← België

VLAAMSE GEWEST contra W.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260402.1N.6 Rolnummer: F.24.0100.N Zaak: VLAAMSE GEWEST contra W. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2026-05-21 Raadplegingen: 236 - laatst gezien 2026-06-18 16:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260402.1N.6 Fiche Uit de wetsgeschiedenis van het decreet houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, dat artikel 3.6.0.0.1 VCF invoerde, blijkt dat deze bepaling geïnspireerd was op artikel 376 WIB92 zodat de tekst van deze wetsbepaling ‘grotendeels' kon worden overgenomen; dit neemt niet weg dat aan de begrippen in artikel 3.6.0.0.1 VCF een andere invulling wordt gegeven dan aan de begrippen van artikel 376 WIB92; en dat artikel 3.6.0.0.1 VCF voldoende ruim is geformuleerd om een verkeerde toepassing van de wet te omvatten, of het vaststellen van wegens gemis aan bewijzen verworpen schulden

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REGISTRATIE (RECHT VAN) Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 3.6.0.0.1 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Tekst van de conclusie F.24.0100.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: 1 Situering.
  1. Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan blijkt dat de verweerster in 2012 ten belope van 60% een woning kocht, samen met de heer X voor 40%. In 2019 verkocht de heer X 30% van de woning aan de verweerster en 10% aan mevrouw Y. Op die verkoop werd enerzijds een verdeelrecht betaalt van 3.000 euro (3/10 = 120.000 x 2,5 % = 3.000) en anderzijds het registratierecht van 4.000 euro (1/10 = 40.000 x 10% = 4.000), samen 7.000 euro.
  2. Op 7 februari 2020 vestigde de eiseres (hierna “Vlabel”) in hoofde van de verweerster een bijkomende registratiebelasting voor het aanslagjaar 2019 ten belope van 6.000,00 euro. In de toelichting bij het aanslagbiljet stelde Vlabel, met verwijzing naar het administratief standpunt 18075, dat aangezien de verrichting de onverdeeldheid doet ophouden tussen alle deelgenoten, artikel 2.10.3.0.1, § 2, eerste lid, VCF van toepassing is zodat het verdeelrecht moet worden geheven op de geheelheid, onder aftrek van de fractie die wordt overgedragen aan de niet-deelgenoot.
  3. Naar aanleiding van een vonnis van 10 november 2020 paste Vlabel dit standpunt 18075 aan waardoor het verdeelrecht wordt beperkt tot de waarde van de afgestane delen wanneer de akte de onverdeeldheid tussen alle mede-eigenaars niet volledig doet ophouden. Het verzoek van de verweerster tot teruggave van de te veel betaalde rechten werd door Vlabel niet ontvankelijk verklaard en ook de eerste rechter verklaarde die vordering van de verweerster niet ontvankelijk omdat het bezwaarschrift laattijdig was en geen ambtshalve ontheffing kon worden verleend omdat een wijziging van jurisprudentie niet wordt beschouwd als nieuw gegeven en omdat een wijziging van een administratief standpunt geen retroactiviteit heeft. Het bestreden arrest verklaart de vordering tot teruggave gegrond op grond van een verkeerde toepassing van de wet door de administratie waarvoor een ambtshalve ontheffing kan worden toegestaan
(1). Er is geen discussie over dat hier sprake is van een verkeerde wetstoepassing door Vlabel.
  1. In het cassatieberoep tegen dit arrest voert de eiseres één middel aan. 2 Bespreking.
  2. De eiser voert aan dat de appelrechter de beperkte mogelijkheden waarvoor de ambtshalve ontheffing volgens het artikel 3.6.0.0.1, eerste lid de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF) kan worden toegestaan, veel te ruim en dus verkeerd heeft toegepast.
  3. Deze bepaling voorziet dat de administratie ambtshalve ontheffing van de overmatige belastingen verleent die (onder meer) voortvloeien uit materiële vergissingen. De eiser stelt dat deze bepaling bij de invoering van de VCF is “geïnspireerd” of “gebaseerd” op artikel 376 WIB
  4. Om die reden voert de eiser aan dat het begrip “materiële vergissing”, zoals voorzien in artikel 3.6.0.0.
  5. VCF, op dezelfde strikte wijze moet worden geïnterpreteerd zoals in artikel 376 WIB
  6. Die stelling komt op het eerste gezicht zeer aannemelijk voor, maar veel minder bij het nagaan van de bedoeling van de decreetgever en de wetsgeschiedenis van deze bepaling.
  7. Voor de invoering van de VCF bepaalde artikel 208 W.Reg. het volgende: “de regelmatig geheven rechten kunnen niet worden teruggeven, welke ook de latere gebeurtenissen zijn, behoudens de in de bij deze titel voorziene gevallen". Deze bepaling leidde tot de regel en de rechtspraak van het Hof dat onregelmatig geheven rechten wel kunnen worden teruggeven
(2). De eiser citeert de conclusie van advocaat-generaal THIJS bij het arrest van 17 mei 2013 waaruit blijkt dat de teruggave bij een onregelmatige heffing wijst op een vergissing van de ontvanger: “materiële vergissing of rechtsdwaling; vergissing bij de interpretatie van de wet of van de overeenkomst”
(3). Ook inzake de successierechten bestond een gelijkaardige bepaling onder artikel 134, 1°, W.Succ., dat het recht op teruggave toestond “wanneer de wet slecht toegepast werd”.
  1. Bij de invoering van de VCF zijn de artikelen 208 W.Reg. en 134 W.Succ. verdwenen en werd het hier ter discussie zijnde artikel 3.6.0.0.
  2. VCF ingevoerd, “gebaseerd” en “geïnspireerd” op artikel 376 WIB
  3. In deze bepaling is geen sprake van een teruggave bij een onrechtmatige heffing of bij een verkeerde toepassing van de wet, wel nog bij een (hier relevante) materiële vergissing. De eiser verwijst naar de strikte interpretatie van het begrip materiële vergissing in artikel 376 WIB92, die blijkt uit de rechtspraak van het Hof
(4).
  1. De eiser stelt dus dat de decreetgever met de invoering van de VCF de bedoeling had om de mogelijkheden tot teruggave van belastingen of ambtshalve ontheffing aanzienlijk te beperken, namelijk niet meer bij een onrechtmatige heffing of verkeerde toepassing van de wet maar (hier) beperkt tot strikte materiële vergissingen.
  2. Die stelling over de bedoeling bij de invoering van de VCF is niet verenigbaar met de volgende parlementaire voorbereidingen: - “Artikel 208 Wb. Reg. dient niet overgenomen te worden in de VCF. Deze bepaling wordt opgeheven aangezien de gevallen van teruggaaf vermeld in hoofdstuk XIII Wb. Reg. werden opgenomen onder titel 3, hoofdstuk 6, VCF (ambtshalve ontheffing) en een uitdrukkelijke verwijzing zoals opgenomen in artikel 208 Wb. Reg. daarom niet langer relevant is”
(5). - “De bestaande teruggavemogelijkheden voorzien bij artikel 134 van het wetboek der successierechten worden niet expliciet in de VCF opgenomen. Toch is het geenszins de bedoeling om deze teruggavemogelijkheden op te heffen. Het bestaande artikel 3.6.0.0.1, dat de ambtshalve ontheffing van belastingen regelt is voldoende ruim geformuleerd om beide situaties op te vangen, met name de verkeerde toepassing van de wet, of het vaststellen van wegens gemis aan bewijzen verworpen schulden”
(6). (eigen onderlijning)
  1. De opmerking van de eiser dat deze parlementaire besprekingen betrekking hebben op de wijzingen aan artikel 3.6.0.0.
  2. VCF bij decreet van 19 december 2014, en niet op de invoering van artikel 3.6.0.0.
  3. bij decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, doen mijns inziens geen afbreuk aan de bedoelingen van de decreetgever, namelijk een behoud van de bestaande mogelijkheden tot teruggave of ontheffing van Vlaamse belastingen op basis van een algemene regel van de ambtshalve ontheffing die gebaseerd is op de bestaande regeling bij federale inkomstenbelastingen. Ook de stelling van de eiser dat een parlementaire voorbereiding niet kan ingaan tegen een “klare en duidelijke tekst” overtuigt niet. Het begrip materiële vergissing blijft aanleiding geven tot zeer uiteenlopende interpretaties
(7). In het kader van een bespreking van het begrip materiële vergissing merkt DE CONINCK
(8)op dat de laatste jaren er in de rechtspraak een zekere tendens bestaat waarbij op het vlak van inkomstenbelastingen een eerder ruime invulling aan het begrip materiële vergissing wordt gegeven, bijvoorbeeld voor de toepassing van het tarief voor kleine vennootschappen
(9), voor de aftrek van sociale bijdragen
(10), voor de belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven
(11)en voor de interestaftrek van hypothecaire leningen
(12). Maar ook de parlementaire voorbereidingen bij de wet van 1949, waarbij de voorloper van artikel 376 WIB92 werd ingevoerd, sluiten niet uit dat een verkeerde toepassing van de fiscale wet door de administratie berust op een vergissing van de administratie. De parlementaire stukken en de memorie van toelichting van de Wet van 30 mei 1949 voorzien dat “de wetsbepaling moet toegepast met een zo ruim mogelijk begrip en bezorgdheid om te voorkomen dat de belastingplichtige meer betaalt dan hij op grond van de billijkheid verschuldigd is'”
(13). Het Grondwettelijk Hof volgt die doelstelling
(14). Het Grondwettelijk Hof oordeelde ook nog als volgt: “De ontheffing van ambtswege werd oorspronkelijk beschouwd als een gunstmaatregel en was niets meer dan een recht van de administratie (Parl. St., Kamer, 1948-1949, nr. 323, p. 4). Nadien is duidelijk gebleken dat in geval van een procedure van ontheffing van ambtswege de administratie de verplichting had de ten onrechte geheven belasting terug te betalen en dat de belastingplichtige recht had op die terugbetaling (Parl. St., Kamer, 1956-1957, nr. 415-1, p. 3)”
(15). 12. Het Hof oordeelde dat wanneer het bestaan van een vergissing vaststaat, maar er twijfel is over het feit of er sprake is van een materiële vergissing dan wel een foutieve beoordeling, de twijfel in het voordeel van de belastingplichtige dient te worden geïnterpreteerd
(16). 13. Een meerderheid van de rechtsleer neemt aan dat een ambtshalve ontheffing op grond van deze bepaling ook moet worden verleend bij een onjuiste toepassing van de wet. Zo stelt GHYSSENS dat “artikel 3.6.0.0.1 VCF bij onregelmatige heffing ambtshalve teruggaaf [toelaat]” en dat van een onregelmatige heffing sprake kan zijn in geval van “rechtsdwaling”
(17). In dezelfde zin verdedigt RUYSSEVELDT: „Het bestaande artikel 3.6.0.0.1 VCF dat de ambtshalve ontheffing van belastingen regelt, is voldoende ruim geformuleerd om beide situaties op te vangen, met name de verkeerde toepassing van de wet, of het vaststellen van wegens gemis aan bewijzen verworpen schulden”
(18). DESMET meent dat de rechtsdwaling enkel in het kader van een ambtshalve ontheffing kan worden ingeroepen indien deze blijkt uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten blijkt, waarvan het laattijdig voorleggen of inroepen door de belastingschuldige door gewettigde reden wordt verantwoord
(19).. GABRIEL en RUELL stellen daarentegen dat „een beoordelingsfout niet wordt beschouwd als een materiële misslag”
(20). 14. Deze problematiek over een verschillende interpretatie van “materiële vergissing” lijkt gelijkaardig aan deze over het begrip “overmacht”. Ook van dat begrip blijven uiteenlopende interpretaties bestaan en wordt (soms) aangenomen dat het in fiscalibus een ruimere werking heeft dan in het gemeen recht
(21). Die aanname steun in belangrijke mate op de regelgeving van de zogenaamde Vlaamse leegstandbelasting waarin de decreetgever een eigen interpretatie gaf aan het begrip overmacht dat recht gaf op een vrijstelling
(22). De Nederlandstalige sectie van het Hof volgde die afwijkende interpretatie van overmacht in het kader van de leegstandsheffing
(23), terwijl de Franstalige sectie van het Hof in fiscalibus de gemeenrechtelijke betekenis van overmacht hanteert
(24). Het is niet uitzonderlijk dat een begrip in het kader van een specifieke wetgeving of context een andere betekening heeft op grond van de bedoeling van de wet- of decreetgever. Er kan in elk geval niet zonder meer worden aangenomen dat het een voldoende duidelijk begrip is waardoor geen rekening zou mogen worden gehouden met de bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit de parlementaire voorbereidingen, waardoor deze hier mijns inziens dient te primeren en de voorziening dient te worden verworpen. Conclusie: verwerping. _______________________________________________________________________
(1)T. MARTENS, “De ambtshalve ontheffing in de registratiebelasting: ook bij verkeerde toepassing van de wet door VLABEL”, Registratierechten 2025, afl. 4, 40; DE CONINCK L., “Aangifte van nalatenschap ingediend ... en dan? Over wijzigingen, correcties en aanvullingen in de Vlaamse erfbelasting”, in Fiscaal Praktijkboek 2025-2026. Indirecte Belastingen, Wolter Kluwer 2025, 392.
(2)Cass. 17 mei 2013, AR F.11.0136.N, AC 2013, nr. 305, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130517.1, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130517.1.
(3)Conclusie van advocaat-generaal D. THIJS bij Cass. 17 mei 2013, AC 2013, nr. 305, ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130517. “materiële vergissing" als zijnde een feitelijke vergissing die voortvloeit uit een misvatting omtrent het bestaan van materiële gegevens bij ontstentenis waarvan de aanslag wettelijke grondslag mist; o.a. Cass. 19.
(4)“Materiële vergissing" als zijnde een feitelijke vergissing die voortvloeit uit een misvatting omtrent het bestaan van materiële gegevens bij ontstentenis waarvan de aanslag wettelijke grondslag mist; o.a. Cass. 19 januari 2012, AR F.10.0133.N, AC 2012, nr. 55, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120119.3, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120119.3; Cass. 23 januari 2004, AR F.02.0081.F, AC 2004, nr. 41, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040123.4; Cass. 19 december 1997, AR F.97.0013.F, AC 1997, nr. 574, ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.2; I. DE TROYER, "De 'materiële vergissing' als grondslag voor de ambtshalve ontheffing : tijd voor een ingrijpend wetgevend initiatief", TFR 2015, nr. 482, 446.
(5)Memorie van Toelichting bij het ontwerp van decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, Parl.St. Vlaams Parlement 2014-2015, 114/1, 79.
(6)Memorie van Toelichting bij het ontwerp van decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, Parl.St. Vlaams Parlement 2014-2015, 114/1, 32.
(7)J. BOURS, “Het begrip materiële vergissing en art. 277 W.I.B.”, Fisc.Koer. 1991, 255; R. FORESTINI, “Het begrip materiële vergissing in artikel 277, § 4 van het Wetboek van de Inkomstenbelasting”, TFR 1991, afl. 106, 363; DEFOOR W., Vergissen is menselijk: een vergeten kostenaftrek toevoegen na de bezwaartermijn kan via artikel 376 WIB92, Fisc.Koer. 2024, afl. 3, 71; DE CONINCK L., Het vergeten aankruisen van een code in de aangifte waarbij men toepassing vraagt van een verlaagd tarief kan een materiële vergissing uitmaken die aanleiding geeft tot een ambtshalve ontheffing, Fisc.Koer. 2022, afl. 19-20, 488; PETIT M., “Exonération d'office : la déclaration d'un actif surévalué constitue une erreur matérielle”, Info Droits de succession 2025, afl. 4, 24; DEPASSE, O., “L'erreur d'encodage : une erreur matérielle comme les autres ?”, RGCF 2022, afl. 1, 5; LEDAIN F., “Le critère de l'équité appliqué au dégrèvement d'office”, Act.fisc. 2022, afl. 7, 4 ; X., “Kan een dwaling omtrent de burgerlijke staat van een persoon in de belastingaangifte als een materiële vergissing worden beschouwd die bij toepassing van artikel 376, § 1 WIB92 aanleiding kan geven tot een ambtshalve ontheffing?”, Fisc.Koer. 2020, afl. 2, 44; CB, “Ontheffing van ambtswege: wat is een materiële vergissing ?”, Fisc. 2014, afl. 1403, 10; S. VAN CROMBRUGGE, “Ruling aanvaardt correctie jaarrekening bij schending boekhoudrecht”, Fisc. 2013, afl. 1342, 10; F. KRANSFELD, “De bindende kracht van de jaarrekening: wat is een materiële vergissing die mag worden rechtgezet?”, TFR 2005, afl. 274, 56; T. LAUWERS, “Toepassing van ambtshalve ontheffing: is er sprake van een materiële vergissing of eerder van een vergissing van intellectuele aard?”, TFR 2001, 546, enz..
(8)DE CONINCK L., “Aangifte van nalatenschap ingediend ... en dan? Over wijzigingen, correcties en aanvullingen in de Vlaamse erfbelasting”, in Fiscaal Praktijkboek 2025-2026. Indirecte Belastingen, Wolter Kluwer 2025, 392.
(9)Rb. Luik 17 november 2022, Fisc. Koer. 2022/488.
(10)Gent 19 december 2023, Fisc. Koer. 2024/71 en Antwerpen 23 januari 2018, Fisc.Koer. 2018/960.
(11)Brussel 21 september 2021, Fisc. Koer. 2021/445.
(12)Rb. Brussel (Nl.) 28 april 2023, 2022/353/A, onuitg.
(13)Gedr. St., Kamer, 1948-49, nr. 323, 4.
(14)Gwh. 19 mei 2022, nr. 67/2022, ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.067, B.3.1 e.v.; R. FORESTINI, “Het begrip materiële vergissing in artikel 277, § 4 van het Wetboek van de Inkomstenbelasting”, TFR 1991, afl. 106, 363: “De wetsbepaling moet toegepast worden met een zo ruim mogelijk begrip en bezorgdheid om te voorkomen dat de belastingplichtige meer betaalt dan hij op grond van de billijkheid verschuldigd is”, Brussel 13 maart 1974, JPDF 1974, 121 en Antwerpen 24 april 2001, Fisc.Koer. 2001/291
(15)Gwh. 24 juni 2003, nr. 90/2003, ECLI:BE:GHCC:2003:ARR.090, B.8.2.
(16)Cass. 14 september 1990, AR F.6718.N, AC 1990, nr. 24, FJF, 1991/1, nr. 91/16, 32; Circulaire AAFisc 38/2014 (Ci.RH.861/633.382) van 22 september 2014, III. Verduidelijkingen bij de praktische toelichting van het begrip materiële vergissingartikel 376, § 1, WIB 92.
(17)A. GHYSSENS, “Het verkooprecht. Teruggaaf van het verkooprecht”, in Registratierechten. Deel IV, Mechelen, Wolters Kluwer 2023, p. 554, nr. IV/918.
(18)J. RUYSSEVELDT, “De Vlaamse erfbelasting – inning en invordering – ambtshalve ontheffing”, in J. DECUYPER en J. RUYSSEVELDT, Successierechten, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium 2021, p. 1178, nr. 2822
(19)K. DESMET, “Wegwijs in de nieuwe taxatieregels inzake de Vlaamse registratie- en erfbelasting”, TFR 2015, p. 559, nr. 53
(20)S. GABRIEL en M. RUELL, “Hoofdstuk VI. Ambtshalve ontheffing”, in Registratierechten. Deel IV, Mechelen, Wolters Kluwer 2023, p. 554, nr. IV/76.
(21)Gwh. 10 mei 2006, nr. 75/2006, ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.075, overw. B.7, S. BREUVAL, “Vrouwe Justitia toont haar menselijk gelaat en hanteert soepele interpretatie van het begrip overmacht bij discussie over behoud van het verlaagd verkooprecht voor een bescheiden woning”, Fisc.Koer. 2024, afl. 15, 38; H. DESMET, “Fiscale overmacht bij lokale belastingen, ruimte voor redelijkheid case by case”, LRB 2025, afl. 2, 34; T. LAUWERS en C. LAMKARAF, “Overmacht in het fiscaal recht: "uw uiterste best doen" is niet (altijd) genoeg (bis)”, TFR 2025, afl. 682, 495.
(22)Parl. St. Vl. Parl., 1049/1 (1997-98), 4.; zie ook T. VANDROMME, “Fiscale maatregelen om leegstand en verkrotting te bestrijden”, Vastgoedzakboekje, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen 2025, 413; A. DE VISSCHER, “Overmacht inzake leegstandheffing voor woningen en gebouwen”, TFR 2007, nr. 313,
(3)5-
(23)Cass. 26 september 2008, AR C.06.0442.N, AC 2008, nr. 508, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080926.3, met een verhelderende concl. van advocaat-generaal D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080926.3; C. BUYSSE, “Het Hof van Cassatie tempert ‘strenge’ interpretatie van ‘overmacht’”, Fisc. 2008, nr. 1138, 1.
(24)Cass. 4 juni 2015, AR F.14.0094.F, AC 2015, nr. 372, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150604.3; B. ENGELEN, “‘Overmacht’ soepeler ingevuld door Nederlandstalige dan Franstalige kamer van het Hof van Cassatie”, Fisc.Act. 2018, nr. 3, 5-8. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260402.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260402.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.2 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040123.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080926.3 ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080926.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120119.3 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120119.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130517.1 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130517.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150604.3 ECLI:BE:GHCC:2003:ARR.090 ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.075 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.067 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.