id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 maart 2026 EC
Art. 1073
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1079
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1073
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1079
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 3 - 4 De strafrechtelijke afdeling van de politierechtbank neemt kennis van het beroep tegen een beslissing van de sanctionerend ambtenaar in verband met overtredingen van de derde of de vierde categorie
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Milieuwetboek. - Boek 1 : Algemene en gemeenschappelijke bepalingen. - Decretale gedeelte. (vertaling) - 27-05-2004 - Art. D217 - 83 ELI link Pub nr 2004A27101 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Wettelijke bepalingen: Milieuwetboek. - Boek 1 : Algemene en gemeenschappelijke bepalingen. - Decretale gedeelte. (vertaling) - 27-05-2004 - Art. D217 - 83 ELI link Pub nr 2004A27101 Tekst van de conclusie C.25.0054.N Conclusie van advocaat-generaal F. VROMAN: Het cassatieberoep van de eiseres is gericht tegen het vonnis van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, gewezen in eerste en laatste aanleg op 7 oktober 2024. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de vraag of het beroep ingesteld door een burger tegen de administratieve boete opgelegd op basis van artikel D.217 van het Decretaal Deel van het decreet van 27 mei 2004 betreffende Boek I van het Milieuwetboek (verder Waals Milieuwetboek)
(1)ook kan behandeld worden door de politierechtbank zetelend in burgerlijke zaken of enkel kan worden behandeld door de politierechtbank zetelend in strafzaken. Eerst moet echter de vraag worden beantwoord hoe het cassatieberoep moet worden ingesteld tegen een vonnis van de politierechtbank waarin uitspraak wordt gedaan over het voormelde beroep nl. volgens de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering of volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek? II. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Eiser verwijt in het eerste middel de politierechtbank artikel D.217 Waals Milieuwetboek te hebben geschonden door te beslissen dat het beroep van verweerder ontvankelijk is en hiermee impliciet maar zeker te beslissen dat de politierechtbank, zetelend in burgerlijke zaken, van dit beroep kennis mocht nemen terwijl enkel de strafrechtelijke afdeling, en dus niet de burgerlijke afdeling van de politierechtbank Oudenaarde van de zaak kennis mocht nemen. Artikel D.217 Waals Milieuwetboek (Nederlandse vertaling) luidt als volgt: “Kunnen een beroep instellen binnen een termijn van zestig dagen op straffe van verval: 1° de overtreder tegen de hem betreffende beslissing van de sanctionerend ambtenaar, betekend overeenkomstig artikel D.209; 2° de persoon die door de Regering is aangewezen tegen de beslissingen van de sanctionerende ambtenaar, bedoeld in artikel D.157; 3° het gemeentecollege, voor een op zijn grondgebied gepleegde overtreding, tegen de beslissingen van de sanctionerend ambtenaar bedoeld in artikel D.156 die betrekking hebben op overtredingen die het voorwerp uitmaakten van een gemeentelijk reglement overeenkomstig artikel D.197, § 3, of die een maatregel van teruggave bedoeld in artikel D.201 uitspreken. De in lid 1 bedoelde periode begint te lopen vanaf: 1° de kennisgeving van de in artikel D.209 bedoelde kennisgeving; 2° of, bij gebrek aan beslissing, het vestrijken van de termijn bedoeld in artikel D.195, § 2, tweede lid, of in artikel D.213. Dat beroep schorst de uitvoering van de beslissing. Voor overtredingen van derde en vierde categorie wordt het beroep d.m.v. een verzoekschrift bij de politierechtbank ingediend. Voor overtredingen van tweede categorie wordt het beroep d.m.v. een verzoekschrift bij de correctionele rechtbank ingediend. Een afschrift van het verzoekschrift wordt door de aanvrager op de dag van de indiening ervan toegezonden aan de sanctionerend ambtenaar die de administratieve sanctie heeft uitgesproken. Op straffe van niet-ontvankelijkheid bevat het verzoekschrift de identiteit en het adres van de aanvrager, de aangevochten beslissing, de redenen waarom de beslissing wordt aangevochten. De beslissingen van de politierechtbank en de correctionele rechtbank zijn niet vatbaar voor beroep. Het Wetboek van Strafvordering is toepasselijk op de procedures en beslissingen van dit hoofdstuk. (eigen onderlijning)”. Gelet op de laatste zin van artikel D.217 Waals Milieuwetboek lijkt er mij geen in wezen discussie mogelijk dat enkel de politierechtbank zetelend in strafzaken bevoegd is om kennis te nemen van het beroep gericht tegen een administratieve boete voor een overtreding van de derde of vierde categorie, zoals bedoeld in het Waals Milieu Wetboek, opgelegd door sanctionerend ambtenaar
(2). De tekst van artikel D.217 Waals Milieuwetboek werd ingevoegd bij Decreet van 6 mei 2019 betreffende milieudeliquentie
(3). Uit de memorie van toelichting bij dit decreet blijkt dat men het administratief afhandelingssysteem volledig heeft gebaseerd op de Wet Gemeentelijke administratieve sancties
(4). Opvallend is evenwel dat in deze laatste wet het omgekeerde is bepaald wat betreft de te volgen procedure nl. artikel 31, § 1, eerste lid bepaalt dat de gemeente of de overtreder beroep kan instellen bij de politierechtbank, volgens de burgerlijke procedure en het laatste lid van dezelfde bepaling bepaalt dat onverminderd het eerste tot het zevende lid en de Jeugdbeschermingswet, de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn op het beroep bij de politierechtbank en de jeugdrechtbank. Bij de Wet Gemeentelijke administratieve sancties moet het cassatieberoep worden ingesteld op basis van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek
(5). Zelfs wanneer men uit het ontbreken van een gelijkaardige bepaling als bedoeld in artikel 31, § 1, eerste lid Wet Gemeentelijke administratieve sancties, zou afleiden dat ook de politierechtbank zetelend in burgerlijke zaken zou kennis kunnen nemen van het beroep, dan nog geldt ondubbelzinnig volgens artikel D.217, laatste lid, Waals Milieuwetboek dat deze procedure volgens de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering dient te gebeuren. Los van de anomalie dat in deze visie een burgerlijke rechter dan de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering zou moeten volgen, kan men niet naast de duidelijke wettekst kijken die niet voor interpretatie vatbaar is. Dit alles houdt dus in iedere hypothese in (beroep behandeld door de politierechtbank zetelend in strafzaken of politierechtbank zetelend in burgerlijke zaken) dat de regels van het Wetboek van Strafvordering van toepassing zijn voor het instellen van het cassatieberoep tegen een beslissing van de politierechtbank zoals bedoeld in artikel D.217 Waals Milieuwetboek
(6). Tot nu toe heeft in ieder geval enkel de tweede kamer van het Hof kennisgenomen van de ingestelde cassatieberoepen tegen dergelijke vonnissen
(7). Er moet worden vastgesteld dat het cassatieberoep op burgerlijke wijze werd ingediend (zowel wat betreft de vormen als wat betreft de termijn). Overeenkomstig de bepalingen van artikel 1097 van het Gerechtelijk Wetboek, meen ik ambtshalve een grond van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser te moeten aanvoeren nl. het cassatieberoep werd niet ingesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 423 en 425 Wetboek van Strafvordering (nl. niet via een verklaring ter griffie binnen een termijn van 15 dagen)
(8). Het cassatieberoep is niet ontvankelijk. Conclusie: Verwerping. ________________________________________________________
(1)BS 9 juli 2004.
(2)In deze zin vb. CARUTYVELS J.-F., en ROELANTS C., “7. Les voies de recours contre les décisions du fonctionnaire sanctionnateur wallon en matière d’environnement”, in HAVET B. (ed.), La délinquance urbanistique et environnementale en Région de Bruxelles-Capitale et en Région wallonne, Larcier-Intersentia 2023,
(350)364, voetnoot 79; ORBAN DE XIVRY E. en ROELANTS C., “Les poursuites administratives : questions choisies” in MOËRYNCK P., SECRETIN J.-M. en VANSNICK L., Droit répressif de l'environnement en Région wallonne, Larcier 2022,
(257), 311, voetnoot 271; meer impliciet : BOQUET L. – DEBRULLE A., Déliquance environnementale, Larcier 2023, 422-423.
(3)BS 28 augustus 2019.
(4)Mvt bij het projet de décret relatif à la délinquance environnementale, WAALS PARLEMENT 2018-2019, 15 maart 2019, 1333/1, 13.
(5)In ieder geval werd het cassatieberoep tegen vonnis dat uitspraak doet over een beroep tegen een GAS-boete steeds volgens de burgerrechtelijke bepalingen door de eerste kamer van het Hof behandeld: vb. Cass. 27 september 2024, AR C.23.0453.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.5; Cass. 16 oktober 2023, AR C.20.0548.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231016.3N.1; Cass. 14 september 2020, AR C.19.0161.F, AC 2020, nr. 527, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200914.3F.2 Cass. 27 juni 2019, AR C.18.0618.F, AC 2019, nr. 403, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190627.1; Cass. 11 januari 2018, AR C.17.0272.N, AC 2018, nr. 24, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180111.3; Cass. 08 december 2011, AR C.10.0521.N, AC 2011, nr. 676, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111208.3. Het Hof besliste echter in één zaak tegen de letterlijke bewoordingen van artikel 31 Wet Gemeentelijke administratieve sancties in dat het cassatieberoep op “strafrechtelijke” wijze ingesteld ontvankelijk was (Cass. 5 maart 2025, AR P.24.1603.F, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250305.2F.1 met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250305.2F.1). Dit laatste arrest kan niet worden gevolgd.
(6)In deze zin vb. CARUTYVELS J.-F., en ROELANTS C., “7. Les voies de recours contre les décisions du fonctionnaire sanctionnateur wallon en matière d’environnement », in HAVET B. (ed.), La délinquance urbanistique et environnementale en Région de Bruxelles-Capitale et en Région wallonne, Larcier-Intersentia 2023,
(350)394; meer impliciet ORBAN DE XIVRY E. en ROELANTS C., “Les poursuites administratives : questions choisies” in MOËRYNCK P., SECRETIN J.-M. en VANSNICK L., Droit répressif de l'environnement en Région wallonne, Larcier 2022,
(257), 314; BOQUET L. – DEBRULLE A., Déliquance environnementale, Larcier 2023, 441.
(7)Vb. Cass. 24 september 2025, AR P.25.0611.F, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250924.2F.13 met concl. in hoofdzaak van advocaat-generaal V. TRUILLET, ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250924.2F.13; Cass. 26 maart 2025, AR P.24.1719.F, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250326.2F.7; en in verband met de rechtsvoorganger van artikel D.217 (nl. D.164) zie vb Cass. 11 april 2018, AR P.18.0114.F, AC 2018, nr. 225, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180411.3, met concl. in hoofdzaak van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180411.3; Cass. 18 april 2012, AR P.11.2039.F, AC 2012, nr. 236, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120418.2.
(8)Zie en vergelijk vb. Cass. 19 april 1989, AR 7414, AC 1989, nr. 470, ECLI:BE:CASS:1989:ARR.19890419.8. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260326.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260326.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:1989:ARR.19890419.8 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111208.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120418.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180111.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180411.3 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180411.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190627.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200914.3F.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231016.3N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.5 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250305.2F.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250326.2F.7 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250924.2F.13 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250305.2F.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250924.2F.13 precedenten: ECLI:BE:CASS:1965:ARR.19650426.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div