id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 21 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040621.1 Rolnummer: 43563 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-14 Raadplegingen: 166 - laatst gezien 2026-07-03 19:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche xxxEen transportonderneming die brandstoffen en bitumen vervoert voor rekening van petroleummaatschappijen ressorteert onder het Paritair Comité nr. 117 voor de petroleumnijverheid en -handel en niet onder het Paritair Comité nr. 140 voor het vervoer. Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN - COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - PARITAIR COMITE - Bevoegdheid - Paritair comité nr. 117 Petroleumnijverheid en -handel - Paritair comité nr. 140 Vervoer - Onderneming die enkel instaat voor vervoer van brandstoffen en bitumen. Wettelijke bepalingen: Wet - 05-12-1968 - 01 ELI link Pub nr 1968120503 Nota: Gepubliceerd in SRK 2005, 53. Gerangschikt onder IV B art. 35 om praktische redenen. Annotaties Publicaties: CHRONIQUE DE DROIT SOCIAL - - 2005(P.53) SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(P.53) Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN 21 JUNI 2004. 5de KAMER Arbeidscontract Op tegenspraak Definitief INZAKE : B.V.B.A. TRANSPORT G.G.T., met maatschappelijke zetel gevestigd te 3070 KORTENBERG, Kapellestraat 13. Appellante, vertegenwoordigd door Mr H. VAN HOOGENBEMT, advocaat te Antwerpen. TEGEN : V. P., Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mevr. I. GODTS, syndikaal afgevaardigde en volmachtdraagster te Leuven. x x x Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken der rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden vonnis, gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrechtbank van Leuven d.d. 1 oktober 2002; - het hoger beroep neergelegd ter griffie van het Arbeidshof Brussel d.d. 25 november 2002; - de besluiten en synthesebesluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 10 mei 2004. Gelet op de neergelegde stukken. x x x Feiten en procedurevoorgaanden Geïntimeerde trad in dienst van appellante vanaf 1 juni 1992 krachtens arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur als arbeider Bchauffeur. Bij aangetekend schrijven van 17 juni 1998 beëindigde geïntimeerde de arbeidsovereenkomst mits opzeg van 14 kalenderdagen. Bij schrijven van 22.02.1999 verzocht de vakvereniging van geïntimeerde betaling van de loonachterstallen conform de barema's in PC 117 over de periode van 1 september 1996 tot 19 juni 1998 evenals betaling eindejaarspremies voor 1997 en 1998 en de getrouwheidspremies. Met het bestreden vonnis, na dagvaarding, verklaarde de eerste rechter het PC 117 bevoegd voor appellante en veroordeelt zij appellante tot betaling van : 16.142,53 Eur bruto loonregularisatie voor de periode van 1.9.96 tot 19.06.1998, 1.164,83 Eur bruto t.t.v. loon en overloon, 948,04 Eur bruto t.t.v. regularisatie eindejaarspremie 1998, 1.295,27 Eur bruto t.t.v. regularisatie eindejaarspremie 1998, 876,06 Eur bruto t.t.v. getrouwheidspremie 1997, 502,83 Eur bruto t.t.v. getrouwheidspremie 1998 meer de wettelijke en gerechtelijke interesten op de overeenstemmende nettobedragen en de kosten van het geding. x x x Beroepsgrieven Appellante meent dat de eerste rechter ten onrechte het PC 117 bevoegd heeft verklaard op de activiteiten van de onderneming, dewelke zich enkel bezighoudt met gespecialiseerd vervoer van brandstoffen en bitumen. Het PC 140 vervoer is van toepassing en de lonen werden conform uitbetaald. De tekst van artikel 1 van het KB van 28 maart 1975, binnen het PC 117, en meer specifiek het woordje "en" geeft een cumulatief karakter aan de aldaar vermelde opsomming derwijze dat onder het PC 117 vallen de ondernemingen die een industriële en/of handelsbedrijvigheid uitoefenen, daarin begrepen het behandelen, de raffinage, het opslaan, het laden, het vervoeren en het lossen van deze producten. Een onderneming zoals appellante dewelke alleen vervoer van petroleumproducten doet, valt niet onder PC 117, aangezien dit PC niet bevoegd is voor ondernemingen die enkel transport en niet de gehele distributie van petroleumprodukten verzekeren. De eerste rechter heeft terecht gesteld dat de wetgever door de oprichting van paritaire comités het bedrijfsleven wenste te organiseren per bedrijfstak. Doch een bedrijfstak is een groep van bedrijven, welke in het maatschappelijk productie-proces een gelijke of verwante functie vervullen. De verschillende bedrijven, waarvan de hoofdactiviteit louter uit transport van goederen voor rekening van derden bestaat,maken een afzonderlijke bedrijfstak uit. Bijgevolg zijn de KB's afgesloten binnen het PC 117, in de niet cumulatieve interpretatie, strijdig met het begrip bedrijfstak zoals gebruikt in de artikelen 2 en 35 van de wet van 5 december 1968 en indien niet dan dient er een prejudiciële vraag gesteld aan het Arbitragehof of de art. 2 en 35 van de CAOwet niet de artikelen 10 en 11 van de grondwet schenden aangezien in ondernemingen van vervoer voor rekening van derden, het paritair comité afhankelijk is van de aard en of hoeveelheid vervoerde goederen. In het bestreden vonnis wordt er ten onrechte van uitgegaan dat het PC 140 een residuaire bevoegdheid heeft. Wanneer het KB van 13 maart 1973 bepaalt dat het PC 140 bevoegd is voor alle ondernemingen voor wegvervoer voor rekening van derden, maar niet het vervoer dat wordt verricht door een onderneming waarvoor een ander PC bevoegd is, dan is dit een loutere toepassing van het principe " accessorium sequitur principale " d.w.z. dat niet onder het PC 140 valt elk vervoer verricht door ondernemingen met een andere hoofdactiviteit dan transport. In het bestreden vonnis wordt verkeerdelijk gesteld dat de opsomming geen cumulatief karakter bevat en dit omwille van het feit dat alinea 3 van voormeld artikel anders overbodig was geweest. Geen enkele van de bij deze alinea uitgesloten ondernemingen voldoet namelijk aan de cumulatief gestelde voorwaarden. Uit de term "in ieder geval" dient ook te worden afgeleid dat de Koning enkele ondernemingen specifiek wenste uit te sluiten, doch ook dat deze opsomming van al. 3 geen uitsluiting op een andere basis (waaronder het niet voldoen aan de cumulatieve voorwaarden vermeld onder al 1) verhindert . x x x Beoordeling 1. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Er wordt geen betekening van het bestreden vonnis overgelegd . Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. Het is derhalve ontvankelijk. Buiten de vordering loonregularisatie PC 117 betwist appellante geen andere vordering, noch de berekeningswijze van de gevorderde bedragen. Hieruit dient besloten dat er dus geen hoger beroep werd ingesteld m.b.t. de andere vorderingen dan deze m.b.t. de loonachterstallen van het PC 117 . x x x 2. Ten gronde Het wordt door partijen niet betwist dat appellante een transportonderneming is die voornamelijk brandstoffen en bitumen vervoert, in een proportie 50 50 , en dit voor rekening van derden petroleummaatschappijen. De feitelijke gegevens van de sociale inspectie worden evenmin betwist nl. dat appellante in 1994 13.000 ton benzine en 7.250.000 ton bitumen verdeelde en dat de capaciteit van de vloot van tankwagens 456 m3 bedraagt . Volgens artikel 1 van het KB van 28.03.1975, gewijzigd bij KB van 19.01.1987 ressorteren onder het Paritair Comité 117 : "de ondernemingen die, hetzij voor eigen rekening, hetzij voor rekening van derden, op het stuk van petroleumproducten en Bderivaten, een industriële en /of handelsbedrijvigheid uitoefenen, daarin begrepen het behandelen, het opslaan, het laden, het vervoeren en het lossen van deze producten", en die tenminste aan één van de volgende minimummaatstaven voldoen (dit blijkt uit het bepaalde van al 2 van artikel 1 : " uitgesloten zijn de ondernemingen die aan geen enkele van de hieronder vermelde maatstaven beantwoorden; bijgevolg valt een onderneming dewelke aan één voorwaarde voldoen, onder PC 117).
- a)de distributie verzekeren van tenminste 40.000 ton per jaar van benzine, gas en stookolie samen;
- b)de distributie verzekeren van tenminste 8000 ton per jaar van samengeperst, vloeibaar gemaakt of samengeperst , vloeibaar gemaakt of opgelost petroleumgas;
- c)een vloot van tankwagens gebruiken waarvan de totale capaciteit (inhoud) 65 m3 bereikt, die al dan niet haar eigendom is;
- d)opslagplaatsen met een totale inhoudsruimte van tenminste 4000 m 3 , uit welke hoofde ook, bezitten of exploiteren. Appellante roept in dat het woordje "en" ertoe leidt dat alle activiteiten van distributie cumulatief toegepast dienen te worden wil het PC 117 van toepassing zijn, en bijgevolg alle vermelde distributieactiviteiten cumulatief dienen uitgevoerd door de betrokken onderneming wil het PC 117 van toepassing zijn. Artikel 1 vermeldt " industriële en/ of handelsbedrijvigheid" en "voldoen aan tenminste één minimum maatstaf". Er bestaat een onderscheid tussen of distributie, of vervoer (een vloot van tankwagens gebruiken, of een opslagplaats bezitten). Het gebruik van een vloot van tankwagens is afzonderlijk vermeld en bepalend voor de bevoegdheidsomschrijving en art. 1 al. 2 c laat toe dat deze niet zijn eigendom zijn. Bijgevolg valt de activiteit van vervoer uitbesteed aan derden waarvan de totale capaciteit 65 m3 bereikt onder art. 1, al. 1 van het KB en onder het PC 117. Dat de opgelegde capaciteit van de tankwagens eerder klein is, doet hieraan geen afbreuk. Paritaire Comités kunnen verschillen in functie van de grootte van de onderneming of zelfs in functie van de regio . " Het opslaan" wordt ook ondergebracht onder al.2
- d)van art. 1 voormeld en onder de handelsactiviteit van een onderneming (daarin begrepen) en het volstaat dat een onderneming louter een opslagplaats bezit van ten minste 4000 m3 om onder het PC 117 te vallen . Hieruit blijkt tevens uit de letterlijke lezing van artikel 1 dat de afzonderlijke activiteiten van opslaan, laden, lossen, vervoeren op zich volstaan voor de bevoegdheidsomschrijving van het PC 117 en niet cumulatief dienen toegepast. Hieruit blijkt dat een handelsbedrijvigheid zoals vervoer of distributie van petroleumproducten alleen mogelijk is omdat slechts aan één minimumvoorwaarde dient voldaan. Uit de lezing van artikel 1 blijkt dat de commerciële activiteit afzonderlijke deelapecten (distributie, vervoer, opslag) bevat dewelke niet allen gezamenlijk dienen te worden uitgeoefend wil het PC 117 bevoegd zijn. Dergelijke voorwaarde blijkt niet uit de tekst van het betreffende KB. Het Arbeidshof stelt ook vast dat het voormelde KB de term onderneming vermeldt : " Paritair Comité voor de Petroleumnijverheid en handel is bevoegd voor :
- b)de ondernemingen die, hetzij voor eigen rekening, hetzij voor rekening van derden (zoals appellante), op het stuk van petroleumproducten en Bderivaten, een industriële en /of handelsbedrijvigheid uitoefenen, daarin begrepen het behandelen, opslaan, het laden, het vervoeren en het lossen van deze producten ." Dit KB geeft bijgevolg een opsomming van ondernemingen en niet van activiteiten, nl. ondernemingen die zich bezighouden met productie, ondernemingen die zich bezighouden met raffinage, ondernemingen die zich bezighouden met de distributie en ondernemingen die zich bezighouden met het vervoer van petroleumproducten en B derivaten (zie eveneens Arbeidshof Antwerpen 2e kamer 18.10.1982 AR 422/80, zoals weergegeven door Bockstein en Buyssens in ACAO recht CED Samson PC 7.3/13). In dezelfde zin heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat het betrokken paritair comité bevoegd is voor ondernemingen die een of meer van de opgesomde activiteiten als hoofactiviteit uitoefenen (Cass 17 juni 1996, JTT 1996,365). Wanneer de activiteiten zoals vermeld in de bevoegdheidsomschrijving van het PC 117 een cumulatieve opsomming van economische activiteiten zou zijn, door het laatste woordje Aen@ dan zouden alleen bedrijven die en behandelen, en opslaan en laden (en vanaf 1999 en raffineren) en vervoeren en lossen van petroleumproducten nog vallen onder het PC 117 en deze interpretatie holt de draagwijdte van het betrokken KB te zeer uit, en is niet de wil van de wetgever geweest . Evenmin is het de bedoeling geweest van het voornoemd KB dat een onderneming dewelke alleen petroleumproducten distribueert, doch niet zelf opslaat, niet onder het PC 117 zou vallen. Zijn voor de beoordeling van het bevoegde Paritair Comité niet relevant, het gegeven advies van de Dienst van de Collectieve Arbeidsbetrekkingen, van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, het gegeven RSZ nummer, de vermelding van een PC op de loonfiche, of het advies van de Nationale Arbeidsraad voor een ander Paritair Comité of de latere wijziging bij KB van 1999 aangezien appellant reeds uit dienst was (daar waar door het KB van 1999 raffinage werd bijgevoegd bij de handelsactiviteiten en waar paragraaf 2 van artikel 1 wordt gewijzigd oa door het opleggen van 2 maatstaven) evenals het aantal ondernemingen dat onder een bepaald PC valt. Op grond van het KB van 13 maart 1973 (BS 13 april 1973) gewijzigd bij KB van 8 mei 1981 (BS 26.06.1986) tot vaststelling van de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het vervoer is dit bevoegd voor : @alle ondernemingen voor wegvervoer voor rekening van derden doch artikel 1 vermeldt tevens : "Hoort echter niet tot de bevoegdheid van het Paritair Comité, elk vervoer dat wordt verricht door een onderneming waarvoor een ander paritair comité bevoegd is." Deze bepaling houdt niet de bevestiging in van het principe " accessorium sequitur principale " doch het KB mbt de bevoegdheid van het Paritair comité voor vervoer nr 140 heeft zelf een rangorde tussen 2 bevoegdheidsomschrijvingen van 2 paritaire comités bepaald. Wanneer de activiteit van een onderneming valt onder het toepassingsgebied van 2 Paritaire comités, dan heeft het PC voor vervoer door haar oprichtingsKB een residuair karakter en heeft het andere PC voorrang en is dat andere PC uitsluitend bevoegd. Het is overigens algemeen aanvaard dat het PC 140 een residuair karakter heeft, zowel in rechtspraak (Arbeidshof Gent 12.03.1987 JTT 87,478) als in rechtsleer (noot onder voormeld arrest van B.Massant op cit., evenals Buyssens en Bockstein in actuele problemen van arbeidsrecht, op cit blz 147). Artikel 35 van de CAO wet van 5 december 1968 bepaalt dat de Koning op eigen initiatief of op verzoek van één of meer organisaties PC's van werkgevers en werknemers kan oprichten. Hij bepaalt welke personen, welke bedrijfstak of ondernemingen en welk gebied tot het ressort van elk Comité behoren. Het ressort van het PC wordt dus niet uitsluitend bepaald door de bedrijfstak. De Koning kan ook de ondernemingen zelf als specifiek criterium nemen. Artikel 2 ,§ 1 4° van voormelde wet vermeldt dat onder bedrijfstak wordt verstaan:de groepen van met werkgever gelijkgestelde personen, die buiten het bedrijfsleven een gelijke of verwante activiteit uitoefenen. Artikel 2 ,§1 5° vermeldt dat een onderneming is de inrichtingen van de met werkgevers gelijkgestelde personen. Met een bedrijfstak wordt niet alleen een handels- of nijverheidstak bedoeld zoals een vroeger cassatiearrest vermeldt. De voorbereidende werken tonen aan dat het de bedoeling is geweest van de wetgever de bevoegdheid van de Koning uit te breiden tegenover het begrip bedrijfstak dat werd toegepast in de Besluitwet van 9.6.1945 (zie Bockstein en Buyssens Bevoegdheden van de paritaire Comité's in Actuele Problemen van het Arbeidsrecht nr 3 blz 140). Het gaat om een geheel van ondernemingen met dezelfde economische en sociale finaliteit (zie J.Petit, De Collectieve arbeidsovereenkomsten in TSR 2002) . De ondernemingen en hun economische activiteit waarbinnen de arbeidsverhoudingen tussen werkgever en werknemer zich structureren, vormen bijgevolg de basiselementen waarop in concreto de bevoegde paritaire comités moeten worden bepaald. De bevoegdheden van de Koning zijn dan ook zeer uitgebreid. Dit werd bevestigd door een arrest van de Raad van State op 2.9.1977 op volgende grond : " Uit artikel 35 en uit de parlementaire Voorbereiding van de Wet van 5 december 1968 blijkt dat de Koning de ruimste machten heeft om de bevoegdheid van een Paritair Comité vast te stellen, mits hij de wettelijke maatstaven in acht neemt, onder meer de maatstaf van de bedrijvigheid." Het vervoer van petroleumproducten is een dusdanige bedrijvigheid. Daar één van de bedoelingen van het bestaan van de paritaire comités juist is de concurrentiestrijd tussen de ondernemingen op basis van verschillende loonB en arbeidsvoorwaarden te neutralizeren, is het vanzelfsprekend dat eenheden met gelijkaardige economische activiteiten in eenzelfde paritair orgaan worden gegroepeerd. De hantering van het economisch criterium dient steeds te gebeuren binnen de sociale context waarvan de paritaire comités het produkt zijn. Een economische sector kan dus vanuit sociaal oogpunt ressorteren onder verschillende paritaire comités en dit is niet in strijd met het hierboven vermelde principe van de bedrijfstakgewijze organisatie van de paritaire comités (zie Bockstein & Buyssens, op cit). Evenmin leidt ze tot concurrentieverstoring aangezien ondernemingen met dezelfde activiteit onder de bevoegdheid van hetzelfde paritair comité vallen (zie Bockstein en Buyssens op cit blz 146). In casu wordt de onderneming van vervoer van petroleumproducten, waarvan het vervoer geschiedt in speciale tankwagens en met hiertoe bijzonder opgeleide chauffeurs, niet gediscrimineerd door de in het PC 117 hogere loonvoorwaarden ten aanzien van een andere onderneming van vervoer van petroleumproducten aangezien het een gespecialieerd vervoer betreft met specifieke tankwagens en beide ondernemingen onderworpen zijn aan de duurdere CAO's van het PC 117. De andere argumenten zijn niet relevant aangezien alle ondernemingen dewelke van hoofdactiviteit veranderen, dezelfde gevolgen van de CAOwet moeten dragen. Het KB van 28 maart 1975 tot bepaling van de bevoegdheid van het PC 117 is dan ook niet in strijd met de CAOwet en evenmin dient er een prejudiciële vraag te worden gesteld aangezien de artikelen 2 en 35 en het begrip bedrijfstak zoals door de wetgever bedoeld en ingevoerd, de artikelen 10 en 11 van de grondwet klaarblijkelijk niet schenden. De eerste rechter heeft op zeer gemotiveerde wijze en terecht het PC 117 bevoegd verklaard op de activiteiten van appellante en de motieven van het vonnis worden hier voor het overige als herhaald beschouwd. De berekeningswijze van de loonachterstallen zoals van toepassing in het PC 117 wordt niet betwist. Het hoger beroep komt voor als ongegrond. x x x OM DEZE REDENEN : En al deze hierin impliciet vervat; Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch niet gegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in al haar beschikkingen; Veroordeelt appellante tot de kosten van onderhavig geding; Deze kosten werden tot op heden enkel door appellante partij begroot op _ 273,67 rechtsplegingsvergeding hoger beroep (na herleiding); Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 21 juni 2004, waar aanwezig waren : Mevr. B. CEULEMANS, Raadsheer, De Heren : F. VANDEWIJNGAERDEN, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, D. VRIJSEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer - arbeider, D. DE RAEDT, Griffier, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040621.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div