← België

ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040917.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 17 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040917.4 Rolnummer: 43957 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-03 19:38 Fiche Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - BRUGPENSIOEN - Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 19-12-1974 - 12 - 01 Link Justel databank 19741219-01 Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: V. H. G. , Appellant, vertegenwoordigd door Mr. H. Vanosmael loco Mr. Y. Nelissen Grade, advocaat te Leuven; Tegen: N.V. PHILLIPS PETROLEUM INTERNATIONAL, met zetel te 3090 OVERIJSE, Brusselsesteenweg nr. 355 en ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 608.383; Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. B. Heylen loco Mr. A. Van Damme, advocaat te Brussel; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis a quo uitgesproken op tegenspraak door de 2e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 7 februari 2003 (AR nr. 6660/01), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 3 maart 2003; - de besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op 26 augustus 2003; - de besluiten van appellant, ontvangen ter griffie op 4 november 2003; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 18 juni

  1. Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. DE FEITEN. Appellant is in dienst van de Phillips Petroleumgroep sedert 1 mei
  2. In de loop der jaren veranderde hij een aantal keren van juridisch werkgever. Sinds 1 januari 1997 was hij tewerkgesteld bij NV Phillips Petroleum International. Tijdens de maand mei 1999 hadden partijen een gesprek i.v.m. de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en i.v.m. brugpensioen. Partijen zijn het grondig oneens over de inhoud van dit gesprek. Op 26 mei 1999 ontslaat geïntimeerde appellant met een opzeggingstermijn gelijk aan 24 maand die inging op 1 juni
  3. Op 1 augustus 2000 worden alle werknemers van NV Phillips Petroleum International ingevolge een joint venture overgedragen aan Chevron Phillips Chemicals International NV met behoud van hun loons- en andere arbeidsvoorwaarden. Vanaf 2 oktober 2000 is de arbeidsovereenkomst tussen de heer V. H. en NV Chevron Phillips Chemicals International geschorst wegens arbeidsongeschiktheid van de heer Van H. . Dit is op heden nog steeds zo. De overnemende werkgever is geen partij in onderhavige zaak. De heer V. H. heeft aldus 16 maand opzeg gepresteerd (juni 1999 tot en met september 2000). Van de lopende opzeggingstermijn van 24 maanden rest nog een periode van 8 maanden. De heer V. H. was 58 jaar oud op het ogenblik van het ontslag en heden is hij 63 jaar oud (°26 maart 1941). II. HET VONNIS A QUO. Op 9 maart 2001 dagvaardt de heer V. H. geïntimeerde voor de eerste rechter en vordert haar veroordeling tot betaling van: - 91.401,81 euro (3.687.140 BEF) t.t.v. aanvullende opzeggingsvergoeding, - 2.478,94 euro (100.000 BEF) provisioneel, t.t.v. aanvullende vergoeding op de werkloosheidsvergoeding in het kader van brugpensioen. Bij besluiten van 12 april 2002 dringt hij niet langer aan op het voormeld gevorderde provisioneel bedrag en bij besluiten van 26 september 2002 herleidt hij de gevorderde aanvullende opzeggingsvergoeding tot 86.535,99 euro (3.490.853 BEF) te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf 26 mei
  4. Hij vordert tevens de kosten van het geding en de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis. Het vonnis a quo stelt vast dat de heer V. H. afstand deed van zijn vordering t.t.v. aanvullende vergoeding op de werkloosheidsuitkeringen in het kader van het brugpensioen. Het vonnis a quo verklaart zijn oorspronkelijke vordering voor het overige ontvankelijk en ongegrond. De eerste rechter oordeelt dat de heer V. H. geen aanspraak meer kan maken op een aanvullende opzeggingsvergoeding. De eerste rechter is ervan overtuigd dat hij zich akkoord heeft verklaard met het brugpensioen en met de overeenkomstige sectorale (PC 207) CAO dd. 4 mei 1999 betreffende het brugpensioen vanaf de leeftijd van 58 jaar vastgestelde opzeggingstermijn, akkoord zoals voorzien in artikel 3 van deze CAO. Dit akkoord viel volgens de rechtbank af te leiden uit het feit dat appellant in de dagvaarding zelf de betaling vorderde van de brugpensioenvergoeding op basis van de sectorale CAO van 4 mei 1999, gesloten in het PC 207 en uit het feit dat appellant gedurende meer dan één jaar na de betekening van zijn ontslag op 25 mei 1999 geen enkel bezwaar heeft geuit tegen het brugpensioen noch tegen de opzeggingstermijn van 24 maanden. III. DE BEROEPSGRIEVEN. Appellant verzoekt het Hof het vonnis a quo te hervormen en opnieuw rechtdoende en doende wat de eerste rechter had moeten doen: - De oorspronkelijke vordering van appellant ontvankelijk en gegrond te verklaren; - Dienvolgens geïntimeerde te veroordelen om te betalen aan appellant een bedrag gelijk aan 86.535,99 euro, onder voorbehoud van missing of verzuim, t.t.v. aanvullende opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijk en gerechtelijke intresten sedert de datum van betekening van de opzeggingstermijn, aldus 26 mei
  5. - Geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande elk verhaal en zonder kantonnement. Appellant stelt in zijn beroepsverzoekschrift dat de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant zich akkoord verklaarde met het brugpensioen en met de in de sectorale CAO brugpensioen voorziene verkorte opzegtermijn (in casu 24 maanden). Appellant stelt dat hij zich noch met eventueel brugpensioen op 60 jaar noch met een verkorte opzegtermijn akkoord heeft verklaard en dat van een dergelijk akkoord geen bewijs wordt geleverd door geïntimeerde. Hij stelt dat dit akkoord niet wordt bewezen noch door de getuigenverklaring van de heer M., een aangestelde van de werkgever, noch door de inhoud van de opzegbrief, noch door het feit dat appellant gedurende meer dan een jaar de opzegtermijn presteerde zonder de te korte opzegtermijn te betwisten, noch uit het feit dat appellant in zijn oorspronkelijke dagvaarding aanvullende uitkeringen brugpensioen vorderde. In besluiten preciseert hij zijn grieven nader en stelt:
  6. De eerste rechter aanvaardt ten onrechte dat de verkorte opzegtermijn voor het brugpensioen kan aanvaard worden, doordat ten onrechte wordt aangenomen dat appellant hiermede akkoord zou zijn gegaan, en dat dit zou moeten blijken uit het gegeven dat hij zelf betaling vorderde van de brugpensioenvergoeding, wat niet het geval is.
  7. De eerste rechter antwoordt niet op het feit dat de opzeg zoals betekend niet is gegeven op grond van de CAO 207 en de verkorte termijn. De eerste rechter beperkt er zich toe te zeggen dat deze verhoogde opzegtermijn aanneembaar is om het einde van de opzegging te laten samenvallen met 60 jaar.
  8. Tenslotte aanvaardt de eerste rechter zonder meer en volkomen onterecht dat de verderzetting van zijn activiteiten zonder bezwaar tegen het brugpensioen en de verkorte termijn, het akkoord van appellant zou bewijzen. Appellant stelt dat de rechtspraak formeel is: indien geen akkoord is gesloten over een verkorte termijn na het ontslag, heeft de werknemer blijvend recht op een aangepaste vergoeding. "De ontslagen werknemer waaraan de werkgever het voordeel van het brugpensioen toegekend heeft, heeft niet verzaakt aan het recht een aanvullende opzegvergoeding te eisen in geval van afwezigheid van een akkoord over de toekenning van het brugpensioen in ruil voor een verkorte of minimale opzeggingstermijn..." (Arbeidshof Luik 18/10/1999, Soc. kron. 2000, 41). "Het vóór het ontslag gegeven akkoord omtrent de duur van de opzeggingstermijn was ongeldig op grond van artikel 82 par. 3 arbeidsovereenkomstenwet en de rechter is bijgevolg bevoegd om de passende opzeggingstermijn vast te stellen..." (Arbeidshof Antwerpen 2/11/1994, Soc. kron. 1995, 275). "Een werkgever kan een werknemer die aan de voorwaarden voor het conventioneel brugpensioen beantwoordt alleen met een verkorte opzeggingstermijn ontslaan wanneer de inkorting van de opzegging tussen partijen werd bedongen..." (Arbeishof Luik 20.2.1997, JLMB 1997, 750, JTT 1997 verkort 380). Appellant stelt dat hij rekening houdend met zijn leeftijd (58 j. 2 maand) en anciënniteit (31 jaar en 1 maand) en zijn basisjaarloon (EUR 103.843,19 of 4.189.024 BEF) recht heeft op een passende opzegtermijn van 34 maanden, zodat geïntimeerde hem een aanvullende opzegvergoeding verschuldigd is van 10 maanden of 86.835,99 euro of 3.490.853 BEF. Appellant becijfert zijn basisjaarloon als volgt: 1) Vast maandloon 260.478 x 12 3.125.736 BEF 2) 13e maand- maaltijdcheques 39.240 BEF EUR 927,73 - voordeel wagen 168.240 BEF EUR 4.170,56 - werkgeversbijdrage pensioenplan 260.554 BEF EUR 6.458,96 - overlijdensverzekering 253.212 BEF EUR 6.276,96 - invaliditeitsrente 53.628 BEF EUR 1.329,40 - premievrijstelling 21.840 BEF EUR 452,45 - medisch plan 6.096 BEF EUR 151,11 4.189.024 BEF EUR 103.843,19 Dat is per maand 8.653,59 euro. STANDPUNT VAN GEÏNTIMEERDE. Geïntimeerde verzoekt ons Hof: In hoofdorde: Het verzoekschrift tot hoger beroep van 3 maart 2003 nietig te verklaren wegens gebrek aan motivering conform art. 1057, 7° Ger.Wb. In ondergeschikte orde: Het vonnis van de arbeidsrechtbank van Brussel dd. 7 februari 2003 te bevestigen en, De vordering tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding ongegrond te verklaren, De gevorderde bedragen bij voorraad van het tussen te komen arrest af te wijzen, Appellant te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. In meeste ondergeschikte orde: Te zeggen voor recht dat een aanvullende opzeggingsvergoeding gelijk aan 8 maanden redelijk en voldoende is. Minstens de berekeningsbasis voor de opzeggingsvergoeding te herleiden. te zeggen voor recht dat de eventueel verschuldigde intresten moeten berekend worden op de netto bedragen. Geïntimeerde stelt dat appellant in zijn beroepsverzoekschrift niet aangeeft waarom de eerste rechter verkeerd zou geoordeeld hebben, zodat zijn verzoekschrift geen echte grieven tegen het vonnis bevat. Het ontbreken van de weergave van appellants grieven tegen het vonnis laten dan ook geen behoorlijke afwikkeling en verfijning van het debat toe. Zij geven aanleiding tot vertraging in de instaatstelling en behandeling van de zaak, met als gevolg dat geïntimeerde hierdoor belangenschade lijdt. In subsidiaire orde stelt geïntimeerde dat appellant alleszins geen recht heeft op een aanvullende opzegvergoeding omdat hij impliciet akkoord ging met het voorgestelde brugpensioenstelsel, wat blijkt uit de volgende elementen: - geïntimeerde heeft slechts na verzoek van appellant om op vervroegd pensioen te mogen gaan een brugpensioenregeling uitgewerkt en appellant uitgenodigd op een voorafgaandelijk onderhoud. - De opzeggingsbrief dd. 26 mei 1999 verwijst naar een voorafgaandelijk onderhoud "zoals besproken" wat aanduidt dat appellant tijdens het voorafgaandelijk onderhoud ermee ingestemd had om op brugpensioen te gaan, wat ook logisch is aangezien hij zelf de wil te kennen gegeven had met vervroegd pensioen te kunnen gaan. - De werknemer die brugpensioen wil genieten vanaf de leeftijd van 58 jaar moet zijn akkoord betuigen met een opzeggingstermijn (die minstens) gelijk is aan die van een lagere bediende (3 maanden per begonnen schijf van 5 jaar) (artikel 3 van de CAO van 4.5.1999, PC 207). De CAO bepaalt evenwel niet dat het om een schriftelijk akkoord moet gaan. - Dat appellant - na zijn ontslag (impliciet) akkoord ging met de verkorte opzegtermijn die hem in het kader van de overeengekomen brugpensioenregeling werd betekend (en dus met de brugpensioenregeling zelf) blijkt volgens geïntimeerde o.m. duidelijk uit het feit dat hij deze opzegtermijn méér dan één jaar heeft gepresteerd zonder het minste protest. De rechtspraak aanvaardt inderdaad dat men uit de afwezigheid van enige reserve bij of onmiddellijk na de ontvangst van de ontslagbrief kan afleiden dat de betrokken werknemer afstand heeft gedaan van zijn recht om een aanvullende opzegvergoeding te eisen (Arbrb. Charleroi 7.2.1984, JTT 1984, 371 en AH Antwerpen, 21.9.1981, JTT 1982, 82). Dit wordt uitdrukkelijk bevestigd door de arbeidsrechtbank in het vonnis dd. 7 februari
  9. - Appellant vorderde (oorspronkelijk) zelf in de dagvaarding een brugpensioenregeling op basis van de toepasselijke CAO in het PC
  10. Dit feit toont volgens de arbeidsrechtbank te Brussel duidelijk aan dat appellant akkoord ging met de brugpensioenregeling van de sectorale CAO evenals met de daarin vastgelegde opzegtermijn. - Daar voegt geïntimeerde nog aan toe dat uit de getuigenverklaring van de heer B. M. duidelijk blijkt dat appellant akkoord ging met de voorgestelde brugpensioenregeling (stuk 14). - Tenslotte merkt geïntimeerde op dat zij er normaal gezien bij het beëindigen van een arbeidsovereenkomst voor opteert om een opzeggingsvergoeding uit te betalen (company policy). Het is maar in uitzonderlijke gevallen dat zij een opzegtermijn betekent en laat presteren. In meest subsidiaire orde stelt geïntimeerde dat een opzegtermijn van 32 maanden redelijk en voldoende is, rekening houdende met het feit dat appellant op het moment van zijn ontslag (26.5.1999) 58 jaar was (°26.3.1941), zijn basisjaarloon bedroeg EUR 98.843,25, hij oefende de functie uit van technical manager en hij had een anciënniteit van 31 jaar (in dienst 1.5.1968). Geïntimeerde bepaalt het jaarlijks basisloon van appellant op het ogenblik van het ontslag op: Vast maandloon: 243.210 x 13,9980+ dubbel vakantiegeld+ 13e maand 3.404.454 BEF maaltijdcheques: 218 x 180 BEF 39.240 BEF Voordeel in natura bedrijfswagen:(10.000 5.980) = 48.240 BEF Overlijdensverzekering(21.1012 x 12) 253.212 BEF Invaliditeitsrente (4.469 x 12) 53.628 BEF Premievrijstelling(1.342 + 179) + 12 18.252 BEF Medisch plan 6.096 BEF Totaal: 3.823.122 BEF(EUR 94.772,72) /12 = 318.593 BEF of EUR 7.897,73 per maand Geïntimeerde stelt dat geen patronale bijdragen aan het pensioenplan in aanmerking kunnen worden genomen ter bepaling van de opzegvergoeding, daar geïntimeerde jaarlijks een collectieve dotatie stort in het (collectief) fonds van de groepsverzekering. Deze jaarlijkse collectieve dotatie varieert in functie van de salarismassa. De jaarlijkse collectieve dotatie varieert dan ook van jaar tot jaar omdat zij afhankelijk is van verschillende parameters. Aangezien het om een collectieve werkgeversbijdrage gaat, die niet individualiseerbaar is naar de betrokken werknemers toe, is er geen sprake van een voordeel in hoofde van de werknemer dat opgenomen moet worden in de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding (zie o.m. Cass. 9.3.1992, RW 1992-1993, 291, noot). ó ó ó V. BEOORDELING VAN HET HOF.
  11. Over de exceptie van nietigheid van het beroepsverzoekschrift. Overwegende dat de appell-akte op straffe van nietigheid de uiteenzetting van de grieven bevat (art. 1057, 7° Ger.Wb.) Wanneer de formulering van de grieven neerkomt op het gebruik van nietszeggende stijlclausules is het verzoekschrift nietig (Antwerpen 7.11.1995, RW 95-96, 862). Overwegende dat het Hof vaststelt dat appellant zich in zijn beroepsverzoekschrift niet beperkt tot het aanwenden van nietszeggende stijlclausules doch uiteenzet dat de eerste rechter ten onrechte oordeelde dat appellant zich akkoord verklaarde met het brugpensioen en met een verkorte opzegtermijn, alsook de redenen waarom (zie hoger in dit arrest onder beroepsgrieven). Overwegende dat geïntimeerde in haar beroepsconclusie dd. 26 augustus 2003 GRONDIG op de door appellant aangevoerde grieven heeft geantwoord, derwijze dat aanvullende beroepsconclusies niet noodzakelijk bleken. Het Hof stelt vast dat het beroepsverzoekschrift op voldoende wijze de redenen vermeldt waarom het vonnis a quo volgens appellant moet hervormd worden. Het hoger beroep komt naar vorm en tijd ontvankelijk voor.
  12. Ten gronde. De principe inzake brugpensioenregeling en opzegtermijn. Overwegende dat overeenkomstig art. 3 eerste lid van de CAO 17 van 19 december 1974, gesloten in de N.A.R. tot regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen, de kandidaat bruggepensioneerden moeten worden ontslagen door de werkgever. Behoudens uitzonderingen voor ondernemingen in moeilijkheden of herstructurering moet bij opzegging de normale opzeggingstermijn in acht genomen worden. Bij CAO met het oog op de toepassing van brugpensioenregeling kan overeenkomstig art. 12 van het KB van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen ingeval van conventioneel brugpensioen worden voorzien in de inkorting van de opzeggingstermijn. Overwegende dat de sectorale CAO gesloten op 4 mei 1999 in het PC nr. 207 betreffende het brugpensioen die terzake toepasselijk is, wat door partijen wordt beaamd, voorziet in art. 3: "...de betrokken bedienden zullen desgevallend door hun werkgever worden uitgenodigd tot een onderhoud zoals voorzien in artikel 10 van CAO nr 17 gesloten in de NAR; er zal desgevallend tot een ontslagprocedure worden overgegaan. Om te genieten van deze CAO zullen betrokken bedienden hun akkoord moeten betuigen met de opzeggingstermijn vastgesteld in art. 82 ,§2 eerste en tweede lid van de wet van 03.07.1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, zijnde met een opzeggingstermijn van 3 maanden per voltooide of begonnen schijf van 5 jaar dienst bij de door vorige alinea van dit artikel beoogde werkgever." Overwegende dat krachtens de dwingende bepalingen van art. 82 ,§3 AOW (Cass. 14.1.1991, JTT 91, 176) een overeenkomst over de duur van de opzegtermijn niet geldig tussen partijen kan gesloten worden vóór de opzegging. Het feit dat een overeenkomst over de duur van de opzegtermijn aan geen vormvoorwaarden onderworpen is, betekent niet dat uit het louter stilzwijgen en presteren van arbeid door de werknemer tijdens de betekende opzegtermijn een akkoord met de betekende opzegtermijn kan worden afgeleid (AH Antwerpen 15.10.1977, JTT 78, 2) zelfs niet al maakte de werknemer geen voorbehoud (AH Gent 14.12.1987, TGR 88, 139). Zelfs uit het aanvaarden van een conventioneel brugpensioen kan niet afgeleid worden dat een werknemer afstand doen van een opzegtermijn waarvan de duur langer is dan de wettelijke minimumduur (AH Luik, 7.5.2002, JLMB 2003, 130). Overwegende dat appellant een jaarloon geniet dat de loongrens in artikel 82 ,§3 AOW overschrijdt, zodat de opzeggingstermijn bij gebrek aan een akkoord van partijen gesloten ná de opzegging, door de rechter moet worden vastgesteld overeenkomst art. 82 ,§
  13. Overwegende dat geïntimeerde stelt dat appellant zich akkoord verklaarde met een opzegtermijn van 24 maand, zijnde de opzegtermijn nodig om hem vanaf zijn 60ste verjaardag van het brugpensioen te laten genieten. Overwegende dat geïntimeerde het bewijs dient te leveren van het akkoord van appellant met een opzegtermijn van 24 maanden. Gezien de getuigenverklaring van de heer B. M. dd. 20 augustus 2002, waarop geïntimeerde zich als bewijsstuk beroept. Overwegende dat uit de tekst van deze getuigenis blijkt: - dat appellant aan zijn directe chef vóór mei 1999 zou hebben kenbaar gemaakt dat hij op 60-jarige leeftijd met vervroegd pensioen zou willen gaan; - dat een informatieve berekening werd gemaakt door de werkgever van extra-legaal pensioen op 60-jarige leeftijd en brugpensioenregeling en dat deze cijfers met appellant werden besproken; - dat tussen mei en september 1999 beoordelingsgesprekken plaats vonden voorafgaand aan salarisverhoging in september. Overwegende dat uit deze verklaring nergens blijkt: - dat appellant zich na de opzegbrief (26 mei 1999) akkoord zou hebben verklaard met een opzeggingstermijn van 24 maand; - dat appellant zich uitdrukkelijk akkoord zou hebben verklaard met de berekeningen van de cijfers extra-legaal pensioen en brugpensioen gemaakt door de werkgever. De getuige spreekt voorzichtig over "informatieve" berekeningen en vermeldt nergens dat appellant zich met deze cijfers akkoord zou hebben verklaard. Deze getuigenverklaring bewijst niet dat appellant zich na het ontslag akkoord verklaarde met een opzegtermijn van 24 maand. Ook de opzegbrief bewijst dit niet, hij verwijst naar een gesprek ("zoals besproken") niet naar een akkoord van partijen over een brugpensioenregeling. Ook het stilzwijgen van de werknemer en het presteren van arbeid tijdens de betekende opzegtermijn is geen bewijs van een akkoord van de werknemer met de duur van de opzegtermijn (zoals hoger reeds gesteld). Geïntimeerde meent het akkoord van appellant met het brugpensioen en met de opzegtermijn van 24 maand te kunnen afleiden uit zijn oorspronkelijke dagvaarding dd. 9 maart
  14. Overwegende dat appellant in de oorspronkelijke inleidende dagvaarding dd. 9 maart 2001 inderdaad benevens een aanvullende opzegvergoeding tevens een provisioneel bedrag (100.000 BEF) vorderde t.t.v. aanvullende vergoedingen brugpensioen na afloop van de opzeggingstermijn. In besluiten dd. 12 april 2002 doet hij afstand van deze vordering die hij ondergeschikt noemt, nadat geïntimeerde had besloten tot de onontvankelijkheid van deze eis daar hij was gericht tegen de verkeerde rechtspersoon nl. tegen geïntimeerde i.p.v. tegen de werkgever (NV Chevron Phillips Chemicals International) na overname en tot de ongegrondheid wegens onmogelijkheid van cumulatie van aanvullende opzegvergoeding én van brugpensioen. Appellant stelt dat hij de vordering houdende aanvullende uitkeringen brugpensioen slechts volledigheidshalve stelde voor het geval hij op basis van de gewone wettelijke opzegtermijn cumulatief zou kunnen aanspraak maken op de brugpensioenregeling. Overwegende dat het Hof vaststelt aan de hand van de tekst van de inleidende dagvaarding dat appellant formeel en uitdrukkelijk stelt dat hij werd ontslagen met een opzegtermijn van 24 maanden die onvoldoende is, gelet op zijn leeftijd, anciënniteit en functie. Appellant maakt in de dagvaarding duidelijk en ondubbelzinnig aanspraak op een aanvullende opzegvergoeding gelijk aan 10 maanden loon. Zijn bijkomende vordering van provisionele uitkeringen brugpensioen beschouwt het Hof als subsidiair en volledigheidshalve ingesteld met het oog op cumulatie van de aanvullende opzegvergoeding en brugpensioenuitkeringen. Uit de tekst van de dagvaarding kan het Hof alleszins geen expliciet noch impliciet akkoord afleiden van appellant met een verkorte opzegtermijn, zoals bedoeld in artikel 3 van de CAO afgesloten op 4 mei 1999 in het PC 207 voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid. De ontslagen werknemer die bij het verstrijken van de arbeidsovereenkomst het brugpensioen aanvraagt, verzaakt daardoor niet aan een aanvullende opzeggingsvergoeding (AH Brussel 7.3.2001, JTT 2001, 252). Uit het aanvaarden van een conventioneel brugpensioen kan niet afgeleid worden dat de werknemer afstand doet van een opzeggingstermijn waarvan de duur langer is dan de wettelijke minimumduur (AH Luik 7.5.2002, JLMB 2003, 130). In onderhavige zaak stelt het Hof vast dat de oorspronkelijke subsidiaire vordering van appellant tot aanvullende uitkeringen brugpensioen waarvan hij afstand deed in de concrete omstandigheden van deze zaak geen akkoord bewijst van appellant met een opzegtermijn van 24 maand noch een AFSTAND door appellant van zijn recht op aanvullende opzegvergoeding. Het recht van een werknemer op een aanvullende opzegvergoeding bij ontslag met inachtname van een te korte opzegtermijn ontstaat overeenkomstig artikel 39 AOW vanaf de kennisgeving van de opzegging (Cass. 6.11.1989, RW 89-90, 885). Geïntimeerde blijft in gebreke het bewijs te leveren van het feit dat appellant zich na het ontslag akkoord verklaarde met de betekende opzegtermijn van 24 maand. Ook van een afstand door appellant van zijn recht op een aanvullende opzegvergoeding krachtens artikel 39 AOW is geen bewijs voorhanden. Een afstand van recht moet strikt worden beoordeeld. Afstand van recht wordt niet vermoed en kan slechts afgeleid worden uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn. Het bedrag van de aanvullende opzegvergoeding. Wanneer de werknemer is ontslagen met een opzeggingstermijn die korter is dan die waarop hij aanspraak kan maken, ontstaat zijn recht op opzeggingsvergoeding op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging zodat de vergoeding moet berekend worden met inachtneming van het loon waarop hij op dat ogenblik recht heeft (Cass. 6.11.1989, RW 89-90, 885; Cass. 3.4.1978, RW 78-79, 2441). Het jaarlijks loon dat moet in acht genomen worden met het oog op de bepaling van de opzeggingstermijn overeenkomstig art. 82 ,§2 en 3 AOW is het loon waarop de werknemer recht heeft op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag (Cass. 26.4.1993, JTT 93, 260). Het in aanmerking te nemen vast maandloon is dat van mei 1999 of 243.210 BEF (stuk 13 geïntimeerde)of 6.029 euro. Partijen zijn akkoord over de waarde van het voordeel van de maaltijdcheques ten belope van 218 x 180 BEF of 39.240 BEF of 972,734 euro/jaar. De waarde van het privé gebruik van de bedrijfswagen Ford Mondeo is betwist. Beide partijen begroten deze waarde forfaitair: appellant op 20.000 BEF/maand, geïntimeerde op 15.000 BEF /maand. De som van 10.000 BEF-/maand komt het Hof redelijk en verantwoord voor (vergel. AH Brussel 10.1.2001, JTT 2001 141; AH Brussel 7.3.2001, JTT 2001, 207; AH Gent 26.6.1996, Soc. Kron. 96, 436). Deze som dient te worden verminderd met de door de werknemer te betalen bijdrage voor het genot van de wagen. Deze eigen bijdrage is geen voordeel zodat de waarde dient bepaald op (10.000 BEF 5.980 BEF) x 12 = 48.240 BEF per jaar of 1.195,84 euro. Werkgeversbijdragen voor het pensioenplan. Uit appellants stuk 5 (kost van uw beloningspakket - opgesteld door geïntimeerde) blijkt overduidelijk dat de werkgeversbijdrage aan het pensioenplan, hoewel ze collectief wordt gefinancierd nl. door betaling door de werkgever van een bepaald percentage (8%) van de totale loonmassa van de onderneming, individueel bepaalbaar is voor appellant. Deze patronale bijdrage is volgens de door de werkgever zelf verstrekte cijfers (stuk 5 appellant) bepaalbaar op 260.554 BEF per jaar, wat overigens overeenkomt met 8% van zijn jaarloon. Deze werkgeversbijdrage aan het pensioenplan komt in aanmerking voor de berekening van de opzeggingsvergoeding (Cass. 27.6.1994, Soc. Kron. 95, 151). De patronale premies invaliditeits-, overlijdens- en medisch planverzekering. Over de patronale premies voor de invaliditeitsverzekering, de overlijdensverzekering en de medisch planverzekering zijn partijen het eens. Het totaal in aanmerking te nemen basisjaarloon bedraagt: Vast maandloon + dubbel vakantiegeld+ 13e maand: 243.210 BEF x 13,9980 3.404.454 BEF EUR 84.394,20 Maaltijdcheques 218 x 180 39.240 BEF EUR 972,73 Voordeel wagen 48.240 BEF EUR 1.195,84 Patronale bijdrage pensioenplan 260.554 BEF EUR 6.458,96 Patronale bijdrage overlijdensverzekering 253.212 BEF EUR 6.276,96 Patronale bijdrage invaliditeitsverzekering 53.628 BEF EUR 1.329,40 patronale bijdrage medisch plan 6.096 BEF EUR 151,11 Premievrijstelling 18.252 BEF EUR 452,45 Totaal: 4.083.676 BEF EUR 101.231,65 Rekening houdende met het jaarloon van appellant (4.083.676 BEF of EUR 101.231,65), zijn anciënniteit (31 jaar en 1 maand), zijn leeftijd (58 jaar 2 maand), zijn functie (technisch manager) en de gegevens eigen aan de zaak (Cass. 4.2.1991, RW 90-91, 1407) bepaalt het Hof de opzeggingstermijn met inachtneming van de voor appellant bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden (Cass. 8.9.1980, arr. Cass. 80-81, 17) op 33 maand (ter vergelijking AH Brussel 22.10.86, Med. VBO 87, 1345: een adjunct-directeur, 49 jaar oud, 31jaar anciënniteit: opzegtermijn 31 maand; arbrb. Luik 22.11.99 Soc. Kron. 2001, 43: een technisch raadgever, 49 jaar oud, 31,5 jaar anciënniteit: 32 maand opzegtermijn). Appellant is aldus gerechtigd op een aanvullende opzegvergoeding gelijk aan (33 24) 9 maand loon of 4.083.676 BEF : 12 x 9 = 3.062.757 BEF of 75.923,74 euro bruto. Geïntimeerde stelt terecht dat hij slechts wettelijke intresten verschuldigd is op het netto bedrag van deze opzegvergoeding d.w.z. na aftrek van sociale zekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing (Cass. 8.11.1993, JTT 94, 143; Cass. 10.3.1986, Soc Kron. 86, 101). ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het vonnis a quo en opnieuw rechtdoende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellant gegrond als volgt: Veroordeelt NV Phillips Petroleum International tot betaling aan de heer G. V. H. de som van EUR 75.923,74 bruto (vijfenzeventigduizend negenhonderd drieëntwintig euro en vierenzeventig cent of 3.062.757 BEF) t.t.v. aanvullende opzegvergoeding gelijk aan 9 maanden loon, vermeerderd met de wettelijke intresten vanaf 26 mei 1999 tot 8 maart 2001 en de gerechtelijke intresten vanaf 9 maart 2001 op het overeenstemmend netto bedrag ervan. Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, tot op heden als volgt begroot: - voor appellant: - dagvaarding EUR 123,13 - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg EUR 196,33 - voor geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 267,73 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op zeventien september tweeduizend en vier. Waren aanwezig: M. VERMAELEN: Raadsheer. P. GROENINCKX: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de heer R. WAEYAERT, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). M. WAMPERS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de heer J. AZIJN, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040917.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.