← België

A. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 05 mei 2026 ECLI

Art. 2

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 377

(oud), eerste lid, derde gedachtestreepje - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen:

Art. 2

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 377

(oud), eerste lid, derde gedachtestreepje - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANRANDING VAN EERBAARHEID EN VERKRACHTING Wettelijke bepalingen:

Art. 2

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 377

(oud), eerste lid, derde gedachtestreepje - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 4 - 5 Het in artikel 377, derde lid, derde gedachtestreepje, (oud) Strafwetboek bedoelde gezag vereist niet dat dit wordt uitgeoefend krachtens een wettelijke bevoegdheid, maar het kan ook voortvloeien uit feitelijke omstandigheden; deze bepaling vereist evenmin dat de schuldige noodzakelijk beschikt over een disciplinaire of sanctionerende bevoegdheid of een beslissingsbevoegdheid over de aanwerving, het ontslag, de evaluatie of de loopbaan van het slachtoffer; de rechter oordeelt onaantastbaar over het bestaan van het gezag als bedoeld in artikel 377, eerste lid, derde gedachtestreepje, (oud) Strafwetboek en of de schuldige misbruik heeft gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functies hem verlenen, zoals bedoeld in die bepaling; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen

(1).
(1)Art. 377 (oud), eerste lid, derde gedachtestreepje Strafwetboek, in de versie vóór de inwerkingtreding van art. 417/21 Strafwetboek. Thesaurus CAS: AANRANDING VAN EERBAARHEID EN VERKRACHTING Wettelijke bepalingen:

Art. 377

(oud), eerste lid, derde gedachtestreepje - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:

Art. 377

(oud), eerste lid, derde gedachtestreepje - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 6 - 10 Uit artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 2 Strafwetboek volgt dat indien de omschrijving van strafbare feiten sinds het plegen van die feiten is gewijzigd, de rechter

  1. a)een beklaagde slechts schuldig kan verklaren aan die feiten indien hij vaststelt dat ze zowel strafbaar waren en gebleven zijn onder de oude en de nieuwe wet en
  2. b)de oude en de nieuwe wetsbepalingen moet vermelden die de constitutieve bestanddelen van het misdrijf definiëren, alsook de wetsbepalingen betreffende de toegepaste straf; indien de toepasselijke wetsbepalingen tijdens de bewezenverklaarde incriminatieperiode werden gewijzigd, dient de rechter behalve de wetsbepalingen in verband met de toegepaste straffen de wetsbepalingen te vermelden die de feiten gedurende de volledige bewezenverklaarde incriminatieperiode strafbaar stellen; behoudens daartoe strekkende conclusie volgt voor de rechter uit deze bepalingen geen verdergaande motiveringsverplichting met betrekking tot de toepassing van de strafwet in de tijd en meer in het bijzonder moet hij niet uitdrukkelijk
  3. a)vermelden op welke wijze de constitutieve bestanddelen onder de oude wetsbepaling samenvallen met, dan wel beperkter of ruimer zijn dan deze onder de nieuwe wetsbepaling, en
  4. b)de strafminima en –maxima van de oude en nieuwe wetsbepalingen vergelijken. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111901

Art. 2- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: WETTEN.

DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111901

Art. 2

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111901

Art. 2- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN.

STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111901

Art. 2- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.

100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111901

Art. 2

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.25.1753.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: 1. Eiser wordt vervolgd voor feiten van aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreigingen, met misbruik van zijn gezag of de faciliteiten die zijn functies hem verlenen (A, B en C

(1), oud artt. 373 en 377 Strafwetboek), thans niet-consensuele seksuele handelingen door een persoon die zich bevindt in een vertrouwensrelatie (artt. 417/7 en 417/21 Strafwetboek 1867) en belaging (D, art. 442bis Strafwetboek 1867). Eiser was het hoofd van de portiersloge in de gevangenis te M. en zou de feiten hebben gepleegd ten nadele van drie dames die eveneens in de gevangenis van M. werken. Hij voerde als verweer dat verweersters tegen hem samenspannen, hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, en dat de zaak te herleiden is tot ‘woord tegen woord’.
  1. Voor zover gericht tegen de vrijspraak voor feit A2 en de inkorting van de incriminatieperiodes van enkele tenlasteleggingen (zoals B1), is het cassatieberoep niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang.
  2. Het eerste middel heeft betrekking op de verzwarende omstandigheid van gezag hebben over het slachtoffer, bepaald in oud artikel 377 Strafwetboek, thans de omstandigheid omschreven in artikel 417/21 Strafwetboek
(2), zoals van toepassing vanaf 1 juni 2022. De milde strafwet is oud artikel 377 Strafwetboek, zoals toegepast door het bestreden arrest (blz. 20)
(3). In zoverre eiser aanneemt dat het arrest artikel 417/21 Strafwetboek toepast, in strijd met artikel 7 EVRM
(4)over de retro-actieve toepassing van de mildere strafwet, mist het middel feitelijke grondslag.
  1. Volgens eiser beperkt het arrest zich tot de positie van eiser als hiërarchisch meerdere ten opzichte van verweersters en zijn bevoegdheid om de dagelijkse werking van de dienst te bepalen. De appelrechters hadden ook moeten vaststellen dat de positie van eiser als ploegchef “gepaard ging met een concrete afhankelijkheidsrelatie of beslissingsmacht die de betrokkenen aan reële druk blootstelde”.
  2. Het ‘gezag’ van de dader moet niet noodzakelijk steunen op een wettelijke bevoegdheid, maar kan ook ontstaan door feitelijke omstandigheden. Het is ook niet vereist dat de dader enige bevoegdheid heeft om te beslissen over de aanwerving, de promotie, het ontslag van het slachtoffer of over sancties of disciplinaire maatregelen
(5). Bovendien heeft de verzwarende omstandigheid ook betrekking op ‘faciliteiten die de functies verlenen aan de schuldige’ (oud art. 377 Sw). De rechter oordeelt onaantastbaar over het gezag of misbruik van dat gezag of faciliteiten van de functies door de dader van aanranding van de eerbaarheid. Daarbij ziet het Hof wel toe op de wettigheid van de motieven
(6). In zoverre faalt het middel naar recht.
  1. Het arrest acht het seksueel grensoverschrijdend gedrag van eiser bewezen, zoals ongevraagde massages en het op de schoot trekken van verweersters, en wijst op de ‘hiërarchische setting binnen de gevangenis’, die in casu was gekenmerkt door een ‘seksistische groepscultuur’ en angst voor vrouwen om zich te verzetten tegen eiser, hun ploegchef. Ik meen dat de schuldigverklaring van eiser aan de feiten A, B en C behoorlijk is gemotiveerd en naar recht verantwoord is, zowel wat betreft het basismisdrijf als de verzwarende omstandigheid van het misbruik maken van gezag of faciliteiten van de functie. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  2. Het tweede middel over de incriminatieperiodes omschreven in telastleggingen A, B en C voert formeel een tegenstrijdige motivering aan, maar komt in werkelijkheid op tegen en onaantastbare beoordeling van feiten
(7). In zoverre is het middel niet-ontvankelijk. Bovendien is er geen sprake van een tegenstrijdige motivering alleen maar omdat de rechter de feiten anders beoordeelt dan een partij
(8). In zoverre faalt het middel naar recht.
  1. Het derde middel komt op tegen de motivering over de toepasselijke strafbaarstellingen, wat betreft de feiten omschreven in telastleggingen A, B en C. Volgens eiser hebben de appelrechters de bij de toepassing van de oude en nieuwe strafbaarstellingen (toepasselijk vóór en na 1 juni 2022) niet de vereiste vergelijking gemaakt van de constitutieve bestanddelen van het misdrijf en van de strafmaten. Bijgevolg is de toepassing van de milde strafwet onduidelijk (artikel 2 Strafwetboek) en is niet voldaan is aan de motiveringsplicht (artikelen 149 Grondwet en 195 Wetboek van Strafvordering).
  2. Het is vaste rechtspraak dat als na de feiten omschreven in de inleidende akte de strafbaarstelling is gewijzigd, de rechter alleen een veroordeling kan uitspreken als aan twee voorwaarden is voldaan: 1°de rechter stelt vast dat de bewezen verklaarde feiten tijdens de gehele incriminatieperiode strafbaar zijn gebleven onder de oude en de nieuwe wet en 2°hij vermeldt de toegepaste oude en nieuwe wetsbepalingen over zowel de constitutieve bestanddelen van het misdrijf als de straf
(9). Zonder beroepsconclusie kan deze motivering volstaan.
  1. Mij komt voor dat alleen bij een specifiek verweer, geformuleerd in conclusie, de rechter standpunt moet innemen over de overeenstemming van de constitutieve bestanddelen in de opeenvolgende strafbaarstellingen en over de vergelijking van de strafmaten in de oude en nieuwe wetsbepalingen (minima en maxima). In zoverre faalt het middel naar recht.
  2. Het bestreden arrest past in het deel ‘actualisering’ de oude artikelen 373, 377 en 378 Strafwetboek toe, als milde strafwet, en stelt dat de feiten ook strafbaar zijn gebleven na de aanpassingen door de wetten van 26 november 2011 (BS 23 januari 2012), 1 februari 2016 (BS 19 februari 2016), 4 mei 2020 (BS 18 mei 2020) en 21 maart 2022 (BS 30 maart 2022) (blz. 9)
(10). Alle toepasselijke wetsbepalingen, oude en nieuwe, zijn ook vermeld in de weergave van de rechtstreekse dagvaarding (blz. 3-5) en in de rubriek ‘wettelijke bepalingen’, net voor het dictum (blz. 27). 12. Ik ben van mening dat het arrest met voldoende redenen vaststelt dat de feiten omschreven in de telastleggingen A, B en C, met inkorting van de incriminatieperiodes, strafbaar zijn gebleven. Daarbij haalt het arrest de correcte oude en nieuwe strafbaarstellingen aan, toepasselijk vóór en na 1 juni 2022, voor de bestanddelen van het misdrijf, de verzwarende omstandigheid en de toepasselijke strafmaat. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Conclusie: Ik heb geen ambtshalve middelen en concludeer tot verwerping. ___________________________________________________________________
(1)In de inleidende akte (rechtstreekse dagvaarding) zijn dezelfde feiten van seksueel misbruik ondergracht in drie tenlasteleggingen, met aaneensluitende en afzonderlijke tijdsperiodes, omwille van de wetswijzigingen van het basismisdrijf aanranding van de eerbaarheid en de verzwarende omstandigheden.
(2)Ingevoegd door art. 23 wet 21 maart 2022, BS 30 maart 2022, met inwerkingtreding op 1 juni
  1. Het betreft “niet consensuele seksuele handelingen gepleegd door een persoon die zich in een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van het slachtoffer bevindt”, zie I. DELBROUCK, “Niet-consensuele seksuele handelingen – Verzwaarde misdrijven”, in Postal Memorialis, Kluwer 2023, N30, punt 2.
  2. Over aanranding van de eerbaarheid met verzwarende omstandigheden (oud artt. 373 en 377 Sw. 1867) zie L. STEVENS, Strafrecht en seksualiteit, Intersentia 2003, 27-48; I. WATTIER, “L’attentat à la pudeur et le viol”, in Les infractions, Vol. 3, Larcier 2011, 87-139; A. DIERICKX en J. DECOKER, “Art. 373-377 Sw.”, in Strafrecht. Duiding, Larcier 2018, 442-448; F. DERUYCK en A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer 2019, 187-210.
(3)Het arrest, p. 20, stelt: “Ook de voorziene verzwarende omstandigheid dat de beklaagde misbruik heeft gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functie hem verleende, is bewezen aan de hand van de dossierstukken”.
(4)Over de retro-actieve toepassing van de mildere strafwet, bepaald in artikel 7 EVRM en artikel 2 Strafwetboek 1867, zie o.a. zie Cass. 22 maart 2016, AR P.15.1067.N, AC 2016, nr. 200, JLMB 2017, 1874 noot F. CLOSE; Cass. 26 mei 2020, AR P.20.0323.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.6, AC 2020, nr. 321, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.5; Cass 9 april 2019, AR P.18.1208.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.4, AC 2019, nr. 220; Cass. 30 januari 2019, AR P.18.0879.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190130.8, AC 2019, nr. 60 met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas; Cass. 8 november 2005, AR P.05.0915.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.23, AC 2005, nr. 572 met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER; EHRM 4 juli 2023, Tristan t/Moldavië; EHRM 10 juli 2025, Wulffaert en Wulffaert Beheer BV t/België, NC 2025 197; P. POPELIER, Toepassing van de wet in de tijd, APR, Kluwer 1999, 56-72; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 122-127; N. OBBELS, F. VERBRUGGEN en J. PETERSEN, “Nog (een tijdje) niet eenvoudiger? De toepassing in de tijd van het nieuwe Strafwetboek en van vernieuwde straffen”, in Straf-en strafprocesrecht. Themis, nr. 132, Larcier 2025, 2-19; F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge. La Loi Pénale, Larcier 2025, 354-377. Vanaf 1 september 2026 is de retro-actieve toepassing van de milde strafwet opgenomen in art. 2 Strafwetboek 2024, zie J. DE HERDT, J. ROZIE en D. VANDERMEERSCH, Boek I van het nieuwe strafwetboek, die Keure 2025, 27-33; T. VANDER BEKEN, Handboek strafrecht, Gompel & Svacina 2025, 87-97; F. KUTY, Précis de droit pénal. Commentaire du livre 1er du Code pénal, Larcier 2025, 107-115.
(5)Cass. 4 mei 2021, AR P.21.0041.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.1; Cass. 26 april 2016, AR P.16.0117.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160426.5, AC 2016, nr. 283; Cass. 24 mei 1954, Pas. 1954, I, 828; Cass. 25 juni 1866, Pas. 1866, I, 286.
(6)Cass. 26 april 2016, AR P.16.0117.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160426.5, AC 2016, nr. 283; 208; F. DERUYCK en A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer 2019, 208.
(7)S. SONCK, “De ontvankelijkheid van het cassatiemiddel in strafzaken”, in De cassatieberoepen, Larcier 2023, 538-539.
(8)Cass. 9 juni 2015, AR P.13.1321.N, arrest niet gepubliceerd.
(9)Cass. 28 januari 2026, AR P.25.0209.F, ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260128.2F.3; Cass. 25 maart 2025, AR P.24.1400.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.55; Cass. 28 februari 2024, AR P.23.1542.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240228.2F.2, met concl. van advocaat-generaal V. TRUILLET; Cass. 23 januari 2024, AR P.23.1551.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.16; Cass. 2 maart 2021, AR P.20.1174.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.7; Cass. 23 oktober 2019, AR P.19.0610.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191023.1, AC 2019, nr. 539, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 23 mei 2007, AR P.07.0405.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070523.4, AC 2007, nr. 268. Zie alg. F. VAN VOLSEM, “De verplichting om in politie-en correctionele zaken de toegepaste wetsbepalingen te vermelden”, NC 2020, 279-285; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, II, 1757-1762; F. KUTY, Précis de droit pénal. Commentaire du livre 1er du Code pénal, Larcier 2025, 117.
(10)Over de vergelijking van de oude en nieuwe strafbaarstellingen van aanranding van de eerbaarheid (bassmisrijf), zie B. SPRIET, S. CAREEL en M. WALGRAEVE, “Actualia seksueel strafrecht: aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, voyeurisme”, in Straf-en strafprocesrecht. Themis 122, Larcier 2022, 17-19. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.23 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070523.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160426.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190130.8 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191023.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.16 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240228.2F.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.55 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260128.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.