← België

ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040924.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 24 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040924.2 Rolnummer: 44261 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-01-25 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-03 19:39 Fiche Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Opeenvolgende contracten van welbepaalde duur - Universiteit. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 10 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Een korte inhoud door A. Vanoppen is gepubliceerd in Oriëntatie 2005, nr 1, R.B.U.B., blz 1. Annotaties Publicaties: ORIENTATIE - VANOPPEN,A. - 2005

(01)(RBUB,P.1-2) SOCIAAL RECHT EN PERSONEELSBELEID - VANOPPEN,A. - 2005
(03)(JLPV,P.24-25) ORIENTATIONS - - DROIT SOCIAL ET GESTION DU PERSONNEL - - Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIERENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: C. J. , Appellant, vertegenwoordigd door Mr. Ph. Pels, advocaat te Gent; Tegen: KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN (KUL), met zetel te 3000 LEUVEN, Oude Markt nr. 13; Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. Ph. Willemyns, advocaat te Leuven; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 1e kamer B van de Arbeidsrechtbank te Leuven op 27 juni 2002 (AR nr 1297/98), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 21 mei 2003; - de besluiten en aanvullende besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op respectievelijk 27 februari 2004 en 13 mei 2004; - de besluiten van appellant, ontvangen ter griffie op 13 april 2004; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 25 juni
  1. Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. DE FEITEN. Gedurende 64 maanden, van 1 januari 1992 tot 30 april 1997, was appellant bij de KUL tewerkgesteld als wetenschappelijk medewerker aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte onder leiding van Professor K. Jaspaert krachtens 8 op elkaar aansluitende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur, waarvan de laatste een einde nam op 30 april
  2. Bij schrijven van vzw Dienst Ontslagbemiddeling dd. 11 maart 1998 betwist appellant de geldigheid van deze 8 opeenvolgende contracten van bepaalde duur (stuk 17 KUL). Geïntimeerde beantwoordt zijn schrijven, stellende dat de opeenvolgende arbeidsovereenkomsten telkens prestaties betroffen in het kader van tijdelijke onderzoeksprojecten ten laste van de VDAB (1 januari 1992 tot 30 april 1997), zodat de KUL voor het bestaan en de duur van deze projecten volledig afhankelijk is van externe financierende instanties, wat als wettig geoorloofde uitzonderingen moet worden beschouwd in de zin van artikel 10 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Bij gebreke aan minnelijke regeling dagvaardt appellant de KUL voor de eerste rechter op 30 april 1998 en vordert haar veroordeling tot betaling van een opzegvergoeding van 23.194,98 euro (935.683 BEF) of zeven maanden loon. II. HET VONNIS A QUO. Het vonnis a quo verklaart deze vordering ontvankelijk en ongegrond. De eerste rechter oordeelt: "De externe financiering d.w.z. de afhankelijkheid van telkens tijdelijke kredieten waarvan de toekenning, de duur, en de vernieuwing door een organisme onderscheiden van de universiteit wordt bepaald, het feit dat het om wetenschappelijke projecten ging, dat deze precies vanuit een pool van het geaffecteerde patrimonium van de KUL worden betaald, waardoor getracht wordt de onvoorzienbaarheid op lange termijn toch te verzoenen met de dwingende bepalingen van de arbeidsovereenkomstenwet, maken een kader uit waarbinnen voor wetenschappelijke medewerkers het gerechtvaardigd voorkomt om opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten te sluiten." III. DE BEROEPSGRIEVEN. Appellant verzoekt ons Hof het vonnis a quo te hervormen en opnieuw rechtdoende zijn oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren en de KUL te veroordelen tot betaling aan appellant van: - een opzeggingsvergoeding begroot op EUR 23.194,98 (935.683 BEF), meer de wettelijke en gerechtelijke intrest; - de kosten van het geding. Appellant stelt dat de eerste rechter artikel 10 van de Arbeidsovereenkomstenwet geschonden heeft door een zeer ruime interpretatie te geven aan de uitzondering op het vermoeden dat partijen een overeenkomst voor onbepaalde tijd hebben aangegaan. De uitzonderingen op dit vermoeden dienen nochtans strikt geïnterpreteerd te worden (AH Brussel 24.5.1991, JTT 1991, 399). De onzekerheid over de toekenning van subsidies mag niet systematisch worden ingeroepen om een afwijking op het principe van de vastheid van betrekking te rechtvaardigen (AH Brussel 18.12.1984, Rechtspr. Arb. Br. 1985, 264). Sterker nog, de onzekere financieel-economische situatie van de onderneming, in het bijzonder de onzekerheid van de toekenning van subsidies, kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen een wettige reden voor het sluiten van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd zijn (AH Antwerpen 25.9.1996, JTT 1997, 340, noot). Waar appellant op 1 januari 1992 werd aangeworven om te werken aan een welbepaald, extern gefinancierd project, werd hij algauw ook voor andere en meer algemene taken ingezet. Vanaf het tweede dienstjaar werd in de arbeidscontracten zelfs geen gewag gemaakt van een specifieke externe financieringsbron, zijn loon viel voortaan ten laste van het geaffecteerd patrimonium K.U. Leuven. De eenvoudige werkelijkheid was dat op de afdeling waar appellant werkte, er permanent 20 à 30 mensen in dienst waren die betaald werden uit een budget dat door verschillende bronnen werd gevoed. Met de statuten werd gewoon een loopje genomen, vermits er ook mensen op de loonlijst stonden als administratieve kracht of meesterknecht, die hetzelfde wetenschappelijk werk deden als appellant. In het vonnis a quo geeft de arbeidsrechtbank van Leuven een wel zeer ruime interpretatie aan de uitzondering op het vermoeden. Enkel op grond van de vaststelling dat er externe financiering was, besluit de rechtbank dat "het gerechtvaardigd voorkomt om opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten te sluiten". Appellant kan die zienswijze niet bijtreden. Op de keper beschouwd, is elke onderneming afhankelijk van externe financiering. Geen enkele ondernemer weet of zijn klanten het volgende jaar opnieuw bij hem zullen kopen. Omzetten kunnen plots kelderen. Nochtans zal niemand aanvaarden dat op grond van dit enkel gegeven, het geoorloofd is om opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten te sluiten. In beroepsbesluiten verwijst appellant naar een arrest van het Arbeidshof te Gent dd. 13 december 2000, een arrest van het Arbeidshof te Brussel dd. 16 november 1990 en naar een arrest van het Hof van Cassatie van 2 december 2002 ter staving van zijn stelling. Voor het overige benadrukt hij bepaalde feiten, waaronder: - hij werkte in praktijk niet aan één project maar aan verschillende opdrachten, o.a. een onderzoekswerk voor de Nederlandse taalunie; - hij heeft nooit zelf het initiatief getoond om uit het werk te stappen; - bij het einde van de tewerkstelling heeft hij aan professor Jaspaert gezegd dat de tijdelijkheid van de contracten een structureel probleem stelde voor de wetenschappelijke medewerkers; - hij betwist de financiële afhankelijkheid van de KUL van derden opdrachtgevers niet maar meent dat ook werkgevers van bedrijven afhankelijk zijn van derden, zodat dit geen excuus is voor het sluiten van tijdelijke contracten in een groep werknemers die meerdere jaren stabiel blijft; - de KUL heeft regelmatig de wet omzeild en heeft illegaal nieuwe medewerkers binnengehaald op contracten van meesterknechten of iets dergelijks om vervolgens illegaal als wetenschappelijk medewerker te gaan functioneren. Standpunt van geïntimeerde. De KUL verzoekt het Hof het vonnis a quo te bevestigen. ó ó ó IV. BEOORDELING VAN HET HOF. Overwegende dat het hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomt, wat overigens niet wordt betwist. De principes. Wanneer partijen verscheidene opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd gesloten hebben, zonder dat er een onderbreking is toe te schrijven aan de werknemer, worden zij verondersteld een overeenkomst voor onbepaalde tijd te hebben aangegaan, behalve wanneer de werkgever het bewijs levert dat deze overeenkomsten gerechtvaardigd waren wegens de aard van het werk of wegens een andere wettige reden (art. 10 Arbeidsovereenkomstenwet). Op de werkgever rust dus het bewijs dat opeenvolgende overeenkomsten gerechtvaardigd waren wegens de aard van het werk of wegens andere wettige reden. De uitzonderingen die toelaten het vermoeden van het bestaan van een overeenkomst voor onbepaalde tijd te hebben aangegaan te weerleggen, moeten beperkend geïnterpreteerd worden (AH Bergen, 6.4.1998, JLMB, 1999, 129; AH Bergen 24.5.1991, JTT 91, 399). Maar de werknemer die stelt dat de werkgever die met hem opeenvolgende overeenkomsten voor een bepaalde tijd heeft gesloten en daarmee beoogde de dwingende wetsbepalingen inzake opzegging te ontduiken, moet dat bedrog aan de zijde van de werkgever bewijzen (AH Antwerpen 18.6.1993, RW 93-94, 929). In concreto. Overwegende dat uit de arbeidsovereenkomsten (stukken 1-8 C. ) blijkt dat appellant was tewerkgesteld als wetenschappelijk medewerker in het kader van een project gefinancierd door De Begeleidingsdienst Limburgs Mijngebied (stuk 1 art. 1 1/1/1992-31/12/1992) en door Het Geaffecteerd Patrimonium van de KUL (stukken 2 tot 8 art. 1). Het Geaffecteerd Patrimonium van de KUL is een rekeningsrubriek waarop de externe middelen geboekt worden of m.a.w. de externe inkomsten ter financiering van projecten, in tegenstelling tot het Niet-geaffecteerd patrimonium dat eigen middelen van de universiteit bevat. Geïntimeerde legt stukken neer (stukken 2,4,6,7,10) waaruit blijkt dat de KUL op 1 januari 1992, 1 januari 1993, 1 januari 1994 en 1 januari 1995 een overeenkomst sloot met de VDAB, waarbij de VDAB een project financierde nl. een tijdelijk project met als doel de ontwikkeling en implementatie van cursusmateriaal, ten behoeve van de opleiding Nederlands bij de VDAB. Later werd dit omschreven als volgt: werken aan de optimalisering van het huidig aanbod Nederlandse taallessen, aan een betere doorstroming van cursisten naar de beroepsopleiding en een optimalisering van de taalcomponent in de beroepsopleiding. Hieronder was begrepen de opleiding en begeleiding van een cursusontwikkelaar van de VDAB ten einde de knowhow van het ontwikkelen van lesmateriaal NT2 over te dragen aan de VDAB, later aangevuld met onderzoek rond gebruik van multimediale middelen in NT2-onderwijs. Sinds 1 september 1995 werd de financiering van het project steunpunt NT2 overgenomen door de Vlaamse Gemeenschap, Ministerie van Onderwijs. Ook deze overeenkomsten legt de KUL neer (stukken 12,14,16 bundel KUL). De KUL bewijst aan de hand van stukken - en appellant betwist dit overigens niet - dat appellant van 1 januari 1992 tot 30 april 1997 met opeenvolgende overeenkomsten telkens voor een welbepaalde beperkte duur was tewerkgesteld als wetenschappelijk medewerker aan tijdelijke onderzoeksprojecten, gefinancierd door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (1 januari 1995 tot 31 augustus 1995) en het Ministerie van Onderwijs (1 september tot 30 april 1997). Appellant werd betaald met externe middelen, afkomstig van derden. De KUL bewijst en ook dit betwist appellant niet, hij beaamt het welintegendeel in zijn beroepsbesluiten, (p.3 punt 6) dat zij voor de organisatie van het project waarin appellant was tewerkgesteld nl. Steunpunt NT2 en voor de verlengingen ervan afhankelijk was van de financiering door een derde (VDAB, VERVOLGENS Vlaamse Gemeenschap) en dat daartoe telkens nieuwe overeenkomsten met deze derde dienden te worden gesloten. Appellant stelt dat hij in de praktijk niet aan 1 project werkte voor de KUL doch ook aan andere omvangrijke werkzaamheden o.a. tijdschrift Samenwijs, werk voor VOCB, VDAB en BLM. Overwegende dat appellant geen enkel bewijs voortbrengt van deze werkzaamheden, noch van zijn bewering dat deze werkzaamheden geen deel uitmaakten van het project Steunpunt NT2 waaraan hij was tewerkgesteld. De KUL bewijst aan de hand van het eerste arbeidscontract (stuk 1 bundel KUL) dat uitdrukkelijk vermeld is dat hij wordt aangeworven als voltijds wetenschappelijk medewerker in het kader van een project gefinancierd door de Begeleidingsdienst Limburgs Mijngebied. In het contract tussen de VDAB en de KUL wordt ook uitdrukkelijk (art. 5) melding gemaakt van de synergie met het gelijklopend project met de Begeleidingsdienst Limburgs Mijngebied. Appellant bewijst niet dat hij door de KUL was belast met bestendige taken, andere dan deze die vielen binnen de tijdelijke projecten, gefinancierd door derden. Van zijn werk voor VOCB stelt hij zelf dat hij dit verrichtte namens Steunpunt NT2 (besluiten p.3 onder 5). Appellant beweert in besluiten (p.3 nr. 8) dat de KUL "regelmatig de wet omzeild heeft inzake contracten met medewerkers" en dat zij "Gesco's illegaal tewerkstelde bij en voor Steunpunt NT2 en nieuwe medewerkers binnenhaalde op contracten van meesterknechten". Overwegende dat appellant van deze beweringen geen enkel bewijs bijbrengt, evenmin van zijn bewering dat een collega hem probeerde "buiten te werken". Overwegende dat appellant niet bewijst dat de KUL met hem opeenvolgende overeenkomsten voor een bepaalde tijd heeft gesloten met de bedrieglijke bedoeling de bepalingen inzake opzegging te ontduiken. Overwegende dat geïntimeerde bewijst dat de tewerkstelling van appellant kaderde in een tijdelijk wetenschappelijk project waarvan de opzetting en de verlenging afhankelijk was van tijdelijke kredieten toegekend door derden nl. de VDAB, vervolgens de Vlaamse Gemeenschap. Het Hof deelt de mening van de eerste rechter dat de KUL dusdoende een wettige reden bewijst die het sluiten van opeenvolgende overeenkomsten voor een bepaalde tijd met appellant rechtvaardigt. Reeds eerder oordeelde de rechtspraak dat de tewerkstelling van een werknemer die kadert in een tijdelijk wetenschappelijk project, opgezet en gefinancierd door een derde, een wettige reden uitmaakt die het sluiten van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd rechtvaardigt (AH Luik afd. Namen 5.11.1985, Soc. Kron. 86, 203; AH Brussel 25.6.1985, JTT 86, 379, (tijdelijke kredieten van een buitenlands organisme aan een universiteit); AH Gent afd. gent 23.12.1998, TGR 99, 120 (wetenschappelijk onderzoek aan een universiteit gefinancierd door externe fondsen)). ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond. Bevestigt het vonnis a quo in al zijn onderdelen. Veroordeelt appellant tot de kosten van het geding, tot op heden als volgt begroot: - voor appellant: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg EUR 200,79 - dagvaarding EUR 83,09 - rechtsplegingsvergoeding EUR 267,73 - voor geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg EUR 200,79 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 267,73 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op vierentwintig september tweeduizend en vier. Waren aanwezig: M. VERMAELEN: Raadsheer. R. WAEYAERT: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. M. WAMPERS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende, J. AZIJN, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20040924.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.