id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260319.1N.5 Rolnummer: F.24.0107.N Zaak: HAVENKOEPEL vzw c. BELGISCHE STAAT FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-04-27 Raadplegingen: 245 - laatst gezien 2026-06-18 07:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260319.1N.5 Fiche 1 De afstand van het recht om een rechtsmiddel in te stellen moet strikt worden uitgelegd en mag slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BERUSTING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1045 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 2 Het zonder voorbehoud ontvangen van een spontane betaling ontneemt aan een eerder gemaakt en uitdrukkelijk voorbehoud om cassatieberoep in te stellen niet zijn uitwerking
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BERUSTING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1045 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de conclusie F.24.0107.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN: (…)
- Inzake de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. 2.
- Verweerder voert aan dat de voorziening tot cassatie niet ontvankelijk is wegens berusting. Hoewel eisers het bestreden arrest op 24 maart 2021 aan verweerder hebben laten betekenen "onder voorbehoud van alle hoegenaamde rechten van verzoekende partijen en met verklaring dat deze niet in hogerbetekende uitspraak berusten maar zich het recht op Cassatie uitdrukkelijk voorbehouden", is volgens verweerder de houding van eisers na de betekening van dit arrest onverenigbaar met dit voorbehoud. Door de uitvoering van het bestreden arrest na te streven en door zonder voorbehoud de door verweerder uit hoofde van dat arrest verschuldigde bedragen in ontvangst te nemen, met inbegrip van de intresten berekend aan de gemeenrechtelijke rentevoet te rekenen vanaf 10 september 2008, zouden eisers hebben berust in het bestreden arrest, zodat meer dan drie jaar na de betekening van het arrest van 16 maart 2021 en de uitvoering ervan door verweerder op 1 juli 2021, het bestreden arrest derhalve niet meer het voorwerp kan uitmaken van een ontvankelijke voorziening tot cassatie. 2.
- Algemeen geldt dat de afstand van het recht om een rechtsmiddel in te stellen strikt moet worden uitgelegd en slechts mag worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn
(1). In de rechtspraak van het Hof zijn er vele voorbeelden te vinden van zaken waarin werd geoordeeld dat de loutere uitvoering van een (al dan niet bij voorraad uitvoerbare) gerechtelijke beslissing door de schuldenaar niet impliceert dat hij berust in de beslissing
(2). M.i. brengt de spontane uitvoering door de schuldenaar a fortiori niet de berusting door de schuldeiser met zich mee. Ook de betekening zonder voorbehoud van de beslissing impliceert niet de berusting door de betekenende partij
(3). Dat is eventueel anders wanneer de betekening gebeurt met bevel tot betalen / met het oog op gedwongen tenuitvoerlegging
(4), maar in casu gaat het uitdrukkelijk om een eenvoudige betekening “tot onderricht en kennisgeving”. Daar komt in de huidige zaak nog bij dat de betekening niet zonder voorbehoud gebeurde. De eisers hebben wel degelijk een uitdrukkelijk en specifiek voorbehoud gemaakt om cassatieberoep in te stellen (zie stukken 1 en 2 bij de memorie van wederantwoord). Het betreft geen algemene of vage stijlformule. De werking van een dergelijk uitdrukkelijk voorbehoud wordt in de regel erkend
(5). Uitdrukkelijke voorbehouden kunnen evenwel worden uitgeschakeld wanneer zij onverzoenbaar zijn met de houding van de steller van het voorbehoud. In dat verband wijst verweerder op een cassatiearrest van 13 januari 2012
(6). In die zaak heeft het Hof geoordeeld dat een voorbehoud om cassatie in te stellen onverzoenbaar is met de betekening van een bevel tot betaling, zodat het voorbehoud geacht moet worden niet te zijn gemaakt. In casu gaat het, zoals reeds aangehaald, echter niet om de betekening van een bevel tot betaling, maar wel om een eenvoudige betekening “tot onderricht en kennisgeving”, i.e. met het doel om de termijn voor cassatieberoep te doen ingaan. De omstandigheid dat drie jaar werd stilgezeten lijkt mij op zich niet relevant met het oog op berusting. Uit het louter wachten om een rechtsmiddel in te stellen kan in beginsel geen berusting worden afgeleid indien de termijn om het rechtsmiddel in te stellen niet is verstreken
(7)
(8). Ook het gegeven dat sommige van de betrokken partijen geen cassatieberoep hebben ingesteld lijkt mij niet relevant. Besluit is m.i. dan ook dat het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. De aangehaalde omstandigheden leiden m.i. noch afzonderlijk, noch in hun geheel genomen tot de conclusie dat eisers het vaststaande en ondubbelzinnige voornemen hadden om hun instemming te betuigen met de beslissing van de appelrechters. (…) 4. Besluit: Vernietiging van het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de interesten. ____________________________________________________________________
(1)Zie bijv. Cass. 30 juni 2016, AR F.15.0014.N, AC 2016, nr. 437, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160630.22; Cass. 4 juni 2020, RW 2020-21, 1310, AR C.19.0360.N, arrest niet gepubliceerd.
(2)Cass. 24 februari 2022, RW 2022-23, 178; Cass. 24 november 1983, AR 6926, AC 1983, nr. 169; Cass. 22 oktober 1982, AR 3477, AC 1982, nr. 128; Cass. 13 maart 1978, AC 1978, 824; Cass. 20 juni 1974, AC 1974, 1162; Cass. 3 januari 1974, AC 1974, 482.
(3)Cass. 22 oktober 2009, AR C.08.0336.N, AC 2009, nr. 602, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.2; Cass. 18 september 2009, AR C.08.0333.F, AC 2009, nr. 510, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090918.1; Cass. 20 december 2001, AR C.98.0052.N, AC 2001, nr. 714, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011220.9.
(4)Cass. 29 oktober 1987, AR 7918, AC 1987, nr. 128, ECLI:BE:CASS:1987:ARR.19871029.5.
(5)J. LINSMEAU, “Acquiescement”, in RPDB 2004, 20, nr. 97; Cass. 13 januari 1949, AC 1949, 25.
(6)Cass. 13 januari 2012, AR C.11.0209.F, AC 2012, nr. 38, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120113.1.
(7)J. LINSMEAU, “Acquiescement”, in RPDB 2004, 15, nr. 71: (“L’acquiescement ne saurait être déduit de la seule abstention prolongée de la partie à mettre en œuvre la voie de recours qui lui est ouverte”.
(8)Vgl. ook Cass. 9 november 2018, AR C.18.0070.N, AC 2018, nr. 622, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.6 (weliswaar over een andere rechtsvraag): “Uit [art. 1073 Ger.W.] en uit de afwezigheid van een wettelijke bepaling die een maximale termijn vanaf de uitspraak voorziet om cassatieberoep aan te tekenen, volgt dat bij gebrek aan betekening of kennisgeving van het bestreden arrest, in beginsel onbeperkt in de tijd cassatieberoep kan worden aangetekend”. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260319.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260319.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:1987:ARR.19871029.5 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011220.9 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090918.1 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120113.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160630.22 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div