← België

BELGISCHE STAAT, FINANCIEN contra RESILUX nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260312.1N.7 Rolnummer: F.23.0118.N Zaak: BELGISCHE STAAT, FINANCIEN contra RESILUX nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-05-15 Raadplegingen: 324 - laatst gezien 2026-06-18 16:20 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260312.1N.7 Fiche 1 Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid; daaruit volgt dat de verwachtingen die de overheid bij de burger creëert, in de regel moeten worden gehonoreerd. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Fiche 2 Een redelijk vertrouwen kan bij de belastingplichtige worden gewekt door een akkoord dat hij heeft gesloten met de belastingadministratie, ook al is dat akkoord strijdig met de fiscale wet zodat de toestemming van de belastingadministratie is aangetast door dwaling en dat akkoord geen geoorloofde oorzaak heeft. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Fiche 3 De vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid waarop de belastingplichtige moet kunnen vertrouwen kan voortvloeien uit een akkoordverklaring die inhoudt dat een fiscale wet van toepassing is op de feitelijke situatie van de belastingplichtige. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Tekst van de conclusie F.23.0118.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering.

  1. Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan blijkt dat de verweerster actief is in de productie en verkoop van PET-flessen en PET-preforms waarvoor ze gebruik maakt van PET-spuitgietmachines die zij aankocht bij de Zwitserse vennootschap Netstal Machinen AG. De spuitgietmachines en de software waren beschermd door twee octrooien. Voor het gebruik van de octrooien sloot de verweerster licentieovereenkomsten. In haar belastingaangifte vroeg de verweerster de aftrek voor octrooi-inkomsten van respectievelijk 739.640 EUR voor het aanslagjaar 2016 en 397.352,80 EUR voor het aanslagjaar
  2. Naar aanleiding van een controle kondigde de administratie aan dat de aftrek voor octrooi-inkomsten zou worden verworpen, onder meer omdat beide octrooien in België reeds waren vervallen en er geen overwinst was als de basis voor de berekening van de aftrek. De verweerster verklaarde zich niet akkoord verwijzend naar een akkoordverklaring gesloten met de belastingadministratie op 17 november 2014 waarin de aftrek van de octrooi-inkomsten werd toegestaan voor het boekjaar 2014 (aanslagjaar 2015) en voor de daaropvolgende boekjaren. De administratie bleef bij haar standpunt en vestigde supplementaire aanslagen

(1). De bezwaren van de verweerster werden afgewezen waarop een gerechtelijke procedure volgde. De eerste rechter verklaarde de vordering van verweerster ongegrond. In het bestreden arrest oordelen de appelrechters dat de akkoordverklaring op grond van het vertrouwensbeginsel dient te worden gehonoreerd en de aanslagen moeten worden ontheven.
  1. In het cassatieberoep tegen dit arrest voert de eiseres één middel aan met acht onderdelen. 2 Bespreking. 2.1 Het eerste en het tweede onderdeel.
  2. In het eerste onderdeel van het middel voert de eiser aan dat de akkoordverklaring tussen de belastingadministratie en de belastingplichtige is aangetast is door dwaling en niet bindend is voor de administratie en dat de akkoordverklaring die strijdig is met de openbare orde, nietig is: “Indien een burger in redelijkheid niet had dienen te beseffen dat de opgewekte verwachtingen niet kunnen of mogen worden gehonoreerd, onder meer omdat het voor de belastingplichtige duidelijk is dat zijn verwachtingen gegrond zijn op een onwettige praktijk, die strijdig is met de openbare orde, of op een akkoord dat nietig is wegens dwaling, kan het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel derhalve niet worden ingeroepen” (voorziening, p. 10, nr. 4).
  3. Het tweede onderdeel voert aan dat de akkoordverklaring geen geoorloofde oorzaak heeft wegens strijdigheid met de fiscale wet, die van openbare orde is. Daaruit leidt de eiser het volgende af: “Bij gebrek aan een akkoordverklaring met een geoorloofde oorzaak kon verweerster derhalve geen redelijke en gerechtvaardigde verwachtingen koesteren dat de akkoordverklaring met de toegezegde octrooi-aftrek zou worden gehonoreerd door de belastingadministratie in zoverre die octrooi-aftrek steunde op een akkoord dat nietig was bij toepassing van de artikelen 6, 1131 en 1133 oud BW”
(2). 5. De beide onderdelen betreffen de vraag naar de toepasselijkheid van het vertrouwensbeginsel in de relatie fiscus-belastingplichtige in geval van contra legem-situaties. In een eerste fase oordeelde het Hof dat het rechtszekerheidsbeginsel, als deel van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, slechts toepassing kon vinden voor zover het standpunt van de fiscus, waarop de belastingplichtige meende te kunnen vertrouwen, in overeenstemming is met de wet. De verwachtingen van de burger mogen niet gegrond zijn op een onwettige praktijk
(3). Volgens die klassieke opvatting primeert het legaliteitsbeginsel (art. 170 GW) op het rechtszekerheidsbeginsel in contra legem-situaties en dan kan de belastingplichtige zich enkel op het rechtszekerheidsbeginsel beroepen indien de administratie een eerder akkoord over een feitenkwestie miskent. 6. De stelling dat het bestuur geen gerechtvaardigde verwachtingen kan creëren contra legem, steunt volgens VERSTRAETE en LAWSON op de kwalificatie van het vertrouwensbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur met een wettelijke, en geen grondwettelijke waarde. Als louter wettelijk algemeen rechtsbeginsel zou het niet in staat zijn om tegen de wet in te gaan
(4). 7. Volgens een meerderheid in de rechtsleer heeft het Hof afstand genomen van de klassieke regel van de prioriteit van het legaliteitsbeginsel. In een arrest van 2 september 2016 oordeelde het Hof dat de rechtsopvatting dat het vertrouwensbeginsel per definitie moet wijken voor het legaliteitsbeginsel naar recht faalt
(5). Vervolgens oordeelde het Hof in het arrest van 21 april 2022 in de zaak F.20.0150.N dat het rechtszekerheidsbeginsel, als deel van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, kan worden toegepast ongeacht of het standpunt van de fiscus een juiste toepassing van de wet betreft, dus in principe in contra legem-situaties
(6). Deze zaak betrof een zogenaamde verzekeringsgift, volgens Vlabel belastbaar in de erfbelasting als legaat wegens een derdenbeding, maar volgens de federale administratie niet belastbaar
(7). De appelrechters oordeelden in die zaak dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel was geschonden omdat op het moment van de schenking van de levensverzekeringen er redelijkerwijs van kon worden uitgegaan dat het standpunt van de federale administratie correct was “ook als kan worden aangenomen dat de stelling van de federale administratie in rechte onjuist was”. Het Hof oordeelt dat het arrest op grond van onder andere die vaststelling naar recht kon oordelen dat de verweerders, op grond van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, gerechtigd zijn op de toepassing van de principes uiteengezet in het standpunt van de federale administratie dat gold op het moment van de schenking. In een arrest van dezelfde datum in de zaak F.21.0026.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.9 oordeelt het Hof dat het voormelde standpunt van de federale administratie hoe dan ook een correcte toepassing van de wet betrof, en bijgevolg dat het standpunt van Vlabel contra legem was. De uitspraak van het Hof in de F.20.0150.N wordt door de meerderheid van de rechtsleer opgevat als een ommekeer met betrekking tot de toepassing van het vertrouwensbeginsel contra legem. Dit standpunt wordt o.m. door VANHULLE en VAN CAUWENBERGHE verdedigd omdat het Hof in het arrest van 21 april 2022 niet meer gebruikt maakte van de voordien
(8)gebruikte regel dat de verwachtingen van de burger … niet gegrond [mogen] zijn op een onwettelijke praktijk”
(9). Eenzelfde standpunt wordt verdedigd door NOLLET die stelt dat het evenwicht kan doorslaan in het voordeel van het vertrouwensbeginsel afhankelijk van de omstandigheden van de zaak
(10). Ook HERPELINCK meent dat het arrest in de zaak F.20.0150.N als een ommezwaai moet worden beschouwd waarbij het aan de feitenrechter ten gronde is om op onaantastbare wijze te oordelen of er bij de belastingplichtige een redelijk vertrouwen is gewekt, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak
(11). Een gelijkaardig standpunt wordt ingenomen door VERCAUTEREN, DILLEN en VERMEIREN, die verdedigen dat “het Hof dus expliciet [schrijft] dat belastingplichtigen hun gedrag mogen afstemmen op rechtmatig gecreëerde verwachtingen, en dit ook indien het standpunt onjuist zou zijn geweest”
(12). VAN CROMBRUGGE betwijfelt of er sprake is van een ommekeer
(13). 8. VERSTRAETE en LAWSON gaan een stap verder en betwisten de klassieke opvatting van een tegenstrijdigheid tussen het legaliteits- en rechtszekerheidsbeginsel. Volgens hen zit het rechtszekerheidsbeginsel, waar het vertrouwensbeginsel deel van uitmaakt, vervat in het legaliteitsbeginsel, zodat de twee componenten ten opzichte van elkaar moeten worden afgewogen
(14). Ook andere auteurs verdedigen dat de toepasselijkheid van het vertrouwensbeginsel in contra legem-situaties niet steeds kan worden afgewezen (ten voordele van het legaliteitsbeginsel) en dat in elk gegeven geval een concrete afweging zal moeten worden gemaakt tussen het vertrouwensbeginsel en het legaliteitsbeginsel, waarbij de concrete feitelijke omstandigheden in rekening worden gebracht
(15). Het is een dergelijke afweging die de appelrechters hebben gemaakt: “In functie van de concrete omstandigheden moet er een afweging worden gemaakt tussen het rechtzekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel”
(16). KELL formuleert enkele relevante elementen die bij die afweging in rekening kunnen worden gebracht:“[…] de belastingplichtige [zal] geen beroep op het vertrouwensbeginsel kunnen doen als de verkeerde toepassing van de wet door de administratie het gevolg is van een verkeerde inlichting die namens hem werd verstrekt. A Fortiori zal dat het geval zijn als de belastingplichtige zelf verkeerde inlichtingen aan de administratie verstrekt. Er moet inderdaad vanuit worden gegaan dat de belastingplichtige het best geplaatst is om de juiste feitelijke toedracht te kennen. Omgekeerd kan worden aangenomen dat de administratie geacht moet worden de wet beter te kennen dan de belastingplichtige […]. De verwachtingen die de administratie in hoofde van de belastingplichtige creëert zullen allicht meer doorwegen naar mate het betrokken wettelijk kader meer ruimte voor interpretatie laat […]. Hetzelfde moet m.i. worden aangenomen als de verwachtingen waar de belastingplichtige zich op beroept, los staat van de essentiële elementen van de belastingschuld”
(17). Mededelingen die dateren van na het belastbaar feit kunnen bij de belastingplichtige een dergelijke verwachting niet opwekken
(18). 9. De visie dat het legaliteitsbeginsel niet in elk geval voorrang krijgt op het vertrouwensbeginsel en dat het rechtzekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel steeds tegen elkaar zullen moeten worden afgewogen, wordt ook aangenomen in de internationale dimensie van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, zoals in het bijzonder blijkt uit het zogenaamde Elmeka-arrest
(19). In dit arrest oordeelde het Hof van Justitie dat het vertrouwensbeginsel kan worden ingeroepen met het oog op de naleving van een onwettige beslissing van de fiscus, als aan twee voorwaarden is voldaan: (
  1. i)de handelingen van de fiscus moeten bij de voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer een redelijk vertrouwen hebben gewekt en (
  2. ii)dat vertrouwen moet ook gewettigd zijn
(20). Het Hof paste dit principe toe in het arrest van 2 september 2016 met de overweging dat het vertrouwensbeginsel niet per definitie moet wijken voor het legaliteitsbeginsel
(21). Het is lijkt inderdaad moeilijk te verklaren om er verschillende posities op aan te houden naargelang de zaak in kwestie al dan niet de toepassing van Unierecht of het nationaal recht betreft
(22). Ook WARSON verdedigt dat het Hof van Cassatie zijn contra legem-positie moet opschuiven in de richting van de rechtspraak van het Hof van Justitie
(23). VERCAUTEREN, DILLEN en VERMEIREN maken hetzelfde punt: “Gelet op de Europese rechtspraak die het vertrouwensbeginsel contra legem ten stelligste verdedigt, kan het Hof van Cassatie o.i. niet anders dan volgen (inzake btw, maar ook inzake andere indirecte belastingen, evenals inzake directe belastingen). Het zou immers bijzonder onwenselijk zijn om in de Belgische rechtsorde een vertrouwensbeginsel met twee snelheden te (blijven) verdedigen”
(24).
  1. Aldus nodigt deze zaak het Hof uit te bepalen hoe ver deze verplichting reikt om verwachtingen die de overheid bij de burger creëert, te honoreren in contra legem-situaties. Waar onder de oude rechtspraak van het Hof kon worden verdedigd dat het legaliteitsbeginsel steeds primeert op het vertrouwensbeginsel in zulke situaties, is dit standpunt m.i. om verschillende redenen niet meer houdbaar. De appelrechters oordelen m.i. terecht dat steeds (en dus ook in contra legem-situaties) een concrete afweging dient te worden gemaakt tussen het rechtzekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel. Die concrete afweging op basis van de feiten hebben de appelrechters m.i. hier correct gemaakt. De appelrechters hebben hun beslissing m.i. naar recht verantwoord.
  2. Verschillende auteurs maken de overweging dat het vertrouwensbeginsel niet mag worden gehonoreerd indien als de belastingplichtige wist of had moeten weten dat dat standpunt geen correcte toepassing van de wet betrof
(25). Deze stelling lijkt evident, maar mag de naleving van een akkoord niet uitsluiten, bijvoorbeeld in een situatie waarin een erkend gedoogbeleid bestaat (bvb.) in uitvoering van een regeringsverklaring die nog moet leiden tot een nog op te maken en retroactief toe te passen wetsbepaling. Het komt mij niet aangewezen voor een regel te formuleren waarin de kennis van het contra-legem karakter absoluut of per definitie de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel uitsluit. 2.2 Derde onderdeel.
  1. Het derde onderdeel voert aan dat de appelrechters hebben nagelaten om het voorliggend geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels, meer bepaald door na te hebben vastgesteld dat de akkoordverklaring is aangetast door dwaling, niet de nietigheid van het akkoord te hebben vastgesteld (toepassing artt. 1108, 1109, 1110, 1117 en 1131 oud BW)
  2. Het vaststellen van de nietigheid van de akkoordverklaring zou de appelrechters er niet van hebben ontslaan na te gaan of al dan niet een gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan. De eventuele nietigheid van de akkoordverklaring doet geen afbreuk aan het opgewerkte en gerechtvaardigd vertrouwen. Het onderdeel dat aanvoert dat de appelrechters (ambtshalve) de nietigheid van de akkoordverklaring hadden moeten vaststellen, kan niet tot cassatie leiden en bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 2.3 Vierde onderdeel.
  3. In het vierde onderdeel voert de eiser een tegenstrijdige motivering aan doordat de appelrechters enerzijds stellen dat de akkoordverklaring “in rekening” moet worden gebracht, wat betekent “dat het akkoord slechts afdwingbaar is en uitvoering kan krijgen in de mate dat het in overeenstemming is met de wet”, en niet betwist dat de akkoordverklaring niet in overeenstemming is met de wet, maar anderzijds toch beslist dat de akkoordverklaring “afdwingbaar” is, op grond dat het toch bij verweerster een redelijk vertrouwen heeft gewekt dat de verwachtingen op de octrooi-aftrek zouden worden gehonoreerd, waardoor het bestreden arrest de dwaling aldus finaal toch niet in rekening brengt.
  4. De aangevoerde tegenstrijdigheid lijkt mij niet te bestaan. Zoals vermeld onder het vorige onderdeel, staat de eventuele nietigheid van de akkoordverklaring los van het vertrouwen dat ermee is opgewekt. Het arrest maakt de analyse dat de akkoordverklaring geen rechtsgrond kan bieden voor de octrooi-aftrek en dat werd gedwaald over de werking van de Europese octrooien
(26). Deze analyse verhindert niet dat de appelrechters een afweging konden maken tussen het rechtzekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel in functie van de concrete omstandigheden. De overweging dat de akkoordverklaring slechts afdwingbaar is en uitvoering kan krijgen in de mate dat het in overeenstemming is met de wet, is dan ook niet tegenstrijdig met de beoordeling dat op basis van een concrete afweging het door de administratie gewekte vertrouwen gerechtvaardigd is en moet worden nageleefd. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. 2.4 Vijfde onderdeel.
  1. Het vijfde onderdeel gaat er samengevat van uit dat het vertrouwensbeginsel enkel kan steunen op een vaste gedragslijn en dat de akkoordverklaring geen vaste gedrags- of beleidsregel is.
  2. De eiser geeft hiermee een strikte interpretatie aan vaste gedrag- of beleidsregel.
  3. Over de inhoud van de “vaste gedrags- of beleidsregel” stelt WARSON: “Het vertrouwensverwekkend gedrag van het bestuur kan ook uit welbepaalde, specifieke beslissingen of handelingen spruiten, maar kan ook voortkomen uit een geheel van gedragingen. Het kan gaan om een expliciet of impliciet bestuursoptreden. Het vertrouwen kan ook worden opgewekt door regelgeving, of doordat het bestuur inlichtingen of informatie verstrekt aan de burger. De overheid kan het vertrouwen van de burger eveneens winnen door middel van beloften of individuele toezeggingen, waarvan de specificiteit doorgaans tot een snelle binding van de kant van het bestuur leidt, mits ze op een voldoende ondubbelzinnige wijze geschieden”
(27). Ook een individuele toezegging of, zoals in deze zaak, een akkoordverklaring, kan een vaste gedrags- of beleidslijn zijn. De term ‘beleid’ wijst eerder op een bepaalde (feitelijke) beleidsmarge of discretionaire bestuursbevoegdheid, die de administratie toelaat om ‘beleidskeuzen’ te doen
(28). Algemeen wordt aanvaard dat het vertrouwen kan voortvloeien uit individuele toezeggingen, in welk geval ook sprake kan zijn van een vaste ‘gedrags- of beleidsregel’. Omgekeerd is niet vereist dat de overheid een ‘algemene gedragslijn’ bepaalt opdat sprake kan zijn van een vaste gedrags- of beleidsregel. In verband daarmee kan worden verwezen naar het doctoraat van Elly VAN DE VELDE waarin ze de analyse maakt dat het klassieke onderscheid tussen feitenkwesties en rechtskwesties een rechtsonzeker en geen pertinent criterium is om te bepalen waarover bindende afspraken kunnen worden gemaakt. Ze komt tot de conclusie dat de (feitelijke en juridische) beoordelingsruimte van de administratie de waarde van de afspraken kan bepalen
(29)Dat ook individuele akkoorden tot de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel kunnen leiden, heeft het Hof reeds erkend in een arrest van 13 februari 1997. Het voorstel per brief waarin de belastinginspecteur om het geschil te beëindigen ‘zonder winst of verlies’ kon door de appelrechter als bindend worden beschouwd. Het Hof hanteerde ook hier de regel van “de vaste gedrags- of beleidsregel” van de overheid
(30). Ook hieruit blijkt dat van een vaste ‘gedragsregel’ sprake kan zijn op basis van (individuele) gedragingen, toezeggingen, toegevingen of inlichtingen. De voorwaarde dat de overheid een ‘algemene gedragslijn’ bepaalt opdat sprake kan zijn van een vaste gedrags- of beleidsregel beperkt onterecht de actieradius van het vertrouwensbeginsel. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat een akkoordverklaring niet in aanmerking komt als een vaste gedrags- of beleidsregel en het recht op rechtszekerheid uitsluit en niet bindend kan zijn voor het bestuur, faalt naar recht. 2.5 Zesde onderdeel.
  1. Het zesde onderdeel stelt dat het arrest niet naar recht is verantwoord omdat het naliet om in functie van de concrete omstandigheden een afweging te maken tussen het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel (art. 170 en 172 Gw., 2052 tot en met 2054 WIB92), minstens zijn beslissing niet regelmatig met redenen heeft omkleed in zoverre het bestreden arrest door niet nader te motiveren waarom het rechtszekerheidsbeginsel hier primeert op het legaliteitsbeginsel waardoor het Hof niet in de mogelijkheid zou verkeren om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (art. 149 Gw.).
  2. Dit onderdeel mist feitelijke grondslag omdat het arrest wel de concrete afweging tussen het legaliteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel uitvoerig motiveert, in het bijzonder op pagina 19 van het arrest. 2.6 Zevende en achtste onderdeel.
  3. Het zevende en achtste onderdeel voeren aan dat het arrest het verweer over de berekening van de overwinst niet beantwoordt (7de onderdeel) en de bewijskracht van de syntheseberoepsconclusie miskent (8ste onderdeel) door er een verklaring aan toe te schrijven die deze conclusie niet bevat.
  4. De appelrechters oordelen dat de verweerster het rechtmatig vertrouwen gaf dat ze voor de betwiste aanslagjaren 2016 en 2017 recht had op de octrooi-aftrek, “althans voor de bedragen ‘in functie van de van toepassing zijnde parameters’”
(31). Gelet op dat oordeel, dienden de appelrechters zich m.i. niet uit te spreken over het punt van de eiser dat de octrooi-aftrek niet kon worden toegekend omdat de akkoordverklaring geen correcte berekening van de overwinst toeliet. Immers, de appelrechters oordelen enerzijds dat de akkoordverklaring zelf geen rechtsgrond biedt voor de octrooi-aftrek. Wel besluiten de appelrechters anderzijds tot de integrale ontheffing van de bestreden aanslagen in het licht van het door de akkoordverklaring opgewekte vertrouwen in hoofde van de verweerster. Eenmaal werd besloten tot die integrale ontheffing van de aanslagen (op grond van het vertrouwensbeginsel), lijkt het punt dat de akkoordverklaring zelf de juiste berekening van de overwinst niet toelaat, overbodig. De appelrechters laten verstaan dat het immers al vaststaat dat de akkoordverklaring niet met succes door de verweerster kon worden ingeroepen gelet op de dwaling omtrent het toepassingsgebied. De kwestie rond de berekening wordt dan niet meer relevant. 23. Door na de concrete afweging van de beginselen te oordelen dat aan de verweerster het rechtmatig is vertrouwen gegeven dat ze recht had op de octrooi-aftrek voor de bedragen ‘in functie van de van toepassing zijnde paramaters’ waardoor de supplementaire aanslagen integraal moeten worden ontheffen, dienden de appelrechters zich niet meer uit te spreken over de vraag of de octrooi-aftrek correct werd berekend op basis van de akkoordverklaring. Het zevende onderdeel kan niet worden aangenomen en het achtste onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is niet ontvankelijk. Conclusie: verwerping. _____________________________________________________________
(1)Aanslagjaar 2016 voor een bedrag van € 279.655,12 en aanslagjaar 2017 voor een bedrag van € 150.237,62.
(2)Voorziening, p. 12, nr. 7.
(3)Cass. 7 april 2016, AR F.14.0209.N, AC 2016, nr. 246, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160407.6, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160407.6; Cass. 11 februari 2011, AR F.09.0161.N, AC 2011, nr. 123, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110211.3 met concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110211.3; Cass. 27 maart 1992, AR 6891, AC 1992, nr. 405; ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920327.8; Zie o.m. N. GEELHAND, "Le principe de la croyance légitime en droit administratif et en droit fiscal", RCJB, 1995, pp. 53-105; F. BALTUS, De Fiscale Koerier, 1992, p. 374; B. PEETERS en P. CAUWENBERGH, "Het voorafgaand schriftelijk akkoord: fiscale (schijn)rechtszekerheid", TFR, 1993, afl. 118, 134
(146); F. VERMEERSCH, "Het vertrouwensbeginsel in het fiscaal recht", AFT 2009, afl. 11, 4-29; V. VERCAUTEREN, C. DILLEN en M. VERMEIREN, “Het rechtszekerheidsbeginsel anno 2022: een nieuwe stap in de goede richting”, in Fiscaal Praktijkboek 2022-2023. Indirecte belastingen, 312.
(4)H. VERSTRAETE en E. LAWSON, “De verschillende gedaanten van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en de verhouding tot het legaliteitsbeginsel”, TFR 2024, p. 289, nr. 26.
(5)Cass. 2 september 2016, AR F.14.0206.N, AC 2016, nr. 451, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160902.5, met concl. van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160902.5.
(6)Cass. 21 april 2022, AR F.20.0150.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.7.
(7)Al dan niet toepassing van de fictiebepaling in artikel 8 Vl.W.Succ., nadien art. 2.7.1.0.6 VCF.
(8)vgl. Cass. 7 april 2016, AR F.14.0209.N, AC 2016, nr. 246, randnr. 2 met Cass. 21 april 2022, AR F.20.0150.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.7, randnr. 1.
(9)H. VANHULLE en J. VAN CAUWENBERGHE, “Rechtszekerheidsbeginsel wordt uitgebreid tot contra legem-situaties”, Fisc.Act. nr. 2022/16, 1.
(10)A. NOLLET, “Tribulations du principe de confiance légitime en droit fiscal : entre reconnaissance, déshérence, renaissance et (re)montée en puissance …”, in Liber Amicorum Michel Pâques. Dire et faire le droit, Brussel, Larcier 2024, p. 620.
(11)H. HERPELINCK, “Wettelijke verankering van het vertrouwensbeginsel: Welgekomen of toch liever niet?”, TFR 2025, p. 75.
(12)V. VERCAUTEREN, C. DILLEN en M. VERMEIREN, “Het rechtszekerheidsbeginsel anno 2022: een nieuwe stap in de goede richting”, in Fiscaal Praktijkboek 2022-2023. Indirecte belastingen, p. 315.
(13)S. VAN CROMBRUGGE, “Cassatie over schenking verzekeringsbelegging in oud stelsel”, Fiscoloog 2022, afl. 1749, p. 9.
(14)H. VERSTRAETE en E. LAWSON, “De verschillende gedaanten van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en de verhouding tot het legaliteitsbeginsel”, TFR 2024, p. 290-291, nr. 28-29.
(15)E. VAN DE VELDE, “Afspraken met de fiscus: grenzen, rechtsgevolgen en rechtsbescherming”, Antwerpen, Maklu 2015, 279; L. KELL, “Hof van Cassatie erkent de doorwerking van een administratief standpunt contra legem op basis van de beginselen van behoorlijk bestuur”, Fisc.Koer. 2022, 322; P. POPELIER, “Het vertrouwensbeginsel versus het legaliteitsbeginsel: het kalf is verdronken, maar wanneer dempt men de put?”, AFT 2013, afl. 6-7, 50.
(16)Bestreden arrest, p. 18, 3de alinea.
(17)L. KELL, “De contra legem-toepassing van het vertrouwensbeginsel botst op de grenzen van het anterioriteitsvereiste en vergt steeds een concrete belangenafweging”, Fisc.Koer. 2023, 278.
(18)Cass. 25 november 2022, AR F.19.0121.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.7, met concl. van advocaat-generaal S. RAVYSE, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221125.1N.7.
(19)HvJ 16 september 2006, C-181/04, nr. 32, ECLI:EU:C:2006:563; zie ook H. VERSTRAETE en E. LAWSON, “De verschillende gedaanten van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en de verhouding tot het legaliteitsbeginsel”, TFR 2024, pp. 291-292, nr. 30-33.
(20)HvJ 16 september 2006, C-181/04, nr. 32, ECLI:EU:C:2006:563, pt. 32.
(21)Cass. 2 september 2016, AR F.14.0206.N, AC 2016, nr. 451, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160902.5, met concl. van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160902.5.
(22)H. VANHULLE en J. VAN CAUWENBERGHE, “Rechtszekerheidsbeginsel wordt uitgebreid tot contra legem-situaties”, Fisc.Act. nr. 2022/16, 1-5: “Het zou hoe dan ook geheel onlogisch zijn om te blijven volhouden dat een belastingplichtige geen vertrouwen mag ontlenen aan een onwettig standpunt van de fiscus inzake een puur Belgische belastingwet, terwijl hij diezelfde fiscus wel mag vertrouwen bij een onwettige toepassing van een Belgische belastingwet die haar oorsprong vindt in het Unierecht”.
(23)E. WARSON, Invulling en precedentswaarde van rulings, Brussel, Intersentia 2010, p. 111, nr. 203.
(24)V. VERCAUTEREN, C. DILLEN en M. VERMEIREN, “Het rechtszekerheidsbeginsel anno 2022: een nieuwe stap in de goede richting”, in Fiscaal Praktijkboek 2022-2023. Indirecte belastingen, p. 320.
(25)H. VANHULLE en J. VAN CAUWENBERGHE, “Rechtszekerheidsbeginsel wordt uitgebreid tot contra legem-situaties”, Fisc.Act. nr. 2022/16, 4; E. WARSON, Invulling en precedentswaarde van rulings, Brussel, Intersentia 2010, p. 91, nr. 171; H. HERPELINCK, “Wettelijke verankering van het vertrouwensbeginsel: Welgekomen of toch liever niet?”, TFR 2025, 76; W. WILLEMS, “Administratieve ‘voorbehoudsformule’ in “akkoordverklaring kan de werking van het vertrouwensbeginsel niet tegenhouden”, Fisc.Koer. 2025, 32; W. DEFOOR, “(Administratieve) belofte maakt schuld: de toepassing van administratieve richtlijnen contra legem als toonbeeld van fiscale ‘fair play’”, TFR 2005, p. 764, nr. 10.
(26)Arrest, p. 17.
(27)E. WARSON, “Invulling en precedentswaarde van rulings”, Brussel, Intersentia 2010, p. 89, nr. 166.
(28)Zie ook E. WARSON, “Invulling en precedentswaarde van rulings”, Brussel, Intersentia 2010, p. 89, nr. 167.
(29)E. VAN DE VELDE, “Afspraken met de fiscus: grenzen, rechtsgevolgen en rechtsbescherming”, Antwerpen, Maklu 2015.
(30)Cass. 13 februari 1997, AR F.96.0047.F, AC 1997, nr. 84, ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970213.7.
(31)Bestreden arrest, p. 18, voorlaatste alinea. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260312.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260312.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920327.8 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970213.7 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110211.3 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110211.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160407.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160902.5 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160902.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221125.1N.7 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221125.1N.7 ECLI:EU:C:2006:563 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.