← België

T. contra MINISTER VAN JUSTITIE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Rechterlijke beslissing van 23 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:DEC.20260423.COH.2 Rolnummer: COH A.R. 608.N Zaak: T. contra MINISTER VAN JUSTITIE Kamer: COH Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-05-08 Raadplegingen: 167 - laatst gezien 2026-06-18 06:47 Fiche Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ONWETTIGE EN ONWERKZAME HECHTENIS - Allerlei Tekst van de beslissing In de zaak COH. A.R. 608.N van T, verzoeker, tegen MINISTER VAN JUSTITIE, met kabinet te 1000 Brussel, Waterloolaan

  1. I. Bestreden uitspraak
  2. De minister van Justitie heeft op 24 oktober 2025 de bestreden beslissing genomen. II. Feiten
  3. Op 16 september 2023 werd de verzoeker van zijn vrijheid beroofd en de dag nadien heeft de onderzoeksrechter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zijn aanhouding bevolen wegens handel in verdovende middelen in vereniging.
  4. De verzoeker kwam in beeld bij een heterdaadbetrapping inzake een drugtransactie van druppelverpakkingen cocaïne.
  5. Bij beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 29 december 2023 werd de verzoeker verwezen naar de correctionele rechtbank voor de hem ten laste gelegde feiten. Met een afzonderlijke beschikking van dezelfde datum werd zijn hechtenis gehandhaafd.
  6. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 26 januari 2024 werd de verzoeker schuldig verklaard aan de hem ten laste gelegde feiten onder de telastlegging A2 (heromschreven als bezit, aankoop en vervoer van middelen zonder vergunning, namelijk cocaïne) en werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden en tot een geldboete van 8.000,00 euro, met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van drie jaar voor de gevangenisstraf met uitzondering van de reeds ondergane voorhechtenis, alsook voor de geldboete. Op dezelfde datum werd de verzoeker vrijgelaten. Dit vonnis heeft kracht van gewijsde.
  7. De hechtenis heeft 133 dagen geduurd. III. Rechtspleging A. Voor de minister van Justitie
  8. De verzoeker heeft een verzoek tot vergoeding ingediend, ontvangen op 9 mei 2025, strekkende tot toekenning van een vergoeding wegens morele schade voor een onwerkzame hechtenis ondergaan gedurende 132 dagen, voor een totaalbedrag van 13.200,00 euro, hetzij 100,00 euro per dag.
  9. Op 24 oktober 2025 beslist de minister dat het verzoekschrift van de verzoeker niet ontvankelijk is omdat de verzoeker niet bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing buiten de zaak werd gesteld en uit het vonnis blijkt dat het gedeelte van de voorlopige hechtenis werd toegerekend op de uitgesproken straf. B. Voor de Commissie
  10. De verzoeker heeft op 23 december 2025 een e-mail gestuurd naar het e-mailadres van de griffie van het Hof van Cassatie, met verschillende bijlagen. Op 28 december 2025 verduidelijkt hij via e-mail dat hij door middel van de e-mail van 23 december 2025 beroep heeft aangetekend tegen de beslissing van de minister van Justitie van 24 oktober
  11. De minister van Justitie heeft een memorie van antwoord ingediend die op het secretariaat van de Commissie ontvangen is op 19 januari
  12. Hierin verzoekt de minister om het verzoekschrift niet ontvankelijk te verklaren wegens laattijdigheid en de niet-naleving van het vormvoorschrift dat het verzoekschrift tot beroep moet worden neergelegd ter griffie van het Hof van Cassatie en er geen wettelijke regeling bestaat die erin voorziet het beroep per e-mail in te dienen.
  13. Op de rechtszitting van 23 april 2026 heeft de voorzitter van het Hof van Cassatie verslag uitgebracht.
  14. De verzoeker was afwezig op de rechtszitting.
  15. Philip Brughmans, attaché bij de federale overheidsdienst Justitie, is gehoord namens de minister van Justitie.
  16. Plaatsvervangend magistraat Alain Winants heeft advies uitgebracht. IV. Beslissing van de Commissie
  17. Volgens artikel 28, § 5, eerste lid, Wet Onwerkzame Hechtenis bestaan de beroepen en de verzoeken tegen de beslissing van de minister van Justitie betreffende de vraag tot vergoeding voor onwerkzame hechtenis, uit een verzoekschrift in twee exemplaren, getekend door de partij of zijn advocaat en neergelegd ter griffie van het Hof van Cassatie, binnen de zestig dagen na de kennisgeving van de beslissing van de Minister of na verloop van de termijn waarin hij uitspraak had moeten doen.
  18. Het verzoek dat door de verzoeker per e-mail werd verzonden naar het e-mailadres van de griffie van het Hof van Cassatie op 23 december 2025 werd aldus niet neergelegd ter griffie van het Hof van Cassatie in twee exemplaren en werd evenmin ondertekend door de partij. Dit verzuim wordt niet rechtgezet door de e-mail die de verzoeker verstuurde naar het e-mailadres van de griffie van het Hof van Cassatie op 28 december 2025 waarin hij verduidelijkte dat hij door middel van de e-mail van 23 december 2025 beroep aantekende tegen de beslissing van de minister van Justitie van 24 oktober
  19. Bij ontstentenis van een wettelijk kader dat voorziet in de neerlegging van een verzoekschrift door de verzoeker in zaken van onwerkzame hechtenis via eenvoudige e-mail en bij ontstentenis van een door Justitie aangenomen informaticasysteem waarin wordt bepaald dat een toezending via e-mail geldt als een geldige neerlegging van het verzoekschrift, kan de Commissie geen rekening houden met de e-mails van 23 en 28 december 2025 van de verzoeker tot mededeling van zijn verzoekschrift aan de Commissie.
  20. Het verzoek is bijgevolg niet ontvankelijk. DICTUM De Commissie, uitspraak doende in openbare zitting na behandeling met gesloten deuren, verklaart het verzoek niet ontvankelijk. Aldus door de Commissie van beroep inzake onwerkzame hechtenis uitgesproken in openbare rechtszitting 23 april 2026, waar aanwezig zijn de voorzitter van het Hof van Cassatie Filip Van Volsem, voorzitter, de eerste voorzitter van de Raad van State Wilfried Van Vaerenbergh, lid, de voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies Peter Callens, lid, plaatsvervangend magistraat Alain Winants en de griffier Ayse Birant, secretaris. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:DEC.20260423.COH.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.