← België

ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040707.18

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040707.18 Rolnummer: 42815 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-03 19:32 Fiche Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 32 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN 32 om praktische redenen. Tekst van de beslissing Rep.Nr_________ ARBEIDSHOF TE BRUSSEL &§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472; ARREST UITTREKSEL UIT HET ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN JULI TWEEDUIZENDENVIER. 3e KAMER Bediendecontract Op tegenspraak Heropening der debatten In de zaak : V.H. , Appellant en geïntimeerde op incidenteel beroep, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mr P. ENGELEN, advocaat te Maasmechelen. Tegen : V.Z.W. ONZE-LIEVE-VROUWLYCEUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 3600 GENK, Collegelaan

  1. Geïntimeerde en appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr M. VANBUUL, advocaat te Tongeren. x x x Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel volgend arrest uit: Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis uitgesproken op tegenspraak door de Arbeidsrechtbank te Tongeren op 10 november 1998; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt op 4 december 1998; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest uitgesproken op tegenspraak door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt op 25 oktober 1999; - de voorziening in Cassatie betekend op 3 juli 2000 door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder D. Palet en neergelegd ter griffie van het Hof van Cassatie op 4 juli 2000; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest uitgesproken op tegenspraak door het Hof van Cassatie op 11 juni 2001; - de dagvaarding d.d. 18 februari 2002 van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder D. Palet , ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 maart 2002; - de conclusies van partijen en de aanvullende conclusies van geïntimeerde; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 8 juni 2004, waarna de debatten gesloten werden; Gelet op de neergelegde stukken; RELEVANTE FEITEN EN GEVOERDE RECHTSPLEGING De heer V.trad als leraar middelbaar onderwijs in dienst van het O.L.Vrouwlyceum te Genk, een gesubsidieerde inrichting van het vrij onderwijs en werd er vast benoemd op een niet nader bepaalde datum. Op 26-8-1988 sloten partijen een bijkomende overeen-komst af waarbij de heer V.met behoud van zijn definitieve benoeming als leraar vanaf 1-9-1988 tijdelijk werd aangesteld in het bevorderingsambt van directeur van de instelling. Ingevolge een conflict tussen partijen in 1995, startte de inrichtende macht van het lyceum op 12-4-1996 een tuchtprocedure tegen hem zoals voorzien door het decreet rechtspositie van 27-3-1991 en het besluit van de Vlaamse Executieve van 22-5-1991 met betrekking tot de preventieve schorsing, de tucht en het ontslag van sommige tijdelijke personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra. De heer V.werd preventief geschorst vanaf 9-7-
  2. De schorsing werd door de heer V.in kortgeding zowel voor de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg als voor de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Tongeren aangevochten. De beslissing van deze laatste dat hij zijn functie van schooldirecteur tijdelijk en voorlopig mocht verder zetten tot de tuchtprocedure voor de Kamer van Beroep beëindigd was, werd teniet gedaan door het Arbeidshof te Antwerpen. De toegang tot de onderwijsinstelling werd hem verboden voor de duur van de preventieve schorsing. Op 7-10-1996 besliste de Algemene Vergadering van het lyceum, zetelend als tuchtcollege, de heer V.te ontslaan uit zijn ambt van directeur en uit zijn statuut van personeelslid van de VZW O.L.Vrouwlyceum met een opzeggingstermijn van 468 dagen. De heer V.stelde tegen die beslissing beroep in bij de Kamer van Beroep voor het Gesubsidieerd Vrij Onderwijs te Brussel. Bij beslissing van 27-3-1997 vernietigde de Kamer van Beroep de beslissing van 6-10-1996 waarbij de heer V.bij tuchtmaatregel werd ontslagen en stelde hem voor de duur van 2 jaar ter beschikking bij wijze van tuchtmaatregel, ingaand op 27-3-
  3. Het O.L.Vrouwlyceum achtte deze beslissing onaanvaardbaar en meende dat de school niet meer door de heer V.kon bestuurd worden. Met dagvaarding van 1-10-97 spande het een geding aan voor de Arbeidsrechtbank te Tongeren en vorderde er de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis van art 1184 van het Burgerlijk Wetboek wegens toerekenbare foutieve wanprestatie, erkend door de beslissing van de Kamer van Beroep van 27-3-
  4. In ondergeschikte orde vorderde het lyceum dat voor recht zou worden gezegd dat het gerechtigd was om over te gaan tot de éénzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een zekere termijn overeenkomstig het gemeen recht. In nog meer ondergeschikte orde, vorderde het dat de Arbeidsrechtbank, vooraleer uitspraak te doen, aan het Arbitragehof de prejudiciële vraag zou voorleggen of het statuut , geregeld door het decreet rechtspositie van 27-3-91 strijdig is met het gelijkheidsbeginsel opgenomen in art 10 van de Grondwet en met het beginsel van vrijheid van onderwijs, vervat in art 24 van de Grondwet. Zij breidde haar vordering nog uit met de vraag tot machtiging tot ontslag wegens volgehouden onverenigbaarheid. De heer V.vorderde de afwijzing van de hoofdvordering en, bij tegeneis, te worden gemachtigd, desnoods manu militari op 29-3-1999 zijn ambt van schooldirecteur bij het lyceum te hernemen. Met het vonnis van 10-11-1998, waartegen beroep werd ingesteld, verklaarde de Arbeidsrechtbank te Tongeren zich bevoegd om kennis te nemen van het geschil, verklaarde ze de hoofdeis ontvankelijk en gegrond voor zover hij ertoe strekte te zeggen voor recht dat de levenslange binding van partijen strijdig is met art 4 E.V.R.M, art 1780 BW en art 7 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3-7-1978; zegde zij voor recht dat het lyceum bijgevolg gerechtigd was over te gaan tot éénzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, zo mogelijk onder de voorwaarden door partijen gezamenlijk te bepalen, zo niet, onder de voorwaarden te bepalen door de Arbeidsrechtbank. Zij verklaarde de hoofdeis ongegrond voor zover hij de gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst beoogde overeenkomstig art 1184 BW op grond van het gedrag van de heer V. Zij verklaarde de tegeneis van de heer V. ontvankelijk doch ongegrond en beval de heropening der debatten om zo mogelijk het akkoord van beide partijen te noteren, de kosten van het geding inbegrepen of zo nodig te besluiten en te pleiten over de modaliteiten van de beëindiging van de overeenkomst. Zij overwoog : - dat nu de Kamer van Beroep in laatste aanleg had beslist dat de heer V.weliswaar een foutief gedrag vertoond had doch dat dit gedrag gedeeltelijk verklaarbaar was door de houding van de Inrichtende Macht en dat bijgevolg aan de heer V.respijt diende verleend te worden, er geen reden was om aan de bewezen feiten een zwaarder gevolg te geven en de gerechtelijke ontbinding van de overeenkomst uit te spreken op grond van art 1184 BW. - dat uit de omstandigheid dat het Decreet Rechtspositie het ontslag als een tuchtmaatregel vermeldde niet mocht afgeleid worden dat de arbeidsovereenkomst enkel bij tuchtmaatregel van ontslag kon beëindigd worden - dat iedere arbeidsovereenkomst steeds eenzijdig mag worden beëindigd en het partijen behoorde de gevolgen van een éénzijdige wijziging te bepalen. Met aangetekende brief van 21-11-1998 deelde het lyceum aan de heer V.mee dat het een einde stelde aan de arbeidsovereenkomst, op grond van de machtiging van de Arbeidrechtbank te Tongeren, onder voorbehoud van alle rechten in geval van hoger beroep tegen het vonnis en o.m. dit om incidenteel hoger beroep in te stellen. De heer V.stelde hoger beroep in tegen het vonnis met beroepsakte van 4-12-
  5. Hij vorderde dat het beroepen vonnis zou worden vernietigd en dat het Hof opnieuw beslissend, zou zeggen voor recht: - dat het lyceum er niet toe gerechtigd was de arbeidsovereenkomst om welke reden ook of op welke wijze ook te beëindigen of te ontbinden - dat het lyceum ertoe gehouden was hem in de gelegenheid te stellen zijn ambt van schooldirecteur uit te oefenen na het verstrijken van de termijn van terbeschikkingstelling bepaald door de Kamer van Beroep van het Vrij Gesubsidieerd Onderwijs in haar beslissing van 27 maart 97 en indien het hieraan geen gevolg verleende, hij ertoe gemachtigd zou worden om de uitvoering van het tussengekomen arrest af te dwingen door tussenkomst van de openbare macht. Het lyceum stelde incidenteel hoger beroep in bij conclusies neergelegd op 22-2-1999 en vorderde: In hoofdorde: - dat de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden op grond van art 1184 BW lastens de heer V.wegens zijn bewezen en toerekenbare foutieve wanprestatie - te zeggen dat hij geen recht heeft op reïntegratie en dat zij er niet toe verplicht kan worden hem in de gelegenheid te stellen zijn ambt van schooldirecteur in het lyceum verder uit te oefenen, zolang er over het geschil geen definitieve en in kracht van gewijsde gegane beslissing bestaat. In ondergeschikte orde - te zeggen voor recht dat zij gerechtigd was de heer V.ambtshalve te ontslaan op grond van een volgehouden onverenigbaarheid conform art 60,5° van het Decreet Rechtspositie van 27-3-
  6. In nog meer ondergeschikte orde - Het beroepen vonnis te bevestigen. In uiterst ondergeschikte orde - Alvorens ten gronde uitspraak te doen, aan het Arbitragehof de prejudiciële vraag voor te leggen of het statuut van de heer V.vervat in het Decreet Rechtspositie in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van art 10 Grondwet en met het beginsel van vrijheid van onderwijs vervat in art 24 Grondwet. Met een arrest van 25 oktober 1999, verklaarde het Arbeidshof te Antwerpen het principaal en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk, evenals de uitbreiding van de vordering en van de tegenvordering; verklaarde het hoofdberoep gegrond waar het beoogde het bestreden vonnis te niet te doen en verklaarde het incidenteel beroep ongegrond; verklaarde de oorspronkelijke vordering van het lyceum ontvankelijk doch ongegrond. - wat de gevorderde ontbinding van de arbeidsovereen-komst op grond van art 1184 BW betrof. - wat de in ondergeschikte orde gevraagde machtiging betrof tot eenzijdige beëindiging mits een opzeg gingstermijn of een opzeggingsvergoeding, eventueel aangevuld met een andere schadeloosstelling wegens eenzijdige verbreking. Het stelde evenwel dat het lyceum de vrijheid had de arbeidsovereenkomst te verbreken en verklaarde de vordering ongegrond in zoverre zij beoogde te horen zeggen voor recht dat de heer V.niet gerechtigd was zijn functie uit te oefenen tijdens de opzeggingstermijn; Het zegde voor recht dat er geen aanleiding toe was vooraf een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof, verklaarde de uitgebreide tegenvordering van de heer V.tot het bekomen van zijn verplichte reïntegratie ontvankelijk doch ongegrond. Het lyceum voorzag zich in Cassatie tegen het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen. Met het arrest van verwijzing van 11 juni 2001, vernietigde het Hof van Cassatie het bestreden arrest van het Arbeidshof te Antwerpen behalve wat de uitspraak over de ontvankelijkheid betrof en verwees de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Het Hof van Cassatie overwoog : - dat krachtens het decreet van de Vlaamse Raad van 27-3-1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medische-sociale centra (DRP), de dienstbetrekking van de personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs geregeld was door algemene en onpersoonlijke bepalingen die blijkens de artikelen 20 , 1ste lid, 31, tweede lid en 40 4de lid van dit decreet op die personeelsleden toepasselijk worden door een arbeidsovereenkomst en niet ingevolge een eenzijdige aanstelling. - dat krachtens art 32 van de Arbeidsovereenkomstenwet (AOW) de algemene wijze waarop de verbintenissen tenietgaan, van toepassing zijn op de verbintenissen die volgen uit de door die wet geregelde overeenkomsten; - dat het DRP de toepassing van de gerechtelijke ont- binding overeenkomstig art 1184 BW niet principieel uitsluit; - dat daaruit volgde dat zowel de vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling als de in het decreet bedoelde personeelsleden principieel de ontbinding van de arbeidsovereenkomst konden vorderen met toepassing van art 1184 BW; - dat echter de gerechtelijke ontbinding uitgesloten is in zoverre zij strijdig is met de beperkingen van onmiddellijk ontslag die in het Decreet Rechtspositie zijn bepaald; - dat het feit dat de Kamer van Beroep oordeelt dat er geen aanleiding is om een tuchtmaatregel van ontslag op te leggen de beoordeling van de feiten door de arbeidsgerechten voor de voormelde toepassing van art 1184 BW niet uitsloot; - dat het (bestreden) arrest art 1184 BW schond, waar het de toepassing ervan ten laste van de heer V.uitsloot op volgende grond : "gelet op het in laatste aanleg gevelde oordeel van de Kamer van Beroep, door het Arbeidshof niet meer kan vastgesteld worden dat de tekortkomingen van verweerder een dergelijke wanprestatie zouden uitmaken die een gerechtelijke ontbinding zouden kunnen wettigen". Het Lyceum liet dit arrest van het Hof van Cassatie op 13-9-2001 betekenen aan de heer V.en liet op 18-2-2002 dagvaarding betekenen voor dit hof na verwijzing van de zaak door het Hof van Cassatie en verzoekt het Hof: Het hoger beroep van V., zoals beperkt door de voorziening in cassatie van concluante en het hierop volgend arrest van het Hof van Cassatie dd. 11.06.2001, ongegrond te verklaren; Het incidenteel beroep van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens: In hoofdorde: - de arbeidsovereenkomst dd. 26.08.1988 tussen V.en concluante wegens de bewezen en toerekenbare foutieve wanprestatie van V.op grond van art. 1184 B.W te ontbinden lastens V.en hem ambtshalve te ontslaan zonder opzegging overeenkomstig art. 60,4° van het decreet rechtspositie; - te zeggen voor recht dat de gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen concluante en V.terugwerkt tot 01.11.1996, met name tot de eerste volledige maand waarin (en sedert wanneer) hij de facto geen arbeidsprestaties voor concluante meer geleverd heeft; - hem te veroordelen tot betaling aan concluante van een schadevergoeding van 1 EUR provisioneel wegens schade, veroorzaakt aan concluante door zijn voornoemde toerekenbare, foutieve wanprestatie, In eerste ondergeschikte orde: - de arbeidsovereenkomst dd. 26.08.1988 tussen V.en concluante wegens de bewezen en toerekenbare foutieve wanprestatie van V.op grond van art. 1184 B.W te ontbinden lastens deze laatste en hem te ontslaan met opzegging overeenkomstig de artikelen 60, 5°, 62, 3°, 64, 6° van het decreet rechtspositie; - te zeggen voor recht dat de gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen concluante en V.terugwerkt tot 01.11.1996, met name tot de eerste volledige maand waarin (en sedert wanneer) hij de facto geen arbeidsprestaties voor concluante meer geleverd heeft; - akte te verlenen aan concluante van haar aanbod om aan V.een vergoeding te betalen van 1 EUR provisioneel op grond van artikel 66 van het decreet rechtspositie; In tweede ondergeschikte orde: - het vonnis a quo van de Arbeidsrechtbank van Tongeren van 10.11.1998 te bevestigen waar het zegt voor recht dat concluante gerechtigd is over te gaan tot de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst en te bepalen welke opzeggingstermijn concluante daarbij dient in acht te nemen of welke vergoeding voor eenzijdige beeindiging aan V.moet betaald worden, met dien verstande dat gezegd wordt voor recht dat hij niet gerechtigd is zijn functie uit te oefenen tijdens de opzeggingstermijn; - de rechtshandeling van concluante van 21.11.1998, inhoudende de eenzijdige beeindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, van waarde te verklaren; - akte te verlenen aan concluante van haar aanbod om aan V."een vergoeding te betalen van 1 EUR provisioneel wegens de eenzijdige beeindiging door concluante van de arbeidsovereenkomst tussen concluante en V.; In derde ondergeschikte orde: - alvorens ten gronde uitspraak te doen aan het Arbitragehof de prejudiciële vraag voor te leggen of het statuut van V., vervat in het decreet rechtspositie van 27.03.1991, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van art. 10 Gec.Grondwet en met het beginsel van de vrijheid van onderwijs van art. 24 Gec. Grondwet; V.te veroordelen tot alle kosten van het geding. De heer V.verzoekt het Hof, zijn hoger beroep gegrond te verklaren, bijgevolg, het beroepen vonnis te vernietigen en de oorspronkelijke vorderingen van het Lyceum als ongegrond af te wijzen evenals het incidenteel hoger beroep dat het instelde en het te veroordelen tot de gerechtskosten. x x x BEOORDELING Van meetaf aan merkt het Hof op dat geïntimeerde partij, appellante op incidenteel hoger beroep, onduidelijk is over de draagwijdte die zij toekent aan haar brief van 21-11-1998, waarmee zij aan de heer V.haar beslissing ter kennis bracht de arbeidsovereenkomst eenzijdig te beëindigen, in uitvoering van het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 10-11-
  7. Enerzijds formuleert zij in die brief het volgende voorbehoud : "onder voorbehoud van alle recht en zonder enige nadelige erkentenis, hetgeen betekent dat, in geval van hoger beroep tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank van Tongeren dd 10-11-1998, de inrichtende macht incidenteel hoger beroep zal instellen, waarbij zij zal vorderen : - in hoofdorde de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens wanprestatie op grond van art 1184 BW - in eerste ondergeschikte orde het ambtshalve ontslag wegens volgehouden onverenigbaarheden - in tweede ondergeschikte orde de machtiging tot eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst; Anderzijds verzoekt zij het Hof in subsidiaire orde "haar rechtshandeling van 21-11-1998 inhoudende de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen van waarde te verklaren." Het Hof acht het noodzakelijk dat deze onduidelijkheid wordt opgehelderd vooraleer het de zaak verder ten gronde beoordeelt en dat partijen derhalve stelling zouden nemen met betrekking tot de draagwijdte die aan dit stuk dient te worden verleend en met betrekking tot de impact ervan op de vorderingen (in hoofdorde en in subsidiaire orde) van het incidenteel hoger beroep. OM DEZE REDENEN: HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Rechtdoende op tegenspraak; Vooraleer verder recht te doen ten gronde; Beveelt de heropening der debatten met het verzoek aan de partijen stelling in te nemen met betrekking tot de draagwijdte die dient te worden verleend aan de brief die door de inrichtende macht op 21 november 1998 werd gericht aan de heer V.inhoudende de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst en met betrekking tot de impact ervan op de vorderingen (in hoofdorde en in subsidiaire orde) van het incidenteel hoger beroep; Stelt te dien einde de zaak vast op de openbare terechtzitting van deze kamer van DINSDAG DERTIG NOVEMBER TWEEDUIZENDENVIER te 14.30 uur, zetelend in zaal 06 (gelijkvloers), Poelaertplein 3 te 1000 Brussel; Houdt de beslissing over de kosten aan; Aldus gewezen en uitgesproken in buitengewone openbare terechtzitting van de derde Kamer van het Arbeidshof te Brussel op zeven juli tweeduizendenvier Waren aanwezig : Mevrouw G. BALIS: Raadsheer, de heer J. VERVECKEN: Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, De heer J. AZIJN: Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, bij bevelschrift aangeduid om Mevrouw B. MUSSCHE, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer bediende, wettig belet, te vervangen, welke de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar zich in de onmogelijkheid bevindt de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 Ger. W.) de heer E. POTOMS: Griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040707.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.