← België

ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040518.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 18 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040518.8 Rolnummer: 40192 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-10-27 Raadplegingen: 137 - laatst gezien 2026-07-03 19:24 Versie(s): Vertaling FR Fiche xxxHet vrijwillig toekennen van een aanvullend pensioen is een sociaal voordeel vallend onder het in artikel 45 van de RSZ-wet van 27 juni 1969 vervatte gelijkheidsbeginsel. Aanvullende sociale voordelen moeten gegeven worden aan alle werknemers van dezelfde categorie binnen de onderneming. Bij een onderscheid binnen een categorie rijst het vermoeden dat het onderscheid berust op een criterium dat niet objectief en redelijk verantwoord is. Het behoort aan de werkgever de motieven mee te delen waarom een belanghebbende werknemer niet genoten heeft van het voordeel. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ALGEMENE REGELING - Loon - Aanvullende sociale zekerheidsvoordelen - Art. 45 RSZ-Wet van 27 juni 1969 - Aanvullend pensioen - Geen onderscheid tussen werknemers van dezelfde categorie. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 45 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Annotaties Publicaties: CHRONIQUE DE DROIT SOCIAL - - 2005(P.15-16) SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(P.15-16) Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTTIEN MEI TWEEDUIZEND ENVIER. 3de KAMER Bediendecontract Op tegenspraak Definitief + Verwijzing Rechtbank Koophandel te Brussel INZAKE : 1 Mr. Alain d' IETEREN, advocaat te 1170 Brussel, Lahulpesteenweg, 187 2 Mr. Jean BAYART, advocaat, de Broquevillelaan, 116/10, 1200 Brussel, 3 VAN BUGGENHOUT Cristian, advocaat, H. Wafelaertsstraat, 47, 1060 Brussel,

  1. VAN MIEROP Ilse, advocaat te 1060 Brussel, H. Wafelaertsstraat, 47, 5 VAN DOOSSELAERE Thierry, advocaat te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat, 27, handelend in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de N.V. SABENA, uitgesproken bij vonnis van 7 november 2001 door de rechtbank van koophandel te Brussel Appellanten q. q., allen vertegenwoordigd door Mr. Jean Bayart, advocaat, voormelde tweede appellant q.q.; TEGEN : R. M. A. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. E. Nieuwdorp loco Mr. J. Heynderickx , advocaat te Brussel. x x x Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hierna volgend arrest uit: Gelet op de stukken der rechtspleging, inzonderheid: Gelet op het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de twaalfde kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel d.d. 23 maart 2000; Gelet op het verzoekschrift in hoger beroep neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 23 juni 2000; Gelet op de besluiten van partijen en de antwoordbesluiten van geïntimeerde; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 6 april 2004, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen; Feiten en procedure voorgaanden : Mevrouw R. trad in dienst van N.V. Sabena op 15 mei 1970, in de hoedanigheid van air hostess. Zij geniet sedert 1 oktober 1996 een rustpensioen op 55-jarige leeftijd. Dit werd door de Nationale Dienst der Pensioenen berekend op 25/34ste. Bij dagvaarding d.d. 5 juni 1997, herleid bij besluiten, vorderde mevrouw R. conform de CAO van 29 maart '84 de toewijzing van een zeker aantal jaren, aanvulling op haar verworven pensioen tot de vervollediging van een volle carrière van 34/34ste in de burgerlijke luchtvaart hetzij 9/34ste.en bijgevolg betaling van een bedrag van 240.698 fr. bruto per jaar uit hoofde van aanvullend pensioen, bedrag dat verbonden is aan het indexcijfer volgens het principe dat van toepassing is op het wettelijk pensioen, dit alles vermeerderd met de gerechtelijke intresten. De Eerste Rechter verklaarde de vordering ontvankelijk en gegrond in hiernavolgende mate namelijk veroordeling van N.V.Sabena om te betalen de som van 5.966.75 EUR bruto per jaar, ten titel van jaarlijks aanvullend pensioen, dit bedrag te indexeren overeenkomstig de index op de ouderdomspensioenen, te vermeerderen met de wettelijke intresten op de overeenstemmende netto bedragen en dit uitsluitend voor de achterstallen te rekenen vanaf 1 november 1996 tot op het ogenblik van effectieve betaling en de gerechtelijke intresten; meer de kosten van het geding; Volgens de Eerste Rechter voorzag een bijlage aan de CAO van 29 maart '84 een afwijking omtrent de vierde voorwaarde tot bekomen van een bijkomend pensioen voor het vliegend cabinepersoneel. De afwijking bestond erin dat de bediende ook recht zou hebben op het bijkomend pensioen wanneer de indiensttreding bij N.V.Sabena gebeurde boven de leeftijd van 26 jaar maar op de normale leeftijd van indiensttreding welke destijds van toepassing was. In een welbepaalde periode kon het in dienst nemen van vliegend cabinepersoneel gebeuren na de leeftijd van 26 jaar en de voorwaarde om er air hostess te kunnen zijn bedroegen minstens 21 jaar en hoogstens 30 jaar. Aangezien mevrouw R. aangeworven werd als lid van het vliegend cabinepersoneel op 29 jaar en zeven maanden voldoet zij derhalve aan de vierde voorwaarde voorzien in het bijvoegsel van de CAO van 29 maart '
  2. BEROEPSGRIEVEN : N.V.Sabena verwijt de Eerste Rechter dat deze de vordering gegrond verklaarde op grond van een bijlage van de CAO van 29 maart '
  3. Het stuk waarnaar de Eerste Rechter verwijst is geen bijlage doch een niet ondertekend ontwerp, of intern document dat geen enkele verbintenissen schept in hoofde van mevrouw R. M.-A.. Zelfs al werd door N.V.Sabena een aanvullend pensioen toegekend aan sommige personeelsleden dan gebeurde dit op grond van sociale overwegingen, en is dit een eenzijdige beslissing, en dus een vrijgevigheid waarop mevrouw R. M.-A. zich niet kan baseren. In ondergeschikte orde meent appellante dat het recht op aanvullend pensioen in geen geval hoger mag zijn dan 5/34 maximum. Dit maximum is een gevolg van een strikte toepassing van de CAO van 29 maart '
  4. Indien iemand op de leeftijd van 21 jaar aangeworven is en als lid van het vliegend personeel tot de leeftijd van 55 jaar werkt dan heeft hij een volle loopbaan 34/34 sten bereikt. Indien iemand op de leeftijd van 26 jaar aangeworven is, heeft hij recht op een aanvullend pensioen van 5/34sten om een volle loopbaan te bereiken. Het was dus niet nodig om uitdrukkelijk te bepalen dat het aanvullend pensioen niet hoger dan 5/34 te mag zijn. Er zijn geen wettelijke intresten verschuldigd zoals door de Eerste Rechter bepaald aangezien het aanvullend pensioen niet kan beschouwd worden als loon in de zin van de wet op de loonbescherming (art. 2 lid 3). Geïntimeerde put haar rechten uit het individueel berekeningsproject, waaruit de gewoonte bestaat en de aanvaarding in hoofde van N.V.Sabena om een aanvullend pensioen toe te kennen wanneer men niet voldoet aan de vierde voorwaarde van de CAO maar wanneer men voldoet aan de voorwaarde van leeftijd van aanwerving , dewelke op dat ogenblik bij Sabena bestond. Minstens 7 andere personeelsleden in dezelfde omstandigheden bekwamen vrijwillig dit aanvullend pensioen, daar waar zij op een oudere leeftijd dan 26 jaar in dienst werden genomen. Wanneer de werkgever hetzij spontaan hetzij ten gevolge van een collectief akkoord aan een geheel van een categorie van zijn personeel hetzelfde voordeel toekent behoort het hen toe ingeval van betwisting de motieven mede te delen waarom andere personeelsleden niet van dit voordeel konden genieten. BEOORDELING : Ontvankelijkheid van het Hoger beroep : Er wordt geen betekening van het bestreden vonnis overgelegd . Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist.. Het is derhalve ontvankelijk. Ten gronde : De CAO van 29 maart '84 voorziet in artikel twee in 4 cumulatieve voorwaarden opdat het vliegend cabinepersoneel van een aanvullend pensioen zou kunnen genieten nl :
  5. de leeftijd hebben bereikt van 55 jaar
  6. Een minimale carrière hebben van 23 jaar in de burgerlijke luchtvaart
  7. Niet de volle carrière van 34/34 ste in de burgerlijke luchtvaart hebben bereikt
  8. Als lid van het cabinepersoneel in dienst te zijn getreden van N.V.Sabena ten laatste voor de leeftijd van 26 jaar; Het wordt door partijen niet betwist dat geïntimeerde voldoet aan de drie eerste voorwaarden. Het wordt door partijen evenmin betwist en dit blijkt eveneens uit het niet ondertekend document dat als ontwerp wordt aangemerkt, dat stuk vijf geen bijlage is aan een CAO, doch een persoonlijk en individueel berekeningsprojekt, uitgaande van N.V.Sabena, in dezelfde omstandigheden in het individueel dossier van een collega mevrouw V. L.. Dit individuele project opgesteld door N.V.Sabena zelf, enkele maanden voor de oppensioentreding van Mevrouw V. L., vermeldt onder de voorwaarde nummer vier in het klein : vert: " behoudens indien de aanwerving gebeurde na de leeftijd van 26 jaar, maar op een leeftijd van normale indiensttreding op dat ogenblik." Hieruit blijkt dat in de praktijk de leeftijd van 26 jaar door N.V.Sabena niet als een noodzakelijke eisbare voorwaarde werd gesteld om een recht op een aanvulling op het pensioen te bekomen, indien de oorspronkelijke aanwerving gebeurde na de leeftijd van 26 jaar maar aan een normale leeftijd waarop destijds in dienst te genomen werd. Bijgevolg aanvaardde N.V.Sabena zelf , en dit zelfs schriftelijk zoals vermeld op het project, dat zij aanvaard had in de praktijk om het aanvullend pensioen te betalen aan het vliegend cabinepersoneel aangeworven na de leeftijd van 26 jaar, wanneer het voor haar op het ogenblik van de aanwerving, onmogelijk was voldoende air hostesses te vinden onder de 26 jaar. Uit een door de N.V.Sabena opgesteld document blijkt dat op een gegeven tijdsvak de aanwervingsvoorwaarden om air hostess te worden de minimumleeftijd 21 was, doch met een maximum van 30 jaar.(zie stuk 7 dossier geintimeerde). Uit de stukken van het dossier blijkt dat minstens 7 andere personeelsleden over minstens een aantal jaren gespreid , vrijwillig dit aanvullend pensioen bekwamen van Sabena, terwijl zij op een oudere leeftijd dan 26 jaar in dienst werden genomen en dus evenmin voldeden aan de vierde voorwaarde van voormelde CAO. Het vrijwillig toekennen in deze omstandigheden van een aanvullend pensioen aan de airhostessen die in dienst zijn genomen na de leeftijd van 26 jaar en voor hun 30 jaar, gelet op de toenmalige economische schaarste in de aanwerving, is een sociaal voordeel,vallend onder het in artikel 45 van de RSZ wet van 27.6.1969 vervatte gelijkheidsbeginsel. Dit beginsel houdt in dat alle aanvullende sociale voordelen , die niet zijn opgenomen in de RSZ wet, gegeven moeten worden aan alle werknemers van dezelfde categorie binnen de onderneming. Bij een onderscheid binnen een categorie rijst het vermoeden dat het onderscheid berust op een criterium dat niet objectief en redelijk verantwoord is, Jan HOFKENS en Stijn DEMEESTERE, Discriminatierecht in de arbeidsverhoudingen, Ced Samson, 2003, Sociale Praktijkstudies, blz.
  9. Dit volstaat opdat de betrokken werknemer zich hierop kan beroepen .Dit criterium van aanwerving na 26 jaar tot 30 jaar ingeval van tijden van economische schaarste in aanwerving is objectief en redelijk verantwoord. Het Arbeidshof te Brussel in haar arrest van 1 maart '77 AR 3768 oordeelde terecht dat wanneer hetzij spontaan, hetzij ten gevolge van een collectief akkoord, de werkgever aan een geheel van een categorie van zijn personeel hetzelfde voordeel toekent, dan behoort het aan de werkgever, in geval van betwisting , de motieven mede te delen waarom het ene of het andere belanghebbende personeels lid niet heeft genoten van dit voordeel. Appellante slaagt er niet in te bewijzen waarom de andere zeven personeelsleden, zich bevindend in dezelfde situatie, dergelijk voordeel bekwamen en huidige geïntimeerde niet. Ook bewijst appellante geen enkele sociale reden. In casu, is dit zelfs een gebruik hetzij eenzijdige verbintenis vanwege appellante. Geïntimeerde als vliegend kabinetpersoneelslid aangeworven op negenentwintig jaar en 7 mdn had bijgevolg recht op een aanvullend pensioen zoals voorzien in de CAO van 29 maart '
  10. Geintimeerde toont echter niet aan dat het door Sabena vrijwillig toegekend aanvullend sociaal voordeel voor de betreffende categorie van vliegend cabinepersoneel het volledig aantal ontbrekende jaren betreft. Het feit dat één personeelslid Mevr. J. 7/34 ste jaren toegekend kreeg is hiervoor een onvoldoende grondslag. Integendeel, zowel de persoonlijke berekening van V.L., als het schrijven van 20 maart 1989, voor het personeelslid A., geven een maximale tussen- komst van 5/34ste in de ontbrekende 34sten. Dit is de ratio legis van de vrijwillige toekenning en van de vierde voorwaarde van de CAO van 29 maart 1984, minstens bewijst geintimeerde haar aanspraken niet. Er zijn geen wettelijke intresten verschuldigd zoals door de Eerste Rechter bepaald aangezien het aanvullend pensioen niet kan beschouwd worden als loon in de zin van de wet op de loonbescherming (art 2 lid 3 van de loonbeschermingswet.) De gerechtelijke interesten zijn wel verschuldigd vanaf de dagvaarding hetzij vanaf 5 juni
  11. OM DEZE REDENEN: HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Rechtdoende op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond Vernietigt het vonnis a quo alleen in de hiernavolgende mate: Zegt dat de toekenning van het bedrag van het aanvullend pensioen beperkt wordt tot 5/34ste en dat geen wettelijke intresten verschuldigd zijn. Gelet op het tussengekomen faillissement en dus verder statuerend krachtens artikel 1068 al 1 Ger Wb. Zegt voor recht dat geintimeerde aanspraak kan maken ten aanzien van het faillissement van de N.V. Sabena ten belope van VIJFDUIZEND NEGENHONDERD ZESENZESTIG EURO VIERENZEVENTIG CENT (5.966.74 EUR) bruto per jaar, ten titel van jaarlijks aanvullend pensioen, bedrag te indexeren overeenkomstig de index op de ouderdomspensioenen, en dit beperkt tot 5/34ste. Meer de gerechtelijke intresten binnen de perken van de wet van 8 augustus '97 op het faillissement; Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Koophandel te Brussel voor de verdere afhandeling als naar recht van het faillissement van de N.V. Sabena; Legt de gerechtskosten ten laste van geïntimeerde; Deze in eerste aanleg werden reeds toegekend en begroot deze in hoger beroep op : - voor appellante q.q. : - 243,93 _ rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; - voor geïntimeerde : - 130,17 _ betekeningskosten, - 255,83 _ rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de derde Kamer van het Arbeidshof te Brussel op achttien mei tweeduizendenvier Waren aanwezig : Mevrouw B. CEULEMANS: Raadsheer, de heer J. VERVECKEN: Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, Mevrouw B. MUSSCHE: Raadsheer in sociale zaken, als werknemer bediende, de heer E. POTOMS: Griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040518.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.