Art. 92
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 3, 3° en 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 187, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901
Art. 92
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 3, 3° en 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de conclusie P.25.1665.N Conclusie van advocaat-generaal B. DE SMET: 1. Probleemstelling. In deze zaak is de vraag aan de orde of een bestuurder die bij verstek is veroordeeld tot een rijverbod, met daaraan verbonden herstelexamens of herstelproeven, nog verzet kan aantekenen nadat het rijverbod als bijkomende straf is vervallen door verjaring. Hierbij zijn volgende wetsbepalingen van belang: - Artikel 187, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, bepaalt dat als de betekening van het verstekvonnis niet aan hem in persoon is gedaan, de bij verstek veroordeelde, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet kan komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen
(1). - Artikel 187, § 1, vierde lid, Wetboek van Strafvordering, stelt: “Indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan hij die bij verstek veroordeeld is in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis”
(2). - Volgens artikel 92, eerste lid, Strafwetboek 1867 bedraagt de termijn van verjaring van de straf in correctionele zaken vijf jaar (behoudens stuiting en schorsing), te rekenen van de dagtekening van het arrest of van het in laatste aanleg gewezen vonnis, of te rekenen van de dag waarop het in eerste aanleg gewezen vonnis niet meer kan worden bestreden bij wege van hoger beroep. Deze verjaringstermijn geldt eveneens voor de geldboeten (art. 94, eerste lid, Sw. 1867). Bij gebrek aan afwijkende regels in de artikelen 38 en 68 Wegverkeerswet, geldt deze verjaringstermijn ook voor het rijverbod opgelegd als bijkomende straf
(3). Vanaf 8 april 2026 geldt de termijn van vijf jaar voor de verjaring van straffen en bijkomende straffen voor misdrijven strafbaar met niveau 1, 2 of 3 (art. 74, § 1 Strafwetboek 2024, Wet van 29 februari 2024, BS 8 april 2024). - De rechter kan het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreken indien bij de bestuurder veroordeelt wegens overtreding van onder meer rijden onder invloed van alcohol (art. 38, § 1 Wegverkeerswet). Al naar gelang de voorgaande veroordelingen, de duur van het rijverbod en de rijervaring van de bestuurder kan of moet de rechter het herstel in het recht tot sturen afhankelijk maken van één of meerdere herstelmaatregelen, te weten een theoretisch rijexamen, een praktisch rijexamen, een geneeskundig onderzoek of een psychologisch onderzoek (art. 38, §§ 3, 5, 6, 7 en 8 Wegverkeerswet). Vanaf 1 januari 2026 kan ook een erkende opleiding als herstelmaatregel worden opgelegd, ter aanvulling of ter vervanging van het theoretisch en het praktisch examen (Wet van 16 mei 2024, BS 13 juni 2024). Het afhankelijk maken van het herstel van het recht tot sturen van het slagen in één of meerdere herstelexamens of herstelproeven is een beveiligingsmaatregel en geen straf
(4). Dit brengt mee dat de regels over de verjaring van de uitvoering van straffen niet van toepassing zijn op de herstelexamens verbonden aan een rijverbod
(5). Verder belet de verjaring van het rijverbod als straf niet dat de eraan verbonden herstelmaatregelen autonoom blijft bestaan, zodat hij die een motorvoertuig bestuurt zonder de voorgeschreven examens en onderzoeken met goed gevolg te hebben ondergaan, zich schuldig maakt aan het door artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet bedoelde misdrijf
(6). - Elk verval dat als straf is uitgesproken, gaat in de vijfde dag na die waarop het openbaar ministerie de kennisgeving aan de veroordeelde heeft gedaan. Zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen zijn in deze termijn niet inbegrepen (art. 40, eerste lid, Wegverkeerswet). Deze termijn wordt verlengd met de tijd die de veroordeelde nodig heeft om zijn rijbewijs in te leveren op de griffie (art. 40, tweede lid, Wegverkeerswet)
(7). - Hij die verval van het recht tot sturen heeft opgelopen na 25 mei 1965 en onderworpen werd aan een herstelmaatregel, mag na het einde van het verval pas een motorvoertuig besturen, van de categorie waarop het verval betrekking heeft, van zodra hij met goed gevolg het opgelegd onderzoek heeft ondergaan of geslaagd is voor het opgelegde examen of de opgelegde opleiding (art. 47 Wegverkeerswet). - Artikel 48, eerste lid, Wegverkeerswet, bestraft hij die 1° een voertuig of een luchtschip bestuurt, een rijdier geleidt of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, spijts het tegen hem uitgesproken verval; en/of 2° een motorvoertuig bestuurt van de categorie bedoeld in de beslissing van vervallenverklaring of een bestuurder begeleidt met het oog op de scholing, zonder te hebben voldaan aan de herstelmaatregelen. Voor deze inbreuken van ‘rijden spijts verval’ wordt eiser niet in de voorliggende zaak vervolgd.
- Bestreden beslissing. Eiser werd in 2011 vervolgd wegens alcoholintoxicatie achter het stuur, in staat van herhaling (art. 34 en 36 Wegverkeerswet), en het niet kunnen stoppen voor een voorzienbare hindernis (art. 29, § 1, derde lid, Wegverkeerswet en art. 10.1.3 Wegverkeersreglement). Bij vonnis van de politierechtbank te Antwerpen van 28 juni 2011 werd eiser bij verstek veroordeeld tot een geldboete van 4.400 euro en een rijverbod voor een termijn van acht maanden. Het herstel van het recht tot sturen werd daarbij afhankelijk gemaakt van het slagen in een medisch onderzoek en een psychologisch onderzoek. Dit vonnis werd op 8 augustus 2011 betekend aan de woonst van eiser. Pas op 30 december 2024 stelde eiser verzet in tegen dit vonnis, bij exploot van gerechtsdeurwaarder D.N. De politierechtbank te Antwerpen heeft bij vonnis van 11 maart 2025 het verzet niet-ontvankelijk verklaard, aangezien “de straf verjaard is”. Op hoger beroep van eiser, met als grieven ‘procedure’ en ‘straf’, heeft de correctionele rechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op 24 oktober 2025 de uitspraak bevestigd. Volgende redenen werden opgegeven om het verzet af te wijzen als niet-ontvankelijk, wegens verjaring van de opgelegde straffen: -De regels over de verjaring van de uitvoering van straffen zijn niet van toepassing op de beveiligingsmaatregelen van de herstelexamens, die een autonoom karakter hebben; -Een verval van het recht tot sturen dat is uitgevoerd of niet meer kan worden uitgevoerd door verjaring belet niet dat herstelexamens autonoom blijven bestaan. Bijgevolg is hij die een motorvoertuig bestuurt zonder de voorgeschreven examens en onderzoeken te hebben afgelegd schuldig aan het rijden spijts nog uit te voeren herstelmaatregelen (art. 48, eerste lid, 2° Wegverkeerswet), zelfs indien het verval van het recht tot sturen is verjaard; - Uitzondering op die regel is de situatie waarbij het verval van het recht tot sturen als straf verjaart en er omtrent de herstelexamens geen betekening van het vonnis is gebeurd. Dan wordt na de verjaring van de straf geen motorvoertuig bestuurd met miskenning van de plicht de herstelexamens te voldoen. In deze zaak werden de herstelexamens wel degelijk betekend en ter kennis gebracht op 7 december 2011; - Samengevat is het dus correct te stellen dat herstelmaatregelen in principe niet verjaren, zelfs niet na verjaring van de straffen die in hetzelfde vonnis werden uitgesproken; - Het gegeven dat herstelmaatregelen in principe niet verjaren wil evenwel niet zeggen dat hiertegen nog rechtsmiddelen openstaan wanneer de overige straffen uitgesproken in hetzelfde vonnis reeds verjaard zijn. Immers zijn het verval van het recht tot sturen en de herstelexamens onlosmakelijk met elkaar verbonden nu het herstel van het recht tot sturen op basis van artikel 38, § 3 Wegverkeerswet afhankelijk werd gemaakt van het slagen voor één of meerdere herstelexamens. De verdediging gaat volledig aan dit principe voorbij. - De eerste rechter heeft het verzet van eiser bijgevolg terecht integraal niet-ontvankelijk verklaard. Het is niet mogelijk voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzet de herstelexamens af te splitsen van het opgelegde verval. De opgelegde straffen waren verjaard, zodat hier geen rechtsmiddel meer tegen openstond.
- Middelen en beoordeling. Eiser voert tegen het bestreden vonnis drie middelen aan: - Het oordeel dat de straf opgelegd bij verstek is verjaard geldt voor de geldboete en het rijverbod, maar niet voor de herstelproeven, aangezien die proeven geen straffen maar beveiligingsmaatregelen zijn. Daarbij komt dat eiser pas een voertuig mag besturen als hij de herstelproeven heeft afgelegd, ook als het rijverbod vervalt door verjaring. De beslissing om het verzet tegen de opgelegde herstelproeven af te wijzen als niet-ontvankelijk, wegens verjaring, is in strijd met artikel 187, § 1 Wetboek van Strafvordering over de buitengewone termijn van verzet en met artikel 2.1 Zevende Protocol EVRM over het recht op hoger beroep (eerste middel). - Het bestreden vonnis schendt artikel 92 Strafwetboek 1867 omdat het ten onrechte de rechtsgevolgen van de verjaring van de straf toepast op herstelproeven (tweede middel). - Door te stellen dat enerzijds de herstelproeven inderdaad niet verjaard zijn, als beveiligingsmaatregelen, en anderzijds het verzet onontvankelijk te verklaren wegens verjaring van de straf, velt de correctionele rechtbank een dubbelzinnig oordeel, in strijd met artikel 149 Grondwet (derde middel). Een reden is dubbelzinnig wanneer ze vatbaar is voor twee interpretaties, de ene waarin het vonnis wettig is en de andere waarin het onwettig is
(8). Anders dan eiser stelt, bevat het bestreden vonnis niet de reden dat de herstelproeven “inderdaad niet verjaard zijn”. Het vonnis geeft slechts aan dat herstelmaatregelen “in principe niet verjaren” en geeft te kennen dat de verjaring wel bereikt is als het rijverbod verbonden aan herstelexamens niet aan de veroordeelde zijn betekend. Het derde middel mist bijgevolg feitelijke grondslag. Het eerste en tweede middel lijken mij te falen naar recht, omdat zij uitgaan van de veronderstelling dat eiser pas kennis kreeg van de opgelegde herstelexamens nadat de verjaring van het rijverbod als bijkomende straf was bereikt. Omdat er in deze situatie geen verzet meer kan worden ingesteld in de buitengewone termijn (art. 187, § 1 Sv.), en de termijn van hoger beroep die aanvangt vanaf dag na de betekening van het verstekvonnis eveneens is verstreken (art. 203, § 1 Sv.), wordt dan afbreuk gedaan aan het recht op tegenspraak en het recht op toegang tot de rechter. Probleem is dat eiser wel kennis had van de herstelproeven en hij een ontvankelijk verzet had kunnen instellen (zie verder punt 4). Bijkomend voert eiser een schending aan van artikel 2.1 Zevende Protocol EVRM over de waarborg van het hoger beroep, het recht op een berechting van de zaak door een hogere rechtsinstantie
(9). Deze waarborg lijkt mij geen aanknopingspunt voor een herstart van een proces in dezelfde aanleg, via verzet in de buitengewone termijn. Eiser werpt overigens voor zijn probleem van onherroepelijke herstelproeven geen miskenning op van het recht op een eerlijk proces (art. 6.1 EVRM) of van het recht op een effectief rechtsmiddel (art. 13 EVRM). Tenslotte gaat eiser ervan uit dat hij belang heeft om verzet aan te tekenen, omdat hij de herstelonderzoeken moet ondergaan ondanks de verjaring van het rijverbod als straf, en hij om die reden nog verzet moet kunnen aantekenen. Het is echter niet omdat er een veroordeling bij verstek nadelige effecten heeft, dat de beklaagde beschikt over een onbeperkt recht op verzet. Dit rechtsmiddel moet worden ingesteld binnen de bij wet bepaalde termijnen, behoudens overmacht. Uit de stukken blijkt niet dat eiser een verweer over overmacht heeft gevoerd. 4. Voorstel substitutie van motieven. De m.i. ondoeltreffende middelen van eiser nemen niet weg dat het bestreden vonnis tegenstrijdige motieven bevat over de aard van herstelmaatregelen en het effect daarvan op het verzet in de buitengewone termijn. De correctionele rechtbank stelt enerzijds dat de herstelonderzoeken een ‘autonoom karakter hebben’
(10)en dus in principe blijven gelden na verval van het rijverbod door verjaring, en oordeelt anderzijds dat het verval van het recht tot sturen en de herstelexamens voor de rechtsmiddelen ‘onlosmakelijk’ met elkaar zijn verbonden. Toch lijkt mij er geen reden voor een ambtshalve middel, op basis van artikel 149 Grondwet, omdat de correctionele rechtbank op grond van haar feitelijke vaststellingen wel tot haar beslissing van een onontvankelijk verzet kon komen. Het beroepen vonnis stelt dat de veroordeling tot een rijverbod verbonden aan herstelonderzoeken regelmatig is betekend aan de woonst van eiser. Noch in het grievenformulier, noch in de beroepsconclusie worden opmerkingen geformuleerd over de regelmatigheid van de betekening van de veroordeling bij verstek en van de latere kennisgeving van het rijverbod en de herstelonderzoeken. Het bestreden vonnis bevestigt het oordeel van de politierechtbank en stelt vast dat de herstelexamens “wel degelijk zijn betekend en ter kennis gebracht aan eiser op 7 december 2011”. Eiser had bijgevolg via deze kennisgeving in persoon verzet kunnen instellen in de buitengewone termijn, zowel tegen de schuldigverklaring als tegen de geldboete, het rijverbod als straf en de eraan verbonden herstelonderzoeken. Hij betwist niet dat het rijverbod en de herstelexamens hem ter kennis werden gebracht op 7 december 2011, overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet. Ook voert hij geen overmacht aan om het verzet ontvankelijk te verklaren. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens laat toe dat de lidstaten rechtsmiddelen beperken door termijnen en vormvereisten, op voorwaarde dat het recht op een eerlijk proces niet in zijn kern wordt aangetast, er geen situatie ontstaat van ‘excessief formalisme’
(11). Het verzet in de buitengewone termijn, van toepassing als de verstekbeslissing niet persoonlijk is betekend aan de beklaagde, laat de beklaagde toe om geruime tijd na de veroordeling bij verstek een nieuw proces te bekomen, voor hetzelfde rechtscollege
(12). De termijn loopt vanaf de dag na de kennisname van de regelmatige betekening van het verstekvonnis en kan op strafgebied duren tot de opgelegde straf is vervallen door verjaring (art. 187, § 1, Sv.). De termijn om via verzet in de buitengewone termijn de zaak opnieuw voor te leggen aan de strafrechter lijkt mij ruim genoeg, om de rechten van verdediging uit te oefenen. Ook is dat verzet niet omringd met te strenge vormvereisten. De niet-gedetineerde beklaagde kan verzet instellen bij een akte bij exploot van gerechtsdeurwaarder, dat wordt betekend aan zijn tegenpartij (art. 187, § 2 Sv. en art. 32 Ger.W.)
(13). Het probleem van de tegenstrijdige motieven in het vonnis kan naar mijn mening worden opgelost door substitutie van motieven. Als de beslissing (dictum) correct is, maar steunt op voor kritiek vatbare redenen, die tevergeefs worden aangevochten door de eiser in cassatie, kan het Hof een rechtsgrond in de plaats stellen, opdat de beslissing wel naar recht verantwoord is. Deze techniek vereist dat de appelrechter de nodige feitelijke gegevens vaststelt en dat partijen in cassatie verweer kunnen voeren over de nieuwe motieven
(14). De middelen van de eiser zijn in dat geval niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang, omdat zij niet tot cassatie kunnen leiden. Volgende motieven zouden naar mijn mening kunnen dienen om de bestreden beslissing te onderbouwen van het onontvankelijk verzet van eiser, in plaats van de motieven bekritiseerd in de middelen van eiser: “Het verstekvonnis werd regelmatig aan de woonst van eiser betekend op 8 augustus 2011 en die betekening werd hem persoonlijk ter kennis gebracht op 7 december
- De buitengewone termijn van vijftien dagen om verzet aan te tekenen nam bijgevolg een aanvang op 8 december
- Het door eiser aangetekende verzet, dat dateert van na 23 december 2011, is bijgevolg laattijdig en niet-ontvankelijk”. Conclusie: verwerping. ____________________________________________________________________
(1)Over de dag na kennisname van de betekening van de veroordeling, en niet van de veroordeling zelf, zie o.a. Cass. 9 april 2025, AR P.24.1779.F, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.2; Cass. 17 december 2024, AR P.24.1é.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.18, met concl. OM; Cass. 4 december 2024, AR P.24.1087.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241204.2F.11; Cass. 12 juni 2024, AR P.23.1735.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240612.2F.8, met concl. van advocaat-generaal V. TRUILLET; Cass. 30 mei 2023, AR P.23.0498.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.17; Cass. 16 december 2020, AR P.20.0660.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201216.2F.4, AC 2020, nr. 780, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 11 juni 2014, AR P.14.0374.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140611.2, AC 2014, nr. 417.
(2)Over de verjaring van de straf als eindpunt van de buitengewone verzettermijn zie Cass. 14 november 2023, AR P.23.0985.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.2; Cass. 5 december 2018, AR P.18.0610.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181205.1, AC 2018, nr. 684; Cass. 25 september 2018, AR P.17.1230.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180925.2, AC 2018, nr. 496; Cass. 9 januari 2007, AR P.06.1250.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070109.4, AC 2007, nr. 12; Cass. 9 mei 1995, P.94.1404.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950509.11, AC 1995, nr. 227; GwH 10 juni 2021, arrest 87/2021, B.2.2, GwH 30 januari 2025, arrest 18/2025, B.4, www.const-court.be; P. HOET, “Gewoon en buitengewoon verzet versus verjaring van de straf en van de strafvordering”, T. Strafr. 2021, 106-107; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, 1908-1909.
(3)R. BEIRINCKX, Het verval van het recht tot sturen herbekeken, Kluwer 2014, 134.
(4)Cass. 24 april 2024, AR P.23.1178.F, arrest niet gepubliceerd; Cass. 26 maart 2024, AR P.24.0053.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.7, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS, RW 2023-24, 1423, T. Strafr. 2024, 262; Cass. 31 mei 2023, AR P.23.0200.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230531.2F.3; Cass. 27 oktober 2020, AR P.20.0869.N, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.7, RW 2021-22, 466.
(5)Cass. 10 december 2024, AR P.24.0586.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.22.
(6)Cass. 24 april 2024, AR P.23.1178.F, arrest niet gepubliceerd; Cass. 26 maart 2024, AR P.24.0053.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.7 met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS, RW 2023-24, 1423, T. Strafr. 2024, 262; Cass. 31 mei 2023, AR P.23.0200.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230531.2F.3; Cass. 27 oktober 2020, AR P.20.0869.N, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.7, RW 2021-22, 466.
(7)De kennisgeving bedoeld in art. 40 Wegverkeerswet heeft betrekking op de uitvoering van het rijverbod als straf, meer bepaald op de periode waarin het rijverbod een aanvang neemt, maar niet op het afleggen van de examens of onderzoeken opgelegd voor het herstel in het recht tot sturen, nadat dit rijverbod is ondergaan (Cass. 16 december 2025, AR P.25.1502.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.5; Cass. 10 december 2024, AR P.24.0586.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.22; Cass. 21 februari 2023, AR P.22.1335.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.7; Cass. 25 april 2017, AR P.16.0888.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170425.3, AC 2017, nr. 283).
(8)Cass. 26 juni 2019, AR P.19.0344.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190626.1, AC 2019, nr. 402.
(9)C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 794-795.
(10)Met verwijzing naar Cass. 10 december 2024, AR P.24.0586.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.22.
(11)Over het recht op toegang tot de rechter en het verbod op een overdreven formalisme zie o.a. EHRM 26 juli 2007, Walchili t/Frankrijk, § 29; EHRM 6 oktober 2015, Coniac/Roemenië, § 49; EHRM 12 februari 2015, Sanader t/Kroatië, § 78; EHRM 14 februari 2017, Hokkeling/Nederland, § 58, EHRM 2 februari 2023, Rocchia t. Frankrijk, www.echr.coe.int; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier, 2023, I, 526-542.
(12)K. VEECKMANS, “Buitengewoon verzet: een adequaat middel?”, Nullum Crimen-prijs 2018, NC 2019 (bijzonder nummer), 2-51.
(13)A. VANDEPLAS, “Verzet in strafzaken”, in Strafrecht voor rechtspractici, Acco 1985, 45.
(14)Zie B. MAES, Cassatiemiddelen naar Belgisch recht, Mys & Breesch 1993, 344-347; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1595-1597; F. VAN VOLSEM, “Het aanvoeren van cassatiemiddelen in strafzaken: een overzicht”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2023, 153-156. Vb. Cass. 30 april 2024, AR P.24.0241.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.8; Cass. 5 april 2023, AR P.22.1464.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230405.2F.8; Cass. 12 februari 2003, AR P.02.1139.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030212.22, AC 2003, nr. 98, met concl. van procureur-generaal Jean DU JARDIN. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950509.11 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030212.22 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070109.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140611.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170425.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180925.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181205.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190626.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201216.2F.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230221.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230405.2F.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.17 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230531.2F.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.8 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240612.2F.8 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241204.2F.11 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.22 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.18 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div