id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260402.1N.2 Rolnummer: F.23.0087.N Zaak: T. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht - Strafrecht Invoerdatum: 2026-04-28 Raadplegingen: 386 - laatst gezien 2026-06-18 20:51 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260402.1N.2 Fiche 1 De inbreuken die tot een belastingverhoging aanleiding kunnen geven, zijn voltrokken zodra de voor de aangifte bepaalde termijn verstreken is en er dus sprake is van niet-aangifte in de zin van voormeld artikel 444, zowel in geval van niet-overlegging van het aangifteformulier aan de bevoegde dienst als in geval van laattijdige overlegging van die aangifte
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Sancties. Verhogingen. Administratieve boeten. Straffen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 305 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 Fiche 2 Artikel 6 van de wet van 30 juni 2017 houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude breidt de toepassing van artikel 444 niet uit tot een inbreuk die hierin niet zou worden vermeld, maar maakt voortaan uitdrukkelijk melding, om elk misverstand te voorkomen, van het geval van een laattijdige overlegging van de aangifte en bevestigt aldus de uitlegging van het begrip niet-aangifte zoals het van meet af aan uit de voormelde bepalingen voortvloeide
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING Fiche 3 Een interpretatieve wet kan niet worden geacht een retroactieve strafbaarstelling in te houden van een inbreuk die door de interpretatieve wet, in overeenstemming met de draagwijdte en de betekenis van de geïnterpreteerde wet, uitdrukkelijk strafbaar wordt gesteld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING Fiches 4 - 5 De legaliteit van een fiscale wetsbepaling met strafrechtelijk karakter vereist dat de wetsbepaling voldoende toegankelijk is en als dusdanig of in samenhang met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijkerwijs voorzienbaar is. Aan de vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan als het voor de persoon op wie de wetsbepaling van toepassing is, mogelijk is op grond van de bepaling en, zo nodig, met behulp van de uitlegging ervan gegeven door de fiscale administratie en de rechtspraak, de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen; het legaliteitsbeginsel verzet zich niet ertegen dat een interpretatieve wet de draagwijdte van een wetsbepaling verduidelijkt. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Sancties. Verhogingen. Administratieve boeten. Straffen STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Tekst van de conclusie F.23.0087.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE:
- Situering.
- Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan blijkt dat de eiseres haar belastingaangifte voor het aanslagjaar 2015 heeft ingediend op 11 januari 2016, terwijl de aangifte uiterlijk op 15 juli 2015 diende te worden ingediend. Omdat de eiseres geen aangifte deed binnen de door de wet gestelde termijn, kondigde de administratie een aanslag van ambtswege aan. De aanslag zou worden gevestigd op basis van aangifte die laattijdig werd ingediend, met dien verstande dat een gedeelte van de aangegeven beroepskosten zou worden verworpen bij gebrek aan verantwoordingsstukken. Daarnaast werd meegedeeld dat een belastingverhoging van 200% zou worden opgelegd wegens de derde overtreden van het niet indienen van de aangifte met het opzet de belasting te ontduiken. Naar aanleiding van het bezwaarschrift, werd in de administratieve beslissing de belastingverhoging herleid van 200% naar 30%. Bij vonnis van 8 november 2021 heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, de vordering van de eiseres tegen die belastingverhoging toelaatbaar doch ongegrond verklaard. In het bestreden arrest van 18 april 2023 bevestigt het Hof van Beroep te Gent het voormelde vonnis en stelt zij dat de administratie terecht een belastingverhoging van 30% oplegde wegens niet (tijdige) aangifte op grond van artikel 444 WIB
- In het cassatieberoep tegen dit arrest voert de eiseres drie middelen aan.
- De aangevoerde middelen.
- Het eerste middel voert de schending aan van het legaliteitsbeginsel zoals voorzien in artikel 172 van de Grondwet en van artikel 444 WIB
- Deze bepalingen zijn volgens de eiseres geschonden door de beslissing dat de laattijdige indiening van een aangifte onder het toepassingsgebied van artikel 444 WIB92 valt, terwijl deze bepaling enkel voorziet in een belastingverhoging in geval van niet-aangifte en niet in geval van een laattijdige aangifte.
- Het tweede middel voert de schending aan van artikel 2 van het Strafwetboek. Door de wet van 30 juni 2017
(1)aan te merken als een interpretatieve wet en de laattijdige aangifte hierdoor retroactief strafbaar te stellen, schendt de appelrechter het algemeen beginsel van de niet-retroactiviteit van de strengere strafwet.
- In het derde middel voert de eiseres de schending aan van artikel 14 van de Grondwet en artikel 7.1 van het EVRM. Uit de wijziging van artikel 444 WIB92 door de wet van 30 juni 2017 blijkt dat de interpretatie van deze wetsbepaling vóór deze wetswijziging onduidelijk was, waardoor bij gebrek aan een duidelijke wettelijke basis het arrest het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel schendt.
- Bespreking.
- De hier voor het aanslagjaar 2015 toepasselijke versie van artikel 444, eerste lid, WIB92 luidt als volgt: “Bij niet-aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte, worden de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen, bepaald voor enige verrekening van de voorheffingen, de belastingkredieten, het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting en de voorafbetalingen, vermeerderd met een belastingverhoging die wordt bepaald naargelang van de aard en de ernst van de overtreding, volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld en gaande van 10 pct. tot 200 pct. van de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen”.
- De rechtsvraag die zich in deze zaak stelt, is of op grond van (het hier toepasselijk) artikel 444 WIB92 een belastingverhoging kan worden opgelegd indien een aangifte laattijdig wordt ingediend, namelijk na het verstrijken van de wettelijke aangiftetermijn.
- Deze rechtsvraag wordt binnen het Hof door de Franstalige en de Nederlandstalige secties verschillend beantwoord. Hoewel door een wetgevend optreden in 2017 en in 2022 (zie verder), werd aangenomen dat deze divergentie zijn relevantie zou verliezen, blijven er aanhoudende verschillende interpretaties in de rechtspraak, waardoor een eenduidige uitspraak van het Hof in een voltallige samenstelling aangewezen voorkomt.
- De Franstalige sectie van het Hof oordeelde dat de overtreding van het niet indienen van de aangifte is voltrokken op het moment dat de voor de aangifte bepaalde termijn is verstreken, ongeacht of nadien nog een (laattijdige) aangifte wordt ingediend
(2). De Nederlandstalige sectie van het Hof volgde de andersluidende conclusie van advocaat-generaal VAN DER FRAENEN niet en oordeelde dat op grond van de tekst van artikel 444 WIB92 geen belastingverhoging kan worden opgelegd wegens de laattijdige indiening van een aangifte
(3). Aangezien het Hof in dit arrest geen (retroactieve) toepassing maakt van de wet van 30 juni 2017, blijkt dat de Nederlandstalige sectie van het Hof van oordeel is dat deze wetswijziging geen interpretatief (en dus geen retroactief) karakter heeft
(4). 10. Ook tussen de Nederlandstalige hoven van beroep bestaat een verschillende visie. Het bestreden arrest van het hof van beroep te Gent volgt de visie van de Franstalige sectie van het Hof, terwijl de hoven van beroep te Antwerpen en Bergen de visie volgen van de Nederlandstalige sectie van het Hof
(5). Deze verschillende rechtspraak werd in de rechtsleer uitvoerig besproken
(6). 11. Een wetshistorische analyse van het aanvankelijk artikel 57 van de wet van 29 oktober 1919 tot vestiging van cedulaire belastingen op de inkomsten en van ene bijkomende belasting op het globaal inkomen, verstrekt geen uitsluitsel en bevat over dit punt geen nadere toelichting
(7). De in dit artikel gebruikte de bewoordingen “bewimpelde inkomsten” sluiten geenszins uit dat daarmee werd bedoeld dat dit moet worden beoordeeld op het moment van het verstrijken van de aangiftetermijn. 12. Het Hof oordeelde in een arrest van 1 juli 1947 voor het eerst dat de laattijdige aangifte als een ‘niet-aangifte’ in de zin van dat artikel 57 van de (ondertussen) samengeschakelde wetten moet worden beschouwd. Het Hof overwoog dat “de tijdsruimte binnen dewelke de aangifte moet worden gedaan van dwingend recht is, de achterlijkheid van de aangifte met niet-aangifte gelijkstaat”
(8). Het Hof herhaalde in een arrest van 5 december 1961 dat een laattijdige aangifte gelijkstaat met de afwezigheid van de aangifte
(9). In zijn arrest van 4 februari 1969 motiveert het Hof dit oordeel door te verwijzen naar het dwingend karakter van de aangiftetermijn waardoor het (besteden) arrest wettig heeft geoordeeld dat geen aangifte werd ingediend
(10). Volgens deze rechtspraak van het Hof moet het begrip ‘niet-aangifte’ worden geïnterpreteerd in functie van de aangiftetermijn; eenmaal dat de aangiftetermijn is verstreken, staat vast dat er sprake is van een niet-aangifte, waarmee het Hof de huidige contextuele interpretatie van de Franstalige sectie hanteerde (zie verder).
- Interpretatieve wetten?
- Voor het voormelde arrest van 15 maart 2018 van de Nederlandstalige sectie van het Hof, oordeelde het Hof meermaals dat er sprake is van een niet-aangifte wanneer geen aangifte was ingediend op het moment van het verstrijken van de aangiftetermijn
(11). Artikel 305 WIB92 is overtreden wanneer de belastingplichtige zijn aangifte niet indient binnen de door deze bepaling voorgeschreven termijn. Wanneer de aangifte niet is ingediend binnen die termijn, staat de overtreding vast en is er sprake van een niet-aangifte. De Franstalige sectie van het Hof interpreteert artikel 444 WIB92 als een gevolg van de overtreding van artikel 305 WIB92, terwijl de Nederlandse sectie van het Hof een strikte en letterlijke toepassing van artikel 444 WIB92 hanteert. De voormelde versie van artikel 444 WIB92, zoals van toepassing voor aanslagjaar 2015, voorzag de “laattijdige” indiening van de aangifte niet uitdrukkelijk als reden voor een belastingverhoging. Dat was mijns inziens ook niet nodig.
- Bij artikel 6 van de wet van 30 juni 2017 houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude werden in artikel 444, eerste lid, WIB92 de woorden “Bij niet-aangifte” vervangen door de woorden “Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van de aangifte”.
- De vraag stelt zich of dit artikel 6 al dan niet als een interpretatieve wetsbepaling moet worden beschouwd, zodanig dat artikel 444, eerste lid, WIB92 (al dan niet) moet worden geacht steeds de betekenis te hebben gehad zoals die blijkt uit voormeld artikel 6 (en dus ook toepassing kan vinden op een laattijdige aangifte die dateert van voor de wet van 30 juni 2017).
- In het voormelde arrest van 3 december 2021 oordeelde de Franstalige sectie dat dit artikel 6 van de wet van 30 juni 2017 geenszins de toepassing van artikel 444 uitbreidt tot een misdrijf dat hierin niet zou worden vermeld, maar voortaan, om elk misverstand te voorkomen, uitdrukkelijk melding maakt van het geval van een laattijdige overlegging van de aangifte en dat dit artikel aldus de uitlegging bevestigt van het begrip niet-aangifte zoals het, volgens de toenmalige vaststaande rechtspraak van het Hof, van meet af aan uit de voormelde bepalingen voortvloeide
(12). 17. De voorbereidende werken motiveren de uitdrukkelijke vermelding van de laattijdige aangifte als volgt: “Daar het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest om de laattijdige aangifte vrij te stellen van een eventuele belastingverhoging, werd en wordt een laattijdige aangifte gelijkgesteld met een niet-aangifte. Teneinde de geest van de wet te laten overeenstemmen met de werkelijkheid en elk eventueel misverstand uit te sluiten, wordt een laattijdige aangifte met de voorliggende wijziging nu ook letterlijk vermeld”
(13). Over de bedoeling van de wetgever kan er aldus geen twijfel bestaan. De wetgever volgt kennelijk de visie van de Franstalige sectie van het Hof: er is een overtreding van een niet-aangifte indien de aangifte niet is ingediend binnen de wettelijke termijn en de indiening een laattijdige aangifte doet geen afbreuk aan die vaststelling een inbreuk. Ook louter de vaststellingen van de voorheen vaste rechtspraak, de plotse wijziging van die rechtspraak en de meteen daaropvolgende aanpassing van de wet, maakt de consequente visie en doelstelling van de wetgever des te meer duidelijk. De wet van 30 juni 2017 beoogde met een verduidelijking een herstel naar de voordien juiste toepassing van artikel 444 WIB
- Ook over de vraag of het voormelde artikel 6 al dan niet een interpretatieve bepaling is, maken de hoven van beroep te Antwerpen en Gent verschillende analyses. Volgens het hof van beroep te Antwerpen betreft het geen interpretatieve bepaling. Dit hof verwijst naar de voorbereidende werken waarin werd erkend dat artikel 6 “de cassatierechtspraak van 1 juli 1947 bevestigt waarin het hof een laattijdige aangifte gelijkstelt met een niet-aangifte” en “de administratie gaat er bijgevolg al meer dan zestig jaar vanuit gaat dat bij een laattijdige aangifte een belastingverhoging kan worden opgelegd”
(14), en dat “een lacune in de wetgeving wordt rechtgezet”
(15), waardoor volgens dit hof van beroep de wetswijziging dan ook geenszins de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever bevestigt
(16). Het hof van beroep te Gent meent dat uit de voorbereidende werken precies blijkt dat het voormelde artikel 6 enkel een interpretatieve verduidelijking van het toepassingsgebied van artikel 444 WIB92 beoogt. Dit hof van beroep verwijst ook naar het arrest van 23 januari 2019 waarin het Grondwettelijk Hof overweegt dat “de wetgever enkel beoogde de tekst van de wet te laten overeenstemmen met de bedoeling ervan (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2400/003, p. 5)”
(17)Het Grondwettelijk Hof lijkt aldus artikel 6 van de wet van 30 juni 2017 aan te merken als een interpretatieve bepaling, hoewel die aanname wordt betwist in de rechtsleer
(18). De Raad van State geeft van zijn kant de indruk dat het geen interpretatieve bepaling betreft daar waar het spreekt van “wijzigingen … zodat ook een laattijdige aangifte aanleiding kan geven tot een belastingverhoging”
(19). 19. Aangezien zelfs na deze verduidelijking artikel 444 WIB92 nog steeds voorzag dat de belastingverhoging op het “niet-aangegeven inkomstengedeelte”, oordeelde het hof van beroep te Antwerpen dat de belastingverhoging in geval van een laattijdige aangifte geen uitwerking kan krijgen indien de aanslag wordt gevestigd op de laattijdig aangegeven inkomsten omdat er dan geen “niet-aangegeven” inkomsten bestaan. Aangezien de wetswijziging van 30 juni 2017 nog interpretaties toeliet over de basis en de modaliteiten van de belastingverhoging werd artikel 444, eerste lid WIB92 opnieuw gewijzigd bij wet van 27 juni 2021, zodat de belastingverhoging (zeker) wordt toegepast op het “laattijdig aangegeven inkomstengedeelte”
(20). De voorbereidende werken vermelden bij deze bepaling het volgende: “De voorgestelde wijziging is dus inderdaad een verduidelijking om interpretatieproblemen te vermijden en stelt geen nieuwigheden voor”
(21). De bedoeling van de wetgever is hier opnieuw zeer duidelijk, namelijk een verduidelijking van hetgeen steeds zo was bedoeld. Aangezien echter wat betreft de modaliteiten van de belastingverhoging, artikel 444, eerste lid (in fine), WIB92 nog vermeldde dat deze wordt vastgesteld op “10 pct. tot 200 pct. van de op het niet-aangegeven inkomstengedeelte”, en dus niet uitdrukkelijk op het laattijdig aangegeven inkomstengedeelte, gebeurde een derde aanpassing aan deze bepaling bij wet van 5 juli 2022
(22). Ditmaal merkt de wetgever de aanpassing aan als een “technische correctie”
(23). Nadien zijn er over de bedoeling van de wetgever geen gekende verschillende interpretaties meer
(24). 20. Een interpretatieve wet is een wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen; wanneer een interpretatieve wet de draagwijdte van een wetsbepaling verduidelijkt, belet dit niet dat de rechter vaststelt dat een concrete toestand ook voor de interpretatieve wet reeds met zekerheid onder het toepassingsgebied van de geïnterpreteerde wet viel
(25). De interpretatieve wet geeft aan een wetsbepaling de betekenis geeft die de wetgever bij de aanneming ervan heeft willen geven en die zij redelijkerwijze kon krijgen. Een interpretatieve wet heeft terugwerkende kracht tot op de datum van de geïnterpreteerde wet
(26). Zelfs al stelt het Hof vast dat een artikel geen interpretatieve wetsbepaling is, moet deze echter wel door de rechter met terugwerkende kracht worden toegepast overeenkomstig de bedoeling van de wetgever
(27).
- In het bestreden arrest oordeelt het hof van beroep te Gent dat artikel 6 van de wet van 30 juni 2017 een interpretatieve wetsbepaling is, zoals hoger uiteengezet. Rekening houdende met de zonet gemaakte omschrijving van een interpretatieve wet, meen ik dat de appelrechter die beslissing kon nemen en naar recht heeft verantwoord. Het komt niet logisch voor om enerzijds het woord “aangifte” in artikel 444 WIB92 noodzakelijk te begrijpen zoals bedoeld in artikel 305 WIB92, om vervolgens wat betreft de toepasselijkheid van de belastingverhoging, deze bepaling geheel los te zien van artikel 305 WIB92 (en de daaropvolgende bepalingen) waaruit uitdrukkelijk het verplichtend karakter over de inhoud en vorm blijkt.
- Het komt het Hof toe een keuze te maken tussen de twee gekende uitspraken van het Hof. Zoals mijn collega VAN DER FRAENEN reeds concludeerde, is er ook mijns inziens geen twijfel over de juiste toepassing van artikel 444, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2015, namelijk dat de overtreding van het niet indienen en dus van de niet-aangifte vast staat op het moment dat de aangifte niet is ingediend binnen de door de wet voorgeschreven termijn, ongeacht de indiening nadien van een laattijdige aangifte. Voor zover artikel 444, eerste lid, WIB92, een rechtsregel bevat die onzeker of betwist is, heeft de appelrechter daar m.i. een oplossing aan gegeven die had kunnen worden aangenomen die op basis van de wettekst en zijn interpretaties ervan door de wetgever. Er kan nog worden opgemerkt dat de administratie niet verplicht is om bij een laattijdige aangifte een belastingverhoging op te leggen en daarvan dus kan afzien door aanname van de goede trouw van de belastingplichtige.
- Het eerste en het tweede middel kunnen falen naar recht. De redenering in het derde middel, namelijk dat een interpretatieve wet per definitie een schending van het gelijkheidsbeginsel zou inhouden, kan niet worden gevolgd. Conclusie: verwerping. ___________________________________________________________________
(1)Wet van 30 juni 2017 houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude, BS 7 juli 2017.
(2)Cass. 3 december 2021, AR F.21.0059.F, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211203.1F.6.
(3)Cass. 15 maart 2018, AR F.17.0004.N, AC 2018, nr. 184, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180315.7, met andersluidende concl. van advocaat-generaal VAN DER FRAENEN, ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180315.7; Cass. 25 september 2020, AR F.18.0137.N, arrest niet gepubliceerd, www.taxwin.be.
(4)J. BOURGUIGNON, “Het opleggen van een belastingverhoging wegens het laattijdig indienen van een aangifte: blijvende tweespalt in de rechtspraak”, TFR, 2024, afl. 656, 229; T. MARTENS, “Belastingverhoging bij laattijdige aangifte: de saga is nog niet ten einde!”, Fisc. Act. 2022, afl. 17, 7.
(5)Gent, 18 april 2023, Fisc. 2023, afl. 1805, 14; Gent 31 oktober 2023, 2022/AR/1010, FJF 2024 (samenvatting), afl. 8, 382; TFR 2024, afl. 656, 210, met noot van J. BOURGUIGNON; Gent 30 januari 2024, 2022/AR/1450, FJF 2025 (samenvatting), afl. 2, 87; Antw. 17 oktober 2023, 2022/AR/62, FJF 2024 (samenvatting), afl. 2, 66; Antw. 21 november 2023, 2022/AR/1174, TFR 2024, afl. 656, 216, met noot van J. BOURGUIGNON; Antw. 21 november 2023, 2022/AR/1519; Antw. 13 september 2022, 2021/AR/193; Antw. 10 december 2024, 2022/AR/1857, www.taxwin.be; Antw. 22 april 2025, 2023/AR/1470, www.taxwin.be; Antw. 22 april 2025, 2023/AR/1479, www.taxwin.be; zie ook Rb. Hasselt, 29 juni 2023, FJF, No. 2023/292; Bergen 15 juli 2019, 2018/RG/120: dit arrest werd vernietigd door het voormelde arrest van de eerste Franstalige kamer van 3 december 2021.
(6)E. VAN BRUSTEM, “Accroissements d’impôt et déclaration tardive – Divergences de jurisprudence au sein de la Cour de cassation et prévisibilité de la loi (pénale)”, RGCF 2022, 395-417; W. DEFOOR, “De wettelijke remediëring van artikel 444 WIB92 en diens uitvoeringsbepalingen in het kader van de bestraffing van laattijdig ingediende aangiften: interpretatief karakter of niet?”, Fisc.Koer. 2024, afl. 6, 136; J. BOURGUIGNON, “Het opleggen van een belastingverhoging wegens het laattijdig indienen van een aangifte: blijvende tweespalt in de rechtspraak”, TFR, 2024, afl. 656, 229; 2024 L. DE BROE en S. HARDY, “Ommekeer en tegenstrijdigheden in de fiscale rechtspraak van het Hof van Cassatie, AFT 2024, afl. 5, 6; J. VAN DYCK, “Aangifte, maar niet tijdig ingediend: wel of geen belastingverhoging?”, Fisc. 2022, afl. 1731, 10; O. WILLEZ en T. MOYSON, “Belastingverhoging in het geval van een laattijdige aangifte, een stand van zaken”, www.taxwin.be.
(7)Ontwerp van wet houdende vestiging eener belasting op het globaal inkomen, Vergadering van 20 maart 1919, Parl.St. Kamer 1918-1919, nr. 108, p. xxxiii-xxxiv.
(8)Cass. 4 juli 1947, AC 1947, 245.
(9)Cass. 5 december 1961, Pas. 1961, I, 435: La tardiveté de la déclaration aux impôts sur les revenues équivaut, sauf force majeure, l’absence de déclaration.
(10)Cass. 4 februari 1969, AC 1969
(2), 535, ECLI:BE:CASS:1969:ARR.19690204.3 : Overwegende dat, wegens het dwingend karakter van de termijn waarin de bij artikel 53 van de gecoördineerde wetten op de inkomstenbelastingen voorgeschreven inkomstenaangifte moet worden ingeleverd, een te late aangifte gelijkstaat met een niet-aangifte. (…) dat het arrest (…) wettelijk heeft beslist dat de administratie gerechtigd was te oordelen dat er geen aangifte werd ingediend.
(11)Cass. 5 september 1979, AC 1979, nr. 5; Cass. 17 oktober 1977, AC 1977, 212; Cass. 21 juni 1955, Pas. 1955,1, 1145; Cass. 4 juli 1947, AC 1947,
- Deze rechtspraak werd ook gevolgd door het hof van beroep te Brussel, Brussel 19 oktober 2016, nr. 2014/AF/137, Fisc.Koer. 2016, afl. 19-20, 911, Fisc. 2016 (samenvatting CB), afl. 1498,
- Het was evenwel dit arrest dat werd verbroken door het Hof in het voormelde arrest van 15 maart 2018.
(12)Cass. 3 december 2021, AR F.21.0059.F, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211203.1F.6.
(13)Parl.St. Kamer 2016-17, Doc. 54-2400/001, 13.
(14)Parl.St. Kamer 2016-17, Doc. 54-2400/003, 7.
(15)Parl.St. Kamer 2016-17, Doc. 54-2400/003, 9.
(16)Antw. 21 november 2023, 2022/AR/1174, TFR 2024, afl. 656, 224.
(17)Gwh. 23 januari 2019, arrestnr. 2019/7, ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.007.
(18)J. BOURGUIGNON, “Het opleggen van een belastingverhoging wegens het laattijdig indienen van een aangifte: blijvende tweespalt in de rechtspraak”, TFR 2024, afl. 656, 237.
(19)Adv. RvS 14 juli 2022, nr. 71.746/3, 3.
(20)Art. 109 van de Wet van 27 juni 2021 houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, BS 30 juni 2021 (ed. 3), err., BS 12 juli 2021).
(21)Parl.St. Kamer 2020-21, nr. 55-1993/3, 22.
(22)Art. 84 van de Wet van 5 juli 2022 houdende diverse fiscale bepalingen, BS 15 juli 2022.
(23)Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 55-2722/003, 38.
(24)Na de inwerkingtreding op 23 oktober 2022 van de wijziging van artikel 225 KB/WIB 1992 bij Koninklijk besluit van 13 september 2022 tot wijziging van de artikelen 225, 228, 229 en tot invoeging van een artikel 228/1 in het KB/WIB 92, BS 13 oktober 2022.
(25)Zie o.a. Cass. 7 april 2016, AR F.14.0097.N, AC 2016, nr. 245, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160407.5.
(26)GwH 1 juni 2023, arrestnr. 86/2023, pt. B.6.1, ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.
- Zie o.a. Arbitragehof 21 juni 2006, nr. 102/2006; A. ALEN en K. MUYLE, Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Mechelen, Kluwer 2011,
- Voor een uitgebreide bespreking van het begrip “interpretatieve wet”, zie W. VERRIJDT, “De interpretatieve wet: retroactiviteit en rechtszekerheid”, TBP 2007, afl. 5, 259-280.
(27)Cass. 17 januari 2008, AR F.07.0057.N, AC 2008, nr. 36, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.12. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260402.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260402.1N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1969:ARR.19690204.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.12 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160407.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180315.7 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180315.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211203.1F.6 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.007 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.086 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div