id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 07 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041007.5 Rolnummer: 44313 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-06-23 Raadplegingen: 189 - laatst gezien 2026-07-03 19:41 Fiche De verjaring kan niet de regelmatig uitgevoerde betaling van een bestaande schuld teniet doen, deze retroactief zonder oorzaak maken en het recht openen terug te vorderen wat onverschuldigd zou betaald zijn, op voorwaarde evenwel dat de schuldenaar vrijwillig heeft betaald en hierdoor verzaakte zich op de verjaring te beroepen. Een betaling die gedaan wordt onder voorbehoud en zonder nadelige erkentenis, om de nadelige gevolgen te vermijden die voortvloeien uit een weigering gevolg te geven aan het verzoek van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de vergoeding te betalen waarvan sprake in art. 30ter, ,§6,B, eerste lid van de wet van 27 juni 1969 kan niet doorgaan als een vrijwillige betaling. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS - ALGEMENE REGELING - Verjaring - Betaling van een verjaarde schuld - Artikel 42 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - Artikel 30ter, ,§ 6,B van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 30ter - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Cassatievoorziening verworpen door Hof van Cassatie 6 maart 2006, 3de Kamer, nr S.05.0026.N. Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN VIER. 7de KAMER Sociale Zekerheid Bijdragen Op tegenspraak Definitief In de zaak : de naamloze vennootschap INTERBUILD, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2610 Wilrijk Antwerpen, Heistraat 129, appellante, verschijnend bij Mr. G. Cool loco Mr. B. Mergits, advocaat te 2018 Antwerpen, Tegen : de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, verschijnend bij Mr. S. De Kerpel loco Mr. P. Derveaux, advocaat te 1930 Zaventem, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 14 mei 2003; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 6 juni 2003; - de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 22 april 2004, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. Voorgaanden Bij dagvaarding dd. 9 september 1997 vorderde appellante de vernietiging van de beslissing van geïntimeerde dd. 14 februari 1997 en van de bevestigende beslissing dd. 24 juni 1997, de betaling door geïntimeerde van 51.843,46 EURO te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf 8 juli 1997, de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding en de uitvoerbaarheid bij voorraad van het te wijzen vonnis, zonder enige reserve. Bij vonnis dd. 14 mei 2003 van de achtste kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel wordt de vordering ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. De eerste rechter heeft vastgesteld dat er geen betwisting meer bestaat tussen partijen omtrent de verjaringstermijn, dat de betaling door appellante geen vrijwillig karakter toegemeten kan worden en dat het terugvorderingsrecht van appellante niet langer door geïntimeerde wordt betwist. De eerste rechter was van oordeel dat wat de grond van de betwisting betrof, dient te worden besloten dat de door de N.V. J.D. Janse uitgevoerde werken op de betreffende werf onder andere grond- en betonneringswerken - onder toepassing vielen van werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 30 ter ,§ 5 van de R.S.Z.-wet waarvoor de meldingsplicht geldt. Appellante tekent hoger beroep aan en verzoekt het Hof : " Het hoger beroep van de N.V. ontvankelijk en gegrond te verklaren. Het bestreden vonnis te vernietigen, en de oorspronkelijke vordering van de N.V. ontvankelijk en gegrond te verklaren. Bijgevolg de beslissing dd. 14.2.1997 en de bevestigende beslissing dd. 24.6.1997 te vernietigen. De R.Z.S. te veroordelen tot betaling van : - 51.843,46 EURO onverschuldigd betaalde sociale zekerheidsbijdragen, te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf 8.7.1997 en de gerechtelijke intrest. Met toepassing van artikel 1154 BW tevens intrest toe te kennen op de vervallen intresten die minstens voor een geheel jaar verschuldigd zijn. De R.S.Z. tevens te veroordelen tot de kosten van het geding". Appellante stelt primair dat er tussen partijen geen betwisting meer bestond omtrent de verjaringstermijn, bevestigd in het vonnis van de Arbeidsrechtbank, subsidiair dat de vordering van de R.S.Z. verjaard is krachtens artikel 42 R.S.Z.-wet met verwijzing naar het arrest nr. 126/2000 van het Arbitragehof dd. 6 december 2000 en verzoekt meer subsidiair een prejudiciële vraag te stellen, indien het Arbeidshof het arrest van het Arbitragehof dd. 6 december 2000 zou weigeren te volgen. Verder stelt appellante dat er geen afstand is van verjaring, gezien een betaling onder voorbehoud geenszins een schulderkenning is en het standpunt van de R.S.Z. alleszins strijdig is met artikel 1234 BW. Tenslotte stelt appellante dat de door de N.V. J.D. Janse uitgevoerde wegenis- en rioleringswerken niet als grondwerken in de zin van (oud) artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 maart 1990 kunnen worden bestempeld en derhalve niet onder de meldingsplicht, zoals vervat in artikel 30 ter ,§ 5 R.S.Z.-wet ressorteerden. Geïntimeerde verzoekt het Hof het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, appellante ervan af te wijzen en te veroordelen tot de kosten, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen. Geïntimeerde stelt dat de eerste rechter terecht gesteld heeft dat op grond van de overgelegde overeenkomsten enerzijds en de afgelegde verklaringen anderzijds, vaststaat dat de N.V. J.D. Janse op de betrokken werf grond- en betonneringswerken heeft uitgevoerd en dat de meldingsplicht dienvolgens van toepassing was. Geïntimeerde aanvaardt de toepassing van de vijfjarige verjaringstermijn op de vorderingen die zij desbetreffend instelt, maar stelt dat dit niet betekent dat de vordering van appellante gegrond moet worden verklaard, dat door de bevrijdende verjaring alle rechtsvorderingen verjaren, maar de schuld zelf niet teniet wordt gedaan en dat de vrijwillige betaling, zelfs bij onwetendheid van een verjaarde schuld geen recht op terugbetaling doet ontstaan, maar de uitvoering is van een natuurlijke verbintenis. Feiten Naar aanleiding van een controle verricht op de werf van appellante te Diest, Industrieterrein Webbekom op 26 maart 1992 vorderde geïntimeerde met aangetekende brief dd.14 februari 1997 met toepassing van artikel 30 ter ,§ 6 B eerste lid R.S.Z.-wet betaling door de N.V. van 2.091.360 BEF (51.843,46 EURO) wegens niet-naleving van artikel 30 ter ,§ 5 RSZ-wet. Het betrof meer bepaald het niet-naleven van de verplichting om de onderaan-nemers te melden die op de werf grondwerken, betonneringswerken, bekistingswerken, wapeningswerken, metselwerken, slopingswerken uitvoeren. (artikel 6 (oud) K.B. 12.3.1990). Volgens de RSZ had onderaannemer N.V. J.D. Janse op de werf van appellante te Diest, Industrieterrein Webbekom (werf die was begonnen na 1.4.1990) werken uitgevoerd die grondwerken en betonneringswerken betroffen en had de N.V. dus voor deze onderaannemer een meldingsplicht waaraan zij zich niet had gehouden. Met aangetekende brief de dato 25 februari 1997 formuleerde de N.V. haar bezwaren tegen voornoemde beslissing. De RSZ bleef op haar standpunt (brief van 24 juni 1997). Met aangetekende brief de dato 1 juli 1997 bevestigde de N.V. dat zij zich niet kon verenigen met het standpunt van de RSZ, doch dat zij onder voorbehoud van al haar rechten en zonder enige nadelige erkentenis zou overgaan tot betaling van het bedrag van 2.091.360 BEF (51.043,46 EURO). Voornoemd bedrag werd effectief door appellante betaald en werd op 8 juli 1997 door de RSZ ontvangen. Bij dagvaarding van 9 september 1997 gaat appellante over tot dagvaarding van de R.S.Z. in terugbetaling van voornoemd bedrag. Beoordeling door het Hof Artikel 42, lid 1 van de R.S.Z.-wet bepaalt dat de schuldvorderingen van de R.S.Z. op de werkgevers die onder deze wet vallen en de personen bedoeld bij artikel 30 bis, na drie jaar verjaren. Beide partijen verwijzen naar het arrest nr. 126/2000 van 6 december 2000 van het Arbitragehof (B.S. 7 maart 2001, 7179) en geïntimeerde aanvaardt de toepassing van de vijfjarige verjaringstermijn. Het Arbitragehof heeft voor recht gezegd : " artikel 42, eerste lid van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid van arbeiders, in de versie zoals die van toepassing is op het bodemgeschil, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de verjaringstermijn bepaald in dat artikel 42, eerste lid, niet van toepassing is op de vorderingen bedoeld in artikel 30 ter, ,§ 6, B, van voormelde wet". De vaststellingen door de inspectiediensten van geïntimeerde van de inbreuk door appellante werden gedaan op 26 maart 1992 en de verjaringstermijn binnen dewelke geïntimeerde zijn vordering kan instellen begint te lopen op 27 maart 1992 namelijk de dag na die waarop de eis zoals bepaald in artikel 30 ter ,§ 6, B van de wet van 27 juni 1969, is ontstaan en eindigt op 26 maart 1995. Bij gebrek aan stuitingsdaden is de beslissing van geïntimeerde met het verzoek tot betalen dd. 14 februari 1997 laattijdig en de vordering tot betaling van een bedrag 2.091.360 fr. (51.843,46 EURO) verjaard. In verband met het recht van appellante om terugbetaling te vorderen sluit het Hof zich aan bij het advies neergelegd door het Auditoraat-generaal ter openbare terechtzitting van 27 mei 2004 en waarin het volgende wordt gesteld : " De verjaring is een middel om van een verbintenis bevrijd te worden; zij treft evenwel het bestaan van de schuld niet doch alleen de eisbaarheid ervan (vgl. Cass. 25 september 1970, Arr. Cass. 1971, 78). De verjaring kan bijgevolg niet de regelmatig uitgevoerde betaling van een bestaande schuld teniet doen, deze retroactief zonder oorzaak maken en het recht openen terug te vorderen wat onverschuldigd zou betaald zijn (vgl. concl. van eerste advocaat-generaal P. MAHAUX onder Cass. 25 september 1970). Vereist is evenwel dat de schuldeiser vrijwillig heeft betaald en hierdoor verzaakte zich op de verjaring te beroepen (Cass. 24 september 1981, Arr. Cass. 1981-82, 149). De enkele onwetendheid is niet voldoende om te kunnen voorhouden dat niet vrijwillig werd betaald. Een betaling die gedaan wordt onder voorbehoud en zonder nadelige erkentenis, om de schadelijke gevolgen te vermijden die voortvloeien uit een weigering gevolg te geven aan het verzoek van de Rijksdienst de vergoeding te betalen waarvan sprake in artikel 30 ter ,§ 6, B, eerste lid van de wet van 27 juni 1969 kan daarentegen niet doorgaan als een vrijwillige betaling (vgl. in dezelfde zin Arb. Brussel, 25 januari 2002, A.R. 77.436 /98 en 87.913/98). Wanneer appellante gevolg geeft aan het verzoek van geïntimeerde hem het bedrag van 2.091.360 fr. (1.843,46 EURO) over te maken dan doet zij dit om te ontkomen aan de nadelige gevolgen die zij zou kunnen ondervinden indien zij langer zou talmen om juridisch advies in te winnen en desgevallend een procedure te benaarstigen en er de afloop van af te wachten. Dienaangaande kan o.m. verwezen worden naar artikel 12 van de wet van 27 juni 1969 dat aan de R.S.Z. de verplichting oplegt aan iedereen die van een gewettigd belang doet blijken en hieromtrent bij aangetekende brief een verzoek indient, het bedrag van de schuldvordering mede te delen ten laste van een met name aangeduide werkgever en naar de voor het publiek opengestelde gegevensbank die krachtens artikel 30 bis, ,§ 4 van de wet van 27 juni 1969 en het K.B. van 26 december 1998 werd ingesteld. De informatie die via deze kanalen aan derden, mogelijk commerciële partners van appellante, kan verstrekt worden kan uitgesproken negatieve gevolgen hebben voor deze laatste. Derhalve kan bezwaarlijk voorgehouden worden dat het hier om een "vrijwillige" betaling zou gaan waarbij appellante een "steeds" bestaande natuurlijke verbin-tenis zou uitgevoerd hebben. In haar schrijven van 1 juli 1997 heeft appellante duidelijk te kennen gegeven dat zij overgaat tot betaling zonder enige nadelige erkentenis d.w.z. dat zij niet erkent dat met verwijzing naar welke rechtsgrond ook iets van haar kan gevorderd worden. Appellante kan bezwaarlijk verweten worden niet onmiddellijk expliciet voorbehoud m.b.t. de verjaring te hebben geformuleerd nu op het ogenblik waarop zij de betaling uitvoerde het Arbitragehof haar richtinggevend arrest niet had uitgesproken. Derhalve is appellante gerechtigd de door haar betaalde som, die niet verschuldigd was daar het recht om ze op te vorderen in hoofde van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verjaard was, terug te vorderen". Bij conclusie neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 12 januari 2004 vordert appellante intresten toe te kennen op de vervallen intrest van het teruggevorderd bedrag die minstens voor een geheel jaar verschuldigd zijn met toepassing van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek. Het Hof is van oordeel dat deze eis gegrond is vanaf de datum van de neerlegging van de conclusie die geldt als aanmaning. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak; Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in de voorlezing en de neerlegging van zijn schriftelijk eensluidend advies ter openbare terechtzitting van 27 mei 2004; Gelet op de termijn verleend aan partijen tot 22 juni 2004 om te repliceren m.b.t. dit advies; Gelet op de repliek van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 11 juni 2004, waarna de zaak op 2 september 2004 in beraad werd genomen; Ontvangt het hoger beroep, Verklaart dit gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis; en opnieuw rechtsprekend; Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond; Vernietigt de beslissingen dd. 14 februari 1997 en dd. 24 juni 1997; Veroordeelt geïntimeerde om aan appellante de som van 51.843,46 EURO te betalen, als terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen, vermeerderd met de verwijlintresten vanaf 8 juli 1997 en de gerechtelijke intresten; Staat de kapitalisatie van intresten toe vanaf 12 januari 2004; Legt de kosten ten laste van geïntimeerde tot op heden begroot door appellante op : 100,20 EURO dagvaarding 200,79 EURO rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 57,02 EURO vaste uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep 273,67 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en door geïntimeerde op 182,95 EURO rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 279,62 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zeven oktober tweeduizend en vier. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VAN DE VELDE, Raadsheer de heer L. DERUA, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer K. GACOMS, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider, aangeduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van de heer G. BONNEWIJN, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek). mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041007.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.