Obsah (4)
Art. 1235Art. 1376Art. 1382Art. 1383id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 maart 2026 EC
Art. 1235
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1376
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - VERKAVELING Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1235
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1376
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 6 - 7 De fout van de wet- of decreetgever, waarvoor al naargelang de Staat of het betrokken Gewest of de Gemeenschap op grond van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek aansprakelijk kan worden gesteld, bestaat in een gedraging die ofwel neerkomt op een verkeerde handelwijze die moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldige en omzichtige wetgever die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, onder voorbehoud van een onoverkomelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond, schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaalrechtelijke norm met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, die hem gebiedt iets niet te doen of op een bepaalde wijze te doen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: MACHTEN - WETGEVENDE MACHT Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 8 - 10 Artikel 108, derde lid, VWEU dat een preventieve controle op voorgenomen steunmaatregelen door de Commissie moet mogelijk maken, verplicht de wet- of de decreetgever om voorgenomen nieuwe steunmaatregelen vóór de goedkeuring ervan aan te melden bij de Europese Commissie en houdt aldus een verplichting in om op een welbepaalde wijze iets te doen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 108, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Thesaurus CAS: MACHTEN - WETGEVENDE MACHT Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 108, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 108, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Fiches 11 - 12 Het niet-aanmelden van een nieuwe steunmaatregel vormt een fout in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek, behoudens onoverkomelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 108, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: MACHTEN - WETGEVENDE MACHT Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 108, derde lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1383
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 13 - 14 Bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie dient de rechter niet alle gegevens te vermelden waarop hij zijn beslissing laat steunen; uit het enkele feit dat een gegeven in een vonnis niet is vermeld, volgt niet dat de rechter dit niet heeft onderzocht
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 15 - 16 Hoewel artikel 149 van de Grondwet vereist dat de beslissing van de feitenrechter redenen bevat die het Hof van Cassatie in staat moeten stellen zijn wettigheidstoetsing uit te oefenen, kan die toetsing enkel betrekking hebben op vragen die aan de feitenrechter werden voorgelegd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de conclusie C.24.0361.N Conclusie van advocaat-generaal F. VROMAN: De voorziening in cassatie is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 25 maart 2024, op verwijzing gewezen na het arrest van het Hof van 17 februari 2023. In het verzoekschrift worden er twee middelen aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft enerzijds afsplitsbaarheid van de sociale last opgenomen in een verkavelingsvergunning, van de verkavelingsvergunning zelf (eerste middel) en anderzijds de voorwaarden voor de aansprakelijkheid van de wetgevende macht in gevolg de niet-aanmelding aan de Europese Commissie van wetgeving die staatssteunmaatregelen bevat (tweede middel). Het Decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid voerde de verplichting in om in alle nieuwe grote bouw- en verkavelingsprojecten te voorzien in een sociaal woonaanbod, begroot als een percentage van het totaal aantal te realiseren woningen of kavels. Aan de verkavelaar werd een "sociale last" opgelegd om dit sociaal percentage te realiseren, hetzij via uitvoering in natura hetzij via het betalen van een bijdrage voor het gemeentelijk woonbeleid. Tegen deze regeling werden procedures gevoerd voor het Grondwettelijk Hof. Op prejudiciële vraag van het Grondwettelijk Hof oordeelde het Hof van Justitie onder meer dat artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling als die van boek 4 van voormeld decreet van het Vlaamse Gewest, die bepaalde marktdeelnemers een “sociale last” oplegt wanneer hun een bouw of verkavelingsvergunning wordt verleend, voor zover de verwijzende rechter vaststelt dat deze regeling noodzakelijk en geschikt is voor de verwezenlijking van het doel te verzekeren dat personen met een laag inkomen of andere sociaal zwakkere groepen van de plaatselijke bevolking voldoende woningaanbod hebben en dat de fiscale stimuli en subsidiemechanismen van voormeld decreet van het Vlaamse Gewest mogelijkerwijs staatssteun zijn in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Het Hof van Justitie overwoog dat het staat aan de verwijzende rechter te beoordelen of is voldaan aan de voorwaarden om van staatssteun te spreken en, zo ja, met betrekking tot de in boek 4 van dat decreet vastgestelde maatregelen ter compensatie van de op de bouwheren en verkavelaars rustende sociale last, na te gaan of beschikking 2005/842/EG van de Commissie van 28 november 2005 betreffende de toepassing van artikel 86, lid 2, EG op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst die aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen wordt toegekend, toch van toepassing is op die maatregelen
(1). Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat vier fiscale stimulansen en subsidiemechanismes (nl. de vermindering van de registratierechten van 10% naar 1,5% op de gronden, vermindering van de btw van 21% naar 6%, de overnamegarantie voor wat betreft de in het kader van een uitvoering in natura verwezenlijkte sociale huurwoningen en de infrastructuursubsidies) die beoogen de sociale last te compenseren, staatssteun uitmaken in de zin van artikel 107, derde lid, VWEU en dat aangezien deze niet waren aangemeld aan de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, VWEU en ook niet waren vrijgesteld van aanmelding, moesten vernietigd worden. Hierdoor was de door het voormeld decreet opgelegde zware last evenwel niet evenredig met de nagestreefde doelstelling en breidde het Grondwettelijk Hof de vernietiging uit naar de bepalingen in verband met de sociale last en tot een aantal bepalingen uit het Decreet Gronden- en Pandenbeleid en uit de VCRO die onlosmakelijk met deze sociale lastenregeling waren verbonden. Dit betreft het vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof van 7 november 2023
(2). Dit arrest werd op 10 februari 2014 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Eerste verweerster kreeg van tweede verweerster een verkavelingsvergunning op 2 mei
- Aan deze vergunning werd een sociale last gekoppeld. Eerste verweerster moest voor de aanvang van de werken aan sociale bijdrage van 242.086,35 euro betalen aan de Stad Lokeren. Dit bedrag werd betaald op 18 augustus
- Na het vernietigingsarrest stelde eerste verweerster tweede en derde verweerster in gebreke op 30 september 2014 en 14 november 2014 en vorderde ze het betaalde bedrag van 242.086,35 euro terug (op grond van onverschuldigde betaling). Bij dagvaarding van 2 februari 2015 werd een procedure ingesteld door eerste verweerster tegen tweede en derde verweersters. In deze procedure kwam eiser op 13 maart 2015 vrijwillig tussen. Tweede en derde verweersters stelden een vordering tot vrijwaring in tegen eiser. Eiser dagvaardde later de Belgische Staat omdat de Raad van State een fout zou hebben begaan door de aanmelding aan de Europese Commissie als niet noodzakelijk te hebben beoordeeld. Bij vonnis van 19 september 2019 werden alle vorderingen ongegrond verklaard. Bij arrest van 22 april 2022 werd dit bevestigd door het Hof van beroep te Gent. Dit arrest werd zoals vermeld vernietigd door het Hof op 17 februari 2023
(3). In het bestreden arrest van 25 maart 2024 oordelen de appelrechters dat de vordering van eerste verweerster gegrond is. Het eerste vonnis wordt hervormd en ze laten de sociale last in de verkavelingsvergunning buiten toepassing en veroordelen tweede en derde verweerster tot terugbetaling van de som van 242.086,35 euro (meer interesten). Ook de tussenvordering tot vrijwaring van deze twee laatsten lastens eiser wordt gegrond verklaard. II. Het eerste middel. In het middel verwijt eiser de appelrechters artikel 1.1.4 VCRO, artikel 4.2.20 VCRO, zoals van toepassing voor de wijziging ervan bij Decreet van 23 december 2011, artikel 4.7.21 VCRO, zoals van toepassing voor de wijziging ervan bij decreet van 18 november 2011, artikel 159 Grondwet en het algemeen rechtsbeginsel met grondwettelijke waarde houdende de scheiding der machten te schenden door te oordelen dat de sociale last afsplitsbaar is van de verkavelingsvergunning terwijl een vergunning in beginsel één en ondeelbaar is en dat van dit principe enkel kan worden afgeweken wanneer het aangevochten gedeelte (hier de sociale last) kan afgesplitst worden van de rest van de vergunning en vaststaat dat de overheid ook zonder het afgesplitste gedeelte voor het niet aangevochten gedeelte dezelfde beslissing zou hebben genomen en de appelrechters dit niet vaststellen en dit niet kunnen vaststellen omdat de overheid een grote beleidsvrijheid heeft en dus evengoed en zelfs waarschijnlijk een andere last aan de verkavelingsvergunning hadden verbonden, zodat de appelrechters gehouden waren om de gehele verkavelingsvergunning buiten toepassing te laten zodat de tweede verweerster de vergunningsaanvraag opnieuw kon beoordelen en een wettige last kon opleggen. De vernietiging van de bepalingen in verband met de sociale last door het Grondwettelijk Hof in het arrest 145/2013 heeft terugwerkende kracht ex tunc
(4). De vernietigde norm of het vernietigde gedeelte van de norm wordt geacht nooit te hebben bestaan en heeft bijgevolg ook geen gevolgen kunnen teweegbrengen
(5). De sociale last bedoeld in het Decreet Grond- en Pandenbeleid wordt dan ook geacht nooit te hebben bestaan. De sociale last opgelegd aan eerste verweerster was haar bijgevolg ook onwettig opgelegd. De sociale last vormt een van de vergunning afsplitsbare handeling
(6). STERCKX en DEFOORT menen dat de overheid die de sociale last oplegde die sociale last eigenlijk ambtshalve moest ongedaan maken gelet op de vernietiging ervan door het Grondwettelijk Hof
(7). De sociale last werd als bijkomende verplichting opgelegd en niet als voorwaarde om de om het ingediende project ruimtelijk aanvaardbaar te maken, zodat niet valt in te zien waarom de sociale last niet zou kunnen worden afgesplitst van de vergunning. DEFOORT verdedigde terecht reeds in 2013 dat dat door de vernietiging van de regeling met betrekking tot het storten van een sociale bijdrage aan de gemeente (art 4.1.19 Decreet Grond- en Pandenbeleid) dit bedrag kan worden teruggevorderd op grond van een niet-verschuldigde betaling en dat de gemeente die de sociale bijdrage heeft ontvangen verplicht is tot terugbetaling, nu de gelden niet verschuldigd waren door de retroactieve werking van het vernietigingsarrest
(8). Het middel dat ervan uitgaat dat de appelrechters moesten onderzoeken of vergunningverlenende overheid zonder de vernietigde bepalingen in verband met de sociale last precies dezelfde verkavelingsvergunning had toegekend, alvorens te beslissen de vordering wegens onverschuldigde betaling gegrond te verklaren en dat het daartoe niet volstaat vast te stellen dat sociale last onwettig is en kan afgesplitst worden, faalt dus naar recht omdat het uitgaat van een foute rechtsopvatting. III. Het tweede middel. In dit middel verwijt eiser de appelrechters artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek, artikelen 107, 108 en, voor zover nodig, 109, VWEU, artikel 9, § 1, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof en artikel 149 Grondwet te hebben geschonden door: - louter te verwijzen naar het absoluut gezag van gewijsde erga omnes van een arrest van het Grondwettelijk Hof, waarin geoordeeld werd dat een wettelijke bepaling ongrondwettig is en op basis daarvan te beslissen dat de wetgever onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 1382/1383 Oud Burgerlijk Wetboek terwijl de rechter in ieder geval zelf moet nagaan of de wetgever bij de aanname van de vernietigde wettelijke bepaling ofwel een norm van nationaal recht of van internationaal recht met directe werking waardoor de wetgever de verplichting wordt opgelegd om zich te onthouden of om op te treden op een bepaalde manier, heeft geschonden of zich bij het aannemen van de vernietigde wettelijke bepaling niet heeft gedragen als een normaal zorgvuldige en voorzichtige wetgever, die in dezelfde omstandigheden wordt geplaatst (eerste onderdeel – eerste grief); - te oordelen dat uit de libellering van artikel 108, derde lid, VWEU volgt dat deze bepaling aan de lidstaten, in casu de Vlaamse decreetgever, oplegt zich te onthouden of op een bepaalde manier te handelen, met name de Europese Commissie tijdig op de hoogte te brengen van elk voornemen tot invoering, of wijziging van steunmaatregelen, wat de commissie moet toelaten de procedure voorgeschreven in artikel 108, tweede lid, VWEU te voeren terwijl de schending van artikel 108, lid 3, VWEU op zichzelf geen onrechtmatige daad oplevert omdat het toepassingsgebied van de artikelen 107 en 108 VWEU enkel blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie en er dus geen voldoende precieze verplichting door artikel 108, derde lid, VWEU wordt opgelegd waarvan de overtreding op zichzelf beschouwd een onrechtmatige daad vormt, wat bevestigd wordt door de mogelijkheid opgenomen in artikel 109 VWEU voor de Europese Commissie om groepsvrijstellingen te voorzien (eerste onderdeel – tweede grief); - door op grond van de motieven in de tweede en derde alinea op pagina 14 van het bestreden arrest te oordelen dat eiser tweede en derde verweerster moet vrijwaren voor de terugbetaling van de sociale last van 242.086,35 euro aan eerste verweerster omwille van het causaal verband tussen deze schade met de weerhouden fout van de Vlaamse decreetgever omdat zonder de schending van de bepalingen van artikel 107 en 108 VWEU en dus in de hypothese dat de steunmaatregelen die het Grondwettelijk Hof nadien heeft vernietigd, wel voorafgaandelijk aan de Europese Commissie waren aangemeld, die schade zich niet zou hebben voorgedaan zoals zij zich thans in concreto voordoet terwijl de appelrechters moesten nagaan wat er zou zijn gebeurd mochten de steunmaatregelen wel aangemeld geweest zijn bij de Europese Commissie, minstens schenden de appelrechters met hun motivering artikel 149 Grondwet omdat er niet geëxpliciteerd wordt wat er volgens hen zou zijn gebeurd mocht eiser wel de aanmeldingsplicht hebben nageleefd, zodat het Hof zijn wettigheidstoets niet kan uitoefenen (tweede onderdeel). II.1 Eerste onderdeel. II.1.1 Eerste grief. Deze grief mist feitelijke grondslag omdat hij berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Uit de motivering op pagina 11 en 12 blijkt volgens mij dat de appelrechter zelf heeft onderzocht of artikel 108, derde lid, VWEU een norm van nationaal recht of van internationaal recht met directe werking betreft waardoor de wetgever de verplichting wordt opgelegd om zich te onthouden of om op te treden op een bepaalde manier, heeft geschonden. II.1.2 Tweede grief. De tweede grief vecht de beslissing aan van de appelrechters dat de loutere schending van artikel 108, derde lid, VWEU een fout kan opleveren in hoofde van de Vlaamse decreetgever. Het Hof legde reeds de voorwaarden voor buitencontractuele aansprakelijkheid van de wetgevende macht vast nl. - de fout van de wetgever waarvoor de Staat, op grond van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek, aansprakelijk kan worden gesteld, bestaat uit een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldige en voorzichtige wetgever die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, onder voorbehoud van een onoverkomelijke dwaling of een andere grond van vrijstelling van aansprakelijkheid, schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaalrechtelijke norm met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, die hem gebiedt iets niet te doen of op een bepaalde manier te doen
(9). Wat betreft schendingen van het recht van de Europese unie oordeelde het hof dat: - onder voorbehoud van het bestaan van een onoverkomelijke dwaling of van een andere grond van vrijstelling van aansprakelijkheid, de wetgever een fout begaat wanneer hij een reglementering uitvaardigt die indruist tegen een gemeenschapsrechtelijke norm die hem verplicht op een welbepaalde manier iets niet te doen, zodat, indien die fout schade veroorzaakt, de burgerlijke aansprakelijkheid van de wetgever in het gedrang komt
(10). - overwegende dat de bestuursoverheid, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere grond tot ontheffing van aansprakelijkheid een fout begaat wanneer zij een verordening uitvaardigt of goedkeurt waarin zij ofwel een internationaalrechtelijke bepaling met directe werking in de interne rechtsorde schendt ofwel grondwettelijke of wettelijke regels schendt die haar verplichten niets te doen of op een welbepaalde wijze iets te doen, zodat zij burgerlijk aansprakelijk is ingeval die fout schade veroorzaakt
(11). Artikel 107, eerste lid, VWEU bepaalt: “Behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.” Artikel 108, derde lid, VWEU bepaalt: “De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 107 onverenigbaar is met de interne markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid”. Artikel 107, eerste lid, VWEU heeft geen rechtstreekse werking omdat de toepassing van de rechtvaardigingsgrond een complexe economische, sociale en politieke analyse vereist
(12). Artikel 108, derde lid, VWEU daarentegen heeft echter wel degelijk directe werking
(13). In de zaak Lorenz oordeelde het Hof van Justitie dat artikel 108, derde lid, VWEU rechtstreeks werkt en voor de burgers rechten schept die door de nationale rechterlijke instanties moeten worden gehandhaafd, dat de rechtstreekse toepasselijkheid van dit verbod voor de gehele verbodsduur geldt en dat de rechtstreekse werking van het verbod zich dan ook uitstrekt tot iedere steunmaatregel die zonder kennisgeving tot uitvoering is gebracht en, wanneer zodanige kennisgeving wel heeft plaatsgehad, in stand blijft tijdens de inleidende fase, en wel — indien de Commissie de contradictoire procedure inleidt — tot aan de eindbeslissing
(14). Artikel 108, derde lid, VWEU is volgens mij weldegelijk een internationaalrechtelijke norm met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, die overheid (in casu de Vlaamse decreetgever) gebiedt iets niet te doen of op een bepaalde manier te doen. De schending van een dergelijke gedragsnorm maakt volgens mij een fout uit. De centrale staatssteunautoriteit is de Europese Commissie. Staatssteun moet immers overeenkomstig artikel 108 VWEU worden aangemeld bij haar vooraleer de steun wordt tenuitvoergelegd. De Europese Commissie toetst of maatregelen beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 107, eerste lid, VWEU en verklaart een eventuele steunmaatregel al dan niet verenigbaar met de interne markt. Daarnaast voert de Commissie ook onderzoeken inzake onrechtmatig toegekende staatssteun, hetzij op eigen initiatief, hetzij na een klacht. De toepassing van de toezichtregeling voor staatssteun is een taak van de Commissie maar ook van de nationale rechterlijke instanties, die aanvullende en onderscheiden taken vervullen. Terwijl de beoordeling van de verenigbaarheid van steunmaatregelen met de gemeenschappelijke markt onder de exclusieve bevoegdheid valt van de Commissie, die daarbij onder toezicht van de gemeenschapsrechters staat, zien de nationale rechterlijke instanties toe op de vrijwaring van de rechten van de justitiabelen in geval van schending van de bij artikel 108, derde lid, VWEU opgelegde verplichting om de steunmaatregelen vooraf bij de Commissie aan te melden
(15). Het is aan de nationale rechterlijke instanties om de rechten van de justitiabelen te vrijwaren in het geval van een eventuele schending door de nationale autoriteiten van het verbod van uitvoering van steunmaatregelen voordat de Commissie deze bij beschikking heeft goedgekeurd
(16). De nationale rechter kan dus geroepen worden om het EU-staatssteunrecht te handhaven, maar dan enkel met betrekking tot de voornoemde opschortingsverplichting
(17). Belanghebbenden kunnen zich dus wenden tot de nationale rechter wanneer een lidstaat een steunmaatregel ten uitvoer legt zonder deze eerst te hebben aangemeld bij de Commissie en vervolgens haar eindoordeel af te wachten
(18). De nationale rechter is bevoegd om de artikelen 107, eerste lid en 108, derde lid, VWEU uit te leggen en toe te passen. Bij gebreke aan een besluit van de Europese Commissie over dezelfde maatregel, is de nationale rechter daarbij alleen gebonden door het objectieve begrip staatssteun wanneer hij zijn bevoegdheid uitoefent om te beoordelen of er sprake is van staatssteun
(19). De nationale rechter voert zijn beoordeling uit in twee stappen: in de eerste stap dient hij te bepalen of de maatregel op grond van artikel 107, eerste lid, VWEU als staatssteun kwalificeert en wanneer dit laatste het geval is moet de nationale rechter zich uitspreken over de vraag of de betrokken maatregel onder de standstillverplichting van artikel 108, derde lid, VWEU valt. Als dit het geval is dan moet de nationale rechter passende maatregelen opleggen om de rechten van door die schending geraakte justitiabelen veiligstellen
(20). Volgende passende maatregelen kunnen worden opgelegd in geval van een schending van de standstillverplichting: - de uitvoering van de maatregelen op te schorten of stop te zetten - de terugvordering gelasten van de bedragen die al zijn uitgekeerd - verschillende voorlopige maatregelen nemen om op een andere wijze de belangen van de betrokken partijen te beschermen - schadevergoeding toe te wijzen voor de schade die derden hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige uitvoering van de staatssteun indien hem dat gevraagd wordt
(21). Het Unierecht verplicht de nationale rechter niet om een welbepaalde consequentie te verbinden aan de geldigheid van de handeling waarmee de onrechtmatige staatssteun wordt toegekend. Het verlangt alleen dat hij doeltreffende maatregelen neemt om de uitkering van de onrechtmatige steun aan de begunstigde ervan te beletten. In het nationale recht kunnen echter situaties voorkomen waarin de onrechtmatige uitvoering van de maatregel kan worden geschorst door de toekenningshandeling nietig te verklaren
(22). De nationale rechter kan dus het contract waarmee de steun wordt verleend, nietig verklaren, het besluit van de autoriteiten van de lidstaat om de steun toe te kennen nietig verklaren, of de uitvoering ervan opschorten
(23). Wanneer onrechtmatige steun reeds aan de begunstigde is uitgekeerd, moet de nationale rechter in beginsel en bij gebreke aan een besluit van de Europese Commissie waarin deze de steun verenigbaar verklaart, de volledige terugvordering van de onrechtmatige uitgekeerde steun gelasten
(24). Wanneer er voor de nationale rechter schadevergoeding wordt gevorderd voor de schade die de onrechtmatige staatssteun heeft berokkend aan derden, dan gebeurt dit overeenkomstig het nationale recht
(25). De staatssteun die de eerste verweerster zou hebben ontvangen zou dan ook moeten zijn teruggevorderd. De Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties bevat ook aanwijzingen, gegrond op de rechtspraak van het Hof van Justitie, voor de nationale rechters die gevat worden met buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen (schadevorderingen) wegens schending van de standstillverplichting
(26). Lidstaten zijn volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie verplicht de schade te vergoeden die particulieren lijden als gevolg van schendingen van het Unierecht die de Staat kunnen worden toegerekend
(27). Deze aansprakelijkheid speelt volgens het Hof van Justitie indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:
- a)de geschonden rechtsregel strekt ertoe aan particulieren rechten toe te kennen;
- b)er is sprake van een voldoende gekwalificeerde schending, en
- c)er bestaat een direct causaal verband tussen de schending van de op de lidstaat rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade
(28). Wat de voldoende gekwalificeerde schending en het causaal verband betreft geldt voor België dat er een ruimere rechtsbescherming wordt geboden
(29). De eerste twee voorwaarden zijn in de regel vervuld bij schending van de standstillverplichting
(30). De Europese Commissie is van oordeel dat aangezien de autoriteiten van de lidstaten in beginsel verplicht zijn staatssteunmaatregelen aan te melden vóór de uitvoering ervan, de schending van artikel 108, derde lid, VWEU in de meeste gevallen voldoende zijn om op grond van de rechtspraak van de Unierechter tot het bestaan van een gekwalificeerde schending te besluiten. Indien er van staatssteun sprake is, kunnen de autoriteiten van de lidstaten in de regel niet aanvoeren dat zij niet op de hoogte waren van de standstillverplichting, aangezien er voldoende rechtspraak en aanwijzingen van de Commissie zijn over de toepassing van artikel 107, eerste lid, en artikel 108, derde lid, VWEU. Bij twijfel en ter wille van de rechtszekerheid kunnen lidstaten de maatregel steeds bij de Commissie aanmelden vóór de uitvoering ervan
(31). In sommige gevallen heeft Hof van Justitie zich echter op het standpunt gesteld dat de nationale rechter, om vast te stellen of een enkele inbreuk door een lidstaat op het Unierecht een gekwalificeerde schending vormt, rekening moet houden met diverse factoren, zoals de verschoonbaarheid van de betrokken schending of het feit dat het door een Unie-instelling ingenomen standpunt tot die schending heeft kunnen bijdragen
(32). Maar aangezien in België geen gekwalificeerde schending nodig is voor de overheidsaansprakelijkheid
(33), zijn deze laatste bedenkingen dan ook niet relevant. De tweede grief faalt dan ook naar recht. II.2. Tweede onderdeel. Het Hof besliste reeds dat bij gebrek aan een daartoe strekkende conclusie de rechter niet alle gegevens dient te vermelden waarop hij zijn beslissing laat steunen en dat uit het enkele feit dat een gegeven in een vonnis niet is vermeld, niet volgt dat de rechter dit niet heeft onderzocht
(34). Uit de conclusie van eiser (zie pagina’s 58-60) blijkt niet dat hij heeft aangevoerd voor de appelrechters dat wanneer de steunmaatregelen wel zouden zijn aangemeld aan de Europese Commissie, deze als verboden staatssteun zouden zijn aangemerkt en het decreet bijgevolg geen systeem van sociale lasten had kunnen voorzien waardoor de Stad Lokeren geen sociale last had kunnen opleggen bij de verkavelingsvergunning en zij de sociale bijdrage van eerste verweerster nooit zou hebben ontvangen en zij dus in precies dezelfde vermogenstoestand zou verkeerd hebben als in huidige situatie. Bij gebrek aan conclusie in deze zin moesten de appelrechters niet nagaan wat er zou zijn gebeurd wanneer de steunmaatregelen wel zouden zijn aangemeld, in zoverre kan het middel wat betreft de aangevoerde schending van de artikelen 1382/1383 Oud Burgerlijk Wetboek niet worden aangenomen. In zoverre een schending wordt aangevoerd van artikel 149 Grondwet, besliste het Hof reeds dat hoewel artikel 149 van de Grondwet vereist dat de beslissing van de feitenrechter redenen bevat die het Hof van Cassatie in staat moeten stellen zijn wettigheidstoetsing uit te oefenen, die toetsing enkel betrekking kan hebben op vragen die aan de feitenrechter werden voorgelegd
(35). Zoals reeds aangegeven heeft de eiser de appelrechters de vraag niet voorgelegd wat er zou zijn gebeurd mochten de steunmaatregelen wel aan de Europese Commissie zijn aangemeld. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Conclusie: Verwerping. _______________________________________________________
(1)HvJ 08 mei 2013, C 197/11 en C 203/11, ECLI:EU:C:2013:288.
(2)GwH 7 november 2013, 145/2013, ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.145; TBO 2014/6, 301, noot STERCKX T.
(3)In dit niet-gepubliceerde arrest (AR C.22.0225.N) werd hetzelfde beslist als in het gepubliceerde arrest van het Hof van 9 januari 2020 nl. “Artikel 159 Grondwet is een bijzondere toepassing van het algemeen rechtsbeginsel met grondwettelijke waarde volgens hetwelk de rechter geen toepassing mag maken van een beslissing waarbij een hogere bepaling wordt geschonden. Op grond hiervan hebben de met eigenlijke rechtspraak belaste organen de plicht om de interne en externe wettigheid te onderzoeken van elke administratieve handeling waarop een vordering, een verweer of een exceptie gegrond is. De omstandigheid dat een bestuurshandeling na het verstrijken van de termijn van zes maanden waarvan sprake in artikel 18 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof niet meer voor nietigverklaring vatbaar is, verhindert in de regel niet dat de hoven en rechtbanken deze op grond van artikel 159 Grondwet buiten toepassing kunnen laten in het kader van een vordering op grond van onverschuldigde betaling.” (Cass. 9 januari 2020, AR C.18.0146.N, AC 2020, nr. 22, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.9, met concl. van eerste advocaat-generaal R. MORTIER, ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200109.4; TROS 2019, afl. 95, 244, met noot DE PRETER F.).
(4)Vb. MOERENHOUT R. en DE GEYTER L., Bijz.w. 6 januari 1989, art. 8, in X., Publiek procesrecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Bijz. W. 6 januari 1989 Art. 8. Wolters Kluwer Belgium 2024,
(1)19-20; STERCKX T., “De ondergang van ‘twee pareltjes’ van het Vlaamse Woonbeleid”, TBO 2014/6, 291; DEFOORT P., “Rechtsgevolgen van de vernietiging van de sociale last door het Grondwettelijk Hof”, TROS 2013, afl. 72, 180.
(5)GwH 25 maart 1986, nrs. 12, 13, 15 en 16; GwH 20 mei 1986, nr. 18; GwH 12 juni 1986, nr. 19; GwH 25 juni 1986, nrs. 20, 21, 22 en 23; GwH 29 juni 1989, nr. 18/98; GwH 19 december 2013, nr. 183/2013.
(6)STERCKX T., “De ondergang van ‘twee pareltjes’ van het Vlaamse Woonbeleid”, TBO 2014/6, 292; DEFOORT P.-J., “Rechtsgevolgen van de vernietiging van de sociale last door het Grondwettelijk Hof”, TROS 2013, afl. 72, 184-185; P.-J. DEFOORT, “Doorwerking van de maatregelen betreffende betaalbaar wonen naar de ruimtelijke ordening (planning, verordening en vergunning)” in HUBEAU B. en VANDROMME T. (eds.), Handboek Grond- en Pandenbeleid, Brugge, die Keure 2011, 207-209, nrs. 19-21.
(7)STERCKX T., “De ondergang van ‘twee pareltjes’ van het Vlaamse Woonbeleid”, TBO 2014/6, 292. DEFOORT P.-J., “Rechtsgevolgen van de vernietiging van de sociale last door het Grondwettelijk Hof”, TROS 2013, afl. 72, 190-192.
(8)DEFOORT P.-J., “Rechtsgevolgen van de vernietiging van de sociale last door het Grondwettelijk Hof”, TROS 2013, afl. 72, 199.
(9)Vb. Cass. 15 december 2022, AR C.21.0003.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221215.1F.5, met concl. van advocaat-generaal Th. WERQUIN, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221215.1F.5; Cass. 9 februari 2017, AR C.13.0528.F, AC 2017, nr. 98, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170209.11 met concl. van eerste advocaat-generaal HENKES, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170209.11, JT 2019, afl. 6756, 33 met noot AUVRAY F.
(10)Vb. Cass. 30 april 2015, AR C.12.0637.F, AC 2015, nr. 285, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150430.9, met concl. van advocaat-generaal Th. WERQUIN, ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150430.9.
(11)Vb. Cass. 14 januari 2000, AR C.98.0477.F, AC 2000, nr. 33, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000114.9; zie ook Cass. 13 mei 1982, AR 6434, AC 1982, nr. 547, ECLI:BE:CASS:1982:ARR.19820513.1.
(12)LEROY J., Terugvordering van onrechtmatige fiscale staatssteun in België, Wolters Kluwer Belgium 2021, 83, nr. 85.
(13)HvJ 15 juli 1964, Costa, 6/64, 1222; LENAERTS K. en VAN NUFFEL P., Europees recht (zevende editie), Intersentia 2023, 279; LEROY J., Terugvordering van onrechtmatige fiscale staatssteun in België, Wolters Kluwer Belgium 2021, 83-84, nr. 85.
(14)HvJ 11 december 1973, C-120/73, ECLI:EU:C:1973:152, Lorenz GmbH/Bundesrepublik Deutschland. e.a., r.o. 8; LEROY J., Terugvordering van onrechtmatige fiscale staatssteun in België, Wolters Kluwer Belgium 2021, 84, nr. 85.
(15)Zie omtrent de taakverdeling de Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1.
(16)HvJ 5 oktober 2006, C-368/04, ECLI:EU:C:2006:644 5, “Transalpine Ölleitung in Österreich”.
(17)BRUYNINCKX T, “Overheidsopdrachten en EU-staatssteunrecht”, NjW 2015,
(603)608.
(18)HvJ 21 november 1991, nr. C 354/90, ECLI:EU:C:1991:440, Fédération nationale du commerce extérieur des produits alimentaires, Jur. HvJ 1991, I-5505, overweging 14.
(19)Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1, randnr. 43.
(20)Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1, randnr. 57.
(21)Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1, randnr. 71.
(22)Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1, randnr. 73; HvJ 8 december 2011, C-275/10, ECLI:EU:C:2011:814, Residex Capital IV, punten 44-47.
(23)Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1, randnr. 74.
(24)Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1, randnr. 76.
(25)Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1, randnr. 88.
(26)Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1, randnrs. 87-99.
(27)HvH 19 november 1991, Francovich en Bonifaci/Italië, C-6/90 en C-9/90, ECLI:EU:C:1991:428, punten 30-46; HvJ 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur/Bundesrepublik Deutschland en The Queen/Secretary of State for Transport, ex parte Factortame e.a., C-46/93 en C-48/93, ECLI:EU:C:1991:428, punt 51; HvJ 13 juni 2006, Fallimento Traghetti del Mediterraneo, C-173/03, ECLI:EU:C:2006:391, punt 41; HvJ 19 november 1991, Francovich en Bonifaci/Italië, C-6/90 en C-9/90, ECLI:EU:C:1991:428, punten 31-37; HvJ 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur/Bundesrepublik Deutschland en The Queen/Secretary of State for Transport, ex parte Factortame e.a., C-46/93 en C-48/93, ECLI:EU:C:1991:428, punt 31.
(28)HvJ 13 juni 2006, Fallimento Traghetti del Mediterraneo, C-173/03, ECLI:EU:C:2006:391, punt 45.
(29)VANSWEEVELT Th. en WEYTS B., “Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht (tweede editie)”, Larcier-Intersentia 2025, 299-300.
(30)HvJ 21 november 1991, Fédération nationale du commerce extérieur des produits alimentaires e.a./Frankrijk, C-354/90, ECLI:EU:C:1991:440, punten 12-14; HvJ 21 oktober 2003, van Calster en Cleeren, C-261/01 en C-262/01, ECLI:EU:C:2003:571, punt 53; HvJ 12 februari 2008, CELF en ministre de la Culture et de la Communication, C-199/06, ECLI:EU:C:2008:79, punt 38.
(31)Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, Pb. 30 juli 2021, C-305/1, randnr. 91.
(32)HvJ 25 januari 2007, Robins e.a., C-278/05, ECLI:EU:C:2007:56, punt 71; HvJ 4 juli 2000, Haim, C-424/97, ECLI:EU:C:2000:357, punt 38; HvJ van 23 mei 1996, The Queen/Ministry of Agriculture, Fisheries and Food, ex parte Hedley Lomas (Ireland), C-5/94, ECLI:EU:C:1996:205, punt 28.
(33)Zie hierover bijvoorbeeld VANSWEEVELT Th. en WEYTS B., Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht (tweede editie), Larcier-Intersentia 2025, 298-300.
(34)Vb. Cass. 5 januari 2009, AR S.08.0101.N, AC 2009, nr. 6, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.5; Cass. 8 september 2008, AR C.08.0026.N, AC 2008, nr. 456, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080908.3.
(35)Vb. Cass. 9 september 2010, AR C.09.0291.F, AC 2010, nr. 506, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100909.1. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260326.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260326.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1982:ARR.19820513.1 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000114.9 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080908.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100909.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150430.9 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150430.9 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170209.11 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.9 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200109.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221215.1F.5 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221215.1F.5 ECLI:BE:GHCC:2013:ARR.145 ECLI:EU:C:1973:152 ECLI:EU:C:1991:428 ECLI:EU:C:1991:440 ECLI:EU:C:1996:205 ECLI:EU:C:2000:357 ECLI:EU:C:2003:571 ECLI:EU:C:2006:391 ECLI:EU:C:2006:644 ECLI:EU:C:2007:56 ECLI:EU:C:2008:79 ECLI:EU:C:2011:814 ECLI:EU:C:2013:288 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div