← België

V. contra G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 maart 2026 EC

Art. 73

- 38 ELI link Pub nr 2007201376 Wet 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV) -

Art. 77

- 38 ELI link Pub nr 2007201376 Thesaurus CAS: BESLAG - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 6 Wet 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV) -

Art. 73

- 38 ELI link Pub nr 2007201376 Wet 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV) -

Art. 77

- 38 ELI link Pub nr 2007201376 Tekst van de conclusie F.24.0073.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN:

  1. Situering. Op 2 februari 2009 legde eiseres als zelfstandige een verklaring van onbeslagbaarheid af met betrekking tot een woning gelegen te Beveren. Eiseres werd bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Dendermonde dd. 17 februari 2022 failliet verklaard. Verweerster werd vervolgens aangesteld als curator van het faillissement van eiseres. In het kader van het faillissement heeft de FOD Financiën een aangifte van schuldvordering ingediend voor de verschuldigde personenbelasting met betrekking tot de inkomsten verbonden aan de aanslagjaren 2018, 2019, 2020 en
  2. Bij beschikking van de rechter-commissaris dd. 28 februari 2022 werd machtiging verleend aan verweerster om over te gaan tot de verkoop van het voormelde woning van eiseres en werd Meester TACK Valerie, notaris te Sint-Niklaas, aangesteld om over te gaan tot openbare verkoping ervan, dit niettegenstaande de verklaring van onbeslagbaarheid die eiseres op 2 februari 2009 had afgelegd. Op 1 juni 2023 liet eiseres tijdig een dagvaarding in derdenverzet betekenen tegen de beschikking van de rechter-commissaris waarmee machtiging werd gegeven tot verkoop van het kwestieuze onroerend goed. Op 11 juli 2023 verklaarde de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Dendermonde, het derdenverzet ongegrond. Bij arrest van 27 mei 2024 bevestigde het hof van beroep te Gent het vonnis van de eerste rechter en oordeelde aldus dat de verklaring van onbeslagbaarheid in casu geen uitwerking heeft. Eiseres komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  3. Bespreking van het enig middel. 2.
  4. Eiseres voert aan dat de appelrechter alle in de hoofding van het middel aangehaalde wetsbepalingen schendt, in het bijzonder artikel 77 van de Wet van 25 april 2007, door te oordelen dat de personenbelasting uit de aard een gemengde fiscale schuld is en de personenbelasting onmiskenbaar verband houdt zowel met het privéleven als met de beroepswerkzaamheid zoals bepaald in artikel 77 van de Wet van 25 april 2007 en dat derhalve niet in concreto moet worden nagegaan of de aanslagen in de personenbelasting uitsluitend worden gevestigd op inkomsten uit een zelfstandige activiteit van de gefailleerde dan wel ook op andere categorieën van inkomsten zoals voorzien in artikel 6 WIB92 en dat derhalve de FOD Financiën voor de aangegeven schuldvordering aan personenbelasting voor de aanslagjaren 2018 tot en met 2021 niet gebonden is door de verklaring van onbeslagbaarheid. 2.
  5. Met de invoering van hoofdstuk 2 ‘Niet-beslagbaarheid woning zelfstandige’ van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen beoogde de wetgever het risico te beperken voor de individuele ondernemer voor wie geen enkel onderscheid wordt gemaakt tussen beroepsvermogen en privévermogen. Het persoonlijk risico verbonden aan de uitoefening van een zelfstandige activiteit wordt immers vaak als een rem beschouwd

(1). De wetgever heeft de zelfstandige ondernemer daarom de mogelijkheid gegeven om zijn zakelijke rechten, andere dan het recht van bewoning, op het onroerend goed waar hij zijn hoofdverblijfplaats gevestigd heeft, niet vatbaar voor beslag te verklaren (art. 73). Deze mogelijkheid betreft slechts de schuldvorderingen die na de overschrijving van de verklaring zijn ontstaan naar aanleiding van de zelfstandige beroepsbezigheid van degene die de verklaring heeft gedaan (art. 77, eerste lid). De wet bepaalt uitdrukkelijk dat de verklaring geen uitwerking heeft ten aanzien van de schuldvorderingen die volgen uit een misdrijf, zelfs indien ze betrekking hebben op de beroepsbezigheid, noch ten aanzien van de schulden van gemengde aard, die verband houden zowel met het privéleven als met de beroepsbezigheid (art. 77, tweede lid). 2.3. In voorliggend geval rijst de vraag naar de uitwerking van de verklaring ten aanzien van de personenbelasting. Uit de voorbereidende werken blijkt dat de onbeslagbaarheid ook geldt voor fiscale schulden in zoverre zij uitsluitend betrekking hebben op de zelfstandige beroepsbedrijvigheid. Bijvoorbeeld: BTW, onroerende voorheffing op materieel en outillage, … Daarentegen geldt de onbeslagbaarheid niet voor de gemengde fiscale schulden, dit zijn de fiscale schulden die niet uitsluitend verbonden zijn aan de zelfstandige beroepsactiviteit. Als voorbeeld van een gemengde fiscale schuld wordt vermeld: “de personenbelasting, die berekend wordt op de beroepsinkomsten, de roerende inkomsten, de onroerende inkomsten en de diverse inkomsten”
(2). De vraag rijst dan of de personenbelasting per definitie een gemengde schuld is, dan wel enkel wanneer de zelfstandige naast zijn beroepsinkomsten, ook nog andere inkomsten heeft waarop de belasting in concreto berekend wordt. 2.3.
  1. Het lijkt mij niet de bedoeling van de wetgever te zijn geweest dat telkens in concreto moet worden nagegaan of de zelfstandige naast de beroepsinkomsten ook nog andere inkomsten heeft aangegeven om te bepalen of de personenbelasting een gemengde fiscale schuld is dan wel een schuld die uitsluitend betrekking heeft op de zelfstandige beroepsactiviteit. Het gaat om een schuld die berekend wordt op de beroepsinkomsten, (on)roerende en diverse inkomsten. De personenbelasting is aldus per definitie een gemengde fiscale schuld die verhaald kan worden op het onroerend goed waar de zelfstandige zijn verblijfplaats gevestigd heeft. Hierover anders oordelen, zou de zelfstandige er m.i. kunnen van weerhouden andere inkomsten te verwerven en/of aan te geven. 2.3.
  2. Het kan evenmin de bedoeling zijn dat de zelfstandige moet kiezen tussen
(1)het verwerven van andere inkomsten – geen bescherming van zijn woning tegen het verhaal van de fiscus uit hoofde van de personenbelasting of
(2)het niet verwerven van andere inkomsten – wel bescherming van zijn woning tegen het verhaal van de fiscus uit hoofde van de personenbelasting. De woning van de zelfstandige is wel of niet beschermd tegen het verhaal van de fiscus uit hoofde van de personenbelasting, ongeacht de aard van de in concreto aangegeven inkomsten. Zoals gezegd, heeft de wetgever ervoor geopteerd om de woning van de zelfstandige niet te beschermen tegen gemengde schulden en dus evenmin tegen het verhaal van de fiscus uit hoofde van de personenbelasting die uit haar aard een gemengde schuld is (ook al heeft de zelfstandige in concreto enkel beroepsinkomsten aangegeven). 2.3.
  1. Ook wordt bij het bepalen van die belastingschuld rekening gehouden met diverse factoren uit het privéleven van de zelfstandige (bv. huwelijk, kinderen, onderhoudsuitkeringen, hypothecaire leningen, pensioensparen, kinderoppas…). Ook om die reden kan er bezwaarlijk sprake zijn van een schuldvordering die uitsluitend verband houdt met de zelfstandige beroepsactiviteit. 2.3.
  2. Ten slotte wordt in de doctrine ook vaak verwezen naar de personenbelasting in het algemeen als voorbeeld van een gemengde fiscale schuld, zonder dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt naargelang de aard van de inkomsten waarop de belastingschuld in concreto betrekking heeft
(3). 2.
  1. Dat de woning van de zelfstandige niet beschermd wordt tegen schulden uit hoofde van de personenbelasting lijkt mij overigens in lijn te liggen met de ratio legis van de niet-beslagbaarheid van de woning van de zelfstandige. Zoals gezegd, bestaat die ratio legis erin het persoonlijk risico dat verbonden is aan het uitoefenen van een ‘zelfstandige’ activiteit te beperken. De woning van de ‘zelfstandige’ wordt beschermd tegen schulden die uitsluitend verband houden met zijn ‘zelfstandige’ beroepsactiviteit. Daarentegen lijkt het niet de bedoeling van de wetgever te zijn geweest om de woning van de zelfstandige ook te beschermen tegen schulden die ontstaan naar aanleiding van gelijk welk belastbaar inkomen, zoals de personenbelasting. Het gaat immers om een belasting die verschuldigd is door éénieder die een inkomen heeft, ongeacht of het gaat om diverse inkomsten, (on)roerende inkomsten dan wel beroepsinkomsten, en ongeacht of het daarbij gaat om beroepsinkomsten als zelfstandige, dan wel als loontrekkende. De personenbelasting vormt aldus geen risico dat specifiek verbonden is aan het uitoefenen van een ‘zelfstandige’ activiteit en waartegen de woning van de zelfstandige beschermd moet worden. 2.
  2. Er kan m.i. worden besloten dat de personenbelasting uit haar aard een gemengde schuld is omdat ze niet alleen berekend wordt op de beroepsinkomsten, maar ook op de (on)roerende en diverse inkomsten, en dat de woning van de zelfstandige aldus niet beschermd wordt tegen het verhaal van de fiscus uit hoofde van de personenbelasting, ongeacht de aard van de in concreto aangegeven inkomsten. Deze keuze van de wetgever om de woning niet te beschermen tegen het verhaal van de fiscus uit hoofde van de personenbelasting wordt soms wel bekritiseerd omdat de meest kwetsbare zelfstandigen die de wetgever beoogt te beschermen, vaak diegenen zijn die enkel schulden hebben uit hoofde van de personenbelasting (die in concreto enkel berekend wordt op hun beroepsinkomsten, bij gebrek aan andere inkomsten)
(4). De woning van de zelfstandige zou dan juist wel beschermd moeten worden. Er zou dan geen reden zijn om de (gemengde) schuld uit hoofde van de personenbelasting (die in concreto enkel berekend wordt op de beroepsinkomsten van de zelfstandige) anders te behandelen dan bv. btw-schulden
(5). Over de interpretatie van de personenbelasting als gemengde schuld, ongeacht de aard van de aangegeven inkomsten, lijkt in de rechtsleer evenwel geen discussie te bestaan. 2.
  1. Het enig middel dat ervan uitgaat dat telkens in concreto moet worden onderzocht op welke inkomsten de personenbelasting betrekking heeft om te bepalen of de fiscale schuld in de personenbelasting van gemengde aard is, faalt m.i. naar recht.
  2. Besluit: Verwerping. _________________________________________________________________
(1)Parl.St. Kamer 2006-07, nr. 2873/001, 56.
(2)Parl.St. Kamer 2006-07, nr. 2873/001, 60.
(3)Bv. B. DE BECKER, “Privé-woning zelfstandige niet langer vatbaar voor beslag na verklaring bij notaris”, Nieuwsbrief notariaat 2007,
(1)2-3; F. LEDAIN, “L’insaisissabilité du domicile de l’indépendant”, FISCanalyse van 22 september 2007 (TaxWin Expert); S. SEGIER, “L’insaisissabilité du domicile de l’indépendant: une panacée ?”, C&FP 2007, afl. 11,
(302)306-307; T. VAN HALTEREN, “L’insaisissabilité de la résidence principale de l’indépendant et l’excusabilité du conjoint du failli”, Act.dr.fam. 2012/6, 129; X., “Uw gezinswoning onbeslagbaar laten verklaren?”, Fisc. Week 2022, afl. 48, nr. 550.
(4)S. SEGIER, “L’insaisissabilité du domicile de l’indépendant: une panacée?”, C&FP 2007, afl. 11,
(302)306-307.
(5)F. LEDAIN, “L’insaisissabilité du domicile de l’indépendant”, FISCanalyse van 22 september 2007 (Ta xWin Expert). PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260319.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260319.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.