← België

ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040909.21

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 09 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040909.21 Rolnummer: 43587 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-03-06 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-03 19:37 Fiche Wanneer de arbeidsauditeur met een kantschrift gericht aan de sociale inspectie bij het ministerie van sociale voorzorg deze dienst uitnodigt "een onderzoek in te stellen betreffende inbreuken die tot zijn bevoegdheid behoren, eventueel een proces-verbaal op te stellen en indien mogelijk de zaak te regulariseren " dan geeft hij hierdoor niet de "uitdrukkelijke toelating" tot mededeling aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van het regularisatiedocument F33 waarvan sprake in artikel 6 ,§1, derde alinea van de arbeidsinspectiewet. De kennisgeving van dit document aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid in die omstandigheden is onwettig. Vrije woorden: TOEZICHT EN CONTROLE VAN DE SOCIALE WETTEN - ARBEIDSINSPECTIE - Arbeidsinspectiewet van 16 november 1972 - Informatieverstrekking door sociale inspectiediensten aan andere diensten. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-11-1972 - 6 - 01 ELI link Pub nr 1972111604 Nota: Vernietigd door cassatie 8 januari 2007, 3de kamer , nr S. 05.0119.N. Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. 7de KAMER Not. 580, 2° G.W. Sociale Zekerheid Bijdragen Op tegenspraak Definitief In de zaak : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, appellant, verschijnend bij Mr. S. De Kerpel loco Mr. P. Derveaux, advocaat te 1930 Zaventem, Tegen : D. K. L. geïntimeerde, verschijnend bij Mr. E. Peeters, advocaat te 2800 Mechelen, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 27 september 2002; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 2 december 2002; - de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 29 april 2004, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. Voorgaanden Bij dagvaarding dd. 10 juni 1996 vordert appellant de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een bedrag van 99.896 fr. (2.476,36 EURO), te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 4 april 1996, datum volgend op de afsluiting van het rekeninguittreksel, met betrekking tot sociale zekerheidsbij-dragen, bijdrageopslagen en intresten voor het derde en vierde kwartaal

  1. Bij dagvaarding dd. 31 juli 1996 vordert appellant de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een bedrag van 18.633 fr. (461,90 EURO) te vermeer-deren met de wettelijke intresten vanaf 1 juni 1996, datum volgend op de afsluiting van het rekeninguittreksel, met betrekking tot de sociale zekerheidsbijdragen, bijdrageopslagen en intresten voor het eerste kwartaal
  2. Bij dagvaardingsexploot dd. 1 juli 1996 vordert appellant de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een bedrag van 109.265 fr. (2.708,61 EURO) te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 3 mei 1996 met betrekking tot sociale zekerheidsbijdragen, bijdrageopslagen en intresten voor het eerste en het tweede kwartaal
  3. Bij dagvaardingsexploot van 16 oktober 1998 vordert appellant de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een bedrag van 20.271 fr. (502,50 EURO), te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 5 september 1996 m.b.t. sociale zekerheidsbijdragen, opslagen en intresten voor het eerste kwartaal
  4. Bij dagvaarding dd. 18 juli 2000 vordert appellant de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een bedrag van 4.352 fr. (107,88 EURO) te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 9 juni 2000, met betrekking tot sociale zekerheidsbijdragen, opslagen en intresten voor het tweede kwartaal
  5. Bij vonnis dd. 27 september 2002 van de Arbeidsrechtbank van Brussel worden deze zaken samengevoegd, worden de vorderingen ontvankelijk doch ongegrond verklaard en wordt appellant veroordeeld tot de kosten. De eerste rechter was van oordeel dat het kantschrift dd. 30 juni 1995 geenszins de toestemming gaf aan appellant om inlichtingen of stukken uit het strafdossier te bekomen en te gebruiken in administratieve of burgerlijke procedures en dat appellant, bij gebrek aan toestemming zoals voorzien door artikel 6, ,§ 1 van de wet van 16 november 1972, op een onwettige manier kennis heeft gekregen van minstens één inlichting of stuk uit het strafdossier waardoor het geheim van het strafrechtelijk onderzoek geschonden werd. De eerste rechter verklaarde dan ook de vorderingen van appellant ongegrond, gezien de procedures die voortvloeien uit onwettig verkregen informatie nietig zijn. Appellant tekent hoger beroep aan en verzoekt het Hof : " Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens het vonnis a quo te hervormen. Dienvolgens de initiële vorderingen ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens geïntimeerde te veroordelen tot betaling van : - 2.476,36 EURO, meer de wettelijke verwijlintresten vanaf 4 april 1996; - 461,90 EURO, meer de wettelijke verwijlintresten vanaf 1 juni 1996; - 2.708,61 EURO, te vermeerderen met de wettelijke verwijlintresten vanaf 3 mei 1996; - 502,50 EURO, meer de wettelijke verwijlintresten vanaf 5 september 1996; - 107,88 EURO, meer de wettelijke verwijlintresten vanaf 9 juni 2000; tot de gerechtelijke intresten en de kosten, R.P.V. inbegrepen". Appellant stelt dat vermits er geen enkele vervolgingsdaad werd gesteld door het ambt van de arbeidsauditeur, er geen sprake is van een gerechtelijke procedure zoals bedoeld in artikel 6 ,§ 1, 3de lid van de arbeidsinspectiewet, zodat de bijkomende toelating van de auditeur-generaal of de arbeidsauditeur tot kennisname van akten, stukken, registers, documenten of inlichtingen betreffende de gerechtelijke procedure, niet moest worden gevraagd. Verder stelt appellant dat de vordering gesteund is op de wet van 27 juni 1969, dat de heffing van sociale zekerheidsbijdragen het loon als berekeningsbasis heeft en dat deze grondslag volledig moet worden onderscheiden van de vergoedingen waartoe een werkgever zou kunnen worden veroordeeld in het kader van het koninklijk besluit van 23 oktober 1978 (herstelvergoedingen). Tenslotte stelt appellant dat de wet van 27 juni 1969 van openbare orde is en dat sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn bij prestaties geleverd onder gezag tegen loon, ook wanneer het gaat om illegalen. Geïntimeerde stelt dat door het opstellen van een proces-verbaal een strafonderzoek (opsporingsonderzoek) werd opgestart, dat het geheim van het strafondrzoek een aanvaard algemeen rechtsbeginsel is waarvan de schending actueel ook strafrechtelijk sanctioneerbaar is, dat aan de grondslag van de dagvaardingen van appellant een formulier F 33 ligt door geïntimeerde ondertekend bij bezoek van de sociale inspectie n.a.v. het strafonderzoek en het kantschrift aan de sociale inspectie en dat zelfs geen vraag tot toelating is gesteld door de sociale inspectie, zodat met de informatie die door appellant niet volgens de regels werd verkregen, geen rekening kan worden gehouden. Geïntimeerde stelt in ondergeschikte orde dat door een interne procedure 50 % van de opbrengst van de opgelegde geldboete doorgestort wordt aan de R.S.Z. en dat dit een compensatie is voor de afgeschafte R.S.Z.-vergoeding en de R.S.Z. vergoedt voor de minder - inkomsten tengevolge van zwartwerk/tewerkstelling van illegalen. Feiten Uit het door de Rijkswacht opgemaakt PV n° 100.535 van 16/5/95 blijkt dat een zekere A. M., welke illegaal in het land was, verbleef bij geïntimeerde die hem als helper op zijn boerderij had tewerkgesteld. Geïntimeerde verklaarde in het PV dat hij sedert een 8-tal maanden de heer A. M. als tegenprestatie voor zijn diensten kost en inwoon verschafte evenals 2.000 BF (49,58 EURO) per week betaalde. Het voormelde PV werd zowel aan de Arbeidsauditeur als aan de Directeur van de studiedienst van het Ministerie van Arbeid en Tewerkstelling overgemaakt met het oog op een eventuele administratieve geldboete. Op 30/6/95 vaardigde de Arbeidsauditeur een kantschrift uit aan de Sociale Inspectie met als opdracht "teneinde een onderzoek in te stellen betreffende inbreuken welke tot zijn bevoegdheden behoren, eventueel PV op te stellen en indien mogelijk de zaak te regulariseren". De Arbeidsauditeur besliste op 30/5/96 om de zaak zonder gevolg te rangschikken. De Directeur van de studiedienst van het Ministerie van Arbeid en tewerkstelling besliste om geen administratieve geldboete op te leggen. Geïntimeerde ondertekende op 6/11/95 het regularisatie-formulier F 33 dat hem door de sociale inspectie werd voorgelegd op grond van gegevens van het strafdossier. Op basis van dit stuk vorderde appellant de betaling van de achterstallige bijdragen. Beoordeling door het Hof Artikel 6 par. 1 van de wet van 16/11/72 bepaalt dat alle diensten van de Staat met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en van alle rechtscolleges, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten, de verenigingen waartoe ze behoren, en van de openbare instellingen die ervan afhangen, alsmede van alle openbare en meewerkende instellingen van sociale zekerheid, gehouden zijn aan de sociale inspecteurs, op hun verzoek, alle inlichtingen te geven, alsmede alle boeken, registers, documenten, schijven, banden, of gelijk welk andere informatiedragers ter inzage voor te leggen en uittreksels, afschriften, afdrukken, uitdraaien, kopieën, of fotokopieën ervan te verstrekken die deze laatsten nuttig achten voor het toezicht op de naleving van de wetgevingen waarmee zij belast zijn. Lid 3 bepaalt verder : " Evenwel mogen de akten, stukken, registers, documenten of inlichtingen betreffende gerechtelijke procedures enkel worden medegedeeld met de uitdrukkelijke toelating van de Procureur-Generaal of de Auditeur-Generaal". Wat de informatieverstrekkingen door andere diensten aan de sociale inspectiediensten betreft moet dus een onderscheid worden gemaakt naargelang deze informatie waarover de inspectiedienst beschikt werd ingewonnen naar aanleiding van een gerechtelijke opdracht dan wel daarbuiten (G. Van Limberghen, Sociaal Strafrecht, Maklu, 1998, p. 177). In artikel 6, ,§ 1, lid 3 van de Arbeidsinspectiewet wordt ook geen onderscheid gemaakt tussen strafen burgerlijke procedures. De verwijzing naar artikel 5 van de Arbeidsinspectiewet door appellant is terzake niet dienend gezien dit artikel betrekking heeft op inlichtingen die worden verstrekt door sociale inspectiediensten aan andere diensten en niet zoals in casu op inlichtingen gegeven door andere diensten (plicht voorgeschreven door de arbeidsauditeur) aan de sociale inspectiediensten. In het arrest dd. 8 juli 1999 van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, A.R. 97/230 waarnaar appellant verwijst blijkt dat het onderzoek gestart is als een administratief onderzoek op gezamenlijk initiatief van sociale inspecteurs van de Sociale Inspectie van het Ministerie van Sociale Voorzorg en van de eigen inspectiedienst van de R.S.Z. en dat door een sociale inspecteur van de Sociale Inspectie de tussenkomst van het ambt van de arbeidsauditeur werd gevraagd om de inbeslagname van stukken mogelijk te maken, dat met een kantschrift de Arbeidsauditeur de Sociale Inspectie verzocht om het onderzoek verder te zetten met bijstand van de gerechtelijke politie en dat met toestemming van de Arbeidsauditeur de inspecteur van de Sociale Inspectie de in beslaggenomen stukken heeft ingezien en ambtshalve een verzoek het regularisatie heeft opgesteld. In casu werd met kantschrift dd. 30 juni 1995 van de Arbeidsauditeur te Brussel aan de Sociale Inspectie bij het Ministerie van Sociale Voorzorg gevraagd een onderzoek in te stellen betreffende de inbreuken die tot zijn bevoegdheid behoren, eventueel een P.V. op te stellen en indien mogelijk de zaak te regulariseren. Zich steunend op het proces-verbaal nr. 100.535 van 16 mei 1995 opgesteld door de Rijkswacht van Zemst lastens geïntimeerde worden voormelde regularisaties doorgevoerd voor de kwartalen 3 - 4 van 1994 en 1 - 2 van 1995 en het regularisatiedocument F33 aan appellant overgemaakt zonder eventueel uitdrukkelijke toelating van de Auditeur-generaal (of bij delegatie de Arbeidsauditeur), zodat met deze informatie die op onwettige wijze werd verkregen geen rekening kan worden gehouden en de dagvaardingen nietig zijn. Trouwens in artikel 6, ,§ 1, eerste lid van de Arbeidsinspectiewet is er sprake van het verstrekken van inlichtingen aan de sociale inspecteurs " op hun verzoek" (buiten een gerechtelijke procedure en zonder toelating) en in casu heeft de sociale inspecteur geen enkele vraag gericht aan de Arbeidsauditeur. Het vonnis a quo dient te worden bevestigd. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel ; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in de voorlezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 13 mei 2004; Gelet op de repliekbesluiten door geïntimeerde neergelegd op 2 juni 2004 ter griffie van het Arbeidshof te Brussel; De zaak werd op 10 juni 2004 in beraad genomen; Recht doende op tegenspraak; Alle andere middelen en conclusies van de hand wijzende; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond; Bevestigt het vonnis a quo; Legt de kosten ten laste van appellant, kosten tot op heden begroot op : - voor appellant 200,97 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor geïntimeerde 267,71 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op negen september tweeduizend en vier. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VAN DE VELDE, Raadsheer de heer I. VAN DAMME, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van de heer J. VERVECKEN, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek). de heer H. SILON, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G.. DE SAEDELEER, Griffier PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040909.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.