← België

V. contra G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260312.1N.3 Rolnummer: C.24.0338.N Zaak: V. contra G. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2026-05-15 Raadplegingen: 204 - laatst gezien 2026-06-18 20:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260312.1N.3 Fiche De rechter die oordeelt over een vordering tot vermindering of afschaffing van een onderhoudsuitkering na echtscheiding die is gesteund op een beweerde wijziging van de financiële situatie van de ex-echtgenoten ingevolge oppensioenstelling, moet bij het bepalen van de inkomsten van de ex-echtgenoten rekening houden, niet enkel met de inkomsten die de ingevolge de beëindiging van pensioenverzekeringen uitgekeerde pensioenbedragen genereren, maar ook met deze pensioenbedragen zelf; deze pensioenuitkeringen zijn immers de vrucht van de beroepsloopbaan en strekken ertoe het beroepsinkomen na de oppensioenstelling te vervangen, zodat zij als inkomsten in aanmerking moeten worden genomen. Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE PERSONEN - T.a.v. de echtgenoten Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 301 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.25.0338.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering.

  1. Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan blijkt dat de partijen zijn gehuwd op 2 oktober
  2. Zij zijn uit de echt gescheiden bij vonnis van 17 oktober
  3. Bij afzonderlijk vonnis van dezelfde datum werd de eiser veroordeeld tot betaling aan de verweerster van een persoonlijk onderhoudsgeld tijdens de echtscheidingsprocedure van 1.300 euro per maand en vervolgens tot betaling van een onderhoudsuitkering na echtscheiding van 800 euro per maand, en dit voor een periode gelijk aan de duur van het huwelijk. De eiser was op dat ogenblik reeds pensioengerechtigd (sinds februari 2019), maar had nog een arbeidsovereenkomst voor één jaar ondertekend, waardoor hij nog over een bijkomend inkomen beschikte. De eiser legde op 1 september 2021 een verzoekschrift neer strekkende tot de afschaffing van de onderhoudsuitkering na echtscheiding met ingang van augustus 2021, minstens tot de aanzienlijke verlaging ervan gelet op de gewijzigde omstandigheden. Bij vonnis van 21 april 2021 verklaarde de Familierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, de vordering ongegrond. In het bestreden arrest van 4 april 2023 verklaarde het Hof van beroep te Antwerpen het hoger beroep van eveneens ongegrond.
  4. In het cassatieberoep tegen dit arrest voert de eiser twee middelen aan. 2 Bespreking. 2.1 Eerste middel.
  5. In het eerste onderdeel voert de eiser aan wat moet worden begrepen onder “inkomsten en mogelijkheden”, in de zin van artikel 301, § 3 van het oud Burgerlijk Wetboek, waarmee rekening wordt gehouden om het bedrag te bepalen dat hij moet betalen aan zijn voormalige echtgenote als onderhoudsuitkering tot levensonderhoud dat ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. Volgens de eiser worden daaronder de inkomsten begrepen die de betrokkene ontvangt of zou kunnen ontvangen, hetzij alles wat iemand als opbrengst van arbeid, onderneming of vermogen verkrijgt, zoals loon, winst, dividend of rente, met uitsluiting van zijn kapitaal, waarmee wordt bedoeld het rentegevend bezit of vermogen, of andere goederen. Hij meent dat van de onderhoudsschuldenaar niet kan worden verwacht dat hij zijn spaarcenten opgebruikt om te voorzien in de onderhoudskosten van de onderhoudsgerechtigde. Indien de prestaties van een groepsverzekering uitgekeerd worden als kapitaal, moet de echtgenoot dan ook zelf de bestemming van dat kapitaalbedrag kunnen bepalen. Enkel de inkomsten op het kapitaal maken volgens de eiser een in aanmerking te nemen inkomen van de echtgenoot uit.
  6. Op 19 oktober 2023 oordeelde het Hof dat de rechter bij het bepalen van de inkomsten van de ex-echtgenoten ook rekening moet houden met het pensioenbedrag zelf dat een echtgenoot ontvangt uit een pensioenverzekering, en niet met enkel met de inkomsten die dit pensioenbedrag genereert

(1). De visie van de eiser gaat voorbij aan de vaststelling dat het bij een kapitaal ontvangen uit een groepsverzekering niet louter een kapitaalbedrag betreft (zoals een spaartegoed, ontvangen erfenis, …), maar het in wezen om een (aanvullend) inkomen uit arbeid gaat: de groepsverzekering wordt opgebouwd door bijdragen van de werkgever en/of werknemer en is gelinkt aan de arbeidsprestaties van de betrokken echtgenoot. Bijgevolg moet dit kapitaal, en niet enkel de inkomsten op dit kapitaal, ook in rekening worden gebracht om het verdienvermogen van de echtgenoot te bepalen. Hier anders over oordelen zou een onverantwoorde verschillende behandeling in het leven roepen naargelang de groepsverzekering bij wijze van kapitaal dan wel bij wijze van periodieke rente wordt uitbetaald: in dit laatste geval bestaat er weinig discussie dat de periodieke uitkeringen een inkomen van de echtgenoot uitmaken. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat zelfs al worden de premies van de groepsverzekering door de werkgever betaald, en niet op het loon ingehouden, ze een voordeel zijn dat de werknemer uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst verkrijgt en dat de prestaties van een dergelijke verzekering als inkomsten uit beroepsbezigheden kunnen worden beschouwd, die luidens artikel 1405, 1°, van het Burgerlijk Wetboek gemeenschappelijk zijn
(2). Ook reeds bij arrest van 30 november 2012 oordeelde het Hof dat een verplichte groepsverzekering gesloten door de werkgever ter financiering van een aanvullend pensioen dat wordt betaald bij het bereiken van een bepaalde leeftijd door de aangeslotene, beoogt te voorzien in een aanvullend inkomen. Zelfs al worden de bijdragen gedeeltelijk betaald door de werkgever en niet op het loon ingehouden, zijn ze een voordeel dat de werknemer uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst verkrijgt en maken zij deel uit van zijn inkomen uit arbeid. In de mate dat zij opgebouwd zijn met bijdragen betaald tijdens het huwelijk, zijn de prestaties van een dergelijke verzekering aanwinsten die krachtens artikel 1498, oud, Burgerlijk Wetboek gemeenschappelijk zijn. Zelfs de omstandigheid dat de groepsverzekering voor een aanvullend pensioen werd aangegaan voor het huwelijk en het aanvullend pensioen pas na het huwelijk wordt uitgekeerd, doet hieraan geen afbreuk
(3).
  1. De opvatting van de eiser dat voor de berekening van het onderhoudsgeld geen rekening mag worden gehouden met het ontvangen pensioenkapitaal van de groepsverzekering en enkel met de inkomsten van dat kapitaal, faalt naar recht.
  2. Het arrest vermeldt uitdrukkelijk dat rekening werd gehouden met een levensverwachting van 79,9 jaar. In zoverre het eerste onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechter het pensioenkapitaal heeft geconverteerd naar een tienjarige rente, berust het op een verkeerde lezing en mist het feitelijke grondslag.
  3. Het eerste onderdeel voert tenslotte een tegenstrijdigheid aan doordat het arrest enerzijds stelt dat rekening kan worden gehouden met het inkomen uit het kapitaal, doch anderzijds het kapitaal zelf, geconverteerd in een rente, weerhoudt als inkomen. Die tegenstrijdigheid bestaat niet en berust op een verkeerde lezing omdat uit de gehele context duidelijk volgt dat de appelrechter met ‘inkomen uit kapitaal’ bedoelt dat het kapitaal een inkomen is.
  4. De eiser stelt in het tweede onderdeel van het eerste middel dat de appelrechter niet heeft gepreciseerd of de herleiding van het kapitaal dat de eiser heeft ontvangen uit de groepsverzekering naar een maandelijks bedrag van 900 euro, een netto- dan wel brutobedrag betreft. Hierdoor zou het Hof zijn wettigheidstoezicht onmogelijk kunnen uitoefenen (schending van art. 149 Gw.) en is de beslissing van de appelrechter niet naar recht verantwoord (schending van art. 301, §§ 2 en 3 oud BW en art. 1, § 1, 6, 3°, 23, § 1, 5° en 34, §§ 1 en 2 WIB92).
  5. De appelrechter oordeelt dat de verweerster het aannemelijk maakt dat de eiser een 900 euro per maand extra kan ontvangen en dat de eiser duidelijk meer dan louter zijn inkomen uit pensioen heeft. Hieruit vloeit mijns inziens voldoende duidelijk voort dat het gaat om het nettobedrag, namelijk datgene wat de eiser effectief maandelijks zou kunnen ontvangen/heeft, na aftrek van de fiscale en sociale lasten. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing en mist feitelijke grondslag.
  6. Het derde onderdeel van het eerste middel komt op tegen de overwegingen op p. 7, nr. 4 van het bestreden arrest, waar de appelrechter meerdere feitelijke elementen aanhaalt om te concluderen dat de eiser niet transparant is over zijn roerend vermogen, maar duidelijk meer heeft dan louter zijn inkomen uit pensioen. De appelrechter zou hiermee onvoldoende preciseren welk inkomen de eiser boven dat pensioen heeft, zodat het Hof de aard van de weerhouden bedragen evenals de naleving van de 1/3e-grens van het inkomen onmogelijk kan nagaan (schending van art. 149 Gw.) en de beslissing van de appelrechter niet naar recht is verantwoord (schending van art. 301, §§ 3 en 7 oud BW).
  7. Na te hebben vastgesteld dat rekening kan worden gehouden met een verdienvermogen van 3.181 euro en vervolgens te oordelen dat er geen reden is tot vermindering de onderhoudsuitkering van 800 euro en dit bedrag de 1/3 grens van het inkomen niet overschrijdt, zijn de overwegingen dat de eiser niet transparant is over zijn roerend vermogen, overtollige overwegingen. Het derde onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is niet ontvankelijk. 2.2 Tweede middel.
  8. In het eerste onderdeel viseert de overwegingen over de woonkost van de verweerster. Door niet te preciseren dat deze woonkost op datum van uitspraak van het bestreden arrest nog bestond, noch te becijferen hoeveel deze woonkost bedroeg, zou de appelrechter de wettigheidscontrole door het Hof onmogelijk maken (schending van art. 149 Gw.) en zijn beslissing niet naar recht verantwoorden (schending van art. 301, §§ 2, 3 en 7 oud BW).
  9. De appelrechter oordeelt dat de verweerster op het moment van het eerste vonnis geen woonkost had maar die nu wel heeft. Die woonkost bestaat dus nog bij de verweerster volgens de appelrechter. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechter niet heeft aangegeven of de woonkost op datum van uitspraak van het bestreden arrest nog bestond, mist het feitelijke grondslag.
  10. Bovendien voert de verweerster in haar memorie terecht aan dat de eiser zijn vordering tot afschaffing of vermindering van de onderhoudsuitkering na echtscheiding uitsluitend baseerde op de stelling dat zijn eigen financiële situatie zou zijn verslechterd door zijn oppensioenstelling. Het arrest heeft die vordering ontmoet en verworpen op basis van de motivering dat de eiser tekortkomt aan zijn bewijslast dat zijn draagkracht als onderhoudsplichtige is verminderd en dat de behoeftigheid van de verweerster als onderhoudsgerechtigde zou zijn verminderd. De appelrechter heeft met de bekritiseerde redenen aangegeven dat de financiële situatie van de verweerster net verslechterd is ten opzichte van het ogenblik waarop de onderhoudsuitkering na echtscheiding werd toegekend en dat haar behoeftigheid dus geenszins is afgenomen. Aangezien de eiser niet concreet heeft aangetoond dat zijn financiële situatie is verslechterd, is een afschaffing of vermindering van de onderhoudsuitkering dan niet aan de orde. De appelrechter diende daarbij dan ook niet concreet te becijferen hoeveel de woonkost van de verweerster precies bedroeg. Om die reden kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  11. Het tweede onderdeel van het tweede middel verwijt de appelrechter te hebben aangenomen dat de dochter van de verweerster is tussengekomen in de betaling van de opleg voor de overname van de gezinswoning door de verweerster en dat de verweerster een terugbetalingsverplichting heeft ten aanzien van haar dochter, terwijl niet blijkt dat de verweerster hiervan het bewijs voorlegde of de waarschijnlijkheid ervan bewees. Hierdoor zou de uitoefening van de wettigheidscontrole van het Hof opnieuw onmogelijk zijn gemaakt (schending van art. 149 Gw.), zijn de regels van het bewijsrecht en de bewijslast miskend (schending van de art. 8.3, eerste lid, 8.5 en 8.6 BW resp. de art. 870 Ger.W. en 8.4, eerste, tweede en derde lid BW) en verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht (schending van art. 301, §§ 2, 3 en 7 oud BW).
  12. Het onderdeel voert aan dat de appelrechter het bestaan van een feitelijk vermoeden heeft aangenomen, terwijl de vaststellingen uit het bestreden arrest daartoe geenszins nopen.
  13. Het onderdeel vermeldt niet dat de appelrechter artikel 8.29 inzake feitelijke vermoedens heeft geschonden. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
  14. Bovendien heeft de appelrechter voldoende duidelijk laten verstaan dat de verweerster het bestaan van de geldelijke tussenkomst en terugbetalingsverbintenis tegenover haar dochter voldoende bewijst. In zoverre mist onderdeel mist dan feitelijke grondslag.
  15. In het derde onderdeel voert de eiser aan dat de appelrechter de aanvoering van de eiser aangaande het spaartegoed van de verweerster niet zonder meer ter zijde kon schuiven, zonder vast te stellen dat dit spaartegoed niet langer in haar bezit is. De beslissing van de appelrechter is dan ook niet naar recht verantwoord (schending van art. 301, §§ 2, 3 en 7 oud BW).
  16. Dit onderdeel mist mijns inziens feitelijke grondslag: de appelrechter oordeelt duidelijk dat de verweerster niets heeft overgehouden uit de vereffening verdeling en wel integendeel. Daaruit volgt dat ook het bedoelde spaartegoed van 59.094,33 euro niet meer aanwezig is, zoals ook de verweerster toelichtte in haar syntheseberoepsconclusie. Conclusie: verwerping. _______________________________________________________________________
(1)Cass. 19 oktober 2023, AR C.23.0077.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231019.1N.3; S. BROUWERS, “De uitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting - artikel 301 oud BW”, Bestendig Handboek Echtscheiding, randnr. 163,
(119)166.
(2)GwH 27 juli 2011, nr. 136/2011, ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.136.
(3)Cass. 30 november 2012, AR C.11.0332.N, AC 2012, nr. 651, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121130.1, met concl. van advocaat-generaal m.o. VAN INGELGEM, ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121130.1 PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260312.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260312.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121130.1 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121130.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231019.1N.3 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.136 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.