← België

ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040917.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 17 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040917.3 Rolnummer: 41401 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-03 19:38 Fiche Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Schadevergoedingen ex delicto na brandstichting. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 18 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: V. E. T. Appellant, vertegenwoordigd door Mr. H. Ketsman, advocaat te Brussel; Tegen: L. F. , Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. J. Van Der Schueren loco Mr. E. Boydens, advocaat te Hoeilaart; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 1e kamer B van de Arbeidsrechtbank te Leuven op 9 november 2000 (AR nr. 96/94), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 12 april 2001; - de besluiten en de tweede samenvattende besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op respectievelijk 17 december 2002 en 22 oktober 2003; - de besluiten en aanvullende besluiten van appellant, ontvangen ter griffie op respectievelijk 7 februari 2003 en 13 mei 2004; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 18 juni 2004. Appellante partij legde haar bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. DE FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN. De heer V. E. was sinds 1 september 1975 tewerkgesteld als bediende bij pvba Top die vanaf 19 maart 1992 van naam veranderde in bvba L. , kleinhandel in groenten, fruit en vleeswwaren, uitgebaat onder de naam Top Bema door de enige zaakvoerder F. L. , die er het werkgeversgezag uitoefende. In de nacht van 14 op 15 maart 1993 heeft de heer L. het winkelpand van zijn firma Bema, gelegen in het Super City One Complex te Leuven, opzettelijk in brand gestoken, terwijl hij moest vermoeden dat zich aldaar op het openblik van de brand één of meer personen bevonden. Deze feiten zijn bewezen (arrest Hof van Beroep te Brussel, 13e kamer, 25.11.1998, arrest 1423, cassatievoorziening verworpen). Van de zes vuurhaarden situeerde er zich één op zijn bureelmeubel in zijn kantoor, een andere onder de toog van de winkel. De verzekerde bedragen tegen brand waren een stuk overdreven. De heer L. stelt zelf: "Aangezien ten gevolge van de brand en daaruit voortvloeiende onmogelijkheid tot verdere uitbating van de handelsactiviteit de werknemers feitelijk werkloos waren." De heer V. E. ontving geen loon meer vanaf de maand maart 1993. Op 23 augustus 1993 schrijft hij aan de heer L. dat hij contractbreuk vaststelt in zijnen hoofde doordat hij hem niet tewerkstelt en ook geen loon meer uitbetaalt sinds maart. Op 7 januari 1994 dagvaardt hij de bvba L. in faling alsook de heer L. voor de eerste rechter en vordert (herleide vordering) loonachterstallen en vakantiegelden t.b.v. 335.673 BEF (EUR 8321,12) te horen vastleggen zoals die nog door de faling van de bvba L. HRL 81.643 verschuldigd zijn, tevens de heer L. in persoon en hoofdelijk te horen veroordelen tot dezelfde bedragen, dit uit hoofde van schadevergoeding ex delicto, eis ingeleid met dagvaarding in gedwongen tussenkomst dd. 27 januari 1997. II. HET VONNIS A QUO. Het vonnis a quo verklaart de vorderingen ontvankelijk doch uitsluitend gegrond t.o.v. de curator qq. en stelt de door de faling verschuldigde bedragen vast op 335.673 BEF (EUR 8321,12 zijnde het saldo na tussenkomst van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen), te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten. De zaak wordt verzonden naar de rechtbank van Koophandel te Leuven voor opname in het passief. De eerste rechter was van mening dat de vordering tegen geïntimeerde uitsluitend ex delicto op grond van de feiten van brandstichting was gesteld en er een oorzakelijk verband ontbrak tussen de brandstichting en het saldo aan niet betaalde bedragen daar dit slechts een onrechtstreeks gevolg zou geweest zijn van de daad van brandstichting zodat de vordering ongegrond werd verklaard. Bij schrijven van 17 januari 2003 meldde de curator van de faling van bvba L. aan appellant dat hij geen bijkomend dividend meer te verwachten had. III. DE BEROEPSGRIEVEN. Appellant verzoekt ons Hof bij wege van beperkt hoger beroep het vonnis a quo te hervormen, inzoverre het zijn oorspronkelijke vordering niet gegrond verklaarde lastens de heer L. in persoon, en opnieuw recht sprekende, de heer L. zou veroordelen t.t.v. herstel in natura de som van EUR 43.835,19, minstens in ondergeschikte orde t.t.v. schadevergoeding de som van EUR 43.835,19 te vermeerderen met minstens de vergoedende intresten sedert 1 april 1993, de gerechtelijke intresten en de kosten van beide aanleggen. Geïntimeerde tevens te veroordelen tot afgifte van de overeenkomstige sociale en fiscale documenten, met name loonafrekening en belastingsfiche 281.10. Appellant stelt dat: "De eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant zijn vordering jegens de heer L. uitsluitend ex delicto en dit op grond van de feiten van brandstichting heeft gesteld" en verder "Het bijzondere is wel dat eisende partij zich m.b.t. de sociaalrechtelijke verplichtingen baseert op het misdrijf van brandstichting." Appellant stelt dat de eerste rechter uit het oog heeft verloren dat zowel in de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring dd. 27 januari 1997 als in de conclusie niet alleen werd verwezen naar de feiten van brandstichting maar ook uitdrukkelijk gesteld werd dat geïntimeerde persoonlijk aansprakelijk was voor de betaling van de lonen, verbrekingsvergoeding, vakantiegeld enz... In de conclusie genomen voor de eerste rechter wordt ook duidelijk aangeduid dat naast de brandstichting de vordering gebaseerd is op het niet betalen van het loon en vakantiegeld, zodat de eerste rechter dan ook ten onrechte nagelaten heeft deze vorderingen te onderzoeken. Daarenboven heeft de eerste rechter een te beperkende opvatting van het causaal verband tussen enerzijds het misdrijf van de brandstichting en anderzijds de hieruit voor de werknemers zoals appellant voortvloeiende schade. De contractverbreking is inderdaad een rechtstreeks gevolg van de brandstichting daar tengevolge de brandstichting het verder presteren van appellant de facto onmogelijk werd gemaakt en hij dan ook terecht op deze basis de éénzijdige contractbreuk in hoofde van zijn werkgever heeft vastgesteld. De schade die hij hierdoor lijdt is gelijk aan het gedeelte van de opzegvergoeding die hij niet heeft kunnen ontvangen via de tussenkomst van het Fonds voor Sluiting of vanwege de faling, daar tengevolge van de brandstichting de activa van de vennootschap werden vernietigd en dan ook het voorrecht van de werknemers werd uitgeschakeld: Niet ontvangen loon: 485.673 150.000 (betaald door het Sluitingfonds) = 335.673 BEF (EUR 8321,12) Verbrekingsvergoeding: 1.957.467 534.932 (Sluitingfonds) = 1.422.535 BEF (EUR 35.263,72) Vakantiegeld 92-93: 128.679 BEF Vakantiegeld 93-94: 96.488 BEF 225.167 BEF - 215.068 BEF (ontvangen Sluitingfonds) 10.099 BEF (EUR 250,35) hetzij 335.673 + 1.422.535 + 10.099 = 1.768.307 BEF (EUR 43.835,19) Standpunt van de heer L. .

  1. a)Geïntimeerde besluit tot de onontvankelijkheid van appellants vordering jegens zijn persoon. - Hij stelt dat hij zaakvoerder was van de bvba L. en dat appellant geen vorderingsrecht meer jegens hem bezit na de faillietverklaring (Cass. 6.1.1984, AC 83-84, 507); - Hij stelt dat hij geen werkgever was en zodoende ook geen sociaal misdrijf kan begaan hebben; - hij merkt op dat appellant zijn schadevergoeding op grond van artikel 1382 BW dient te begroten naar gemeen recht en niet volgens het arbeidsrecht.
  2. b)Geïntimeerde stelt dat appellants vordering ex delicto ongegrond is. - Geïntimeerde stelt dat hij moet instaan voor de burgerlijke gevolgen van het door hem gepleegde delict nl. de brandstichting doch dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de brandstichting en het sociaal misdrijf nl. het niet betalen van loon en vakantiegeld. - Voor het sociaal misdrijf is enkel de bvba L. als werkgever aansprakelijk en niet geïntimeerde. Geïntimeerde stelt dat hij onmogelijk als werkgever kan beschouwd worden.
  3. c)Geïntimeerde stelt tenslotte dat de uitbreiding van eis door appellant gedaan met beroepsbesluiten dd. 6 februari 2003 onmogelijk is (sic). Dat appellant bij beroepsconclusie plots een vergoeding vraagt gelijk aan gederfd en achterstallig loon, verbrekingsvergoeding en vakantiegeld. Geïntimeerde meent dat appellant zodoende zijn eigen motivering ondermijnt. Ofwel spreekt hij geïntimeerde aan op arbeidsrechtelijke gronden en dan is de vordering onontvankelijk, ofwel spreekt hij geïntimeerde aan op gemeen rechtelijke grond (art. 1382 BW) en dan kan geenszins een verbrekingsvergoeding en vakantiegeld gevraagd worden vermits deze enkel door de werkgever kunnen verschuldigd zijn. Geïntimeerde stelt dat appellant bovendien in de procedure voor de Arbeidsrechtbank expliciet afstand heeft gedaan van de vordering van verbrekingsvergoeding en vakantiegeld bij conclusie dd. 27 september 2000 en dat hij hierop niet kan terugkomen. ó ó ó IV. BEOORDELING VAN HET HOF. Overwegende dat het hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomt, wat overigens niet wordt betwist. Overwegende dat appellant voor de eerste rechter met een dagvaarding in tussenkomst dd. 27 januari 1997 zijn oorspronkelijke vordering jegens de heer L. ten persoonlijke titel inleidde en zijn solidaire veroordeling vorderde met de bvba L. tot betaling van schadevergoeding t.b.v. de bedragen van achterstallig loon, verbrekingsvergoeding, vakantiegeld en aankleven t.b.v.: - 485.673 BEF bruto achterstallig loon, - 1.957.467 BEF bruto verbrekingsvergoeding of 20 maanden loon, - 128.679 BEF + 96.488 BEF bruto vakantiegeld uit dienst voor 1993 en 1994. Appellant stoelde deze vordering in de inleidende dagvaarding op de persoonlijke aansprakelijkheid van de heer L. voor de schade berokkend door het misdrijf van brandstichting, alsook op zijn hieruit volgende persoonlijke aansprakelijkheid voor de schade wegens de niet betaling van loon, verbrekingsvergoeding, vakantiegeld en aankleven (zie dagvaarding dd. 27.1.1997, 2e blz). Met besluiten neergelegd ter griffie op 5 oktober 2000 herleidde appellant zijn oorspronkelijke eis (na tussenkomst van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen) tot betaling van schadeloosstelling wegens niet betalen van loon en vakantiegeld voor een bedrag van 335.673 BEF (EUR 8321,12). De herleiding of beperking van een oorspronkelijk gevorderde som tot een lager bedrag is geen afstand van recht of geen afstand van vordering zoals bedoeld in artikel 821 van het Gerechtelijk Wetboek. Afstand kan overeenkomstig artikel 824 Ger.Wb. uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden. Van een uitdrukkelijke afstand van recht door appellant is geen spoor te vinden. Stilzwijgende afstand kan slechts worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende feiten waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen van het geding of van de rechtsvordering (art; 824 Ger.Wb.). Dergelijke feiten zijn in onderhavige zaak niet voorhanden. Uit de herleiding van het oorspronkelijk gevorderde bedrag met besluiten kan het Hof geen afstand van recht afleiden. De door appellant bij beroepsbesluiten dd. 7 februari 2003 gevorderde bedragen t.t.v. schadevergoeding ex delicto wegens brandstichting én niet betaling van lonen en vakantiegeld waren reeds gevorderd met de oorspronkelijke inleidende dagvaarding dd. 27 januari 1997, zodat geïntimeerde ten onrechte besluit tot een uitbreiding van de eis van appellant voor ons Hof. Het Hof stelt vast dat appellant in de inleidende dagvaarding en met besluiten voor ons Hof de veroordeling vordert van de heer L. tot betaling van schadevergoeding ex delicto wegens het misdrijf van niet betaling van loon en vakantiegeld en wegens het misdrijf van de brandstichting. Hij begroot deze schade op de totale som van 1.768.307 BEF of EUR 43.835,19, zijnde de bedragen van het gederfd achterstallig loon (335.673 BEF), vakantiegeld (10.099 BEF) en de gederfde verbrekingsvergoeding die hem niet werd betaald noch door de bvba L. noch door het Fonds voor sluiting, noch door de curator van het faillissement. Appellant legt stukken neer waaruit blijkt dat het Sluitingfonds is tussengekomen voor de maximale wettelijke grens en dat er vanwege de activa na het faillissement van de bvba geen betaling meer te verwachten is. Overwegende dat het niet betalen van loon strafbaar is met toepassing van artikel 42, 1° van de Loonbeschermingswet (Cass. 17.6.1996, JTT 96, 331) het niet betalen van vakantiegeld eveneens (art. 54 van de Vakantiewet van 28.6.1971). Het niet betalen van loon en vakantiegeld is aldus een misdrijf. Ieder misdrijf vereist een materieel en een moreel bestanddeel. Het sociaal strafrecht vereist in de regel geen bijzonder opzet. Bij strafrechterlijke misdrijven is vereist dat de dader vrijwillig en bewust handelt (AH Brussel 18.1.80, JTT 82, 36). Er is een schuld of nalatigheid of fout van de overtreder vereist die niet wordt uitgeschakeld door enige schuldopheffingsgrond. Overwegende dat de niet betaling van loon, eindejaarspremies en vakantiegeld strafbaar zijn in hoofde van de werkgever, zijn aangestelden en lasthebbers (artikel 42, 1° van de Loonbeschermingswet; artikel 54 e.v. van het KB van 28.6.1971 houdende aanpassing en coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie der werknemers). Onder de termen aangestelden of lasthebbers wordt verstaan de aangestelden of lasthebbers bekleed met het gezag of bevoegdheid om over de naleving van de wet te waken. Overwegende dat de heer F. L. als enige zaakvoerder van de bvba L. als lasthebber van de werkgever bvba L. moet worden beschouwd zoals bedoeld in artikel 42,1 van de Loonbeschermingswet. Dat bewezen is dat hij daadwerkelijk bekleed was met de daadwerkelijke bevoegdheid het werkgeversgezag uit te oefenen en te waken over de correcte uitbetaling van lonen en vakantiegeld aan de werknemers. Dat de heer F. L. zich als lasthebber, daadwerkelijke uitoefenaar van het werkgeversgezag schuldig heeft gemaakt aan het niet betalen van loon en vakantiegeld aan appellant ten belope van de overigens niet betwiste bedragen (485.673 BEF en 128.679 BEF + 96.488 BEF) Overwegende dat tevens aan de hand van het reeds genoemd arrest van het Hof van beroep te Brussel nr. 1423 dd. 25 november 1998 bewezen is dat de heer L. opzettelijk brand stichtte in de lokalen van de handelszaak en er 's nachts zes vuurhaarden heeft aangestoken met behulp van papier waaronder documenten, facturen en brieven van de handelszaak. Dat de firma ernstige financiële problemen kende. Dat bewezen is dat de heer L. de vernieling op het oog had van de handelszaak Top Bema (zie arrest 25.11.1998). Overwegende dat de heer L. door het misdrijf van de opzettelijke brandstichting de handelszaak d.i. de arbeidsplaats heeft vernield alsook een groot deel van de activa van de bvba. Dat de heer L. aldus door zijn eigen opzettelijke fout de uitvoering van de arbeidsovereenkomst met appellant heeft verhinderd. Dat de bvba appellant geen werk meer verschafte na de vernieling van de handelszaak en de werknemers geen loon noch opzeggingsvergoeding betaalde wegens de vernieling van de zaak en haar activa. Dat het causaal verband tussen het niet verschaffen van werk, het niet betalen van loon en het niet betalen van de opzeggingsvergoeding en de brandstichting bewezen is. Overwegende dat de heer L. zich schuldig maakte aan het misdrijf van opzettelijke brandstichting én aan het misdrijf van niet betalen van lonen en vakantiegeld. Overwegende dat de heer L. geen enkele rechtvaardigingsgrond of schuldopheffingsgrond aanvoert. De heer L. beroept zich enkel op zijn mandaat als zaakvoerder in de vennootschap bvba L. en stelt dat appellant ingevolge het faillissement van de bvba geen vorderingsrecht op grond van artikel 62 van de Vennootschapswet jegens hun persoonlijk bezit, zodat zijn eis onontvankelijk is. Appellant stoelt zijn vordering echter niet op een tekortkoming van de heer L. in de vervulling van zijn bestuursmandaat (actio mandati), noch op de contractuele verbintenissen uit zijn arbeidsovereenkomst. Appellant vordert vergoeding van de door hem geleden schade veroorzaakt door de door de heer L. begane misdrijven van niet betaling van loon en van brandstichting. Deze vordering is gestoeld op artikel 3 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en op de artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk Wetboek. Elke daad van de mens waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan deze te vergoeden. De lasthebber die, zelfs in de uitvoering van zijn lastgeving, een oneigenlijk misdrijf begaat dat anderen schade toebrengt, is persoonlijk gehouden tot herstel van die schade, onverminderd het probleem te weten of de derde in voorkomend geval ook al niet optreden kan tegen de lastgever (Cass. 5.4.1921, Pas. 21, I, 302). Krachtens de leer van de organieke vertegenwoordiging worden rechtshandelingen van de organen van een rechtspersoon toegerekend aan de rechtspersoon. Een mandaat als bestuurder of zaakvoerder verleent de lasthebber evenwel niet zonder meer een vrijbrief om straffeloos onrechtmatig te kunnen handelen jegens derden. Bestuurders van vennootschappen zijn jegens derden persoonlijk aansprakelijk voor de schade uit hun onrechtmatige daden (Brussel 9.10.1987, JT 1988, p.408 en Van Ryn & X. Dieux: La responsabilité des administrateurs ou gérants d'une personne morale à l'égard des tiers (JT 1988, 401 e.v.). Bestuurders van vennootschappen zijn krachtens artikel 1382 B.W. tegenover alle benadeelden persoonlijk aansprakelijk voor de onrechtmatige daden die zij al dan niet in de uitoefening van hun functie verrichten (J. Ronse, K. Van Hulle, J.M. Nelis en B. Van Bruysteghem: Overzicht van Rechtspraak Vennootschappen, TPR 78, 816 en 821, aansprakelijkheid van beheerders; Ph. Colle: De la responsabilité quasi délictuelle des administrateurs de sociétés, RGAR 1986, 1107 e.v.). Derden kunnen derhalve bestuursfouten van de bestuurders van een vennootschap inroepen in de mate ze een onrechtmatige daad uitmaken (art. 1382 B.W.) (H. Vandenberghe en M. Van Quickenborne e.a.: Overzicht van rechtspraak aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, TPR 1987/2, 1609) nl. bij een inbreuk op een anders recht of een tekortkoming aan de algemene verplichting van zorgvuldigheid (J. Ronse e.a.: Overzicht, TPR 821-822). Reeds eerder werd geoordeeld dat een werknemer zijn vordering tot betaling van het nog verschuldigd loon bij uitdiensttreding, vakantiegeld en eindejaarspremie kan instellen tegen de bestuurders van een (failliete) vennootschap in hun hoedanigheid van lasthebbers van de werkgever-rechtspersoon en daders van de misdrijven bestaande in de niet betaling van het verschuldigde loon, eindejaarspremie en vakantiegeld (arbrb. Gent 7.4.1997, TGR 97, 202; arbrb. Oudenaarde 31.8.2001, Rechtspr. arb. ger. Br. III, II, 351,83, 331, 2). Wanneer een rechtspersoon een misdrijf pleegt rust de strafrechtelijke verantwoordelijkheid op de natuurlijke personen organen of aangestelden door wier toedoen de rechtspersoon gehandeld heeft (Cass. 17.2.1998, AC 98, nr. 97). Ons Hof verwijst naar de gepaste bewoordingen aangewend door het Hof van Beroep te Brussel dat in haar arrest dd. 2 september 1992 stelt dat een bestuurder van een vzw persoonlijk aansprakelijk is jegens derden (werknemers) voor de vergoeding van de schade veroorzaakt door zijn aquiliaanse fout nl. doordat hij als bestuurder die het dagelijks bestuur van de vzw waarnam door het niet betalen van de verschuldigde lonen, d.w.z. door dit misdrijf een onrechtmatige daad beging en overeenkomstig artikel 1382 B.W. jegens de werknemers tot schadevergoeding gehouden is: "Overwegende dat de bestuurders een aquiliaanse fout begaan wanneer zij handelen op een manier waarop een voorzichtige en bedachtzame persoon niet zou handelen die zich bekommert om de eventuele ongelukkige gevolgen die uit zijn handelswijze voor anderen kunnen voortvloeien." "... Wie een zekere rol speelt in een vennootschap en een zekere sociale functie vervult, moet de nodige kennis en kwaliteiten hebben om deze functie normaal te kunnen uitoefenen... derden hebben het recht en het gerechtigd vertrouwen dat zij niet zullen bedrogen worden door handelingen die hen kunnen benadelen en die getuigen van onwetendheid, onbezorgdheid of zelfs deloyauteit en die niet verenigbaar zijn met de normale uitoefening van een welbepaalde activiteit" (vrij vertaald door het Hof) (Hof Brussel, 2.9.92, RDP 93, 575-581 Voorziening in Cassatie verworpen bij arrest 13.1.1993, RG n° 262). De heer L. leidde als enige zaakvoerder Top Bema. Appellant en zijn collega's-werknemers hadden het recht en het gerechtigd vertrouwen dat de heer L. als zaakvoerder van de handelszaak geen handelingen zou stellen die hen zouden kunnen benadelen of die zouden getuigen van onwetendheid, onbezorgdheid of deloyauteit. De heer L. heeft door zijn opzettelijke brandstichting een misdrijf gepleegd, door de niet-betaling van lonen eveneens. Dit zijn duidelijke fouten in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek die een normaal, voorzichtig en redelijk mens niet zou hebben begaan. Appellant vordert dan ook met recht overeenkomstig artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek herstel van de volledige schade die hij omwille van deze beide misdrijven lijdt (Cass. 10.10.1949, RW 49-50, 745). Wie ten gevolge van een onrechtmatige daad schade lijdt is gerechtigd de herstelling in natura te vorderen indien zij mogelijk is en geen rechtsmisbruik vormt (Cass. 26.6.1980, arr. Cass. 1980, 1365). De vergoedende intresten zijn verschuldigd vanaf het ontstaan van de schade (Cass. 20.2.1980, arr. Cass. 1980, 739). De schade. Heeft de derde zijn schade niet verhaald op de vertegenwoordigde, dan kan hij de vertegenwoordiger direct aanspreken (Cass. 5.4.1921, Pas. 1921, I, 302). Overwegende dat bewezen is dat de arbeidsovereenkomst van appellant door het door de heer L. begane misdrijf van opzettelijke brandstichting (met vernieling van de tewerkstellingsplaats en van de activa van de handelszaak ten gevolge) onregelmatig werd beëindigd. ingevolge deze onrechtmatige beëindiging lijdt hij loonverlies en heeft hij recht op schadevergoeding. Als werknemer had hij jegens zijn werkgever wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst recht op een opzeggingsvergoeding krachtens artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet. De heer L. is evenwel niet zijn werkgever, dat was de bvba L. . Herstel in natura is aldus niet mogelijk, wel de betaling van een som geld die overeenstemt met de gederfde bruto opzegvergoeding. Appellant begroot deze schade in alle redelijkheid op een som gelijk aan het gederfd loon over een periode die nodig is om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden, rekening houdende met zijn anciënniteit, leeftijd, functie en loon of 20 maanden loon, hetzij 1.957.467 BEF 534.932 BEF (betaald door het Sluitingsfonds) of 1.422.535 BEF (EUR 35.263,72), de bedragen zijn cijfermatig niet betwist. Overwegende dat appellant wegens het door de heer L. begane misdrijf van niet betaling van loon en vakantiegeld schade leed, d.w.z. loon en vakantiegeld derfde ten belope van een bedrag gelijk aan 335.673 BEF (EUR 8321,12) niet-ontvangen loon en 10.099 BEF (e 250,35) niet-ontvangen vakantiegeld na tussenkomst van het sluitingsfonds. Ook deze bedragen zijn bewezen en worden cijfermatig niet betwist. De heer L. is gehouden tot betaling van een som van 335.673 BEF + 10.099 BEF, zijnde een netto bedrag dat overeenstemt met het door appellant gederfde bruto loon en vakantiegeld. Appellant vordert terecht overeenkomstig artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek vergoedende intresten op deze hoofdsommen vanaf 1 april 1993. Deze lopen immers vanaf het ontstaan van de schade. De schade ontstond vanaf het ogenblik van loonderving ingevolge de opzettelijke brandstichting. ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het beperkt hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het vonnis a quo voor zover het de oorspronkelijke vordering van appellant jegens de heer F. L. ongegrond verklaart en opnieuw rechtdoende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellant jegens de heer F. L. gegrond in hierna bepaalde mate. Veroordeelt de heer F. L. tot betaling aan appellant van de som van EUR 43.835,19 (drieënveertig duizend achthonderd vijfendertig euro en negentien cent of 1.768.307 BEF) netto t.t.v. schadevergoeding ex-delicto, te vermeerderen met compensatoire intresten vanaf één april 1993 en met de gerechtelijke intresten vanaf 27 januari 1997. Veroordeelt de heer F. L. tot de kosten van het geding, tot op heden als volgt begroot: - voor appellant: - dagvaarding EUR 139,32 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 267,73 - voor geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg EUR 319,70 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 267,73 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op zeventien september tweeduizend en vier. Waren aanwezig: M. VERMAELEN: Raadsheer. P. GROENINCKX: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de heer R. Waeyaert, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). M. WAMPERS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de heer J. Azijn, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040917.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.