← België

ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040903.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 03 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040903.1 Rolnummer: 43823 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-09 Raadplegingen: 130 - laatst gezien 2026-07-03 19:36 Fiche xxxEen werknemer die volgens zijn arbeidsovereenkomst in dienst genomen is als handelsvertegenwoordiger om architecten, bouwpromotoren, decorateurs e.d. te bezoeken met het oog op de verkoop van bepaalde producten, heeft de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger, ook al wordt de eigenlijke bestelling van de door hoger genoemde personen gekozen producten geplaatst door aannemers. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Handelsvertegenwoordigers - Concurrentiebeding - Geldigheid - Hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 4 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Een korte inhoud door A. Vanoppen is gepubliceerd in OR. 2005, nr. 2, "RBUB", blz. 3 In het Frans : een korte inhoud door A. Vanoppen is gepubliceerd in Orientations 2005, n° 3, p. 23 (JLPV). Annotaties Publicaties: ORIENTATIE - VANOPPEN,A - 2005

(02)(RBUB,P.3-4) SOCIAAL RECHT EN PERSONEELSBELEID - VANOPPEN,A - 2005
(03)(JLPV,P.23-24) ORIENTATIONS - - DROIT SOCIAL ET GESTION DU PERSONNEL - - Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIE SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: N.V. INTER-TEGEL, met zetel te 8560 GULLEGEM, Drieslaan nr. 35 en ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 583.047 (gedinghervattende partij voor NV Techimex in vereffening); Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. Ph. De Jaegere, advocaat te Kortrijk; Tegen: M. G. , Geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. H. Smout loco Mrs.B. Vandenkerckove & R. De Baerdemaeker, advocaten te Brussel; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 2e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 5 november 2002 (AR nr. 16649/01), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 4 februari 2003; - de besluiten en aanvullende besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie respectievelijk op 3 juni 2003 en 1 maart 2004; - de besluiten houdende gedinghervatting en besluiten van appellante, ontvangen ter griffie respectievelijk op 13 januari 2004 en 15 januari 2004; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 11 juni
  1. Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. DE FEITEN. Het Hof verwijst naar de uiteenzetting van de feiten zoals gedaan door de eerste rechter en acht het vonnis op dit punt (2e en 3e blad) voor herhaald. Partijen zijn het grondig oneens over de vraag of de heer M. al dan niet als handelsvertegenwoordiger was tewerkgesteld. De NV Intertegel meent van wel, de heer M. van niet. Van deze hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger is de geldigheid afhankelijk van het door partijen in de arbeidsovereenkomst dd. 30 augustus 1997 bedongen concurrentiebeding (art. 12): "De werknemer gaat tegenover de werkgever de verbintenis aan na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gedurende een periode van twaalf maanden geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen, hetzij door in dienst te treden bij een concurrerende werkgever, hetzij door zelf een onderneming te exploiteren of als handelsagent op te treden voor een concurrerende onderneming. onder soortgelijke activiteiten wordt verstaan het aanbod van gelijkaardige producten als diegene welke door de handelsvertegenwoordiger in naam en voor rekening van de werkgever worden aangeboden. De toepassing van dit beding is beperkt tot het geographisch gebied waar de werknemer zijn activiteit uitoefent op het ogenblik van zijn vertrek. Bij overtreding van dit concurrentiebeding is de handelsvertegenwoordiger aan de werkgever een vergoeding verschuldigd gelijk aan drie maanden loon. Deze forfaitaire vaststelling van de schadevergoeding ontneemt de werkgever het recht niet op een hogere vergoeding indien hij het ontstaan en de omvang van het nadeel bewijst. Dit beding heeft geen uitwerking bij beëindiging van de overeenkomst tijdens de proefperiode, bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever zonder dringende reden alsmede bij beëindiging door de werknemer wegens dringende reden." Het is niet betwist dat dit concurrentiebeding geldig is voor een handelsvertegenwoordiger maar niet voldoet aan de geldigheidsvoorwaarden van een concurrentiebeding voor een bediende, zoals ook de eerste rechter reeds vaststelde. II. DE PROCEDUREVOORGAANDEN EN HET VONNIS A QUO. Op 31 augustus 2001 dagvaardt de NV Techimex de heer M. voor de eerste rechter en vordert zijn veroordeling tot betaling van 626.910 F (EUR 15.540,69) t.t.v. vergoeding voor het niet naleven van het concurrentiebeding, vermeerderd met de wettelijke intresten vanaf 9 februari 2001, de gerechtelijke intresten en de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van 7.920 F (EUR 196,33). De vordering strekt eveneens tot het verkrijgen van een vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal, zonder borg en zonder kantonnement. Het vonnis a quo verklaart deze vordering ontvankelijk doch ongegrond. De eerste rechter stelt dat het door partijen onderschreven concurrentiebeding nietig is daar het niet voldoet aan de in artikel 65 en 86 ,§1 van de arbeidsovereenkomstenwet voorziene voorwaarden daar geen compensatoire vergoeding voorzien is. De eerste rechter oordeelt dat de heer M. niet beantwoordt aan de wettelijke definitie van handelsvertegenwoordiger, zoals bepaald in artikel 4 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten. De eerste rechter stelt: "De heer M. had als opdracht het bezoeken van architecten en decorateurs om: - de producten van de NV Techimex te promoten, zodat architecten en decorateurs deze producten zouden aanprijzen bij hun eigen cliënteel, - hen technische hulp te verstrekken bij het opstellen van het lastenboek. In geen geval kochten de architecten en decorateurs de producten die de heer M. hen voorstelde. Hij onderhandelde geen zaken, hij sloot geen zaken af, maar beperkte zich tot promotie en het verlenen van service aan de architecten en decorateurs opdat zij de producten zouden kennen en bij hun eigen cliënteel zouden promoten. De stukken van NV Techimex tonen niet aan dat de heer M. op bestendige wijze bezig was met het opsporen en bezoeken van cliënteel met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van overeenkomsten. De NV Techimex blijft in gebreke het afsluiten van zaken via de heer M. aan te tonen aan de hand van opgemaakte prijsoffertes, bestelbons, orderbevestigingen, verkooprapporten (in die zin Arbrb. Luik afd. Namen 14.3.1998, Soc. Kron. 1999, 188). III. DE BEROEPSGRIEVEN. De NV Intertegel hervat het geding voor ons Hof ingeleid met beroepsverzoekschrift dd. 4 februari 2003 door de NV Techimex en verzoekt ons Hof: - het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw recht doende, - de oorspronkelijke vordering van appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren en geïntimeerde te veroordelen om aan appellante te betalen de som van EUR 15.540,69 t.t.v. vergoeding wegens niet-naleven van het concurrentiebeding, meer de rente vanaf 9 februari 2001 en meer de kosten. Appellante meent dat de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de heer M. geen handelsvertegenwoordiger was. Volgens appellante is de heer M. handelsvertegenwoordiger. Dat blijkt volgens appellante uit: - De contractuele bepalingen van de arbeidsovereenkomst artikel 1, 3 en 4 die de werknemer en zijn functie als handelsvertegenwoordiger kwalificeert. "De bij de overeenkomst gegeven kwalificatie (in casu handelsvertegenwoordiger) primeert en kan slechts terzijde geschoven worden wanneer deze verkeerd is en tegengesproken wordt door de wijze waarop de overeenkomst is uitgevoerd." (AH Luik afd. namen 24.3.1988, Soc. Kron. 1999, 188) - de werkelijk uitgeoefende activiteit. Appellante stelt dat de eerste rechter de functie van geïntimeerde verkeerd heeft vastgesteld en tegen de stukken in gesteld heeft dat de heer M. geen zaken onderhandelde of afsloot. Appellante stelt dat zij een groothandelaar is in tegels en dat zij tegels verkoopt voor openbare gebouwen en in woningbouw. Zij benadrukt dat het specifieke van de bouwwereld, waarin de handelsvertegenwoordiger opereert, ligt in het feit dat de beslissing over de aan te kopen tegel losgekoppeld is van de eigenlijke bestelling. De persoon die de beslissing neemt is de architect of de bouwheer en niet de persoon die uiteindelijk de tegels aankoopt en plaatst (aannemer). Een handelsvertegenwoordiger van een tegelbedrijf, die uitsluitend de eigenlijke koper, te weten de aannemer, zou bezoeken, zou geen enkele zaak kunnen afsluiten, vermits de beslissing over het type tegel reeds vooraf genomen werd door andere personen. Vandaar dat de handelsvertegenwoordiger van een tegelbedrijf niet zozeer de aannemer, maar wel de architect moet bezoeken en met deze laatste moet onderhandelen over de koop die uiteindelijk juridisch zal afgesloten worden door de aannemer. Appellante stelt dat haar eigenlijk cliënteel niet de aannemers zijn maar de architecten en bouwheren; In de arbeidsovereenkomst staat het cliënteel dan ook als volgt beschreven: "Architecten, voortverkopers, vloerders, decora-teurs en bouwpromotoren" Appellante beroept zich op haar stukken 48, 49, 50, 51, 52 tot 55, 57 en 58 en stelt dat uit deze stukken blijkt dat de heer M. architecten bezocht en met hen onderhandelde met de bedoeling welbepaalde tegels voor welbepaalde projecten te verkopen, daar de architect het soort tegel koos, waarna de aannemer deze bestelde. Nergens in de wet wordt vereist dat ten tijde van de bezoeken onmiddellijk een bestelling wordt geplaatst. Zo oordeelde het Arbeidshof van Luik: "Is ook een handelsvertegenwoordiger hij die cliënteel bezoekt en prospecteert teneinde een product voor te stellen, zelfs wanneer het cliënteel geen bestellingen plaatst bij dit bezoek, doch uitgenodigd wordt de bestellingen naderhand rechtstreeks bij de firma te plaatsen, op voorwaarde dat dit de werkgever van de werknemer is" (AH Luik 24.3.1998, Soc. kron. 1999, 188) Appellante stelt dat het bovendien ook de heer M. was die achteraf met de aannemers onderhandelde of de uiteindelijke overeenkomsten afsloot. Dit blijkt volgens appellante uit haar stukken: - prijsaanvragen van de aannemers, geadresseerd aan appellante ter attentie van geïntimeerde (stukken 7, 13, 15, 16, 18, 20, 22, 26, 28, 31, 33, 35, en 40) - prijsoffertes getekend door geïntimeerde, met de uitdrukkelijke vermelding: "From: G. M. " (stukken 8, 9, 10, 17, 21, 23, 24, 25, 27, 29, 30, 32, 34, 37, 38, 39, 41, 42, 43, 44, 45, 45 en 47) en met, vanaf 1999, een dossiernummer waarin de initialen voorkwamen van de vertegenwoordiger (voor geïntimeerde GM) (stukken 36, 37, 38, 39, 41, 42, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 53, 54 en 55) - prijsaanvragen en offertes met Tradigrès (44 tot 47) en met Carisel (36 tot 43) uit het jaar
  2. VI. HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP EN HET STANDPUNT VAN GEÏNTIMEERDE. De heer M. verzoekt ons Hof bij wege van incidenteel hoger beroep het vonnis a quo te hervormen voor zover de eerste rechter de eis ontvankelijk verklaarde en opnieuw rechtdoende de gedinginleidende dagvaarding nietig te verklaren wegens schending van artikel 4 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken. Volgens artikel 4 van deze wet moet een procedure voor de Brusselse arbeidsrechtbank worden ingeleid in het Frans wanneer de verweerder woonachtig is in het Franse taalgebied. Op het ogenblik van de dagvaarding was de heer M. gedomicilieerd in W., de procedure moest dus in het Frans worden ingeleid. Techimex schijnt impliciet gekozen te hebben voor de plaats van haar maatschappelijke zetel als aanknopingspunt voor de territoriale bevoegdheid van de arbeidsrechtbank van Brussel. Indien zij gebruik wilde maken van artikel 3 al. 2 van de wet op het taalgebruik, om zo de procedure in het Nederlands te laten verlopen, had zij in haar dagvaarding uitdrukkelijk moeten vermelden dat de arbeidsrechtbank van Brussel bevoegd zou zijn op grond van de plaats waar de maatschappelijke zetel van het bedrijf gevestigd is (L. Lindemans, Taalgebruik in gerechtszaken, in Gerechtelijk recht, artikelsgewijs commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, p.154). Standpunt ten gronde. De heer M. stelt dat hij geen handelsvertegenwoordiger was daar hij niet onderhandelde met potentiële klanten van Techimex. De heer M. had als opdracht het bezoeken van architecten en decorateurs om: - de producten van Techimex te promoten, zodat architecten en decorateurs deze producten zouden aanprijzen bij hun eigen cliënteel - hen technische hulp te verstrekken bij het opstellen van lastenboeken In geen geval kochten de architecten de producten die de heer M. hen voorstelde. Hij onderhandelde geen zaken, hij sloot geen zaken af, maar beperkte zich tot promotie en het verlenen van service aan de architecten en decorateurs opdat zij de producten zouden kennen en bij hun eigen cliënteel zouden promoten. De heer M. beroept zich op verklaringen van drie getuigen, de heer B., L. (nv Tradigrès) en D. (nv Carisel) die bevestigen dat zijn taak bestond in het promoten en voorstellen van bepaalde producten en niet in het afsluiten van zaken met klanten van Techimex. De heer M. verzoekt het Hof het vonnis a quo ten gronde te bevestigen. In ondergeschikte orde verzoekt hij het Hof hem toe te laten tot het bewijs met alle rechtsmiddelen, getuigen inbegrepen van volgende feiten: - de activiteiten van heer M. in dienst van Techimex, zeker in de periode kort voor 9 februari 2001, bestond in het bezoeken van architecten en decorateurs om bij hen de producten van Techimex te promoten, met de bedoeling dat zij deze producten zouden aanprijzen bij hun eigen klanten (voorschrijven, promotie) - de heer M. hield zich, in dienst van Techimex en zeker in de periode kort voor 9 februari 2001, niet bezig met het opsporen en bezoek van een cliënteel met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van contracten onder het gezag, voor rekening en in naam van Techimex. Hij verzoekt het Hof eveneens NV Techimex te bevelen, overeenkomstig artikel 871 GW, alle documenten voor te leggen die verband houden met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van de heer M. en met de verkoopactiviteiten van Techimex ten tijde van de tewerkstelling van de heer M. . In meest ondergeschikte orde verzoekt de heer M. ons Hof voor recht te zeggen dat slechts verwijlintresten kunnen verschuldigd zijn sedert 5 april 2001 of de dag van de ingebrekestelling op de vergoeding waartoe hij zou veroordeeld worden. ó ó ó V. BEOORDELING DOOR HET HOF. Overwegende dat het hoger hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomen, wat overigens niet wordt betwist. A. Over de exceptie van nietigheid van de dagvaarding. Krachtens artikel 627 9° Ger.Wb. is alleen bevoegd om kennis te nemen van een geschil inzake een arbeidsovereenkomst (artikel 578 Ger.Wb.) de rechter van de plaats waar de mijn ,de fabriek, de werkplaats, het magazijn, het kantoor gelegen is en in het algemeen van de plaats die bestemd is voor de exploitatie van de onderneming, de uitoefening van het beroep of de werkzaamheid van de vennootschap. Overwegende dat de heer M. zijn beroepsactiviteiten uitoefende over verschillende Belgische provincies en dat hij verbonden was aan de bedrijfszetel van appellante te St. Stevens Woluwe, waar hij eveneens een gedeelte van zijn taken verrichtte. Overwegende dat de werkgever de zaak aldus terecht inleidde voor de arbeidsrechtbank te Brussel, zijnde de rechter van de plaats waar haar exploitatiezetel (en maatschappelijke zetel) zich bevindt, waaraan de heer M. verbonden was, m.n. St. Stevens Woluwe, een Vlaamse gemeente gelegen buiten de Brusselse agglomeratie. Overwegende dat de territoriale bevoegdheid van de arbeidsrechtbank te Brussel in onderhavige zaak is bepaald door een plaats (m.n. de plaats van de exploitatiezetel waaraan de heet M. verbonden is) die zich op het grondgebied bevindt van een Vlaamse gemeente buiten de Brusselse agglomeratie. Dat dientengevolge de rechtspleging voor de arbeidsrechtbank te Brussel overeenkomstig de dwingende bepalingen van artikel 3 van de wet van 15 juni 1935 in het Nederlands moet worden gevoerd. De eerste rechter stelde reeds terecht dat nergens in artikel 3 van de wet van 15 juni 1935 staat te lezen dat de eiser in de dagvaarding uitdrukkelijk moet vermelden dat de arbeidsrechtbank te Brussel bevoegd is op grond van de plaats waar de maatschappelijke zetel van de eiser gevestigd is. De territoriale bevoegdheid van de arbeidsrechtbank te Brussel is in casu wettelijk voorzien, het is een uitsluitende bevoegdheid krachtens artikel 627 9° van het Gerechtelijk Wetboek. De uitsluitende territoriale bevoegdheid inzake arbeidsovereenkomsten is niet bepaald door de woonplaats van de werknemer, zoals de heer M. ten onrechte meent, doch slechts door de plaats van de tewerkstelling (art. 627 9° G.W.). De heer M. was tewerkgesteld (met bezoeken aan architecten, decorateurs, bouwpromotoren) over ongeveer heel België én in de exploitatiezetel van Techimex te St. Stevens Woluwe. De NV Techimex heeft zich dus terecht gesteund op de plaats van haar exploitatiezetel als aanknopingspunt voor de territoriaal bevoegde rechter. Geen enkele wettekst legt een procesvoerende partij de verplichting op in de inleidende dagvaarding de territoriale bevoegdheid van de rechter te motiveren, ook artikel 700 schrijft deze vermelding niet voor. Artikel 4 van de reeds genoemde wet van 15 juni 1935 is in casu NIET van toepassing daar de arbeidsrechtbank te Brussel bevoegd was op grond van de plaats van de exploitatiezetel van appellante waaraan de heer M. verbonden was, plaats waar hij eveneens effectief tewerkgesteld was. Enkel artikel 3 van de wet van 15 juni 1935 vindt in casu toepassing, met uitsluiting van artikel
  3. Artikel 4 is immers slechts van toepassing behoudens de gevallen van artikel 3, zoals artikel 4 uitdrukkelijk stelt. De exceptie van nietigheid is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep eveneens. B. Ten Gronde. De principes. De arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers is een overeenkomst waarbij een werknemer, de handelsvertegenwoordiger, zich verbindt tegen loon cliënteel op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken voor rekening en in naam van één of meerdere opdrachtgevers (artikel 4 Arbeidsovereenkomstenwet - AOW). Om aanspraak te kunnen maken op de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger volstaat het dat de werknemer cliënteel bezoekt om te onderhandelen over zaken of om zaken af te sluiten (AH Brussel 5.2.91, JTT 92, 299). De bedoeling van het optreden van de handelsvertegenwoordiger moet meer zijn dan potentiële klanten vertrouwd te maken met de producten (Cass. 8.1.1970, RW 69-70, 1569). Evenwel volstaat het dat de werknemer persoonlijke besprekingen voert met het oog op het sluiten van zaken zonder dat het nodig is dat hij ook de zaken afsluit. Wel is vereist (art. 88 AOW) dat de werknemer op bestendige wijze aan handelsvertegenwoordiging doet, dat de arbeidsovereenkomst de handelsvertegenwoordiging als belangrijkste voorwerp heeft (Cass. 18.4.88, JTT 88, 439; Cass. 28.6.99, RW 2000-2001,
  4. Eveneens is vereist dat hij personen of instellingen bezoekt (met het oog op onderhandelen of afsluiten van zaken) die klanten kunnen zijn of kunnen worden van de opdrachtgever (Cass. 8.1.1970, RW 69-70, 1569). In concreto. Overwegende dat partijen in de arbeidsovereenkomst, ondertekend dd. 30 augustus 1997, op uitdrukkelijke wijze bepaalden dat de heer M. werd aangeworven en tewerkgesteld als handelsvertegenwoordiger. Dit blijkt expliciet en ondubbelzinnig uit: Artikel 1: De werkgever neemt de werknemer in dienst in de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger vanaf 1 september
  5. Artikel 3: De opdracht van de werknemer bestaat in het bezoeken van een bestaand cliënteel (onder meer de rechtstreekse klanten van Gruppo Ceramiche Richetti) en het opsporen van een nieuw cliënteel met het oog op de verkoop van de producten of artikelen vertegenwoordigd door Techimex, voor rekening en onder gezag van de werkgever. Bij volgend cliënteel: architecten, voortverkopers, vloerders, decorateurs en bouwpromotoren. Artikel 4: de werknemer zal in het hierboven beschreven gebied en ten opzichte van de hierboven beschreven cliënteel de producten/artikelen van NV Techimex vertegenwoordigen. De prijzen, de termijnen van uitvoering en alle andere voorwaarden voor de met cliënteel af te sluiten contracten worden uitsluitend door de werkgever gesteld... (onderlijningen door het Hof) Het Hof onderschrijft de rechtspraak van het Hof van Cassatie, waar deze stelt dat "wanneer de overgelegde elementen niet toelaten de door partijen aan hun overeenkomst gegeven kwalificatie uit te sluiten, mag de bodemrechter er geen andere kwalificatie aan geven". (Cass. 8.12.2003, AR S01.0176 F, Pro Sigma/RSZ, JTT 2004, afl. 881, 122) Uit de bewoordingen van de geschreven arbeidsovereenkomst blijkt duidelijk dat het de bedoeling was van partijen dat de heer M. werd aangeworven en tewerkgesteld als handelsvertegenwoordiger met als taak het bezoeken en opsporen van cliënteel met het oog op het onderhandelen of afsluiten van zaken m.n. de verkoop van de producten van NV Techimex, zijnde tegels (NV Techimex is groothandelaar in tegels). Is de werkelijk uitgeoefende activiteit van de heer M. met deze kwalificatie door partijen tegenstrijdig? Overwegende dat de heer M. in besluiten stelt: "Techimex had als activiteit de invoer en distributie van tegels. Het bedrijf legde zich vooral toe op het voorstellen van producten bij architecten en decorateurs, en ook bij particulieren. Techimex werkte over het algemeen niet rechtsreeks met aannemers omdat de producten die het bedrijf voorstelde daarvoor te duur waren. De eigenlijke taak van de heer M. bestond erin architecten en decorateurs te bezoeken en bij hen de producten van Techimex te promoten, met de bedoeling dat zij op hun beurt deze producten aan hun eigen cliënteel zouden aanprijzen. De heer M. gaf de architecten en decorateurs eveneens raad bij het opstellen van lastenboeken. Vanaf de verkoop van Techimex heeft de heer M. zich zo goed als exclusief kunnen bezighouden met promotie bij architecten en decorateurs." De heer M. erkent aldus dat zijn hoofdactiviteit daadwerkelijk bestond in het bezoeken van architecten en decorateurs, inzonder sinds het jaar 2000 "zo goed als exclusief". In de geschreven arbeidsovereenkomst worden de architecten en decorateurs door partijen aangeduid als zijnde cliënteel (art. 3). Uit appellantes stuk 56 blijkt dat de heer M. soms ook aannemers bezocht met het oog op de verkoop van tegels (A+B concept m.b.t. Chantier Fond Ray). Uit appellantes stukken 7 tot 55 blijkt dat de heer M. prijsoffertes opstelde voor de bestellingen van tegels door aannemers. De heer M. stelt eveneens enerzijds dat de architecten en decorateurs geen cliënteel zijn van Techimex, doch slechts tussenpersonen die geen zaken kunnen sluiten daar de bestellingen van de tegels door de aannemers werden gedaan. Anderzijds stelt hij dat hij met deze tussenpersonen geen zaken onderhandelde doch slechts over de producten "promotie" maakte. Overwegende dat uit de door de heer M. neergelegde getuigenverklaringen van de heren B., L. en D. blijkt dat het algemeen bekend was dat de heer M. was belast met het bezoeken van architectenbureaus en publieke instellingen om de producten van Techimex te laten "voorschrijven". Overwegende dat de heer M. Techimex niet met ernstige gegevens tegenspreekt waar deze stelt dat het eigenlijk cliënteel van Techimex niet de aannemers zijn doch de architecten omdat het beslissingsmoment voor de aankoop van deze of gene tegel zowel voor openbare gebouwen als in de woningbouw steels ligt bij de architect (in samenspraak met de bouwheer) die de beschrijving van de passende tegel opneemt in het lastenboek. De heer M. beaamt dit in besluiten en stelt dat Techimex over het algemeen niet rechtstreeks met aannemers werkte, omdat de producten daarvoor te duur waren. Het bedrijf legde zich vooral toe op het voorstellen van producten bij architecten en decorateurs en ook bij particulieren. Appellante bewijst ook aan de hand van de neergelegde stukken dat de bestelling van tegels geplaatst wordt door de aannemers vloerders doch dat de aannemers de bestellingen plaatsten van de tegels gekozen door de architect in samenspraak met de bouwheer. De eigenlijke klant die kiest voor de aankoop van een product van Techimex is de bouwheer, de bouwpromotor, de architect of decorateur in samenspraak met de bouwheer. Dit is de economische realiteit. Het feit dat de bestelling wordt geplaatst door een aannemer of vloerder doet aan deze economische realiteit geen afbreuk. Deze aannemer of vloerder handelt overigens in opdracht van de bouwheer of architect die voor het product van Techimex gekozen hebben en in uitvoering van een lastenboek. Het Hof stelt vast dat de eigenlijke klanten van Techimex de bouwheren, bouwpromotoren, architecten en decorateurs zijn, daar zij BESLISSEN over de aankoop van deze of gene tegels. De aannemers die bestellingen plaatsen bij Techimex voeren de keuze van de bouwheren, promotoren, architecten uit. In deze omstandigheden geeft het plaatsen van een bestelling aan de aannemers niet de hoedanigheid van "klanten". Dit zou een juridisme zijn dat tegenstrijdig is met de realiteit. Overwegende dat ook aan de hand van de door appellante neergelegde stukken vaststaat dat de heer M. : - hoofdzakelijk architecten en decorateurs bezocht met het oog op het onderhandelen van de verkoop van tegels van Techimex (keuze waarover deze architecten en decorateurs samen met de bouwheer beslissen), - tevens aannemers contacteerde of door hen gecontacteerd werd en prijsoffertes deed met het of op het afsluiten van de verkoop van de tegels die dezen in opdracht van de architecten, decorateurs of bouwheren bij Techimex bestelden. De taak van de heer M. overschreed ver het louter vertrouwd maken of promotie van de producten van Techimex zoals hij voorhoudt. Hij bezocht de architecten, decorateurs, bouwpromotoren en openbare instellingen om met hen te onderhandelen over en hen te overtuigen tot de aankoop van welbepaalde tegels voor welbepaalde werven en hielp hen overigens met technische bijstand voor het opstellen van lastenboeken (zoals hij zelf erkent) d.w.z. met het opstellen van de beschrijving van de passende Techimex-tegels in de lastenboeken van welbepaalde bestaande werven. Ook de door de heer M. neergelegde getuigenverklaringen bevestigen dat hij architectenbureaus of openbare instellingen bezocht om hen te overhalen bepaalde tegels van Techimex voor te schrijven. Voor te schrijven betekent in casu over de aankoop van tegels te beslissen. De heer M. vergelijkt zijn taak dan ook totaal ten onrechte met deze van een medisch afgevaardigde die artsen bezoekt of met een bediende die fotografen bezoekt en wiens taak zich ertoe beperkt de kwaliteit van de producten van zijn werkgever aan te prijzen zonder zaken te onderhandelen. Het Hof stelt vast dat bewezen is dat de heer M. op bestendige en hoofdzakelijke wijze architectenbureaus, decorateurs, openbare instellingen en bouwpromotoren, dit zijn de klanten en potentiële klanten van Techimex, bezocht met het oog op het onderhandelen van zaken en meer bepaald de aankoop van Techimex-tegels te beslissen. Het feit dat de bestellingen achteraf door de aannemers bij Techimex werden geplaatst in opdracht van deze klanten (architectenbureaus, decorateurs, openbare instellingen en bouwpromotoren) doet geen afbreuk aan zijn hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger. Ook deze bestellingen waren immers het resultaat van de door de heer M. met de eigenlijke klanten gevoerde besprekingen. Het Hof stelt vast dat de door de heer M. daadwerkelijk uitgeoefende functie overeenstemt met de beschrijving en de kwalificatie zoals door partijen onderschreven in de arbeidsovereenkomst. De heer M. was een handelsvertegenwoordiger. Het concurrentiebeding. Overwegende dat de heer M. onmiddellijk nadat hij zijn ontslag gaf bij Techimex in dienst trad bij SA Carimar (Brain-l'Alleud), een rechtstreekse concurrent van Techimex. Hij trad bij SA Carimar in dienst in dezelfde hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger, wat hij niet betwist. Overwegende dat het door partijen onderschreven concurrentiebeding (art. 12 van de arbeidsovereenkomst) voldoet aan de voorwaarden voorzien door artikel 104 AOW. De heer M. heeft dit beding geschonden door voor SA Carimar een soortgelijke activiteit uit te oefenen onmiddellijk na zijn ontslag. Partijen bedongen rechtsgeldig een forfaitaire vergoeding in geval van schending gelijk aan 3 maanden loon, wat overeenstemt met de wettelijk voorziene maximum vergoeding (artikel 106 AOW). Appellante vordert een bedrag gelijk aan 626.910 F of EUR 15.540,69 (drie maanden loon) of brutojaarloon 2.507.641 x 3/12 waarvan de heer M. het bedrag als dusdanig niet betwist. Overwegende dat de heer M. terecht stelt dat een forfaitaire vergoeding wegens schending van het niet-concurrentiebeding geen loon is, zoals bepaald in artikel 10 van de Loonbeschermingswet, zodat hij geen wettelijke intresten verschuldigd is. Dat hij overeenkomstig artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek moratoire intresten verschuldigd is op deze geldsom van bij de ingebrekestelling dd. 5 april
  6. ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, geeft akte aan NV Intertegel van haar hervatting van het geding oorspronkelijk gevoerd door NV Techimex. Verklaart het hoger hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk. Verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond. Bevestigt het vonnis a quo voor zover het de oorspronkelijke eis van NV Techimex ontvankelijk verklaart. Verklaart het hoger hoofdberoep gegrond. Hervormt het vonnis a quo voor zover het de oorspronkelijke vordering van appellante ongegrond verklaard en opnieuw rechtdoende, verklaart de oorspronkelijke vordering van NV Intertegel, die het geding hervat voor NV Techimex, gegrond. Veroordeelt de heer G. M. tot betaling aan NV Intertegel de som van EUR 15.540,69 (vijftienduizend vijfhonderd en veertig euro en negenenzestig cent 626.910 F) t.t.v. forfaitaire vergoeding wegens schending van het niet-concurrentiebeding, vermeerderd met moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet van 5 april 2001 tot 30 augustus 2001 en de gerechtelijke intresten vanaf 31 augustus
  7. Veroordeelt de heer G. M. tot de kosten van beide aanleggen, tot op heden als volgt begroot: - voor appellante: - dagvaarding EUR 142,96 - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg EUR 205,26 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 273,67 - uitgavenvergoeding EUR 57,02 - voor geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg EUR 200,79 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 267,73 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op drie tweeduizend en vier. Waren aanwezig: M. VERMAELEN: Raadsheer. R. WAEYAERT: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. M. WAMPERS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de heer R. DE LEEUW, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040903.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.