← België

V. contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 maart 2026 EC

Art. 35

, eerste lid, 9° - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het

Art. 35

, eerste lid, 9° - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het

Art. 35

, eerste lid, 9° - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Tekst van de conclusie P.25.1624.N Conclusies van advocaat-generaal D. SCHOETERS: (…) Het onderzoek van de middelen. Eerste middel (eerste en tweede onderdeel):

  1. Eiser voert de schending aan van artikel 35, eerste lid, 9°, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna “Dierenwelzijnswet). Het bestreden arrest oordeelt ten onrechte dat artikel 35, eerste lid, 9°, Dierenwelzijnswet niet vereist dat moet aangetoond zijn dat het dier gepenetreerd werd. Eiser is van oordeel dat uit de parlementaire voorbereidingen van de wet van 19 maart 2007 onder “seksuele betrekkingen” dient te worden verstaan hetzij het bevredigen van het dier hetzij penetratie van het dier of door een dier (eerste onderdeel). Het arrest specifieert niet wat het hebben van seksuele betrekkingen met dieren inhoudt en maakt niet het onderscheid met het stellen van seksuele handelingen op dieren conform de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, wat algemener en ruimer is (tweede onderdeel).
  2. Op het ogenblik van de feiten was de Dierenwelzijnswet van toepassing. Artikel 35, eerste lid, 9°, Dierenwelzijnswet, zoals van toepassing, bepaalt: “Onverminderd de toepassing, in voorkomend geval, van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 52 euro tot 100.000 euro of met een van die straffen alleen, hij die: (…) 9° seksuele betrekkingen heeft met dieren”.
  3. De strafrechtelijke beteugeling van het hebben van seksuele betrekkingen met dieren werd ingevoerd door de wet van 19 maart 2007 tot wijziging van de artikelen 1, 35 en 39 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren teneinde de strafmaat te verhogen in geval van dierenmishandeling en seks met dieren te verbieden

(1). Vóór deze wetswijziging waren er geen concrete en expliciete verbodsbepalingen in de Dierenwelzijnswet die het hebben van seksuele betrekkingen met dieren strafbaar stelden. Uit parlementaire vragen gesteld in 2004 en 2006 blijkt dat de toenmalige bevoegde minister van oordeel was dat, naast bepalingen uit het strafwetboek inzake openbare zedenschennis, de algemene dierbeschermende bepalingen van de Dierenwelzijnswet kunnen worden gehanteerd ter bestraffing van seks met dieren, daarbij verwijzend naar artikelen 1 en 35, 1°, Dierenwelzijnswet. Een wetgevend initiatief werd niet nodig geacht
(2). De kernbepaling van de Dierenwelzijnswet betreffende dierenmishandeling vormt artikel 1 dat oorspronkelijk luidde: “Niemand mag wetens handelingen plegen die niet door deze wet zijn voorzien en die tot doel hebben dat een dier nutteloos omkomt of nutteloos een verminking, een letsel of pijn ondergaat.“ Overtreding van dit verbod werd strafbaar gesteld door artikel 35, 1°, Dierenwelzijnswet
(3). Die formulering vereiste klaarblijkelijk een bijzonder opzet van de overtreder. 4. Het oorspronkelijk door de Senaat op 14 december 2006 aangenomen en naar de Kamer overgezonden wetsontwerp
(4)dat uiteindelijk heeft geleid tot voormelde wet van 19 maart 2007 strekte ertoe zwaardere straffen te stellen op dierenmishandeling en voorzag in de aanpassing van de bepalingen wat recidive betreft. De parlementaire besprekingen in de Kamer vonden plaats niet lang na een uitspraak van het hof van beroep van Antwerpen van 8 november 2006 die stelde dat, hoewel de gedraging “seks met honden” – in casu zou het gaan over het oraal bevredigen van reuen en het zich laten penetreren door reuen – moreel afkeuringswaardig is, een lezing van de Dierenwelzijnswet niet toelaat om dergelijke gedragingen strafrechtelijk te veroordelen. Zo oordeelde het hof van beroep onder meer dat het bijzonder opzet vereist door artikel 35, 1°, Dierenwelzijnswet in casu niet aanwezig was
(5). Tijdens de parlementaire besprekingen in de Kamer werd verwezen naar deze uitspraak, stellende dat het hof van beroep te Antwerpen onlangs een dierenverkrachter heeft vrijgesproken omdat het hof oordeelde dat de lezing van de Dierenwelzijnswet niet de mogelijkheid bood dergelijke gedrag te bestraffen, welke betwistbare beslissing een aantal negatieve reacties heeft uitgelokt
(6). Bij amendementen nrs 1, 2 en 3 werden daardoor twee wetswijzigingen toegevoegd aan het oorspronkelijk wetsontwerp
(7). Bij voormelde wet van 19 maart 2007 werd vooreerst artikel 1 Dierenwelzijnswet geherformuleerd als volgt: “Niemand mag, uitgezonderd bij overmacht, handelingen plegen die niet door deze wet zijn voorzien en waardoor een dier zonder noodzaak omkomt of zonder noodzaak een verminking, een letsel, of pijn ondergaat”. De oorspronkelijke omschrijving werd volgens de indieners van de amendementen enkel geïnterpreteerd in het belang van het dier indien de rechter de geest van de wet voor ogen houdt, en afhankelijk van rechter tot rechter zou deze interpretatie variëren. De nieuwe omschrijving beantwoordt voortaan werkelijk aan de geest en het objectief van de Dierenwelzijnswet, namelijk dieren beschermen tegen daden van menselijke wreedheid en hun welzijn actief bevorderen
(8). Tegelijkertijd werd door de wet van 19 maart 2007 artikel 35 aangepast
(9)en tevens aangevuld met een punt 9° dat expliciet voorziet in de strafbaarstelling van seksuele betrekkingen met dieren. De indieners van het amendement vestigen de aandacht op het woord “betrekkingen”, wat moet voorkomen dat bepaalde “handelingen”, zoals bijvoorbeeld het afnemen van sperma bij paarden, ook geviseerd zouden zijn (in het Frans: l’emploi du mot “relations” pour éviter que ne soient visé certains “actes” spécifiques, tels que le prélèvement de sperme chez les chevaux)
(10).
  1. De omstandigheid dat de invoering van deze nieuwe strafbepaling geschiedde naar aanleiding van een gecontesteerde rechterlijke uitspraak, houdt mijn inziens niet in dat de wetgever de nieuwe strafbaarstelling strikt wenste te beperken tot die gedragingen die aanleiding hebben gegeven tot de gecontesteerde uitspraak. De doorgevoerde wetswijzingen zijn ruimer en hebben tot doel de bescherming van dieren ruimer te formuleren dan tot dan het geval was en tevens strenger te bestraffen. De wijziging van artikel 35 Dierenwelzijnswet dient bekeken te worden vanuit de geest en het objectief van de Dierenwelzijnswet. Uit het bovenstaande blijkt mijns inziens dat het niet de bedoeling is van de wetgever om het hebben van seksuele betrekkingen enkel te beperken tot handelingen met penetratie van een dier of door een dier, maar het gebruik van het woord “betrekkingen” ingegeven is vanuit de bekommernis om zeer specifieke (en courant voorkomende handelingen) uit te sluiten. In zoverre het middel zou uitgaan van een andere rechtsopvatting, lijkt dit te falen naar recht.
  2. De aangehaalde bepalingen van de Dierenwelzijnswet werden met ingang van 1 januari 2025 opgeheven en sinds 1 januari 2025 is de Vlaamse Codex Dierenwelzijn in werking. Artikel 24, eerste lid, 3°, Vlaamse Codex Dierenwelzijn bepaalt dat het stellen van “seksuele handelingen” met dieren verboden is. Overtreding van dit verbod is strafbaar gesteld door artikel 66 Vlaamse Codex Dierenwelzijn. Tijdens de parlementaire besprekingen werd bepaald dat het stellen van alle seksuele handelingen met dieren strafbaar wordt gesteld “en niet alleen meer het hebben van seksuele betrekkingen met dieren”. In het verslag namens de Commissie voor Brussel en de Vlaamse Rand en Dierenwelzijn van 30 april 2024 wordt hieromtrent enkel gesteld dat dergelijke uitbreiding van de strafwet wel degelijk noodzakelijk bleek te zijn. Enige verdere verduidelijking ontbreekt echter
(11). Hieruit kan mijns inziens evenmin worden afgeleid dat de wetgever in 2007 het hebben van seksuele betrekkingen zou beperkt hebben tot seksuele handelingen met penetratie door de mens of het dier. Het enige dat hieruit kan worden afgeleid is dat het begrip “seksuele handelingen” in de Vlaamse Codex Dierenwelzijn nog ruimer opgevat wordt dan het begrip “’seksuele betrekkingen” in de Dierenwelzijnswet
(12).
  1. Het staat aan de rechter om onaantastbaar te oordelen of er sprake is geweest van seksuele betrekkingen met een dier. Het Hof kan enkel een wettigheidstoezicht uitoefenen.
  2. Het bestreden arrest oordeelt niet enkel zoals het middel aanvoert. Het arrest oordeelt tevens (p. 10): “Voor het bewijs van seksuele betrekkingen is het niet nodig dat er sprake was van uitgebreide of complexe handelingen. Evenmin moeten seksuele betrekkingen met een dier beantwoorden aan het beeld van seksuele betrekkingen met en tussen enkel mensen. Het volstaat dat de beklaagde feitelijk seksuele handelingen stelt met een dier op een wijze dat deze als seksuele betrekkingen zijn te aanzien. Hierbij moet rekening gehouden worden met het onvermogen van dieren om toestemming te geven, maar ook met het onvermogen om toestemming te weigeren. Op de hiervoor al uitgebreid beschreven beelden is te zien dat de beklaagde de achterpoten van het dier optilt, hij met zijn middel tegen het achterwerk van het dier komt te staan, terwijl de hond steunt op de voorpoten. Dan maakt de beklaagde met zijn bekken en middel horizontaal een vijftal stotende, pompende bewegingen tegen het achterwerk van de hond, alsof hij met het dier copuleert. Ook is te zien dat de beklaagde vooraf regelmatig zijn geslachtsdeel manipuleerde, hij het dier wenkte en hij het dier liet ruiken aan zijn geslachtsdeel. Dit samen maakt naar het oordeel van het hof het hebben van seksuele betrekkingen met het dier uit. Dat dit een kortstondige gebeurtenis was, belet niet dat er sprake was van seksuele betrekkingen et het dier”. Mij lijkt het dat met deze redenen het arrest wettig kan oordelen dat de eiser seksuele betrekkingen had met een dier. In zoverre lijkt het middel niet te kunnen worden aangenomen. Tweede middel. De schending van artikel 149 Grondwet, lijkt mij afgeleid uit de met het eerste middel vergeefs aangevoerde wetsschending. Ik heb geen ambtshalve middelen aan te voeren. Conclusie: verwerping. ____________________________________________________________________
(1)B.S. 13 juli 2007.
(2)Zie Vraag nr. 241 van de heer G. DE PADT, KAMER, 2003-2004, 12 juli 2004, nr. 51/40, 6167; Vraag nr. 179 van de heer G. DE PADT, KAMER, 2005-2006, 13 maart 2006, nr. 51/112, 21293; Vraag nr. 698 van mevrouw H. DIERICKX, KAMER, 2005-2006, 18 april 2006, nr. 51/117, 22770.
(3)Het oorspronkelijk artikel 35 Dierenwelzijnswet luidde: “Onverminderd de toepassing, in voorkomend geval, van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft met gevangenisstraf van één maand tot drie maanden en met een geldboete van 26 frank tot 1.000 frank of met een van die straffen alleen, hij die: 1° wetens handelingen pleegt die niet door deze wet zijn voorzien en die tot doel hebben dat een dier nutteloos omkomt of nutteloos een verminking, een letsel of pijn ondergaat; 2° dierengevechten of schietoefeningen op dieren organiseert, er met zijn dieren aan deelneemt, eraan op enigerlei wijze medewerking verleent of over de uitslag ervan weddenschappen inricht; 3° een dier achterlaat met de bedoeling zich ervan te ontdoen; 4° pijnlijke ingrepen verricht in overtreding van de bepalingen van artikel 18; 5° amputaties verricht die verboden zijn door artikel 19; 6° proeven doet in omstandigheden die strijdig zijn met de artikelen 20, 24 en 30”.
(4)Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 35 en 39 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren teneinde de strafmaat te verhogen in geval van dierenmishandeling, KAMER, 2006-2007, nr. 51-2823/001
(5)VANDROMME S., “Seksuele betrekkingen met dieren niet strafbaar”, Juristenkrant 2006, nr. 140, p. 12; X., “Échos – L’amour des bêtes. – Affreux, sale et gentil?”, JT 2007/15, nr. 6264, p. 287; DE SOUTER V., “Een strengere strafrechtelijke aanpak van seksuele betrekkingen met dieren”, TVW 2007, afl. 4, 445-447.
(6)Verslag namens de commissie voor de volksgezondheid, het leefmilieu en de maatschappelijke hernieuwing, KAMER, 2006-2007, 30 januari 2007, nr. 51- 2823/004.
(7)Amendementen nr. 1, 2 en 3, KAMER, 2006-2007, 18 januari 2007, nr. 51-2823/02.
(8)Amendement nr. 2, KAMER, 2006-2007, 18 januari 2007, nr. 51-2823/02, p. 2-3.
(9)Artikel 35, 1°, Dierenwelzijnswet werd opgeheven en het artikel werd aangevuld met volgend lid: “Onverminderd de toepassing, in voorkomend geval, van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft met gevangenisstraf van één maand tot zes maanden en met geldboete van 26 euro tot 1.000,00 euro of met een van die straffen alleen, hij die, uitgezonderd bij overmacht, handelingen pleegt die niet door deze wet zijn voorzien en waardoor een dier zonder noodzaak omkomt of zonder noodzaak een verminking, een letsel of pijn ondergaat”.
(10)Amendement nr. 3, KAMER, 2006-2007, 18 januari 2007, nr. 51-2823/002, p. 4.
(11)Verslag, VL. PARL. COMM. VOOR BRUSSEL EN DE VLAAMSE REAND EN DIERENWELZIJN, 2023-2024, 2030, nr. 7, p. 10.
(12)Zie VANDENBOSCH M., “De Vlaamse Codex Dierenwelzijn gewikt en gewogen in het perspectief van de dierenbelangen”, VVOR Omgeving, 2025/4, p. 10. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260317.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260317.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.