← België

VAN RAAK DISTRIBUTIE nv contra BNP Paribas Fortis nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 maart 2026 EC

Art. 1

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALGEMENE BEGRIPPEN Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 3 - 4 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, KB 22 mei 2014, zoals ingevoerd bij besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018, een dwingende bepaling is ter bescherming van de belangen van de schuldeisers van een transportonderneming waardoor de borgtocht, gesteld vóór de inwerkingtreding van deze bepaling op dwingende wijze wordt uitgebreid tot waarborg voor de brandstofschulden

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Koninklijk Besluit van 22 mei 2014, art. 15, § 1, eerste lid, 1°, zoals van toepassing voor en na de wijziging bij Besluit van 20 juli 2018. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot ... - 21-10-2009 - Art. 7.2 Wet 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de ... - 15-07-2013 - Art. 14 - 22 ELI link Pub nr 2013014763 Wet 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de ... - 15-07-2013 - Art. 15, 3° - 22 ELI link Pub nr 2013014763 KB 22 mei 2014 betreffende het goederenvervoer over de weg - 22-05-2014 - Art. 15, § 1, eerste lid, en § 2 - 36 ELI link Pub nr 2014014302 oud

Art. 1

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: BORGTOCHT Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot ... - 21-10-2009 - Art. 7.2 Wet 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de ... - 15-07-2013 - Art. 14 - 22 ELI link Pub nr 2013014763 Wet 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de ... - 15-07-2013 - Art. 15, 3° - 22 ELI link Pub nr 2013014763 KB 22 mei 2014 betreffende het goederenvervoer over de weg - 22-05-2014 - Art. 15, § 1, eerste lid, en § 2 - 36 ELI link Pub nr 2014014302 oud

Art. 1

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.25.0077.N Conclusie van advocaat-generaal F. VROMAN: De voorziening in cassatie is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 18 oktober 2024. In het verzoekschrift wordt één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de toepassing in de tijd van het artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2014 betreffende het goederenvervoer van zaken over de weg (verder koninklijk besluit 22 mei 2014)

(1), zoals van toepassing sinds de wijziging door het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2014 betreffende het goederenvervoer over de weg tot het bepalen van de begunstigden van de borgtocht (verder Besluit Vlaamse Regering van 20 juli 2018)
(2). Op 7 oktober 2008 stelde verweerster zich borg voor de BV KRT International. Deze borgstelling betrof een borgstelling in het kader van de Wet Goederenvervoer en had toen als basis artikel 17 van het koninklijk besluit van 2 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg
(3). De borgstelling werd oorspronkelijk aangegaan voor een bedrag van 29.000 euro en uiteindelijk verhoogt tot 89.000 euro. Op 30 april 2019 dagvaardden de eiseressen verweerster in betaling van 1498, 72 euro en 64751.91 euro (plus interesten en kosten) Bij vonnis van 20 mei 2020 werden deze vorderingen ongegrond verklaard. In het bestreden arrest wordt het hoger beroep van eiseressen eveneens ongegrond verklaard. II. Het middel. Eiseressen verwijten de appelrechter artikel 1 en 1165 Oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor de opheffing er van bij wet van 28 april 2022, artikel 1.2 Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing sinds 1 november 2020, artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek, artikel 149 Grondwet, artikelen 14 en 15 van de uitvoeringswet van 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg; artikelen 15, § 1, en 56 koninklijk besluit van 22 mei 2014, artikel 7 Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoersondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad, artikel 288, tweede lid, VWEU, artikel 70 van het koninklijk besluit van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg, zoals van toepassing voor de opheffing ervan door artikel 55 van het koninklijk besluit van 22 mei 2014 en artikel 1 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 door: - te oordelen dat artikel 15 van het van het koninklijk besluit van 22 mei 2014, zoals gewijzigd, zich richt tot vervoersondernemingen door hen te verplichten een overeenkomst tot borgtocht aan te gaan die conform is aan de bepalingen van dit artikel, dat de verplichtingen van de steller van de borgtocht niet worden gewijzigd en dat dit op zich al aantoont dat de vordering van eiseressen ongegrond is aangezien niet blijkt dat KRT INTERNATIONAL bv wat dat betreft het nodige heeft gedaan terwijl de overgangsbepalingen van het koninklijk besluit van 22 mei 2014 en van het koninklijk besluit van 7 mei 2002 wel tot gevolg hebben dat de verplichtingen van de steller van de borgtocht van rechtswege worden gewijzigd (eerste onderdeel – eerste grief: schending artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, koninklijk besluit van 22 mei 2014 en voor zover nodig artikel 70 van het koninklijk besluit van 7 mei 2002 en artikel 56 koninklijk besluit van 22 mei 2014 en artikel 1 Besluit Vlaamse Regering van 20 juli 2008); - door te oordelen dat de schuldeisers van een erkende vervoersonderneming pas aanspraak kunnen maken op borgstelling van zodra deze “het nodige” heeft gedaan om een aangepaste borgtochtovereenkomst te sluiten (eerste onderdeel – tweede grief: schending artikel 7 Verordening nr. 1071/20009, artikelen 14 en 15 van de uitvoeringswet van 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en voor zover als nodig artikel 288 VWEU); - een diametraal tegenstellende invulling te geven aan artikel 15 koninklijk besluit van 22 mei 2014 met enerzijds het oordeel onder randnummer 10 van het bestreden arrest en met anderzijds het oordeel onder randnummer 14 (eerste onderdeel – derde grief: schending van artikel 15 koninklijk besluit van 22 mei 2014, artikel 1138, 4° en artikel 149 Grondwet); - te oordelen dat een nieuwe wet niet automatisch van toepassing is op reeds bestaande contracten, nu een onderscheid moet worden gemaakt tussen wijzigingen in de nieuwe wet die betrekking hebben op kernelementen van het contract en wijzigingen die betrekking hebben op de bijkomstige elementen van het contract en waarbij enkel de laatstgenoemde wijzigingen op een reeds bestaand contract kunnen worden toegepast en aangezien de schulden waarvoor een borgtocht is vereist een kernelement is van het contract van borgtocht, zijn de bepalingen het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 niet van toepassing op de borgtocht aangegaan door verweerster terwijl volgens het intertemporeel recht de oude wet niet van toepassing blijft op contracten gesloten onder die wet wanneer de nieuwe wet van openbare orde of dwingend recht is (tweede onderdeel - eerste grief: schending van het opgeheven artikel 1 Oud Burgerlijk Wetboek en artikel 1.2 Burgerlijk Wetboek) en zelfs wanneer de appelrechter op dit punt zou moeten gevolgd worden moet er rekening worden gehouden met het rechtmatig vertrouwen dat derden hebben in de werking van de tijd, wat hij nalaat (tweede onderdeel – tweede grief: schending artikel 1165 Oud Burgerlijk Wetboek en voor zover nodig artikel 1 Oud Burgerlijk Wetboek, artikel 1.2 Burgerlijk Wetboek; - door te beslissen dat de uitbreiding van het aantal schuldeisers dat een beroep kan doen op de borgtocht een essentieel element is dat het risico voor de zekerheidsteller verhoogt (tweede onderdeel – derde grief: schending artikel 7 Verordening nr. 1071/20009, artikelen 14 en 15 van de uitvoeringswet van 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en voor zover als nodig artikel 288 VWEU); - door niet te antwoorden op het middel aangevoerd in hun beroepsconclusie van 12 januari 2021 waar zij naar het advies nr. 637888 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State verwezen, waarin deze in dezelfde zin overwoog dat de uitbreiding van het aantal zeker gestelde schulden het risico van de zekerheidssteller niet doet toenemen (tweede onderdeel – vierde grief: schending artikel 149 Grondwet). II. Bespreking. II.I. Ontvankelijkheid van het middel. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op van het middel op (zie laatste alinea pagina 8 en eerste alinea pagina 9 van de voorziening). Na substitutie van motieven zou de beslissing van de appelrechter dat bepalingen van het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 niet van toepassing zijn op de borgtocht aangegaan door verweerster op andere gronden kunnen verantwoord worden, zodat het middel bij gebrek aan belang onontvankelijk zou zijn. De grond van niet-ontvankelijkheid moet volgens mij worden verworpen omdat het onderzoek ervan niet te onderscheiden is van het onderzoek van het middel zelf. II.2 Gegrondheid van het middel. Tweede onderdeel. Door het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 werd artikel 15, § 1, eerste lid, 1° van het koninklijk besluit van 22 mei 2014 heringevoerd na de vernietiging ervan door de Raad van State
(4)wegens het ontbreken van een redelijke verantwoording van de uitsluiting van brandstofleveranciers van een beschermingsmechanisme, met name de borgtocht wegvervoer, waarop andere vergelijkbare schuldeisers wel aanspraak konden op maken. Het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 voegde daarbij een nieuw punt “d) de brandstoffen” toe aan de lijst van goederen die beschermd worden door de borgtocht met de bedoeling om te verhelpen aan de door de Raad van State vastgestelde onwettigheid. Sinds deze wijziging kunnen brandstofleveranciers zich, net zoals andere leveranciers van materiële goederen en diensten die onontbeerlijk zijn voor de uitvoering van het goederenvervoer over de weg, tot de borgsteller richten om betaling van hun schuldvorderingen te bekomen, in zoverre deze vorderingen schulden betreffen die opeisbaar werden in de periode van 365 dagen die aan de datum van aanspraak op de borgtocht voorafgaat
(5). Het Hof besliste reeds in het arrest van 2 september 2021 in verband met deze borgtocht dat
(6): - de verbintenis van de bank die zich op verzoek van een transportonderneming borg heeft gesteld voor de in artikel 15, § 1, eerste lid van het KB van 22 mei 2014 bedoelde schuldvorderingen, voortvloeit uit de borgstellingsovereenkomst en aldus geen wettelijke maar een contractuele grondslag heeft en - de banken die zich voor de nietigverklaring van artikel 15, § 1, eerste lid, 1° van het KB van 22 mei 2014 hebben borg gesteld voor een vervoeronderneming, er contractueel toe gehouden blijven de in deze bepaling bedoelde schuldvorderingen te waarborgen. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat door de verweerster in 2008, derhalve ruim voor de inwerkingtreding van het hier ter discussie staande artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2014, een borgtocht wegvervoer werd verleend voor de schulden van de inmiddels gefailleerde transportonderneming KRT, waaraan de eiseressen destijds brandstoffen hebben geleverd. Deze borgtocht werd gevestigd onder toepassing van het koninklijk besluit van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg, maar ingevolge de overgangsbepaling voorzien in artikel 56 van het koninklijk besluit van 22 mei 2014 worden de borgtochten die werden gesteld overeenkomstig de bepalingen van de vroeger vigerende reglementeringen gelijkgesteld met de borgtocht die tot stand zullen komen onder de nieuwe wetgeving. De vraag rijst in hoeverre deze nog lopende borgtocht door de herinvoering van artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2014, door het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 geacht wordt tevens de schulden ingevolge de levering van brandstoffen bestemd voor het goederenvervoer te dekken. De wijziging voert immers een bijkomende verplichting in voor de borg, die zijn waarborg uitgebreid ziet tot de brandstofschulden, en grijpt aldus in op een lopende overeenkomst. Volgens het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van een wet is een nieuwe wet in de regel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan maar ook op toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder gelding van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten
(7). De algemene regel inzake de werking in de tijd van de nieuwe wet op lopende overeenkomsten is dat de vroegere wet van toepassing blijft, behoudens wanneer de nieuwe wet de openbare orde raakt of van dwingend recht is of uitdrukkelijk bepaalt dat zij van toepassing is op de lopende overeenkomsten
(8). Er moet worden vastgesteld dat het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 niet uitdrukkelijk bepaalt of het van toepassing is op de lopende overeenkomsten. De nota aan de Vlaamse Regering van de minister van Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn, waarmee het ontwerpbesluit ter goedkeuring werd voorgelegd bevat immers enkel de visie van de minister (die weliswaar van oordeel is dat het nieuwe artikel van toepassing is op lopende overeenkomsten)
(9). Deze nota wordt niet bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en kan volgens mij niet kan worden gebruikt voor de interpretatie van de werking in de tijd van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018. De vraag of artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2014, van dwingend recht is dient te worden beschouwd in het licht van de vrijheid die aan partijen wordt gelaten om er bij overeenkomst van af te wijken
(10). Als richtsnoer ter bepaling hiervan geldt uiteraard de tekst van dat artikel zelf, maar ook de voorbereidende werken daarbij. Volgens het verslag aan de Koning
(11)is de borgtocht wegvervoer “beperkt en noodzakelijkerwijs arbitrair”, waarmee wordt gedoeld op het feit dat limitatief de materiële goederen en diensten worden opgesomd waarvoor de borgtocht geldt (en waarvoor in het verslag overigens als voorbeeld werd gegeven dat de borgtocht niet kon worden aangesproken voor schulden of schuldvorderingen die voortvloeien uit de levering van brandstoffen). De borgtocht is voorts “als volledig te beschouwen” wat betekent dat zij de schulden dekt die voortspruiten uit de levering van de opgesomde materiële goederen en diensten die als onontbeerlijk worden beschouwd voor de uitvoering van goederenvervoer. Tevens wordt duidelijk aangegeven dat de geboden bescherming ook geldt ten aanzien van onderaannemers, dit om “de geboden bescherming niet uit te hollen”. Een en ander bevestigt dat het desbetreffende artikel 15 een bepaling van dwingend recht betreft. Gelet op het dwingend karakter van artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2014, zoals aangepast door het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 is de uitbreiding van de borgtocht wegvervoer tot de brandstoffen van toepassing op lopende borgtochten. De betalingsverbintenis van de borg voor brandstoffenschulden ontstaat eerst vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, koninklijk besluit van 22 mei 2014. Vanaf dat ogenblik kan de brandstoffenleverancier aanspraak maken op de borgtocht. Het is niet zo dat het nieuwe artikel 15, § 1, eerste lid, 1° aan de brandstoffenleverancier retroactief een aanspraak verleent op de borgtocht of dat de borg retroactief gehouden is tot betaling van de brandstoffenschuld. Vanaf de inwerkingtreding kan de brandstoffenleverancier aanspraak maken op de borgtocht en is de borg gehouden tot betaling van de brandstoffenschuld, ook als die schuld reeds ontstaan was voor de inwerkingtreding van het nieuwe 15, § 1, eerste lid, 1°. Het gaat om een toekomstig rechtsgevolg dat de wet verbindt aan een schuld die ontstaan is voor de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, maar nog niet uitgedoofd is op het ogenblik van de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 15, § 1, eerste lid, 1° en dus voortduurt onder de toepassing van het nieuwe artikel 15, § 1, eerste lid, 1°. Het nieuwe artikel 15, § 1, eerste lid, 1° vindt dan onmiddellijk toepassing en de brandstoffenleverancier kan eerst vanaf dan aanspraak maken op de borgtocht, weliswaar enkel voor schulden die opeisbaar werden in de periode van 365 dagen die aan de datum van de aanspraak op de borgtocht voorafgaat. De borg is niet reeds vanaf het ontstaan van de brandstofschulden gehouden tot betaling ervan, maar is eerst vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 15, § 1, eerste lid, 1° gehouden tot betaling van de brandstofschulden, ook al zijn die ontstaan voor de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 15, § 1, eerste lid, 1° op voorwaarde dat ze op dat ogenblik nog niet zijn uitgedoofd, en beperkt tot de brandstofschulden die opeisbaar werden in de periode van 365 dagen die aan de datum van de aanspraak op de borgtocht voorafgaat. Zelfs wanneer men de visie van het Grondwettelijk Hof over de intertemporele werking van een nieuwe wet die wijzigingen aanbrengen met betrekking tot de kernelementen van een overeenkomst, zoals aangehaald door de verweerster, in beschouwing neemt, dan nog moet worden vastgesteld dat de borg op eigen initiatief of op verzoek van de transportonderneming kan beslissen om zich geheel of gedeeltelijk te ontdoen van zijn verplichtingen (art. 17, § 2, eerste lid van het koninklijk besluit van 22 mei 2014). De borg is bevrijd van zijn verplichtingen jegens de eventuele schuldeisers na het verstrijken van een termijn van negen maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de minister of zijn gemachtigde van deze hoofdelijke borg de aangetekende brief of het elektronische bericht, houdende kennisgeving van zijn beslissing zich geheel of gedeeltelijk van zijn verplichtingen te ontdoen, heeft ontvangen. Nochtans kan gedurende de laatste zes maanden van de in het eerste lid bedoelde termijn slechts op de borgtocht aanspraak worden gemaakt indien de schuldvordering vóór het begin van die laatste zes maanden opeisbaar is geworden (art. 18, § 1, van het koninklijk besluit van 22 mei 2014). Vanaf het hogervermelde vernietigingsarrest van de Raad van State kon de borg zich eraan verwachten dat hij in de toekomst ook de brandstofschulden zou moeten waarborgen. Indien verweerster dat niet wenste, kon zij zich nog tijdig van haar verplichtingen ontdoen, zodat zij niet gehouden zou zijn tot betaling van die schulden. Het nieuwe artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, koninklijk besluit van 22 mei 2014 werd pas twee jaar na het vernietigingsarrest van de Raad van State opnieuw ingevoegd met de uitbreiding naar brandstoffen. Ook in deze visie is dus geen reden te vinden om af te wijken van het uitgangspunt dat inzake overeenkomsten een nieuwe wet die van dwingend recht is wel onmiddellijk op een bestaand contract kan worden toegepast. Aldus verantwoordt de appelrechter, met zijn oordeel op pagina 6, onder randnummer 14, van het bestreden arrest, dat de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 niet van toepassing zijn op de borgtocht aangegaan door verweerster, zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Eerste onderdeel. Uit hetgeen bij de bespreking van het tweede onderdeel, werd gesteld, blijkt dat artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2014 betreffende het goederenvervoer van zaken over de weg, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2018 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 mei 2014 betreffende het goederenvervoer over de weg, onmiddellijk van toepassing is op de lopende borgtochtovereenkomsten wegvervoer. De appelrechter, die op pagina 6, sub randnummer 14, oordeelt dat het nieuwe artikel 15 van het koninklijk besluit van 22 mei 2014 zich tot de vervoersondernemingen richt door hen te verplichten een overeenkomst tot borgtocht aan te gaan die conform is aan die bepaling, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Conclusie: Cassatie met verwijzing. ________________________________________________________
(1)BS 15 juli 2014.
(2)BS 7 september 2018, met inwerkingtreding op 17 september 2018.
(3)BS 7 mei 2002.
(4)RvS 11 juli 2016, 235.400, ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.400.
(5)Cf. artikel 15, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2014.
(6)Cass. 2 september 2021, AR C.21.0013.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210902.1N.5.
(7)Vb. Cass. 6 december 2024, AR C.22.0189.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241206.1N.5, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241206.1N.5; Cass. 14 februari 2022, AR S.21.0004.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220214.3F.12, met concl. van advocaat-generaal B. INGELS.
(8)Zie de rechtspraak in verband met de toepassing van artikel 1 oud Burgerlijk wetboek inzake overeenkomsten (thans artikel 1.2 nieuw Burgerlijk Wetboek): Cass. 4 februari 2021, AR C.20.0399.F, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210204.1F.2; Cass. 5 september 2019, AR C.18.0463.N, AC 2019, nr. 440, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190905.4; Cass. 12 april 2010, AR C.09.0279.F, AC 2010, nr. 250, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100412.5; Cass. 3 juni 2004, AR C.03.0070.N, AC 2004, nr. 302, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040603.7; Cass. 6 maart 2003, AR C.02.0132.F, AC 2003, nr. 156, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030306.7; VANCOMPERNOLLE T., “Werking van de wet in de tijd: een stappenplan”, RW 2020-2021/42, 1647; POPELIER P., Toepassing van de wet in de tijd, APR, E. Story-Scientia 1999, 53.
(9)https://www.vlaanderen.be/vlaamse-regering/beslissingen-van-de-vlaamse-regering/goederenvervoer-over-de-weg-borgtocht , VR 2018 2206 DOC.0680/1.
(10)VAN GERVEN W., Beginselen van Belgisch Privaatrecht. Algemeen Deel, Standaard wetenschappelijke uitgeverij, 1969, 73.
(11)Verslag aan de Koning over het ontwerp van Koninklijk besluit betreffende het goederenvervoer over de weg, BS 15 juli 2014. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260326.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260326.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030306.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040603.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100412.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190905.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210204.1F.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210902.1N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220214.3F.12 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241206.1N.5 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241206.1N.5 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.400 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.