id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260416.1N.5 Rolnummer: F.25.0009.N Zaak: Gemeente Maasmechelen contra ORANGE BELGIUM nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2026-05-21 Raadplegingen: 253 - laatst gezien 2026-06-18 19:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260416.1N.5 Fiches 1 - 2 Behoudens bewijs van het tegendeel kan worden aangenomen dat, indien het bestuur het aanslagbiljet op het juiste adres van de belastingplichtige heeft verzonden met opgave van de verzendingsdatum, de belastingplichtige dat aanslagbiljet daadwerkelijk heeft ontvangen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Wettelijke bepalingen: Decr. Vl. 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen - 30-05-2008 - Art. 9 - 34 ELI link Pub nr 2008202393 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bezwaar Wettelijke bepalingen: Decr. Vl. 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen - 30-05-2008 - Art. 9 - 34 ELI link Pub nr 2008202393 Fiches 3 - 4 De loutere bewering door de belastingplichtige dat een aanslagbiljet niet is verzonden of niet is ontvangen, heeft niet tot gevolg dat het bestuur, dat aanvoert dat het aanslagbiljet op het juiste adres van de belastingplichtige is verzonden met opgave van de verzendingsdatum, het bewijs moet leveren van daadwerkelijke verzending aan of ontvangst door de belastingplichtige; die bewijslast geldt wel indien de belastingplichtige op aannemelijke wijze aanvoert dat het aanslagbiljet niet behoorlijk is verzonden of niet is ontvangen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Wettelijke bepalingen: Decr. Vl. 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen - 30-05-2008 - Art. 9 - 34 ELI link Pub nr 2008202393 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bezwaar Wettelijke bepalingen: Decr. Vl. 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen - 30-05-2008 - Art. 9 - 34 ELI link Pub nr 2008202393 Tekst van de conclusie F.25.0009.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN:
- Situering. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de gemeente Maasmechelen bij gemeentereglement van 20 december 2016 een belasting op masten en pylonen en andere draagconstructies heeft goedgekeurd voor de aanslagjaren 2016 tot en met
- Het voorliggende geschil betreft 2 aanslagen in deze belasting die op 26 april 2019 in hoofde van verweerster werden gevestigd voor het aanslagjaar
- De aanslagbiljetten werden volgens de gemeente verstuurd op 30 april
- Namens verweerster werd bezwaar aangetekend op 15 mei 2020, ontvangen bij de gemeente op 20 mei
- Bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 14 augustus 2020 werd het bezwaarschrift onontvankelijk verklaard, wegens laattijdigheid, nu het niet werd ingediend binnen de termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde kalenderdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de contante inning. De betwisting over de ontvankelijkheid van de daaropvolgende door verweerster ingestelde fiscale vordering leidde tot een tussenarrest van het hof van beroep te Antwerpen dd. 10 september
- De appelrechter oordeelde dat eiseres faalt in haar bewijslast van de daadwerkelijke en regelmatige verzending van de aanslagbiljetten op de datum vermeld op de aanslagbiljetten zodat de bezwaartermijn bijgevolg pas begon te lopen op het ogenblik waarop verweerster kennis heeft gekregen van alle elementen die noodzakelijk waren voor het indienen van het bezwaarschrift. Volgens de appelrechter begon de bezwaartermijn aldus pas te lopen na ontvangst door verweerster van de aanmaning tot betaling van 9 maart 2020 en werd derhalve het bezwaar tijdig ingesteld op 15 mei
- Eiseres komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
- Bespreking van het enig middel. 2.
- Eiseres voert aan dat de loutere bewering door de belastingplichtige dat hij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen, niet tot gevolg heeft dat het bestuur dat voorhoudt dat het op het juiste adres van de belastingplichtige en in de gepaste vorm een aanslagbiljet heeft verzonden, ook het bewijs moet leveren dat die verzending effectief gebeurd is. De appelrechter kon dan ook niet op grond van de loutere bewering van verweerster dat zij de aanslagbiljetten niet heeft ontvangen, oordelen dat het vermoeden van juistheid dat kleeft aan de op het aanslagbiljet vermelde verzendingsdatum, wordt weerlegd en dat op eiseres een bijkomende bewijslast rust van daadwerkelijke en regelmatige verzending van het aanslagbiljet op de datum vermeld op het aanslagbiljet. (Schending art. 9, § 1, Decreet van 30 mei 2008 en art. 14 van het belastingreglement; de artikelen 8.4, eerste en tweede lid, B.W. en 870 Ger.W.). Op die gronden kon de appelrechter volgens eiseres evenmin naar recht beslissen dat het bezwaar tijdig werd ingesteld op 15 mei 2020 en de vordering in rechte toelaatbaar was. (Schending van de artikelen 569, eerste lid, 32° en 1385undecies Ger.W.) 2.
- Het administratief beroep dat dient uitgeput krachtens artikel 1385undecies Ger.W. opdat de fiscale vordering toelaatbaar zou zijn, wordt te deze geregeld door artikel 9, § 1 van het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en artikel 14 van de beslissing van 20 december 2016 van de gemeenteraad van de gemeente Maasmechelen houdende “Belastingreglement – gemeentebelasting op masten, pylonen en andere draagconstructies – Goedkeuring”. Uit deze bepalingen volgt dat de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger tegen de aanslag en de accessoria ervan een bezwaar kan indienen bij de bevoegde overheid, in casu het College van burgemeester en schepenen, binnen drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet. De datum van verzending is, behoudens bewijs van het tegendeel, de op het aanslagbiljet vermelde verzendingsdatum
(1). De loutere bewering door de belastingplichtige dat een aanslagbiljet niet verzonden is, heeft niet tot gevolg dat het bestuur dat voorhoudt dat het op het juiste adres van de belastingplichtige en in de gepaste vorm een aanslagbiljet heeft verzonden, ook het bewijs moet leveren dat die verzending effectief is gebeurd
(2). Het vermoeden van verzending op de datum vermeld op het aanslagbiljet wordt door die loutere bewering niet weerlegd. Evenmin lijkt mij, in het geval het bestuur voorhoudt dat het op het juiste adres van de belastingplichtige en in de gepaste vorm een aanslagbiljet heeft verzonden, de loutere bewering van de belastingplichtige dat hij de aanslagbiljetten niet heeft ontvangen noodzakelijk tot gevolg te hebben dat het bestuur het bewijs van de daadwerkelijke ontvangst moet leveren
(3)
(4). De belastingplichtige dient m.i. in dergelijk geval evenzeer het tegenbewijs te leveren door aannemelijk te maken dat het aanslagbiljet hem niet heeft bereikt omdat de verzending niet regelmatig was. Het komt de bodemrechter toe om op grond van al de omstandigheden eigen aan de zaak deze aannemelijkheid te beoordelen en daaraan desgevallend het gevolg te verbinden dat de bezwaartermijn niet is beginnen lopen. Om de bewering betreffende de niet-ontvangst van het aanslagbiljet kracht bij te zetten, wordt er in de rechtsleer op gewezen dat het belangrijk is dat de belastingplichtige in tempore non suspecto aanvoert dat hij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen, gezien de rechtspraak ervan uit gaat dat de belastingplichtige geloofwaardigheid mist wanneer hij laattijdig aanvoert dat hij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen
(5). 2.
- In voorliggend geval stelt de appelrechter uitdrukkelijk vast dat verweerster “steeds vanaf het begin gesteld [heeft] de aanslagbiljetten nooit ontvangen te hebben” en dat zij “niet de gewoonte [heeft] haar fiscale verplichtingen niet tijdig na te leven”. De appelrechter vermeldt ook op p. 7 van het bestreden arrest: “Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep in haar bezwaarschrift uitdrukkelijk heeft vermeld de aanslagbiljetten nooit ontvangen te hebben”. Met deze vaststellingen, samen gelezen met het geheel van de overige redenen p. 8, tweede al. t.e.m. derde laatste al. van het arrest, geeft de appelrechter m.i. te kennen dat er geen sprake is van een loutere betwisting van de ontvangst maar verweerster inderdaad een voldoende ernstige betwisting voert die van dien aard is om aan de gegevens vermeld op het aanslagbiljet, het vermoeden van juistheid te ontnemen, en in hoofde van eiseres een bijkomende bewijslast te creëren inzake daadwerkelijke en regelmatige verzending, waarin zij evenwel faalt. De appelrechter lijkt mij met die vaststellingen en redenen zijn beslissing naar recht te verantwoorden dat het bezwaar van verweerster tijdig werd ingesteld en de fiscale vordering in rechte toelaatbaar is. In zoverre het middel de schending aanvoert van de artikelen 9 van het Decreet van 30 mei 2008, 14 van het belastingreglement van de gemeente Maasmechelen en 569, eerste lid, 32°, en 1385undecies Ger.W. kan het m.i. niet worden aangenomen. 2.
- In zoverre het middel de schending aanvoert van de artikelen 8.4, eerste en tweede lid, B.W. en artikel 870 Ger.W. lijkt het mij afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de overige in het middel aangewezen wetsbepalingen. In zoverre is het middel m.i. niet ontvankelijk. Conclusie: Verwerping. __________________________________________________________________
(1)Zie bijvb.: Cass. 20 januari 2022, AR F.20.0072.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220120.1N.6; Cass. 16 november 2017, AR F.15.0034.N, AC 2017, nr. 648, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171116.1.
(2)Cass. 20 januari 2022, AR F.20.0072.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220120.1N.6; Cass. 23 januari 2020, AR F.18.0037.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 16 november 2017, AR F.15.0034.N, AC 2017, nr. 648, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171116.1; Cass. 15 juni 2001, AR F.00.0023.N, AC 2001, nr. 364, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010615.5.
(3)Zie Cass. 20 januari 2022, AR F.20.0072.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220120.1N.6, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220120.1N.6.
(4)Zie in die zin ook auteur KELL die onder verwijzing naar een arrest van het Hof van 7 januari 1993 stelt dat aangenomen wordt dat de administratie de daadwerkelijke verzending van het aanslagbiljet uitsluitend moet bewijzen wanneer de belastingplichtige op ‘ernstige wijze’ de ontvangst van het aanslagbiljet betwist (L. KELL, “Kan de fiscale administratie overeenkomstig artikel 1382 BW aansprakelijk worden gesteld of verplicht worden tot vrijwaring van de schade die een belastingplichtige lijdt ingevolge een administratieve richtlijn die (nadien) contra legem blijkt te zijn?”, Fisc. Koer. 2021, 185).
(5)Zie L. KELL, “Moet het ingediend bezwaarschrift in voorliggend geval wegens laattijdigheid worden afgewezen? Welke (bewijs)stukken moet de Belgische Staat aan de rechter voorleggen om de wettelijkheid en de gegrondheid van een aanslag te rechtvaardigen?”, Fisc. Koer. 2019, 337: “De aanvoering van de belastingplichtige dat hij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen, wordt doorgaans met het nodige scepticisme onthaald. Als er redenen zijn om aan te nemen dat deze aanvoering niet geloofwaardig is, zal ervan uit worden gegaan dat zij slechts ‘pour les besoins de la cause’ wordt geformuleerd. (…) De rechtspraak gaat er ook vanuit dat de bewering van de belastingplichtige geloofwaardigheid mist wanneer hij deze laattijdig formuleert. De administratie zou de effectieve verzending/ontvangst door de belastingplichtige van het aanslagbiljet dus enkel moeten bewijzen voor zover de belastingplichtige in tempore non suspecto aanvoert dat hij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen (…). Een diligent belastingplichtige zal waarschijnlijk van meet af aan stellen dat hij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen en toelichten hoe hij dan wel kennis heeft gekregen van de betrokken aanslag.” Zie ook L. VANDENBERGHE, “De bewijslast inzake de aanvang van de bezwaartermijn”, (noot onder Antwerpen 6 juni 2006), RW 2006-07, 1050 die stelt: “Om de geloofwaardigheid van zijn bewering betreffende de niet-ontvangst van het aanslagbiljet kracht bij te zetten, doet de belastingplichtige er wel goed aan om zo snel mogelijk na de echte kennisgeving van de aanslag te reageren (…).”). PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260416.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260416.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010615.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171116.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220120.1N.6 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220120.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div