← België

ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041007.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041007.3 Rolnummer: 43870 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-04 04:12 Fiche Een vonnis of arrest dat de arbeidsongeschiktheid van een werknemer erkent kan niet doorgaan als de voorwaarde waarvan de schuldvordering afhangt in de zin van artikel 2257 Burgerlijk Wetboek die de schorsing van de verjaring van het recht op kinderbijslag van een arbeidsongeschikte werknemer voor gevolg heeft. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS - GEZINSBIJSLAG - Verjaring - Schorsing van de verjaring - Art. 120 van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders - Art. 50ter van diezelfde wetten. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 19-12-1939 - 120 - 01 ELI link Pub nr 1939121901 Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN VIER. 7de KAMER Not. 580, 2&§61616; G.W. Kinderbijslag Op tegenspraak Definitief In de zaak : E. R., appellante, verschijnend bij Mr. R. Vaes loco Mr. E. Thiry, advocaat te 1180 Brussel, Tegen : ASBL CAISSE DE COMPENSATION POUR ALLOCATIONS FAMILIALES DE L'UNION DES CLASSES MOYENNES, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 5100 Namur-Wierde, Chaussée de Marché 637, geïntimeerde, verschijnend bij Mr. D. Maes loco Mr. V. Coigniez, advocaat te 3000 Leuven, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven op 15 januari 2003; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 13 februari 2003; - de besluiten en aanvullende besluiten in hoger beroep door appellante neergelegd; -de syntheseconclusie in hoger beroep door geïntimeerde neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 27 mei 2004, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. Voorgaanden Bij beslissing van geïntimeerde dd.8 november 2001 wordt de regularisatie van de verhoogde kinderbijslag voor de periode van 1 oktober 1990 tot 31 maart 1994 geweigerd met als motivering dat de driejarige verjaringstermijn zoals voorzien door artikel 120 van de gecoördineerde wetten van 19 december 1939 moet worden in aanmerking genomen. Bij vonnis dd. 15 januari 2003 van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Leuven wordt de vordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond verklaard en wordt de beslissing van geïntimeerde dd. 8 november 2001 bevestigd. De eerste rechter was van oordeel dat appellante zich ten onrechte op de algemene regels betreffende de verjaring zoals voorzien in het Burgerlijk Wetboek en meer bepaald op de bepalingen van artikel 2257 alinea 1, baseert, dat de bijzondere wet voorrang heeft op de algemene wet, dat de regeling van artikel 120 van de gecoördineerde wet van openbare orde is en strikt te interpreteren is en dat, teneinde de regularisatie van kinderbijslagen niet te laten verjaren, de belanghebbende er zal moeten voor zorgen dat hij tijdig de oorspronkelijke verjaring stuit. Appellante tekent hoger beroep en verzoekt het Hof : " Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, Het vonnis van de Arbeidsrechtbank van Leuven van 15 januari 2003 teniet te doen, en rechtsprekende, doende wat de eerste rechter had moeten doen,; Het besluit van geïntimeerde, appellante medegedeeld bij brief van 8 november 2001, nietig te verklaren, Te zeggen voor recht dat huidig appellante gerechtigd is op een verhoogde kinderbijslag overeenkomstig het statuut van invalide en dit betreffende de periode van 1 oktober 1990 tot en met 31 maart 1994, gezien haar statuut van invalide werd bevestigd met betrekking tot de periode van 1 januari 1991 tot en met 12 september 1993, bij arrest van het Hof van Beroep van Brussel van 15 februari 2001; Geïntimeerde te veroordelen deze verhoogde bijdrage te betalen aan appellante; Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen"; In besluiten vordert appellante de vergoedende intresten vanaf de datum van het verschuldigd zijn en de gerechtelijke intresten vanaf de datum van het eerste vonnis. Appellante stelt dat artikel 120 van de gecoördineerde wet handelt over de verjaring, de aanvang en de mogelijkheid van stuiting ervan, terwijl artikel 2257, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek handelt over de periode gedurende dewelke de verjaring niet loopt (schorsing), omdat er nog geen aanvang is of kan zijn, dat het statuut van appellante als invalide in de zin van de wet bepaald werd door het Arbeidshof te Brussel in haar arrest dd. 15 februari 2001 (niet te vergelijken met een medische beslissing, basis van het Cassatiearrest dd. 18 april 1983), waardoor zij het recht bekomt op een verhoogde kinderbijslag voor haar kind en dat derhalve de verjaring is geschorst tot en met het arrest dd. 15 februari 2001, dat in de brief dd. 18 april 1991 haar niet wordt gewezen op het karakter en de gevolgen van deze beslissing tot terugvordering, dat een erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, een daad van stuiting is (opnieuw arbeidsongeschikt erkend vanaf 13 september 1993 en de betalingen van de verhoogde bijslagen) en dat het in casu niet gaat om een tekort aan betaling zoals in het citaat aangehaald door de eerst rechter. Geïntimeerde verzoekt het Hof het hoger beroep van appellante, indien ontvan-kelijk, als ongegrond af t wijzen, dienvolgens het vonnis a quo van de Arbeidsrechtbank te Leuven dd. 15 januari 2003 te bevestigen in al haar onderdelen. Geïntimeerde stelt vooreerst dat zij in de gevoerde procedure tegen de beslissingen van het R.I.Z.I.V. en de mutualiteit niet was betrokken en dat uit de bepalingen van artikel 120 van de gecoördineerde wetten van 19 december 1939 voortvloeit dat appellante de verjaring had kunnen onderbreken door middel van een gewone brief, fax of elektronische post gericht aan de kinderbijslaginstelling, dat het Hof van Cassatie in duidelijke bewoordingen stelt in het arrest dd. 18 april 1983 dat de verjaringstermijn van artikel120 Gerechtelijk Wetboek een aanvang neemt op het einde van het kwartaal waarvoor de bijslagen verschuldigd zijn en dat, door te beslissen dat de verjaring slechts kan gelden voor personen die een vordering uitoefenen wanneer zij die vordering kunnen uitoefenen, het arrest de regelen van de verjaring zoals zij bij artikel 120 van de samengeordende wetten bepaald is, miskent en deze wetsbepaling schendt en dat het laten gelden van zijn rechten niet afhankelijk is van een nieuwe geneeskundige vaststelling, zelfs met aanzienlijke terugwerkende kracht, maar wel van de weigering in 1990 van de verhoogde kinderbijslag op basis van een ongunstige geneeskundige beslissing. Feiten De feiten, aan de grondslag van huidig geschil, kunnen als volgt worden samengevat : Mevrouw E. R., verpleegster van beroep, werd invalide erkend voor meer dan 66 % sedert 07.02.1980 door HET RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, die vervolgens op een eerder door haar genomen beslissing was teruggekomen op 25.09.1990 en toen appellante als verpleegster had verzocht het werk te hervatten vanaf 01.10.1990; Op 28.09.1990 volgde de medische adviseur van haar ziekenfonds, zijnde DE LANDSBOND VAN DE BEROEPS- EN ONAFHANKELIJKE ZIEKEN-FONDSEN, de beslissing van het R.I.Z.V.; Door deze beslissingen, en het aan appellante toebedeelde statuut, verloor zij haar recht op een verhoogde bijslag voor de periode van 01.10.1990 tot 01.04.1994, en viel zij onder het statuut van gewone kinderbijslag; Op 18.04.1991 besliste geïntimeerde om van appellante een bedrag terug te vorderen van ten onrechte ontvangen bijslag, voor een bedrag van 5.889 BEF (145,98 EURO), vanaf 01.10.1990; Zij wordt echter opnieuw in haar rechten hersteld en ontvangt de verhoogde bijslag vanaf 01.04.1994, gezien opnieuw haar arbeidsongeschiktheid werd erkend vanaf 13 september 1993; Tegen de beslissingen van het R.I.Z.I.V. en de Landsbond werd op 15.10.1990 hoger beroep aangetekend tegen deze beslissingen die aan appellante werden betekend, hetgeen gebeurde bij verzoekschrift neergelegd bij de Arbeidsrechtbank van Leuven, zaken aldaar gekend onder de nummers 2583/90 en 2584/90; Aan geïntimeerde had appellante het instellen van deze procedure aangekondigd bij brief van 07.10.1990; Bij tussenvonnis dd. 10.04.1991, had de rechtbank professor dokter M. als gerechtsdeskundige gelast met wel bepaalde opdracht; Na deskundig onderzoek heeft de Arbeidsrechtbank van Leuven bij vonnis van 22.04.1996 geoordeeld dat appellante op 01.10.1990 nog voldoende arbeidson-geschikt was in de zin van artikel 56 van de wet van 09.08.1963, thans artikel 100 van de wet zoals gecoördineerd bij het Koninklijk Besluit van 14.07.1994, maar zij dit niet meer was vanaf 01.01.1991; Dat tegen voornoemd vonnis hoger beroep werd aangetekend bij het Arbeidshof te Brussel op 23.05.1996 en waarbij het Hof bij tussenarrest van 21.01.1999 een nieuw gerechtsdeskundig onderzoek van appellante had bevolen, uit te voeren door dokter A. V. uit Brussel; Dat de zaak bij het Arbeidshof gekend is onder AR nummer 33.358; Dat bij eindarrest van het Arbeidshof te Brussel van 15.02.2001 het bestreden vonnis werd vernietigd en appellante arbeidsongeschikt werd verklaard in de zin van artikel 56 van de wet van 09.08.1963, thans artikel 100 van de wet zoals gecoördineerd bij het Koninklijk Besluit van 14.07.1994, ook voor de periode vanaf 01.01.1991 tot en met 12.09.1993; Op 5 juni 2001 en 13 oktober 2001 verzocht appellante aan geïntimeerde haar alsnog de verhoogde kinderbijslag toe te kennen voor de periode van 1 oktober 1990 tot 1 april 1994 zich steunend op voormeld arrest van het Arbeidshof te Brussel dd. 15 februari

  1. Hierop volgde de weigerende beslissing van geïntimeerde dd. 8 november
  2. Beoordeling door het Hof Artikel 50 ter van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders bepaalt dat de bedragen, vermeld in artikel 40, voor de kinderen van een arbeidsongeschikte werknemer, bedoeld in artikel 56, ,§ 2 verhoogd worden met een bijslag. Een voorwaarde is een toekomstige en onzekere gebeurtenis waarvan het ontstaan of het tenietgaan van een recht afhangt. Een vonnis of arrest dat de arbeidsongeschiktheid van een werknemer erkent, schept geen recht. Het erkent en bevestigt enkel een bestaand recht (A. Fettweis, Droit Judicaire Privé, 1976, p. 242). Het arrest van het Arbeidshof te Brussel dd. 15 februari 2001 kan bijgevolg niet doorgaan als de voorwaarde die het recht op verhoogde kinderbijslag doet ontstaan. Dit recht is immers verbonden aan de arbeidsongeschiktheid van de werknemer. De verwijzing door appellante naar het voorbeeld uit A. Lindemans, Verjaring in het sociale-zekerheidsrecht 1994, Kluwer, Reeks sociaal recht nummer 38 p.353-354 is onterecht ; hier gaat om het een gerechtelijke vaststelling van de datum van het overlijden als vereiste om het recht te doen ontstaan en het vertrekpunt van de verjaringstermijn begint te lopen vanaf de datum van de overschrijving van het beschikkend gedeelte van het vonnis dat dit overlijden vaststelt. Artikel 120 van de samengeordende wetten bepaalt : " De rechtsvorderingen waarover de personen, aan wie de kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie verschuldigd zijn of moeten uitbetaald worden, tegenover de compensatiekassen en de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor werknemers beschikken, moeten binnen de drie jaar ingesteld worden. Voor de kinderbijslagen betreffende een zeker aantal dagen van een trimester, neemt de termijn van drie jaar een aanvang de laatste dag van gezegde trimester. Een gewone vraag of klacht bij de betrokkene Kas of Dienst, naargelang het geval, ingediend door een ter post aangetekend schrijven volstaat om de verjaring te onderbreken. De onderbreking is geldig voor drie jaar. Zij mag worden hernieuwd. In geen geval zullen de compensatiekassen en de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers aan het voordeel der verjaring, zoals zij bij dit artikel werd vastgesteld, verzaken". De verjaringstermijn van de rechtsvordering waarover de personen beschikken die op bijslagen aanspraak maken is drie jaar (thans 5 jaar) te rekenen vanaf het einde van het kwartaal waarvoor de bijslagen verschuldigd zijn. In het arrest van het Hof van Cassatie dd. 18 april 1983 (J.T.T., 1984, 164) stelt het Hof dat uit de wetsbepaling van artikel 120 voortvloeit dat, enerzijds de verjaring ingaat op het einde van het kwartaal waarvoor de bijslag verschuldigd is maar dat, anderzijds, het verloop van de termijn van drie jaar onderbroken kan worden en dat de onderbreking die voor drie jaar geldig is, mag hernieuwd worden en dat de wet aldus een verjaringsstelsel invoert waarin, met het oog op het algemeen belang, de uitbetalingsinstellingen voor kinderbijslag gevrijwaard zijn tegen late aanvragen en tegen de aangroei van hun schulden, maar dat de wet tevens voor de aanvragers, die om een of andere reden hun aanvraag niet konden indienen, de mogelijkheid biedt hun rechten niet te laten verjaren. De ingestelde verjaringsregel van artikel 120 van de samengeordende wetten raakt de openbare orde, waarvan partijen niet mogen afwijken en die derhalve strikt geïnterpreteerd en toegepast moet worden door de rechter (laatste lid). Terecht adviseert het Auditoraat-generaal als volgt : " Van zodra appellante kennis neemt van de beslissing van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit en het besluit nam deze beslissing aan te vechten omdat zij zich steeds arbeidsongeschikt acht, is zij in de gelegenheid een vordering bij de Arbeidsrechtbank aanhangig te maken ten einde ook de beslissing van geïntimeerde haar niet langer de verhoogde kinderbijslag toe te kennen, aan te vechten. De vaststelling dat de rechtbank zijn uitspraak in deze laatste procedure zal uitstellen tot er uitspraak is over de betwisting met betrekking tot de arbeidsgeschiktverklaring van appellante belet haar niet deze vordering in te stellen. Derhalve kon en diende appellante haar rechten te vrijwaren door op te komen tegen het haar niet langer uitbetalen van de verhoogde kinderbijslag van zodra zij dit vaststelde. Zij verkeerde niet in de onmogelijkheid zulks te doen zolang geen definitieve uitspraak tussenkwam in de betwisting met het R.I.Z.I.V. zoals zij voorhoudt. Appellante kon overigens eveneens de verjaring tijdig stuiten en deze stuiting hernieuwen". Het is niet pas op het ogenblik van de medische vaststelling na afloop van de voorziene wettelijke procedure dat het recht op de verhoogde bijslag ontstaat, maar reeds op het ogenblik dat de verhoogde gezinsbijslag wordt geweigerd of de betalingen uit dien hoofde uitblijven (cfr. Lindemans, Verjaring in het sociale - zekerheidsrecht 1994, Kluwer, p. 351). Terzake is het irrelevant te weten of de medische vaststelling met de erkenning van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid gebeurde door een erkend geneesheer met de daarop volgende beslissing dan wel na aanstelling en advies van een deskundige-geneesheer, met daaropvolgend een gerechtelijke uitspraak. Het vonnis a quo wordt bevestigd. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in de voorlezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 10 juni 2004; Gelet op de termijn verleend aan partijen om te repliceren m.b.t. het advies tot 29 juni 2004; Gelet op de repliekconclusies van appellante neergelegd ter griffie op 29 juni 2004; Recht doende op tegenspraak; Alle andere middelen en conclusies van de hand wijzende; Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk, doch ongegrond; wijst het af; Bevestigt het vonnis a quo; Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van geïntimeerde, kosten tot op heden begroot op : - voor appellante 136,94 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor geïntimeerde niet begroot Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zeven oktober tweeduizend en vier. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VAN DE VELDE, Raadsheer de heer R. HOEBEEK, Raadsheer in Sociale Zaken, aangeduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van de heer I. VAN DAMME, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek). de heer K. GACOMS, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041007.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.