← België

V. contra Architectenbureau SELS

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 05 mei 2026 ECLI

Art. 63

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 136- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.

8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 136bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 63

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 136- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.

8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 136bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 63

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 136- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.

8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 136bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Tekst van de conclusie P.25.1007.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET:

  1. In deze zaak is de vraag aan de orde of iemand die een onwettige toestand heeft doen ontstaan en die na een veroordeling ongedaan heeft gemaakt, de kosten van dat rechtsherstel geheel of gedeeltelijk kan verhalen op anderen. Het gaat daarbij om personen die bij het ontstaan van de onwettige toestand betrokken waren, maar daarvoor niet strafrechtelijk werden vervolgd. Kan de veroordeelde in dat verband een rechtmatig belang aanvoeren om als burgerlijke partij de strafvordering op gang te brengen tegen wie hij als (mede)verantwoordelijke aanwijst?
  2. Eiser is op 19 januari 2022 definitief veroordeeld wegens de verbouwing van een hoeve in strijd met de voorwaarden van de vergunning (door het afbreken en herbouwen van het hoofdgebouw op een nieuw geplaatste vloerplaat), tussen 31 mei 2016 en 14 maart 2017, waarbij verweerders instonden voor de renovatie, als architect en aannemer. Alleen eiser werd in deze strafzaak vervolgd, op basis van artikelen 4.1.1, 4.2.1, 4.2.2 en 6.1.1.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Het verweer over onoverwinnelijke dwaling werd verworpen. Het hof van beroep oordeelde dat het voor elke voorzichtige bouwheer duidelijk moest zijn dat de stedenbouwkundige vergunning het niet zou toelaten de hoofdwoning gelegen in bosgebied af te breken en een nieuwe constructie op te trekken. Verder stelde het hof van beroep dat het feit dat de architect en de aannemer niet mee werden vervolgd wegens de stedenbouwkundige inbreuken, en zelfs niet werden verhoord als verdachte, geen afbreuk doet aan de eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid van eiser, als bouwheer of opdrachtgever. Bovendien heeft de vonnisrechter geen oordeel te vellen over een opportuniteitsbeslissing van het Openbaar Ministerie, die inhoudt dat de strafvordering alleen wordt ingesteld tegen de opdrachtgever.
  3. Aanvankelijk heeft eiser een burgerlijk geding opgestart voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling, Turnhout, na een ingebrekestelling van verweerders wegens contractuele wanprestaties. Hij haalt aan dat de contractuele opdracht van eerste verweerder onder meer inhield ‘de indiening van de bouwaanvraag’. Verder zouden de verweerders na een werfbespreking ook hebben beslist om muren af te breken en op te trekken in cellenbeton, zonder eiser in te lichten van de afwijking van de omgevingsvergunning.
  4. In november 2022 diende eiser bij de onderzoeksrechter te Antwerpen een klacht met burgerlijke partijstelling in tegen verweerders wegens dezelfde inbreuken op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening als waarvoor hij werd veroordeeld, met een lichte aanpassing van de incriminatieperiode. Aanleiding is volgens hem de ‘blijvende betwisting’ van verweerders in het burgerlijk geding. Eiser stelt dat verweerders werken hebben verricht in strijd met de vergunning die onomkeerbare schade teweegbrachten, omdat de hoeve gelegen is in bosgebied en regularisering niet mogelijk was. Zonder hun optreden was er geen strafrechtelijke veroordeling en geen herstelvordering uitgesproken tegen eiser. Hij stelt ”de dupe te zijn van een gebrek aan bijstand van zijn dienstverleners”. Verder was een klacht met burgerlijke partijstelling nodig omdat verweerders in de burgerlijke procedure over contractuele aansprakelijkheid aangaven dat zij niet strafrechtelijk werden vervolgd voor de inbreuken op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. De procedure voor de burgerlijke rechter is volgens tweede verweerder geschorst in afwachting van de afhandeling van de strafzaak die eiser op gang bracht, voor dezelfde feiten.
  5. De raadkamer te Antwerpen, afdeling Antwerpen, heeft op 5 december 2024 verweerders verwezen naar de correctionele rechtbank te Antwerpen wegens het herbouwen in strijd met de vergunning. Verweerders hebben tegen deze beschikking tijdig hoger beroep ingesteld (art. 135, § 2 Sv.) en de procureur-generaal heeft op 18 februari 2025 gevorderd de klacht met burgerlijke partijstelling van in het begin niet-ontvankelijk te verklaren.
  6. In het bestreden arrest van 5 juni 2025 oordeelt het hof van beroep te Antwerpen (kamer van inbeschuldigingstelling) met eenparigheid van stemmen dat de klacht met burgerlijke partijstelling, met de daaraan verbonden strafvordering, niet-ontvankelijk is. Het arrest steunt op twee gronden. Ten eerste kan eiser geen rechtmatig belang doen gelden, omdat de gevorderde schade voortvloeit uit een misdrijf dat hij zelf pleegde en waarvoor hij definitief werd veroordeeld. Ten tweede toont eiser niet aan dat hij door het beweerde misdrijf in hoofde van verweerders persoonlijke schade heeft geleden. Volgens het arrest vloeit de aangevoerde schade uitsluitend voort uit de herstelvordering, die tot afbraak van constructies leidde, en niet uit het beweerde misdrijf.
  7. Eiser voert in zijn eerste middel aan dat de loutere deelname van de burgerlijke partij aan een stedenbouwkundige inbreuk niet volstaat om zijn klacht met burgerlijke partijstelling af te wijzen als niet-ontvankelijk, bij gebrek aan rechtmatig belang. Ook al is hij definitief veroordeeld wegens een stedenbouwkundige inbreuk, hij streeft op geen enkele manier meer het behoud na van een ongeoorloofde toestand, temeer daar de hoeve die onwettig werd behoud intussen volledig is afgebroken. De benadeelde die zich bevindt in een ongeoorloofde toestand kan toch vergoeding krijgen voor een rechtmatig belang. De bestreden beslissing van niet-ontvankelijkheid van de klacht met burgerlijke partijstelling, als drager van de strafvordering, houdt volgens eiser een schending in van art. 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, dat stelt dat: “De rechtsvordering kan niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid heeft om ze in te dienen”. Bovendien is de beslissing ‘onterecht en verkeerdelijk gemotiveerd’, in strijd met art. 149 Grondwet.
  8. Beoordeling. Artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de vordering tot herstel van de schade die door een misdrijf wordt veroorzaakt, behoort aan hen die de schade hebben geleden. Op grond van artikel 63, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv.) kan hij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf te zijn benadeeld, daarover bij de onderzoeksrechter klacht doen en zich burgerlijke partij stellen. Daaruit volgt dat een klacht met burgerlijke partijstelling als drager van de strafvordering pas ontvankelijk is, als de burgerlijke partij een rechtmatig belang kan aanvoeren en aannemelijk maakt dat zij zelf schade leed door de aangevoerde strafbare feiten

(1). Op dat moment hoeft de burgerlijke partij nog geen bewijs te leveren van de fout, de schade en het oorzakelijk verband
(2). 9. De aangevoerde schade moet bovendien voortvloeien uit een misdaad of wanbedrijf en is dus extracontractueel van aard. Een klacht met burgerlijke partijstelling kan daarom niet worden aangewend om louter contractuele aansprakelijkheid vast te stellen, noch om vraagstukken te beslechten zoals de nietigheid van de overeenkomst tussen bouwheer en architect of aannemer wegens een ongeoorloofde oorzaak (oud art. 1108 en 1131 BW, thans art. 5.27.4 BW) of wegens schending van een bepaling van openbare orde (nu art. 5.58 BW). Over dit laatste punt werd voor de kamer van inbeschuldigingstelling overigens geen betwisting gevoerd. Weliswaar stipt eiser in zijn memorie (p.15) aan dat verweerders, met wie hij in 2016 een contract afsloot, fouten hebben begaan ‘in hun advies-en bijstandsverplichting’. Verder kan de burgerlijke partijstelling alleen dienen om schadevergoeding te bekomen, niet om de bestraffing na te streven van de verdachte, als dader of mededader van het aangeklaagde misdrijf
(3). 10. In de rechtspraak en rechtsleer bestaat discussie of het vereiste rechtmatig belang (het na te streven voordeel) een voorwaarde is voor de toelaatbaarheid van de burgerlijke vordering (art. 17 Ger.W.), dan wel eerder raakt aan de gegrondheid ervan (oud art. 1382 en 1383 BW, thans boek 6 BW)
(4). Naar mijn mening zijn beide componenten -de procedurele en de materieelrechtelijke- begrepen in art. 63 Sv. De benadeelde moet aannemelijk maken dat hij persoonlijke schade lijdt door een onrechtmatige daad die tegelijk een misdrijf uitmaakt, en dat dit misdrijf een rechtmatig belang aantast. Bestaat er gerede twijfel over de rechtmatigheid van het belang waarop de vordering steunt, dan is de klacht met burgerlijke partijstelling ontoelaatbaar. In dat geval komt de strafrechter niet toe aan een onderzoek naar de vraag of de benadeelde daadwerkelijk aanspraak kan maken op schadevergoeding wegens de aantasting van een rechtmatig belang. 11. Het onderzoeksgerecht is bevoegd om de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling te beoordelen die het enig fundament vormt voor de strafvordering. Het gaat om een burgerlijke partij die het gerechtelijk onderzoek op gang bracht zonder dat het openbaar ministerie daarna een gerechtelijk onderzoek vordert (art. 47 Sv.) of in zijn eindvordering de verwijzing vordert van de verdachten naar het bevoegde vonnisgerecht (art. 127 Sv.). Wanneer niet voldaan is aan een voorwaarde voor het instellen van een burgerlijke vordering, zoals deze van het rechtmatig belang, moet het onderzoeksgerecht de strafvordering vanaf het begin (ab initio) niet-ontvankelijk verklaren
(5). 12. Als regel geldt dat ieder die door een fout of nalatigheid schade toebrengt deze schade integraal moet vergoeden (oud artt. 1382 en 1383 oud BW, voorafgaand aan de inwerkingtreding van boek 6 BW). De schade bestaat in de aantasting van een belang of het verlies van een rechtmatig voordeel. Het gaat om de situatie dat het slachtoffer van de onrechtmatige daad zich in een minder gunstige situatie bevindt dan wanneer de fout niet was gepleegd, waarbij het geen rol speelt of de schade van het slachtoffer rechtstreeks of onrechtstreeks is
(6). 13. Evenwel kan alleen de benadeelde van een onrechtmatige daad die zich kan beroepen op een rechtmatig belang schadevergoeding vorderen. Bijgevolg kan hij geen schadevergoeding afdwingen voor het verlies of de aantasting van onrechtmatige voordelen
(7). Jan RONSE stelde hierover dat het recht met zichzelf in tegenstrijd zou komen, indien het zijn bescherming zou verlenen aan belangen die niet met het recht stroken
(8). Deze voorwaarde werd aanvankelijk streng ingevuld
(9). De benadeelde die zich vrijwillig in een onwettige toestand bevond ten tijde van de onrechtmatige daad, kon geen aanspraak maken op enige schadevergoeding wegens het verlies of de aantasting van die toestand door een derde, bij gebrek aan een rechtmatig belang
(10). Het rechtmatig karakter van het belang van de eiser wordt beoordeeld op het tijdstip waarop het feit is ontstaan dat schade teweegbracht
(11). 14. Er is een evolutie naar een meer soepele benadering van het rechtmatig belang van de titularis van de burgerlijke vordering. Vooreerst kan de schadeverwekker zich niet beroepen op het beginsel of adagium gekend als “Nemo auditur propriam turpidudinem allegans” of “Nemo auditur suam turpitudinem allegans”(niemand wordt in rechte gehoord die zich beroept op zijn eigen schandelijk gedrag)
(12), om in geen enkel geval geen schadevergoeding te betalen wegens wangedrag van de benadeelde. Alleen op grond van dat beginsel mag de rechter de vordering niet afwijzen, als niet-ontvankelijk, van een benadeelde die zelf een misdrijf of onrechtmatige daad beging
(13). 15. Verder is de onwettige toestand waarin de benadeelde zich bevindt niet steeds een obstakel voor het vorderen en toekennen van schadevergoeding. In een burgerlijke zaak van een omgevallen boom op een stacaravan die op een terrein in recreatiegebied stond zonder bouwvergunning nam het Hof aan, in 1998, dat alleen de krenking van een rechtmatig belang tot schadevergoeding kan leiden. Daaruit vloeit voort dat “degene die enkel het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde nastreeft, geen rechtmatig belang heeft”
(14). De rechter die wegens het ontbreken van een rechtmatig belang geen schadevergoeding toekent aan de eigenaar van een vaste inrichting geplaatst in strijd met regels over stedenbouw (toen de wet van 29 maart 1962, nu de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) moet vaststellen dat de vordering tot schadevergoeding enkel het behoud beoogt van de wederrechtelijke instandhouding van de onwettig geplaatste vaste inrichting
(15). Het Hof verklaarde het tweede onderdeel gegrond waarin de eigenaar van de stacaravan aanvoerde dat zijn vordering alleen het herstel beoogt van zaakschade. Advocaat-generaal Marc DE SWAEF verduidelijkte dat de onwettige toestand waarin de benadeelde verkeert, in dit geval het in stand houden van een constructie in strijd met stedenbouwkundige voorschriften, niet altijd een vrijbrief mag zijn voor de schadeverwekker. Er moet een onderscheid bestaan tussen de vordering van de eigenaar van een onwettige constructie wegens zaakschade en de vordering van die eigenaar die vergoeding zou eisen van enige winst uit deze illegale toestand
(16). Het lijkt mij van belang te benadrukken dat de eigenaar van de stacaravan enkel een burgerlijke vordering heeft ingesteld wegens de aantasting van zijn eigendomsrecht door een externe oorzaak. Hij vroeg dus geen vergoeding voor afbraak- of verplaatsingskosten van de caravan als illegale constructie, waarvoor ook de eigenaar van het terrein zou moeten instaan. Bovendien blijkt uit deze zaak van 1998 niet dat de tegenpartij betrokken was bij het bouwen of behouden van een illegale vaste constructie. Wat de eiser in het huidige dossier van de afgebroken hoeve nastreeft, is van een andere orde. Hij stelt immers dat de tegenpartijen mee strafrechtelijk verantwoordelijk zijn voor het bouwen van een illegale constructie en vindt het redelijk dat ook zij strafrechtelijk veroordeeld worden en financieel tussenkomen. 16. Verder oordeelde het Hof op 19 december 2023 over een burgerlijke vordering ingesteld voor de strafrechter, dat de krenking van een belang enkel tot een toegelaten rechtsvordering kan leiden, als het om een rechtmatig belang gaat. Deze voorwaarde werd als volgt verduidelijkt: “Degene die het behoud nastreeft van een onrechtmatig voordeel, doet niet blijken van een rechtmatig belang. De loutere omstandigheid dat de eiser tot schadevergoeding zich in een ongeoorloofde toestand bevindt, heeft echter niet tot gevolg dat hij niet kan bogen op de krenking van een rechtmatig belang”
(17). 17. Hieruit volgt dat de rechter geen schadevergoeding mag toekennen die bedoeld is om een onwettige toestand in stand te houden, ontstaan door een misdrijf of bedrog, of om een onrechtmatig voordeel te verkrijgen
(18). Dit principe kwam duidelijk naar voren in een zaak waarbij het slachtoffer van een verkeersongeval, tijdelijk volledig arbeidsongeschikt, een schadevergoeding vroeg voor het verlies van contractueel loon conform de sociale wetgeving én voor het verlies van voordelen uit zwartwerk bij dezelfde werkgever. Het Hof oordeelde dat de pleger van een foutieve daad “alleen schade moet vergoeden die vaststaat en geen verlies inhoudt van een onrechtmatig voordeel” en dat het verkrijgen van loon uit zwartwerk in de regel een onrechtmatig voordeel is, waarvan het verlies niet kan leiden tot vergoeding
(19).
  1. Artikel 6.24 Burgerlijk Wetboek, van toepassing op schade ontstaan na 1 januari 2025, bepaalt: “Schade bestaat uit de economische en niet-economische gevolgen van de aantasting van een juridisch beschermd persoonlijk belang. Schade die bestaat in het verlies van een voordeel dat rechtstreeks zijn oorsprong vindt in een onrechtmatige gebeurtenis of activiteit die aan de benadeelde kan worden aangerekend, leidt niet tot schadeloosstelling”.
  2. Het is juist, zoals eiser aanhaalt
(20), dat iemand die door een fout of misdrijf in een ongeoorloofde situatie terechtkomt, onder bepaalde voorwaarden toch recht kan hebben op schadevergoeding, wanneer een derde een rechtmatig belang schendt. Eiser gaat evenwel voorbij aan het feit dat hij zelf de onwettige toestand heeft doen ontstaan, wat blijkt uit zijn definitieve veroordeling, en schadevergoeding vordert voor dezelfde feiten. Bovendien lijkt het erop dat hij via zijn burgerlijke partijstelling probeert de schade, veroorzaakt door het herstel van die situatie, af te schuiven op derden, in dit geval de contractspartijen. Mij komt voor dat het verbod op schadevergoeding niet enkel van toepassing is op benadeelden die een onrechtmatige situatie willen laten voortduren of een vergoeding vragen voor het verlies van illegale voordelen
(21). De openbare orde lijkt mij eveneens in de weg te staan dat hij die doelbewust een onwettige toestand deed ontstaan een schadevergoeding bekomt van personen die volgens hem mee verantwoordelijk zijn voor die toestand, om niet alleen de kosten te dragen voor het doen ophouden van die onwettige toestand. In dit geval is de eist tot schadevergoeding voor een onrechtmatige daad immers gebaseerd op een eigen fout, namelijk het (mede) veroorzaken van een onwettige situatie. Deze eis kan m.i. moeilijk als een rechtmatig belang kan worden beschouwd. 20. De eigen fout van de benadeelde die terechtkwam in een onwettige toestand, als criterium voor de ontoelaatbaarheid van zijn vordering tot schadevergoeding, was het punt van discussie in een zaak van de 3e Kamer van het Hof over het loonverlies van een tijdelijk deeltijds secretaris bij een OCMW. Zijn contract werd beëindigd door de beslissing om de titularis-secretaris die eerst was toegelaten tot het pensioen terug in dienst te nemen. Ingevolge de vernietiging van de beslissing tot intrekking van het pensioen door de Raad van State stelde de deeltijds secretaris dat hij in dienst had moeten blijven. De appelrechters kenden aan de deeltijds secretaris geen schadevergoeding toe, omdat de vacature voor zijn functie niet openstond voor andere kandidaten, waardoor zijn aanstelling bijgevolg onwettig was. Het Hof verbrak deze strenge opvatting over het rechtmatig belang van de benadeelde als volgt: “Het louter feit dat de eiser tot vergoeding zich in een onwettige situatie bevindt impliceert niet noodzakelijk dat hij zich niet mag beroepen op de krenking van een belang of de ontzegging van een rechtmatig voordeel. Het arrest dat uitspraak doet over de schade en dat oordeelt dat de schade voortvloeiend uit het inkomensverlies van een onrechtmatig verkregen openbaar ambt, enerzijds, de morele schade en vergoeding van de kosten van de verdediging die er nauw mee verbonden zijn, anderzijds, niet moet worden hersteld, terwijl het niet vaststelt dat de eiser een fout heeft begaan die aan de basis ligt van de onrechtmatigheid bij het verkrijgen van die betrekking, schendt de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek”
(22). Men kan hieruit afleiden dat het verlies van een voordeel dat in concreto onrechtmatig is toch aanleiding kan geven tot schadevergoeding, als de onrechtmatigheid niet te wijten is aan een fout van de eisende partij
(23). 21. In zijn gelijkluidende conclusie benadrukte advocaat-generaal Jean-Marie GENICOT dat het wel of niet kunnen eisen van schadevergoeding door iemand in een onwettige situatie afhangt van onder meer de “intensiteit van het verband tussen de gevorderde schade en de onwettige toestand”. Daarbij moet men niet alleen kijken naar de houding van de eiser zelf, maar ook naar alle omstandigheden die tot de onwettige situatie hebben geleid én of zijn gedrag eventueel te verontschuldigen valt. In dit geval werd de onwettige situatie beschouwd als een obstakel voor de schadeclaim, terwijl nergens uit de vaststellingen bleek dat die situatie door een fout van de eiser was ontstaan of in stand werd gehouden
(24). 22. Volgens een strekking in de rechtsleer houdt het vereiste van een rechtmatig belang als basis voor een vordering niet alleen in dat de eiser geen vordering mag instellen die ertoe dient een situatie in stand te houden die strijdig is met de wet of de openbare orde, of om een vergoeding te bekomen voor het verlies van ongeoorloofde winsten
(25). Ook vorderingen die tot doel hebben een toestand te creëren die de openbare orde aantast, zijn niet toegelaten. Dit geldt wanneer de vordering gebaseerd is op een onwettigheid, of haar oorsprong vindt in het ongeoorloofde karakter van het voorwerp of de reden van de vordering
(26). Kortom, wie zelf een misdrijf heeft gepleegd, kan zich niet als benadeelde burgerlijke partij opwerpen en ook geen schadevergoeding wegens een onrechtmatige daad vragen van een mogelijke medepleger op basis van feiten waarvoor hijzelf strafrechtelijk werd veroordeeld.
  1. Dat de titularis van een burgerlijke vordering een einde heeft gemaakt aan de onwettige situatie die hij zelf heeft veroorzaakt, en verlangt dat anderen mee de kosten voor het herstel dragen, betekent volgens mij niet automatisch dat hij zich op een rechtmatig belang kan beroepen. Zelfs al streeft hij niet meer het behoud van een onwettige toestand na, wat indruist tegen de stedenbouwkundige regels, blijft het zo dat de gevraagde schade betrekking heeft op de investering in een illegale constructie. Dit doet evenwel geen afbreuk aan een vordering van de bouwheer wegens contractuele aansprakelijkheid.
  2. Ik sluit mij aan bij volgende bedenkingen van Marc Kruithof over de toelaatbaarheid van een vordering tot het vergoeden van het waardeverlies na het wegwerken van een onwettige toestand: “als de benadeelde waarde heeft verloren die deze sowieso niet mocht genieten (krenking van een onrechtmatig belang), dan is het louter compenseren van dit waardeverlies door een schadevergoeding mijns inziens niet mogelijk. Het alternatief zou van het aansprakelijkheidsrecht een soort ‘witwas-mechanisme’ maken. Mijns inziens verplicht het aansprakelijkheidsrecht alleen tot het repareren of compenseren van krenkingen van maatschappelijk gewenste belangen. Het privaatrecht mag dan in eerste instantie gericht zijn op de bescherming van private belangen van burgers, het doet dit slechts in de mate dat dit in het algemeen belang wordt geacht. Belangen strijdig met de openbare orde worden principieel niet beschermd door het objectief recht”
(27). Over de invulling van het ‘onrechtmatig belang’ stelt de auteur verder: “Het is in ons aansprakelijkheidsrecht niet de subjectieve waardering van de benadeelde die bepaalt of er schade is, maar wel het objectieve oordeel vanuit het standpunt van de overheid als beheerder van de gehele samenleving”
(28).
  1. Daarbij komt nog dat het algemeen belang nog sterker naar voren treedt wanneer iemand via een klacht met burgerlijke partijstelling (art. 63 Sv.) probeert het waardeverlies door het herstel van een onwettige toestand af te schuiven op zijn contractspartijen. Het strafrecht is volgens mij niet bedoeld om iemand die voor een misdrijf is veroordeeld, te helpen de verloren waarde van een illegale investering – die door het rechtzetten van de onwettige situatie verloren ging – alsnog op anderen te verhalen. Het feit dat eiser het onrechtvaardig vindt dat hij zelf moet opdraaien voor de kosten van de bouw en de afbraak van zijn illegale constructie, betekent m.i. niet dat het gerechtelijk systeem tijd en middelen moet besteden aan een onderzoek naar vermeende deelnemers aan het bouwmisdrijf. Een onontvankelijke klacht verspert de weg naar een strafrechtelijke vervolging van de geviseerde verdachten, tenzij het Openbaar Ministerie voor de feiten vermeld in de (ontoelaatbare) klacht een gerechtelijk onderzoek instelt (art. 47 Sv.), wat in deze zaak ontbreekt. Na een beslissing van het onderzoeksgerecht over de niet-ontvankelijke klacht met burgerlijke partijstelling kan de procureur des Konings nog een onderzoek voeren, dat kan uitmonden in een rechtstreekse dagvaarding van de verdachten voor de correctionele rechtbank (art. 182 Sv.). Niets belet overigens de burgerlijke partij om een burgerlijke procedure ingesteld wegens contractuele tekortkomingen voort te zetten.
  2. Eiser verwijst ook naar het arrest van 8 november 2001, waarin het Hof oordeelde dat een vordering tot terugbetaling van kosten voor werken die zonder de vereiste vergunning werden uitgevoerd, niet bedoeld is om een onwettige toestand in stand te houden
(29). In die zaak ging het om kosten voor het verplaatsen van openbare leidingen, waarbij vastgesteld werd dat de onregelmatige situatie in Dilbeek ontstond door werken zonder bouwvergunning, uitgevoerd in opdracht van het Wegenfonds, als de rechtsvoorganger van het Vlaams Gewest (toen verweerder). De gemeente Dilbeek (eiser in cassatie), die veroordeeld werd tot terugbetaling, had niet geprobeerd het ontbreken van een bouwvergunning te laten sanctioneren. Dit arrest biedt volgens mij geen steun voor de stelling van eiser, want in deze zaak heeft eiser zelf de onwettigheid gepleegd, steunt zijn burgerlijke vordering op die onwettige situatie en richt hij zijn vordering tegen contractspartijen die volgens hem betrokken zijn bij het vermeende misdrijf. 27. Het eerste middel over het rechtmatig belang, gesteund op artikel 17 Ger.W., faalt bijgevolg naar recht. Voor het overige is het ingeroepen artikel 149 Grondwet niet van toepassing op onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek (regeling der rechtspleging)
(30). Ondergeschikt voert een grief die een rechterlijke beslissing verwijt uit haar vaststellingen onwettig een bepaald gevolg af te leiden geen motiveringsgebrek aan, maar bekritiseert het de wettigheid van de beslissing. In zoverre faalt het middel gesteund op art. 149 Grondwet eveneens naar recht
(31). 28. Het tweede middel komt op tegen het oordeel dat de beweerde schade niet volgt uit het misdrijf omschreven in de klacht met burgerlijke partijstelling, maar louter uit de uitvoering van de herstelvordering van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur. Eiser voert een schending aan van de artikelen 3 VT Sv. en 63 Sv., omdat bij opening van het gerechtelijk onderzoek de burgerlijke partij nog geen bewijs moet leveren van de schade en van het oorzakelijk verband met de aangeklaagde feiten. Het volstaat om de schade, de fout en het oorzakelijk verband aannemelijk te maken. Volgens eiser heeft hij wel aannemelijk gemaakt dat verweerders fouten hebben begaan in hun (contractuele) advies-en bijstandsverplichting, en die fouten bijdroegen aan de schade. Zonder hun medewerking was er nooit enige inbreuk op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening begaan. Daarbij is het niet relevant te weten of de schade ontstaan uit een onrechtmatige daad voor de benadeelde rechtstreeks of onrechtstreeks is
(32). Volgens eiser leed hij een dubbele schade door toedoen van verweerders. De verbouwde hoeve ter waarde van 131.200 euro is afgebroken en er blijft nu alleen een braakliggend terrein over van 2.500 euro, wat een waardevermindering inhoudt van 128.700 euro. Bovendien betaalde hij aan verweerders facturen voorafgaand aan enige stedenbouwkundige overtreding, voor een totaalbedrag van 74.924 euro. 29. Naar mijn mening kan het middel niet tot cassatie leiden, zelfs al is het gegrond, omdat eiser alleen opkomt over het oordeel dat de klacht met burgerlijke partijstelling ‘bovendien’ niet ontvankelijk is, met als reden dat eiser niet aantoont schade te hebben geleden. In eerste instantie is de klacht met burgerlijke partijstelling afgewezen als niet-ontvankelijk omdat eiser niet beschikt over een rechtmatig belang, zoals bekritiseerd in het eerste middel. Het tweede middel is bijgevolg niet-ontvankelijk. Conclusie: verwerping. _________________________________________________________________
(1)Cass. 30 mei 2023, AR P.22.1719.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.4, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.4, RW 2023-24, 1344; Cass. 11 februari 2003, AR P.02.0608.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030211.6, AC 2003, nr. 94.
(2)Cass. 20 mei 2025, AR P.25.0047.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250520.2N.27, NC 2025, 157; Cass. 7 november 2023, AR P.23.0713.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12, RW 2023-24, 1675, RABG 2024, 1158 noot V. VEREECKE; Cass. 16 maart 2021, AR P.20.1120.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.14.
(3)Cass. 7 december 1994, AR P.94.0575.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941207.13, AC 1994, nr. 540.
(4)M. KRUITHOF, “Is een vordering tot schadeloosstelling voor de krenking van een onrechtmatig belang ontoelaatbaar of ongegrond?”, RW 2022-23, 1563-1578.
(5)Vb. Cass. 20 mei 2025, AR P.25.0047.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250520.2N.27, NC 2025, 157; Cass. 16 september 2025, AR P.25.0400.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.9, met concl. OM, RABG 2025, 1189, noot J. HUYSMANS; Cass. 11 juni 2024, AR P.23.1538.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.21, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS, RW 2024-25, 467, NC 2025, 425; Cass. 30 mei 2023, AR P.22.1719.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.4, met concl. OM, RW 2023-24, 1344; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0895.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.5, AC 2018, nr. 128; Cass. 8 mei 2012, AR P.11.1814.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.4, AC 2012, nr. 285. Over de vereiste van een rechtmatig belang in het aansprakelijkheidsrecht zie R. VERSTRAETEN, D. VAN DAELE, A. BAILLEUX en J. HUYSMANS, De burgerlijke partijstelling: analyse en toekomstperspectief, Intersentia 2012, 23-24; P. COLSON, La réparation des préjudices corporels en droit de la responsabilité extracontractuelle, Larcier 2022, 64-84; L. DE SOMER, “Schade”, in Handboek Letelschade. Gemeen recht, Kluwer 2024, A.I. 2/15, pp. 19-24; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, I, 339-342 en 820-827; M. KRUITHOF, “Is een vordering tot schadeloosstelling voor de krenking van een onrechtmatig belang ontoelaatbaar of ongegrond?”, RW 2022-23, 1563-1578.
(6)Cass. 9 januari 2024, AR P.23.1398.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.6, NC 2024, 268. Zie ook Cass. 19 december 2023, AR P.23.1349.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.7; Cass. 18 november 2020, AR P.20.0012.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201118.2F.4, AC 2020, nr. 710 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; zie G. JOCQUE, “Schade en gevolgen van aansprakelijkheid”, TPR 2021, 379-407; M. KRUITHOF, “Is een vordering tot schadeloosstelling voor de krenking van een onrechtmatig belang ontoelaatbaar of ongegrond?”, RW 2022-23, 1563-1578.
(7)J. RONSE, Schade en schadeloosstelling, APR 1984, p. 39, met verwijzing naar Cass. 16 januari 1939, Pas. 1939, I, 25; Cass. 2 mei 1955, Pas. 1955, I, 950 en Cass. 4 september 1972, AC 1973, 1.
(8)J. RONSE, Schade en schadeloosstelling, APR, Story-Scientia, 1984, p.39.
(9)R. VERSTRAETEN en F. VERBRUGGEN, Inleiding tot het Belgische strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia 2023, 168.
(10)Vb. Cass. 19 december 1978, AC 1978, I, 466, RW 1978-79, 1709 over de (ontoelaatbare) vordering van een gehuwde vrouw die een gezin vormde met een andere man, ingesteld tegen de verzekeraar van de persoon die verantwoordelijk is voor het overlijden van die andere man; L. DE WILDE, “Begrip schade”, in Onrechtmatige daad. Actuele tendensen, Kluwer 1979, 211213; J. RONSE, Schade en schadeloosstelling, APR 1984, p. 51.
(11)Cass. 27 juni 2013, AR C.12.0340.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130627.4, AC 2013, nr. 402.
(12)Cass. 2 december 2002, AR C.98.0460.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.5, AC 2002, nr. 646: “Overwegende dat de uitdrukking "nemo auditur suam turpitudinem allegans" een rechtsspreuk is en geen algemeen rechtsbeginsel. Dat de miskenning van zodanige rechtsspreuk alleen dan aanleiding geeft tot cassatie als daardoor een wet of een verordeningsbepaling waarin zij is vastgelegd, wordt geschonden, wat te dezen niet het geval is”, zie A. BOSSUYT, “Algemene rechtsbeginselen”, Studie in het Jaarverslag van het Hof van Cassatie 2003, Larcier 2003, 139. In dezelfde zin Cass. 10 januari 2024, AR P.23.1692.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240306.2F.2, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH; Cass. 5 september 1996, AR C.95.0323.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960905.10, AC 1995, nr. 291. Contra: Cass. 19 mei 1961, Pas. 1961, 1008, RW 1961-62, 1603.
(13)A. LENAERTS, Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht, die Keure 2013, 364.
(14)Cass. 2 april 1998, AR C.94.0438.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980402.13, AC 1998, nr. 188, met concl. van procureur-generaal M. DE SWAEF, toen advocaat-generaal. In dezelfde zin zie Cass. 28 november 2013, AR C.13.0166.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131128.7, AC 2013, nr. 645; Cass. 2 maart 2006, AR C.05.0061.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.5, AC 2006, nr. 120; Cass. 7 oktober 2003, AR P.03.0422.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031007.9, AC 2003, nr. 482.
(15)Cass. 2 april 1998, AR C.94.0438.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980402.13, AC 1998, nr. 188, met concl. van procureur-generaal M. DE SWAEF, toen advocaat-generaal.
(16)Concl. van procureur-generaal M. DE SWAEF, toen advocaat-generaal, in de zaak Cass. 2 april 1998, AR C.94.0438.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980402.13, AC 1998, nr. 188, pp. 408 en 409.
(17)Cass. 19 december 2023, AR P.23.1349.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.7. In dezelfde zin Cass. 9 januari 2024, AR P.23.1398.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.6; Cass. 4 november 2022, AR C.21.0547.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221104.1N.6; Cass. 15 september 2015, AR P.14.0561.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.2, AC 2015, nr. 512, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS; Cass. 28 november 2013, AR C.13.0166.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131128.7, AC 2013, nr. 645; Cass. 27 juni 2013, AR C.12.0340.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130627.4, AC 2013, nr. 402 (over de kosten voor het herstel van een zwemvijver die was aangelegd in strijd met stedenbouwkundige voorschriften). Over de voorwaarden voor de toelaatbaarheid van de burgerlijke rechtsvordering ingesteld voor de strafrechter, zie ook P. VANLERSBERGHE, “Commentaar bij art. 18 Ger.W.”, in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar, Kluwer 2002, 7-10; G. JOCQUE, “Het nieuwe buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht in boek 6 BW: vaarwel 1382”, RW 2025-26, 728-729; R. VERSTRAETEN en F. VERBRUGGEN, Inleiding tot het Belgische strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia 2023, 168; M. KRUITHOF, “Is een vordering tot schadeloosstelling voor de krenking van een onrechtmatig belang ontoelaatbaar of ongegrond?”, RW 2022-23, 1271-1572; T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Larcier 2025, 836-837.
(18)Cass. 25 januari 2024, AR C.22.0427.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.3, met concl. van advocaat-generaal E. HERREGODTS, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240125.1N.3; Cass. 28 november 2013, AR C.13.0166.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131128.7, AC 2013, nr. 645, RABG 2014, 350 noot S. SONCK; Cass. 14 december 2012, AR C.12.0232.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121214.5, AC 2012, nr. 691.
(19)Cass. 14 mei 2003, AR P.02.1204.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030514.33, AC 2003, nr. 294, met concl. van advocaat-generaal J. SPREUTELS. Over de invulling van een ongeoorloofd voordeel, wat de regelmatigheid van de burgerlijke vordering aantast, zie ook Conclusie van advocaat-generaal A. WINANTS in de zaak Cass. 15 september 2015, AR P.14.0561.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.2, AC 2015, nr. 512.
(20)Met verwijzing in zijn memorie naar de aangehaalde arresten Cass. 2 april 1998, AR C.94.0438.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980402.13, AC 1998, 188 en Cass. 19 december 2023, AR P.23.1349.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.7, RW 2024-25, 144.
(21)Over deze componenten vb. Cass. 25 januari 2024, AR C.22.0427.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.3, met concl. van advocaat-generaal B. HERREGODTS, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240125.1N.3.
(22)Cass. 16 juni 2014, AR C.12.0402.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140616.3, AC 2014, nr. 429, met concl. van advocaat-generaal J.M. GENICOT, op datum in Pas..
(23)M. KRUITHOF, “Is een vordering tot schadeloosstelling voor de krenking van een onrechtmatig belang ontoelaatbaar of ongegrond?”, RW 2022-23, 1564.
(24)Concl. van advocaat-generaal J.M. GENICOT in de zaak Cass. 16 juni 2014, AR C.12.0402.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140616.3, Pas. 2014, nr. 429.
(25)Over deze voorwaarden zie Concl. van advocaat-generaal A. WINANTS in de zaak Cass. 15 september 2015, AR P.14.0561.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.2, AC 2015, nr. 512.
(26)In die zin zie L. DE WILDE, “Begrip schade”, in Onrechtmatige daad. Actuele tendensen, Kluwer 1979, 200 en 211; P. VANLERSBERGHE, “Commentaar bij art. 18 Ger.W.”, in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar, Kluwer 2002, p.10; A. LENAERTS, Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht, die Keure 2013, 364-365.
(27)M. KRUITHOF, “Is een vordering tot schadeloosstelling voor de krenking van een onrechtmatig belang ontoelaatbaar of ongegrond?”, RW 2022-23, 1577.
(28)M. KRUITHOF, “Is een vordering tot schadeloosstelling voor de krenking van een onrechtmatig belang ontoelaatbaar of ongegrond?”, RW 2022-23, 1570.
(29)Cass. 8 november 2001, AR C.99.0159.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011108.4-C.99.0166.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011108.4, AC 2001, nr. 606.
(30)Cass. 17 juni 2025, AR P.25.0536.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.34; Cass. 26 september 2018, AR P.18.0250.F, AC 2018, nr. 502, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180926.10; Cass. 5 juni 2013, AR P.12.1881.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130605.2, AC 2013, nr. 344.
(31)Cass. 14 november 2023, AR P.23.0759.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.15, RO 4 en 13; Cass. 7 november 2023, AR P.23.0713.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12, RO 17, RW 2023-24, 1675, RABG 2024, 1158 noot V. VEREECKE.
(32)Eiser verwijst hiervoor naar Cass. 9 januari 2024, AR P.23.1398.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.6, NC 2024, 268. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941207.13 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960905.10 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980402.13 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011108.4 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.5 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030211.6 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030514.33 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031007.9 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121214.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130605.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130627.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131128.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140616.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180926.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201118.2F.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.14 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221104.1N.6 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.15 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240125.1N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240306.2F.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.21 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240125.1N.3 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250520.2N.27 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.34 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.