← België

Inve Technologies nv c. BELGISCHE STAAT fod Financiën

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 april 2026 EC

Art. 19

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1050

, tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BELASTINGZAKEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 19

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1050

, tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 19

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1050

, tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BELASTINGZAKEN - Inkomstenbelastingen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 19

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1050

, tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de conclusie C.24.0505.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN:

  1. Situering. De voorliggende zaak betreft een pretaxatiegeschil dat is ontstaan naar aanleiding van een fiscaal onderzoek inzake zowel INVE Technologies, INVE Aquaculture, alsook de managers van deze vennootschappen. Bij exploot betekend op 28 april 2022 dagvaardde de administratie eiseressen voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, met verzoek tot toekenning van voorafgaande maatregelen in toepassing van artikel 19, lid 3 Ger.W. De administratie vorderde o.m. bewarende maatregelen teneinde alle digitale data op de volledige ICT-infrastructuur te bevriezen en bijkomend de verzegeling van de externe gegevensdragers en de neerlegging ervan ter griffie van de rechtbank in afwachting van een beslissing ten gronde. Ten gronde richtte de discussie zich op de onderzoeksbevoegdheden van de administratie, voornamelijk of de belastingplichtige zelf kan selecteren welke elektronische data hij aan de administratie in kopie overmaakt. Bij vonnis van 20 februari 2023 verklaarde de eerste rechter de vordering van de administratie ontvankelijk doch ongegrond. Het Hof van beroep te Gent vernietigde dit vonnis bij arrest dd. 24 september 2024 en beval onder meer de bevriezing van alle digitale data die zich situeren tussen 1 januari 2015 en de datum van het arrest en die zich bevinden op de integrale ICT-infrastructuur van elk van de eiseressen, door kopiename van deze digitale data telkens door of namens eiseressen op hun uitrusting onder toezicht van de Belgische Staat en in het bijzijn van de aangestelde gerechtelijk sekwester. Eiseressen komen op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  2. Bespreking van het enig middel. 2.
  3. Eiseressen voeren aan dat de appelrechter de bewijskracht heeft miskend van het vonnis van de eerste rechter van 20 februari 2023 door te beslissen dat de eerste rechter (deels) uitspraak heeft gedaan over de grond van het geschil daar hij op definitieve wijze geoordeeld heeft over bepaalde betwiste rechten van de partijen, waardoor het vonnis niet valt onder de beperking opgenomen in artikel 1050, tweede lid, Ger.W. en tegen het vonnis wel degelijk hoger beroep kan worden ingesteld, terwijl de eerste rechter uitdrukkelijk had aangegeven dat hij uitspraak deed "zonder een uitspraak ten gronde te doen betreffende het voorliggende geschil", wat ertoe leidt dat de beoordeling en beslissing van de eerste rechter in het vonnis zijn latere beoordeling en beslissing ten gronde onverlet laat, ongeacht de door hem gebruikte bewoordingen, en dus geenszins een definitieve beslissing uitmaakt (Schending van de artikelen 8.17 en 8.18 BW). Door verder te beslissen dat de eerste rechter op definitieve wijze een beslissing heeft genomen over bepaalde betwiste rechten van de partijen, en op grond daarvan te beslissen dat verweerder onmiddellijk hoger beroep kon instellen tegen de beslissing van de eerste rechter, terwijl de eerste rechter zich ertoe beperkt heeft te oordelen over de vorderingen tot het nemen van voorafgaande maatregelen, zou de appelrechter ook de artikelen 19, eerste en derde lid, en 1050, eerste en tweede lid, Ger.W. hebben geschonden. 2.
  4. Artikel 1050, tweede lid, Ger.W. bepaalt dat tegen een beslissing inzake bevoegdheid of, tenzij de rechter ambtshalve of op verzoek van een van de partijen anders bepaalt, een beslissing alvorens recht te spreken slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis. Artikel 19, derde lid, Ger.W. bepaalt dat de rechter, alvorens recht te spreken, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel kan bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen. Volgens artikel 19, eerste lid Ger.W. is een vonnis een "eindvonnis" voor zover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de bij wet bepaalde rechtsmiddelen. 2.
  5. Richtinggevend bij de voorliggende vraag of de beslissing van de eerste rechter kwalificeert als een beslissing alvorens recht te spreken dan wel als een eindbeslissing waarmee hij een geschilpunt definitief heeft beslecht, zijn 3 arresten van het Hof dd. 16 september 2022

(1). 2.3.1. In een eerste arrest werd beslist dat uit het geheel van de artikelen 19 en 1050 Ger.W. volgt "dat de rechter die een voorafgaande maatregel beveelt, hetzij om de vordering te onderzoeken hetzij om de toestand van de partijen voorlopig te regelen, zonder daarbij een beslissing te nemen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering, een beslissing neemt alvorens recht te spreken waartegen geen onmiddellijk hoger beroep openstaat, ook al bestond over die maatregel tussen de partijen betwisting en hebben zij erover debat gevoerd. Dit geldt ongeacht of de betwisting die over de gevorderde voorafgaande maatregel werd gevoerd betrekking heeft op de noodzakelijkheid of de opportuniteit dan wel op de wettigheid of de toelaatbaarheid van deze maatregel. Wanneer de rechter de voorgelegde bewijselementen onvoldoende acht om de vordering in te willigen of af te wijzen en een voorafgaande maatregel beveelt om de vordering te onderzoeken, beoordeelt hij de noodzaak of de opportuniteit van deze maatregel en is zijn beslissing een beslissing alvorens recht te spreken. Het middel dat geheel ervan uitgaat dat de rechter die een voorafgaande onderzoeksmaatregel beveelt waarover tussen de partijen betwisting bestond, een geschilpunt in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek beslecht en zodoende een eindbeslissing neemt waartegen onmiddellijk hoger beroep openstaat, indien de betwisting de toelaatbaarheid van de maatregel als bewijsmiddel of de bewijswaarde ervan betreft, faalt naar recht"
(2). 2.3.2. In het arrest met rolnummer C.22.0035.N werd verder verduidelijkt dat dit geldt "ongeacht de aard van de betwisting die voor de rechter over een op grond van artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek gevorderde voorafgaande maatregel werd gevoerd. Elke beslissing die de rechter neemt in het raam van een vordering tot het bevelen van een voorafgaande maatregel, na beoordeling van de middelen van de partijen, is een beslissing alvorens recht te spreken waartegen geen onmiddellijk hoger beroep openstaat. De rechter beslecht aldus geen geschilpunt in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek. Hij beoordeelt enkel, alvorens enig geschilpunt te beslechten, de vordering tot het bevelen van een voorafgaande maatregel. Dergelijke beoordeling en beslissing laat, ongeacht de door de rechter gebruikte bewoordingen, de latere beoordeling en beslissing door de rechter onverlet. De omstandigheid dat de rechter daarbij feitelijke vaststellingen doet, met beoordeling van de middelen van de partijen, neemt niet weg dat het gaat om een beslissing alvorens recht te spreken waartegen geen onmiddellijk hoger beroep openstaat. Bij de bedoelde beoordeling beslecht hij immers geen geschilpunt in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek. Hij beoordeelt enkel, alvorens enig geschilpunt te beslechten, de vordering tot het bevelen van een voorafgaande maatregel. Hiervan te onderscheiden is het geval dat de rechter, onafhankelijk van enige voorafgaande maatregel, een geschilpunt definitief beslecht en zodoende zijn rechtsmacht over dat punt uitput. Alsdan bevat het tussenvonnis, los van de voorafgaande maatregel, een eindbeslissing en is het bijgevolg onmiddellijk appellabel”
(3). 2.3.3. Uit het arrest met rolnummer C.21.0529.N volgt m.i. dat niet te snel tot een impliciete eindbeslissing mag worden besloten
(4). Een impliciete eindbeslissing is een definitieve beslissing over een geschilpunt die niet uitdrukkelijk blijkt uit de tekst van de uitspraak, maar die noodzakelijk en zeker resulteert uit een beslissing die de rechter wel uitdrukkelijk heeft neergeschreven
(5). 2.4. Deze rechtspraak
(6)lijkt mij aldus te moeten worden begrepen dat een beslechting van een geschilpunt in het raam van een vordering tot het bevelen van een voorafgaande maatregel niets afdoet aan het feit dat de beslissing over de voorafgaande maatregel een beslissing alvorens recht te spreken blijft. Er ligt geen eindbeslissing voor als de beoordeling en beslechting van een betwisting, van welke aard ook, zich situeert in het raam van de beoordeling van een vordering tot het bevelen van een voorafgaande maatregel. Aangezien een beslissing alvorens recht te spreken geen gezag van gewijsde kent en de rechter ermee zijn rechtsmacht niet uitput, kan de rechter op het beslechte geschilpunt in een latere (eind)uitspraak steeds terugkomen. Wanneer de rechter in een tussenvonnis een definitieve beslissing neemt over een tussen partijen omstreden punt dat “los”-staat van een gevorderde voorafgaande maatregel, kwalificeert die beslissing echter wél als eindbeslissing. Dit laatste lijkt mij in casu het geval te zijn. 2.5. De gevraagde voorlopige regeling van de toestand van de partijen beoogde om louter bewarend alle elektronische data van eiseressen te bevriezen opdat, na definitieve beslissing ten gronde, verweerder deze gegevens nog intact zou vinden. Daartoe vroeg verweerder dat een kopie van alle data aanwezig op de volledige ICT-infrastructuur van eiseressen zou worden verzegeld en in bewaring gegeven bij de griffie, zonder dat iemand die gegevens kan inkijken of kopiëren zonder toelating van de rechter
(7). De eerste rechter lijkt er daarentegen van uit te gaan dat de voorafgaande maatregel zou slaan op de toegang voor de fiscus tot bepaalde data. De eerste rechter omschreef zijn taak namelijk als volgt: “het voorliggende geschil heeft betrekking op een pre-taxatiegeschil waarbij de rechtbank dient na te gaan in welke mate de fiscale administratie toegang krijgt, bij wijze van voorafgaande maatregelen, tot “alle digitale data aanwezig op de volledige ICT-infrastructuur van beide [eiseressen]” en deze te laten kopiëren op externe gegevensdragers en vervolgens deze onmiddellijk verzegeld ter griffie van deze rechtbank neer te leggen” (eigen onderlijning)
(8). Die toegang betreft echter niet de voorafgaande maatregel, maar wel de grond van de zaak. Nadat de eerste rechter enkele principes omtrent de fiscale onderzoeksbevoegdheden in herinnering bracht, paste hij deze principes toe op de casus: "2.13. De rechtbank is van oordeel dat een kopiename van alle data en de volledige ICT-infrastructuur, hetgeen dan ook zou betekenen dat fiscaal irrelevante gegevens alsook gegevens die zich waarschijnlijk in de privésfeer situeren, zonder de uitdrukkelijke toestemming van [eiseressen] niet kunnen overgemaakt worden overeenkomstig artikel 61, § 1, vierde lid W.BTW. Het is immers niet ondenkbaar dat anno 2022 werknemers privégegevens en privécorrespondentie ook op hun bedrijfscomputer raadplegen. Ook kunnen er gegevens van derden voorkomen die zonder hun toestemming worden overgedragen aan de fiscale administratie. Des te meer daar het beroepsgeheim van de beëdigde fiscale ambtenaren van de BBI geen afdoende garantie biedt dat de vertrouwelijkheid van de documenten wordt gewaarborgd. De rechtbank merkt op dat bij een kopiename van alle data en de volledige ICT-infrastructuur, vertrouwelijke informatie rechtstreeks dan wel onrechtstreeks kan worden gebruikt om nieuwe informatie of nieuwe bewijsmiddelen te verkrijgen. Daarnaast kan de schade die de betrokken belastingplichtige lijdt doordat door de vertrouwelijkheid beschermde informatie bij derden bekend wordt, niet worden hersteld. Het fiscaal onderzoek - in het kader waarvan de fiscale administratie een kopie vraagt van alle gegevens - betreft bovendien een verboden 'fishing expedition' die wettelijk niet verenigbaar is met de wettelijk toegekende fiscale onderzoeksbevoegdheden. Dergelijke voorafgaande maatregelen zijn volstrekt disproportioneel in het kader van een fiscaal onderzoek. Een fiscaal onderzoek biedt nu immers niet dezelfde waarborgen als een fiscaal 'strafonderzoek'". Aldus oordeelde de eerste rechter dat een kopiename van alle data en de volledige ICT-infrastructuur niet kan zonder de uitdrukkelijke toestemming van eiseressen, want dat zou strijdig zijn met artikel 61, § 1, vierde lid, WBTW. De verwijzing naar die wetsbepaling geeft m.i. aan dat de eerste rechter ervan uitgaat dat de voorafgaande maatregel tot doel heeft de fiscus alle informatie te geven om direct haar onderzoek voort te zetten
(9). Dat is echter niet het geval. De overige redenen van de eerste rechter lijken in diezelfde richting te wijzen. De kopiename werd niet toegelaten omdat
(1)privégegevens van werknemers op de bedrijfscomputer kunnen staan;
(2)gegevens van derden op die computers kunnen staan die zonder de toestemming van die derden “worden overgedragen aan de fiscale administratie”, waarbij ook rekening te houden is met het feit dat “het beroepsgeheim van de beëdigde fiscale ambtenaren van de BBI geen afdoende garantie biedt dat de vertrouwelijkheid van de documenten worden gewaarborgd”;
(3)vertrouwelijke informatie al dan niet rechtstreeks kan worden gebruikt om nieuwe informatie en bewijsmiddelen te verkrijgen; en
(4)de schade die de betrokken belastingplichtige lijdt doordat die vertrouwelijke informatie bij derden bekend wordt, niet kan worden hersteld. Bovendien zou het om een verdoken fishing expeditie gaan die niet verenigbaar is met de fiscale onderzoeksbevoegdheden en zou “dergelijke” voorafgaande maatregel “volstrekt disproportioneel” zijn in het raam van een fiscaal onderzoek, want het is geen fiscaal strafonderzoek
(10). Al deze elementen lijken erop wijzen dat de eerste rechter de voorafgaande maatregel begreep als een kopiename van alle data en de ICT-infrastructuur opdat de administratie daar onmiddellijk inzage in kan hebben. De overwegingen én beslissingen van de eerste rechter viseren m.i. aldus een niet-gevraagde maatregel, namelijk de onmiddellijke inzage in alle data door de fiscus, wat echter de grond van de zaak betreft, die, zoals hoger aangehaald, ging over de grenzen aan de onderzoeksbevoegdheden van de fiscus. Nu deze overwegingen en beslissingen van de eerste rechter niet plaatsvinden in het raam van de gevorderde voorafgaande maatregel zijn het m.i. geen beslissingen alvorens recht te spreken. 2.5. De appelrechter stelt vast en oordeelt p. 10 en 11: * “Waar de eerste rechter in het bestreden vonnis stelt enkel uitspraak te doen over de door de [verweerder] gevorderde voorlopige maatregelen (en deze bedoeling ook blijkt uit het procedureverloop), stelt zich de vraag of de eerste rechter zich in dit (tussen-)vonnis daadwerkelijk heeft beperkt tot een beoordeling van de vordering tot het bekomen van voorlopige maatregelen, dan wel reeds (deels) uitspraak heeft gedaan over de betwiste rechten van partijen”. * “uit deze overwegingen [van de eerste rechter] blijkt dat de eerste rechter zich niet heeft gehouden aan een beoordeling van de gevorderde voorlopige maatregelen (m.n. de bevriezing van alle digitale data op de volledige ICT-infrastructuur van de [eiseressen], een kopie hiervan te maken op een externe drager en deze externe drager te verzegelen en ter bewaring neer te leggen op de griffie van de rechtbank)”. * “De eerste rechter is duidelijk verder gegaan en heeft reeds (deels) uitspraak gedaan over de grond van het geschil”. * “Door de voorlopige maatregelen af te wijzen heeft de eerste rechter op definitieve wijze geoordeeld over bepaalde betwiste rechten van partijen, want heeft hij de fiscale administratie in de onmogelijkheid gesteld om haar onderzoek, zoals de administratie stelt dat zij het mag voeren, verder te zetten. Op dit door de [eiseressen] betwiste recht van de [verweerder] werd aldus reeds geoordeeld door de eerste rechter. Bovendien heeft de eerste rechter reeds geoordeeld over o.m. de mogelijkheid tot kopiename op grond van artikel 61, §1, vierde lid WBTW, de overmaking van gegevens aan de fiscale administratie, over de vraag of het onderzoek van de fiscale administratie een fishing expeditie is. Dit zijn allen uitspraken over de grond van de zaak, en geenszins uitspraken die de toestand van de partijen voorlopig regelen”. De appelrechter lijkt mij aldus, zonder de bewijskracht van het tussenvonnis van 20 februari 2023 te miskennen, zijn beslissing naar recht te verantwoorden dat dit vonnis niet onder de beperking opgenomen in artikel 1050, tweede lid, Ger. W. valt en hiertegen wel degelijk onmiddellijk hoger beroep kon worden ingesteld. Het middel kan m.i. niet worden aangenomen. Conclusie: Verwerping. ________________________________________________________________
(1)Deze arresten vormen een verfijning van de rechtsregel geformuleerd in Cass. 11 juni 2021, AR C.17.0412.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.9 en Cass. 12 februari 2021, AR C.20.0048.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.4..
(2)Cass. 16 september 2022, AR C.21.0405.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.9.
(3)Cass. 16 september 2022, AR C.22.0035.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.10.
(4)Cass. 16 september 2023, AR C.21.0529.N, arrest niet gepubliceerd.
(5)VAN COMPERNOLLE J., « Considérations sur la nature et l’entendue de l’autorité de la chose jugée en matière civile”, RCJB 1984,
(236)266, volgens wie een impliciete eindbeslissing voorligt “chaque fois que l'analyse de la décision permet d'apercevoir qu'en tranchant expressément un point du litige le tribunal a nécessairement et certainement entendu résoudre un autre point litigieux tout en s'abstenant d'exprimer, à ce sujet, une énonciation formelle. De la solution donnée à la question expressément tranchée se déduit, ainsi, certainement, la solution d'un autre point litigieux”; zie ook: BROECKX K., “Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg”, Maklu 1995, 135-136; FETTWEIS A., “Manuel de procédure civile”, Fac.dr.Lg., 1985, 274.
(6)De Franstalige eerste kamer heeft in een aantal arresten de in 2021 ingeslagen richting eenvoudig bevestigd: Cass. 16 januari 2025, AR F.24.0020.F, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250116.1F.1 (“La décision du juge d’ordonner une réouverture des débats en vue d’inviter une partie à produire des documents est une mesure destinée à instruire la demande. Il rend ainsi une décision avant dire droit, lors même qu’il tranche, sans incidence sur la recevabilité ou le fondement de la demande, une contestation relative à cette mesure. Dans la mesure où il est recevable, le moyen, qui est fondé sur le soutènement contraire, manque en droit”); Cass. 19 september 2024, AR C.23.0404.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240919.1F.2, JT 2024, 579, noot VAN DROOGHENBROECK J.-F. (“le juge, qui ordonne une mesure d’instruction ou règle provisoirement la situation des parties, rend une décision avant dire droit, lors même qu’il tranche, sans incidence sur la recevabilité ou le fondement de la demande, une contestation relative à cette mesure”).
(7)Syntheseconclusie in hoger beroep van de verweerder van 12 december 2023, p. 8 (“De door de [verweerder] gevorderde maatregelen maken dus louter bewarende maatregelen uit die niet van die aard zijn om enige betrokken partij nadeel of schade toe te brengen. Het belang van [de verweerder] bij het vorderen van deze voorafgaande maatregelen bestaat in het vrijwaren van haar rechten teneinde te kunnen voldoen aan haar wettelijke opdracht om een correcte belastingheffing – van onderzoek tot invordering – te verrichten”) en p. 12. Zie ook pag. 3 vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 20 februari 2023.
(8)P. 11 vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 20 februari 2023.
(9)Artikel 61, § 1, vierde lid, WBTW: “Wanneer de boeken, facturen en andere stukken in een elektronisch formaat worden bewaard, heeft deze administratie het recht zich de op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm te doen voorleggen. Deze administratie kan eveneens de in het eerste lid bedoelde persoon verzoeken om in hun bijzijn en op zijn uitrusting kopieën te maken onder de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de juiste heffing van de belasting na te gaan”.
(10)P. 18 vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 20 februari 2023. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260416.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260416.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240919.1F.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250116.1F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.