← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 april 2026 EC

Art. 634

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121650 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel VII (Art. 589 tot en met 648) -

Art. 634

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121650 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel VII (Art. 589 tot en met 648) -

Art. 634

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121650 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel VII (Art. 589 tot en met 648) -

Art. 634

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121650 Tekst van de conclusie P.26.0174.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET:

  1. Eiser heeft de Belgische nationaliteit en diende een verzoek tot eerherstel in, om de gevolgen teniet te doen van een veroordeling tot een gevangenisstraf van twee jaar met probatieuitstel (gedurende een termijn van drie jaar) en drie geldboetes van 100 PLN wegens feiten van economische fraude, uitgesproken bij verstek door een rechtbank van Sad Okregowy (Polen) op 7 december
  2. De veroordeling is op het strafregister van eiser vermeld onder de noemer “Buitenlandse jurisdictie” (art. 590, 16° Sv.).
  3. Het besteden arrest oordeelt als volgt: “Eiser werd strafrechtelijk veroordeeld door een buitenlandse jurisdictie, zodat niet kan onderzocht worden of hij de vrijheidsstraffen heeft ondergaan, de geldstraffen heeft gekweten en voldaan heeft aan de in het vonnis bepaalde verplichting tot teruggave, schadevergoeding en betaling van kosten (art. 622 en 623 Wetboek van Strafvordering. Het hof heeft bijgevolg geen rechtsmacht om te oordelen over het verzoek tot het bekomen van het herstel in eer en rechten”.
  4. In zijn memorie, per aangetekende brief ter kennis gebracht aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie (vermeld als tegenpartij)

(1), voert eiser aan dat hij voldaan heeft aan de voorwaarden voor eerherstel (art. 622 en 623 Sv.) en hij om die reden aanspraak maakt op eerherstel, ook al is het veroordelend vonnis uitgesproken door een buitenlandse rechtsinstantie.
  1. In een eerste middel wordt geen specifieke onwettigheid opgeworpen over het bestreden arrest, maar alleen een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof aangebracht, luidend als volgt: “Schendt art. 621 tot en met 634 van het Wetboek van Strafvordering, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat ze niet-toelaten een beoordeling te vellen over een buitenlandse jurisdictie, bij het toekennen van een verzoek tot eerherstel, ondanks dat, zoals in deze casus, aan alle voorwaarden werd voldaan, om het eerherstel te verkrijgen?”. Volgens eiser is de motivering van het bestreden arrest in strijd met het gelijkheidsbeginsel, gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat: “Iemand die een buitenlandse jurisdictie zou ondergaan en uiteindelijk ook gehandeld heeft conform de Belgische wetgeving, zou alsdan in tegenstrijd tot andere die zich aan een Belgische jurisdictie hebben ondergaan, deze vraagstelling niet kunnen indienen”.
  2. Naar mijn mening hoeft de prejudiciële vraag niet te worden gesteld, omdat zij uitgaat van de onjuiste rechtsopvatting dat een Belgische rechtsinstantie eerherstel kan toestaan voor de gevolgen van een veroordeling uitgesproken door een buitenlandse rechtsinstantie. Het eerherstel is mogelijk voor “ieder veroordeelde tot straffen” die niet automatisch kunnen worden uitgewist (art. 620, eerste lid, Sv.). Volgens artikel 634, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, doet het eerherstel voor het toekomende alle gevolgen ophouden van de veroordeling voor de persoon van de betrokkene, onverminderd de rechten van derden
(2). Het feit dat deze wetsbepalingen het eerherstel niet uitdrukkelijk beperken tot een veroordeling door een Belgische strafrechter, lijkt mij geen reden om aan te nemen dat de kamer van inbeschuldigingstelling eerherstel zou kunnen toestaan voor de gevolgen van een buitenlands vonnis, louter omdat de veroordeelde een Belgische onderdaan is. 6. De ruime interpretatie van eiser is niet te verenigen met het beginsel van eerbied voor de soevereiniteit van buitenlandse rechtsinstanties, als één van de pijlers van het internationaal strafrecht
(3). In materies zoals justitie en veiligheid moet worden gelet op de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid van de bevoegdheden van de Europese Unie (art. 5 Verdrag betreffende de Europese Unie en het Tweede Protocol bij dit Verdrag en art. 82 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie)
(4). Personen die door een Belgische rechtbank zijn veroordeeld en personen die door een buitenlandse rechtbank zijn veroordeeld bevinden zich klaarblijkelijk niet in vergelijkbare rechtstoestanden die de wet verschillend behandelt. Er is dan ook geen verduidelijking nodig via een prejudiciële vraag gericht aan het Grondwettelijk Hof, gesteund op het gelijkheidsbeginsel
(5). 7. De Belgische strafrechter moet in beginsel geen rekening houden met een buitenlandse rechterlijke uitspraak, behoudens bij toepassing van artikel 14/4 V.T.Sv. en van verdragsrechtelijke bepalingen
(6). Het EU-Kaderbesluit 2008/909/JBZ over de erkenning van strafvonnissen, omgezet in de nationale wetgeving door de Wet van 15 mei 2012, laat de tenuitvoerlegging in België toe van straffen opgelegd door een rechter in een EU-lidstaat, als aan enkele materiële en formele voorwaarden is voldaan. Het Kaderbesluit bevat wel regels over de amnestie, gratie en herziening van vonnissen die in een andere EU-lidstaat dan de berechtende staat worden uitgevoerd (art. 19), maar niet over eerherstel of automatische uitwissing van veroordelingen
(7). Deze laatste bevoegdheden komen m.i. exclusief toe aan de rechterlijke autoriteiten van de ‘beslissingsstaat’, dit is de lidstaat waar het veroordelend vonnis is gewezen (art. 3, 2° Wet van 15 mei 2012)
(8). 8. Op basis van het EU-Kaderbesluit 2008/675/JBZ, zoals van toepassing door de artikelen 60 en 62 Wet van 25 april 2014, worden veroordelingen uitgesproken door een rechter in een EU-lidstaat in aanmerking genomen voor de straftoemeting, voor het bepalen van de staat van wettelijke herhaling
(9). Ook dit instrument van internationale samenwerking, dat steunt op het Europees Verdrag van 28 mei 1970 betreffende de internationale geldigheid van strafvonnissen van 28 mei 1970 (BS 21 september 2010) biedt geen rechtsgrond voor de erkenning van buitenlandse vonnissen in het kader van eerherstel toegekend door de kamer van inbeschuldigingstelling. Er bestaan wel internationale normen die de Belgische rechter verplichten om rekening te houden met een buitenlandse veroordeling, bij de straftoemeting en de strafuitvoering, maar geen die het voor de veroordeelde nadelig effect wegnemen van een buitenlandse veroordeling, in het kader van eerherstel. Dit verklaart allicht waarom het niet nodig was de term ‘veroordeling’ in de door eiser aangehaalde wetsbepalingen over eerherstel te verduidelijken als ‘een ‘veroordeling uitgesproken door een Belgisch rechtscollege’.
  1. Het tweede middel over het voldoen aan alle voorwaarden voor eerherstel (art. 622 en 623 Sv.), waarbij eiser aangeeft dat de schadevergoeding is betaald, is niet-ontvankelijk, omdat het opkomt tegen een onaantastbare beoordeling van feiten of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten.
  2. Het derde middel over de redelijke termijn van de rechtspleging (art. 6.1 EVRM) is niet-ontvankelijk, omdat het gericht is tegen de buitenlandse veroordeling, niet tegen het bestreden arrest van afwijzing eerherstel. Eiser verwijt de Poolse justitie dat zij tien jaar gewacht hebben om de feiten van 2008 te berechten. Er is m.i. geen reden voor een ambtshalve middel in cassatie. Conclusie: verwerping. ___________________________________________________________________
(1)De memorie is niet ter kennis gebracht aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, wat trouwens niet is vereist, aangezien de verzoeker tot eerherstel kan worden beschouwd als de vervolgde partij, die volgens artikelen 427 en 429 Sv. niet verplicht is tot betekening van het cassatieberoep en kennisgeving van de memorie (F. VAN VOLSEM, “Twee middelen bedoeld om tegenspraak in de penale cassatieprocedure te waarborgen: de verplichtingen het cassatieberoep te betekenen en de memories ter kennis te brengen”, NC 2017, 411, met verwijzing naar Cass. (volt. zitting) 29 januari 1986 (impliciete oplossing), AR 4561, AC 1986, I, nr. 337, met concl. van advocaat-generaal E. LIEKENDAEL).
(2)S. DERDRE, A. JACOBS, M. FORTHOMME en A. MASSET, “Tenietgaan van straffen”, in Comm. Straf. 2022, 20-24; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure 2022, 518-523; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 591-594; A. LINERS, K. VANDERHEIDEN, F. VAN VOLSEM, en T. DE WOLF, Zakboekje strafprocesrecht, Kluwer 2023, 258-260; T. OP DE BEECK, J. MUYLLE en J. DE WINTER, “Strafuitvoering en internering”, in Handboek voor de advocaat-stagiair. Strafprocesrecht, Kluwer 2025, 327-339.
(3)Over de factor van nationale soevereiniteit in de materie van de erkenning van buitenlandse strafvonnissen zie H. SANDERS, De tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen, Intersentia 2003, 42-49.
(4)H. LABAYLE, “Reconnaissance et entraide. Discussion”, in Fondements et objectifs des incriminations et des preuves en droit européen et international, Anthemis 2013, 428-445; K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Intersentia 2023, 95-101 en 248-254.
(5)Over deze exceptie vb. Cass. 30 april 2024, AR P.24.0605.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2F.2; Cass. 30 mei 2023, AR P.21.1231.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.1; J. SMETS en F. DEBAEDTS, Prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof, APR 2016, 158-166.
(6)P. HOET, “Buitenlandse strafrechtelijke beslissingen gelijkgesteld aan Belgische beslissingen”, T. Strafr. 2011, 117.
(7)Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie, Publ. 5 december 2018, L 327/17, www.eur-lex.europa.eu, omgezet naar Belgisch recht door de Wet van 15 mei 2012 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie, BS 8 juni 2012.
(8)Ook voordien werd aangenomen dat beslissingen over gratie, amnestie of strafvermindering een uitzondering vormen op het beginsel dat het recht van de staat van tenuitvoerlegging van het buitenlands vonnis van toepassing is, zie H. SANDERS, De tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen, Intersentia 2003, 342.
(9)Kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie, Publ. 15 augustus 2008, L 220/32, omgezet naar Belgisch recht door de artikelen 60 en 62 Wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie, BS 14 mei
  1. Zie E. DAVID, Eléments de droit pénal international et européen, Bruylant 2009, 571-572; P. HOET, “Veroordelingen uit een andere EU-lidstaat in Belgische strafrechtelijke procedures”, RW 2010-11, 1074-
  2. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260414.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.