← België

ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040527.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 27 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040527.7 Rolnummer: 42890 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-25 Raadplegingen: 261 - laatst gezien 2026-07-04 21:24 Fiche Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS - JAARLIJKSE VAKANTIE - Vakantiegeld - Veranderlijke wedde - Begrip Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - 39 - 01 ELI link Pub nr 1967033001 Wet - 28-06-1971 - 9 - 03 ELI link Pub nr 1971062850 Nota: Hof van Cassatie 18 september 2006, 3de kamer, nr S. 05.0020.N., verwerpt het cassatieberoep. Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN VIER. 7de KAMER Sociale Zekerheid Bijdragen Op tegenspraak Definitief In de zaak : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, appellant, verschijnend bij Mr.Van Borm loco Mr. M. Van Asch, advocaat te 1800 Vilvoorde, Tegen : N.V. PH. VAN DEN STOCK ANC. ETS. BRASSERIE BELLE-VUE, met maatschappelijke zetel te 1600 Sint-Pieters-Leeuw, Bergensesteenweg 144, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 290.613, geïntimeerde, verschijnend bij Mr. Ph. Saelens loco Mr. Ch. Willems, advocaat te 1200 Brussel; Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 18 maart 2002; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 22 april 2002; - de besluiten en aanvullende besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 26 februari 2004, waarvan de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. Voorgaanden Bij dagvaarding betekend aan geïntimeerde op 10 augustus 1998 door het ambt van gerechtsdeurwaarder Frank Spruyt wordt de veroordeling van geïntimeerde gevorderd om de som van 1.377,47 EURO (55.567 fr.) aan appellant te betalen, ten titel van sociale zekerheidsbijdragen, bijdrageopslagen en intresten, te vermeerderen met de wettelijke verwijlintresten op 1.053,25 EURO (42.488 fr.) vanaf 5 juni 1998 en de kosten van het geding. Deze vordering is gebaseerd op een ambtshalve regularisatie van het vakantiegeld dat voor de periode van 1993 tot en met 1996 verschuldigd zou zijn op basis van de door geïntimeerde uitgekeerde bonussen. Bij vonnis dd. 18 maart 2002 van de achtste kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel wordt de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en wordt appellant ervan afgewezen. De eerste rechter stelde vast dat de wettelijke regeling inzake de toegekende variabele premies met grotere periodiciteit dan een maand vóór de inwerkingtreding van de koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999 geen duidelijkheid verschafte of deze als variabel loon aangemerkt dienden te worden in de zin van artikel 39, lid 1 van het vakantiebesluit en was van oordeel dat uit de door geïntimeerde gebruikte berekeningstechniek zoals uiteengezet in "Reglement Bonus-Plan" kan worden afgeleid dat het bedrag van de bonus niet rechtstreeks een afgeleide is van individuele prestaties of bedrijfsresultaten, gezien bij de berekening ervan geen rekening wordt gehouden met de resultaten van de onderscheiden vennootschappen binnen de Interbrew Groep, noch met de individuele inzet van de verschillende kaderleden. De uitbetaalde bonusbedragen vóór 1 december 1998 kunnen niet worden beschouwd als veranderlijk loon in de zin van artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967, zodat daarop geen vakantiegeld is verschuldigd en er bijgevolg desbetreffend geen sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn. Appellant tekent hoger beroep aan en verzoekt he Hof : " Het hoger beroep van verzoeker ontvankelijk en gegrond te horen verklaren. Bijgevolg het eerste vonnis teniet te doen, en hervormend, de oorspronkelijke vordering van verzoeker ontvankelijk en gegrond te horen verklaren. Geïntimeerde zich te horen veroordelen tot betaling aan verzoeker van de som van 1.377,47 EURO, verhoogd met de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet op 1.053,25 EURO vanaf 05.06.1998 tot op de dag van de effectieve betaling, alsook de gedingkosten van beide aanleggen, rechtsplegingsvergoedingen inbegrepen". Appellant stelt dat de veranderlijke premies zowel vóór als na 1 december 1998 in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van het vakantiegeld, met verwijzing naar de koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999, naar het advies nr. 1259 dd. 15 december 1998 van de NAR en naar het negatief advies van de Raad van State bij artikel 124 van de P.W.

  1. Verder stelt appellant dat de uitgekeerde boni in ieder geval gerelateerd zijn aan de resultaten van de vennootschap en aan de individuele performantie , dat zonder discussie vaststaat dat voor alle kaderleden rekening gehouden wordt met de brutowinst van de onderneming en het verkoopsvolume en dat zodra één factor, die een bonus bepaalt, variabel is, de bonus zelf noodzakelijk ook vairabel is. Geïntimeerde verzoekt het Hof: in hoofdorde, het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het vonnis a quo te bevestigen en in subsidiaire orde, voor het onmogelijke geval het Arbeidshof toch van oordeel zou zijn dat sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn, de opslagen te verminderen ten belope van 52,65 EURO en de intresten te herleiden tot 164,20 EURO. Geïntimeerde stelt in hoofdorde dat de handeling waarbij appellant beslist heeft de toestand van de werkgever te regulariseren, een bestuurshandeling in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 is en het voorwerp moet uitmaken van een uitdrukkelijke motivering, dat bij ontstentenis van motivering deze beslissing tot regularisatie nietig is en de vordering van appellant bijgevolg ongegrond is. In subsidiaire orde stelt geïntimeerde dat de toegekende bonus geen veranderlijk loon is gezien de jaarlijks toe te kennen bonus vooraf vaststaat, los van de individuele prestaties of de resultaten van de vennootschap, die slechts fungeren als verdeelsleutel. Tenslotte verwijst geïntimeerde naar het arrest van het Arbeidshof van Brussel dd. 27 februari
  2. Feiten Naar aanleiding van een onderzoeksverslag opgemaakt door de Sociale Inspectie dd. 13 januari 1998 wordt door appellant de aan de kaderleden in januari uitgekeerde bonussen als veranderlijk loon in de zin van artikel 39 van het koninklijk besluit dd. 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers beschouwd, zodat hierop enkel en dubbel vakantiegeld te betalen is, waarop sociale bijdragen zijn verschuldigd. Met formulier F 33 dd. 22 januari 1998 met kenmerk 557434 is het enkelvoudig vakantiegeld dat voor de periode van 1993 tot 1996 verschuldigd is op basis van de uitgekeerde bonussen ambtshalve aangegeven bij de R.S.Z. en deze regularisatie is uitgevoerd in het tweede kwartaal omdat het vakantiegeld bij Interbrew betaald wordt in de maand juni en dan ook in dit kwartaal wordt aangegeven. De berichten van wijziging conform artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 werden opgesteld op 12 maart 1998 en 16 maart
  3. Beoordeling door het Hof In verband met de beweerde toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen op de berichten van wijziging van de bijdragen verwijst het Hof samen met appellant naar het arrest van het Hof van Cassatie dd. 18 december 2000 met nummer S.99.0095.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001218.10 waarin als volgt wordt overwogen: " Overwegende dat, naar luid van artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling onder bestuurshandeling moet worden verstaan de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurders of voor een ander bestuur ; dat krachtens artikel 2 van de wet de bestuurshandeling bedoeld in de zin van het boven aangehaalde artikel 1 uitdrukkelijk moet gemotiveerd zijn. Overwegende dat krachtens artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wanneer geen dan wel een onvolledige of onjuiste aangifte is gedaan, de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen bepaalt aan de hand van alle reeds voorhanden gegevens of na alle daartoe nuttige geachte inlichtingen te hebben ingewonnen bij de werkgever, die verplicht is ze te verstrekken, en de werkgever van het bedrag van de aldus vastgestelde schuldvordering bij aangetekende brief kennis wordt gegeven. Dat naar luid van artikel 40, eerste lid van voornoemde wet de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid, onverminderd zijn recht om voor de rechter te dagvaarden de bedragen die hem verschuldigd zijn eveneens bij wijze van dwangbevel kan invorderen. Overwegende dat de litigieuze handeling ten deze bestaat in een met toepassing van voornoemd artikel 22 opgemaakt bericht van wijziging van bijdrage, waarvan op 29 maart 1995 aan verweerster kennis is gegeven. Dat een dergelijk bericht geen onmiddellijke rechtsgevolgen heeft en derhalve niet uitvoerbaar is, aangezien eiser de hem verschuldigde bedragen ofwel moet invorderen bij wijze van dwangbevel ofwel de bijdragen moet invorderen door te dagvaarden voor de arbeidsgerechten. Dat het wijzigingsbesluit geen bestuurshandeling is in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli 1991". De door geïntimeerde aangehaalde rechtspraak en de verwijzing naar de beslissing dd. 10 april 2003 doen aan de zienswijze van het Hof van Cassatie geen afbreuk. De wijzigingsberichten dd. 12 maart 1998 en 16 maart 1998 zijn geen bestuurshandelingen in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli
  4. Wat de grond van de zaak betreft verwijst het Hof naar haar arrest dd. 27 februari 2003 met A.R. nr. 42.775 en waarin het volgende wordt gesteld : " Artikel 39, lid 1 van het koninklijk besluit dd. 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers bepaalde : de bedienden wier wedde geheel veranderlijk is (provisies, premiën, percenten, kortingen, enz.) hebben per vakantiedag, recht op een vakantiegeld dat gelijk is aan het dagelijks gemiddelde der brutobezoldigingen die verdiend werden gedurende elk der twaalf maanden die de maand waarin de vakantie genomen wordt voorafgaan of in voorkomend geval gedurende het gedeelte van die twaalf maanden dat zij in dienst geweest zijn, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking. Bij arrest van 22 september 1980 oordeelde het Hof van Cassatie dat een eindejaarspremie voor de berekening van het vakantiegeld niet als veranderlijk loon kan worden aangemerkt om de enkele reden dat het bedrag van de premie elk jaar verschilt (Cass. 22 september 1980, R.W. 1980-1981, 1665). Bij arrest van1 juni 1987 oordeelde het Hof van Cassatie dat een in percenten vastgesteld aandeel in de winst dat aan de bediende als tegenprestatie van arbeid wordt toegekend veranderlijk loon is in de zin van artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 ook wanneer het slechts eens per jaar wordt betaald. Bij koninklijk besluit van 1 maart 1999 (B.S. 12 mei 1999) werd een alinea toegevoegd i.v.m. de veranderlijke premies waarvan de toekenning gekoppeld is aan een beoordeling van de prestaties van de bediende, aan het resultaat van de onderneming of van een afdeling ervan of aan andere criteria die de betaling ervan onzeker en wisselend maken. Dit koninklijk besluit werd stilzwijgend retroactief opgeheven door het koninklijk besluit van 28 april 1999 (B.S. 12 mei 1999) en bepaalt : "worden eveneens in aanmerking genomen als een veranderlijke wedde in de zin van het eerste lid, de veranderlijke premies waarvan de toekenning gekoppeld is aan een beoordeling van de prestaties van de bediende, aan zijn productiviteit, aan het resultaat van de onderneming of van een afdeling ervan of aan ieder criterium dat de betaling ervan onzeker en wisselend maakt, ongeacht de periodiciteit of het ogenblik van de betaling van deze premies". Artikel 2 van voormeld koninklijk besluit bepaalt dat dit besluit uitwerking heeft met ingang van 1 december
  5. De preambule luidt als volgt : " Gelet op de dringende noodzakelijkheid gemotiveerd door het feit dat in het verleden enige verwarring kon ontstaan omdat er in de rechtspraak uiteenlopende opvattingen bestaan omtrent de vraag of het vakantiegeld tijdens de uitvoering van de overeenkomst verschuldigd is op de jaarlijks of aan het eind van het boekjaar uitbetaalde gratificaties, zoals bonussen of premies wegens verdienste, en omdat de wetgeving terzake onvoldoende is ; dat de toestand voor de toekomst moet worden verhelderd ; dat artikel 1 van dit koninklijk besluit niet beoogt het verleden weer op losse schroeven te zetten ; dat dit besluit aansluit op advies nr. 1259 dat door de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad werd geformuleerd; dat derhalve moet worden gepreciseerd dat het begrip veranderlijke wedde in de zin van artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 voortaan moet worden begrepen in de zin die nader is bepaald in artikel 1 van dit koninklijk besluit". Het Hof is van mening dat op grond van de uitdrukkelijke voorziening in het koninklijk besluit van de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit en van de vermelding in de aanhef dat "voortaan" het begrip veranderlijke wedde in deze zin moet worden begrepen, het de bedoeling was om de variabele premies die een grotere periodiciteit hebben dan een maand, toegekend aan een bediende met een vaste wedde slechts vanaf 1 december 1998 in de berekening van het vakantiegeld te doen opnemen en dat voormelde koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999 geen interpretatieve koninklijke besluiten zijn". De loonbasis voor de berekening van het vakantiegeld werd pas met ingang van 1 december 1998 verruimd. Het Hof dient gelet op het voorgaande de overige verweermiddelen van geïntimeerde niet verder te onderzoeken. Het vonnis a quo dient zij het om een andere redengeving te worden bevestigd. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in de voorlezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 18 maart 2004; Gelet op de termijn verleend tot 9 april 2004 om te repliceren op het schriftelijk advies; Gelet op de repliekbesluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 9 april 2004, waarna de zaak op 22 april 2004 in beraad is genomen; Recht doende op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk, doch ongegrond ; Bevestigt het bestreden vonnis; Verwijst appellant conform artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek in de kosten, kosten tot op heden begroot op : - voor appellant 130,89 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor geïntimeerde 133,86 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zevenentwintig mei tweeduizend en vier. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VAN DE VELDE, Raadsheer de heer L. DERUA, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer H. SILON, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040527.7 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001218.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.