← België

Vrij Onderwijs Regio Aalst contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260330.3N.7 Rolnummer: C.25.0264.N Zaak: Vrij Onderwijs Regio Aalst contra D. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-05-15 Raadplegingen: 187 - laatst gezien 2026-06-18 06:49 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260330.3N.7 Fiches 1 - 2 Het beroep tegen een beslissing van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit bij het Marktenhof betreft een beroep tegen een administratieve beslissing; de Gegevenbeschermingsautoriteit moet zich als toezichthoudende autoriteit die de beroepen administratieve beslissing heeft genomen, bijgevolg kunnen verweren tegen een vordering tot vernietiging of hervorming van die beslissing; het bedoelde beroep bij het Marktenhof dient dan ook noodzakelijkerwijze gericht te zijn tegen de Gegevensbeschermingsautoriteit als verwerende partij

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 4, § 1, eerste lid wet 3 december 2017 voor de wijziging bij wet 25 december 2023. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 51, eerste lid Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 77 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 78, eerste lid Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 2, 1° - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 4, § 1, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 32 - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 58, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 108, § 1, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 51, eerste lid Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 77 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 78, eerste lid Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 2, 1° - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 4, § 1, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 32 - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 58, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Wet 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit - 03-12-2017 - Art. 108, § 1, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2017031916 Fiches 3 - 4 Het vereiste dat het beroep tegen een beslissing van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit gericht moet zijn tegen de Gegevensbeschermingsautoriteit als verwerende partij is een ontvankelijkheidsvereiste die moet worden onderscheiden van de loutere kennisgeving van het beroep aan de wederpartijen; een regularisatie buiten de beroepstermijn van een beroep dat niet tegen de Gegevensbeschermingsautoriteit is gericht, is bijgevolg niet mogelijk; de artikelen 803, tweede lid, 861, tweede lid en 1058 Gerechtelijk Wetboek zijn hierop niet van toepassing
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 803, tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 861, tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1058 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Allerlei Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 803, tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 861, tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1058 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de conclusie C.25.0264.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN:
  1. Het cassatieberoep van eiser is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, sectie Marktenhof, gewezen op 15 januari
  2. Er worden twee middelen aangevoerd.
  3. Wat betreft het eerste middel. a. Probleemstelling. De problematiek die aan de orde is in het middel kadert in het beroep, dat bij het Marktenhof, kan worden ingesteld, tegen beslissingen van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit. De vraag die zich stelt is of dit beroep gericht dient te zijn tegen de Gegevensbeschermingsautoriteit zodat deze in de procedure voor het Marktenhof de hoedanigheid heeft van verwerende partij. Het Marktenhof oordeelde dat dit inderdaad het geval is waardoor, bij gebreke hieraan, het verhaal niet ontvankelijk is. b. Beoordeling. Ik deel ter zake het standpunt van het Marktenhof. De visie van eiser gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting en faalt dan ook naar recht. Bij de beoordeling van het geschil is van belang de oorsprong van de wet van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit in acht te nemen. Die wet betreft de omzetting van de Verordening 2016/679 van 27 april
  4. Derhalve zullen de principes die aangehaald worden voor de totstandkoming en de inhoud van deze verordening hun belang hebben, alsook de gebeurlijke rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Daar het gaat over een beroep tegen een beslissing van de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit zullen enkel de desbetreffend relevante bepalingen de aandacht wegdragen. Ingevolge artikel 57 van de Verordening heeft de Toezichthoudende autoriteit de taak om naleving van de bepalingen van de Verordening te monitoren en te handhaven. Om deze opdracht te vervullen bepaalt artikel 32 van de wet van 2017 dat de geschillenkamer het administratief geschillenorgaan is van de Gegevensbeschermingsautoriteit. De geschillenkamer is ingevolge artikel 101 van dezelfde wet gelast met het nemen van de, ter handhaving bepaalde, corrigerende maatregelen zoals deze zijn aan te treffen zijn in artikel 58, tweede lid, van de Verordening. Het artikel 108 van deze wet stelt dat de partijen in kennis moeten gesteld worden van de beslissing en de mogelijkheid van beroep aan te tekenen hiertegen bij het Marktenhof. Inderdaad, de beslissing van de toezichthoudende autoriteit, in casu de geschillenkamer, dient ingevolge artikel 78, eerste lid, van de Verordening het voorwerp kunnen uitmaken van een voorziening in rechte. Wat de aandacht wegdraagt is de titel van deze bepaling: “Recht om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen tegen een toezichthoudende autoriteit”. (eigen onderlijning) In de preambule van de Verordening treft men, in overweging 143, een gelijkluidende vermelding aan: “…Een vordering tegen een toezichthoudende autoriteit dient te worden ingesteld bij de gerechten van de lidstaat waar de toezichthoudende autoriteit is gevestigd, en dient in overeenstemming te zijn met het procesrecht van die lidstaat…”(eigen onderlijning) Ook relevant is een overweging in het arrest van 12 januari 2023 van het Hof van Justitie. Het Hof overwoog daar: “… De in artikel 78, lid 1, van deze verordening bedoelde voorziening in rechte – die betrekking heeft op het onderzoek van de wettigheid van het op grond van artikel 77 van die verordening vastgestelde besluit van een toezichthoudende autoriteit…”
(1). (eigen onderlijning) Wat aangevochten wordt is dus de wettigheid van de administratieve beslissing. Het beroep bij het Marktenhof is derhalve een administratief hoger beroep waar de wettigheid en de regelmatigheid van de beslissing van de geschillenkamer wordt onderzocht
(2). Wat bij de aanwending van het rechtsmiddel wordt nagestreefd is dus de vernietiging van deze beslissing
(3). Het heeft zodoende een objectief karakter wat zijn impact heeft op de partijen die betrokken zijn bij dit beroep. Meer in het bijzonder betekent dit dat de Gegevensautoriteit als verwerende partij in zake dient te zijn
(4). Deze moet immers in de mogelijkheid zijn om verweer te voeren over de geldigheid van de door haar genomen administratieve beslissing. 3. Wat betreft het tweede middel. a. Eerste onderdeel. (…) b. Tweede onderdeel. Het onderdeel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt dan ook naar recht. De beroepstermijn van 30 dagen, ex artikel 108, § 1 van de wet van 2017, betreft een vervaltermijn
(5). Dit betekent dat het beroep, ten aanzien van de juiste verweerder, binnen deze termijn dient te worden ingesteld. In zover het de correcte identificatie van de verwerende partij betreft, is dit een ontvankelijkheidsvereiste ratione personae. Dus in huidig geschil had het beroep binnen deze termijn tegen de Gegevensbeschermingsautoriteit, als verweerster, dienen te worden ingesteld. De door eiser aangevoerde bepalingen, zijnde de artikelen 803, 1058 en 861, § 2, Gerechtelijk Wetboek zijn vreemd aan problematiek die Uw Hof dient te beoordelen. Vooreerst wat betreft de artikelen 803 en 1058. Beide bepalingen gaan over de situatie waar de oorspronkelijke gedinginleidende akte de juiste tegenpartij, in zijn hoedanigheid van verweerder vermeldde. Zij betreffen een opnieuw in kennis stellen van deze, in de initiële akte, correct geïdentificeerde verweerder. Betreffende het artikel 861, § 2, daar het in deze een ontvankelijkheidsvereiste en geen nietigheidssanctie betreft is deze bepaling tevens niet van toepassing
(6). c. Derde en vierde onderdeel. (…) Conclusie: verwerping. _________________________________________________________________
(1)HvJ, 12 januari 2023, C-132/21, overweging 35.
(2)C. MICHIELSEN, “Klachtenprocedure voor de Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit: obstakels, Computerrecht, opportuniteiten en andere lessen voor de praktijkjurist”, Computerreht, 2022/5, p. 334 en F. COTON, “Décisions de la chambre contentieuse de l'Autorité de protection des données: juste une mise au point par la Cour des marchés”, noot onder Marktenhof 12 juni 2019, Marktenhof 9 oktober 2019, Marktenhof 23 oktober 2019 en Marktenhof 19 februari 2020 JLMB 2020/29, nr. 23.
(3)F. COTON, o.c., nr. 22 en G. VANDENDRIESSCHE, “Doeltreffende voorziening in rechte onder de AVG : de eerste arresten van het Marktenhof”, Computerrecht 2020/42, p. 77.
(4)G. VANDENDRIESSCHE, o.c., p. 77.
(5)F. COTON, nr. 18 en G. VANDENDRIESSCHE, o.c., p. 80.
(6)P. VAN ORSHOVEN, “Niet-ontvankelijkheid, nietigheid, verval en andere wolfijzers en schietgeweren van het burgerlijk procesrecht”, P&B 2001/1, p. 19. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260330.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260330.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.