← België

ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041008.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 08 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041008.3 Rolnummer: 44269 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-12-05 Raadplegingen: 191 - laatst gezien 2026-07-03 19:42 Fiche Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Dringende reden directeur/patroonsafgevaardigde. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Hof van Cassatie 16 oktober 2006 , 3de kamer , nr S.06.0001.N. verwerpt het cassatieberoep (Ook tegen het definitief arrest dd. 20.5.2005). Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT OKTOBER TWEEDUIZEND EN VIER. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Heropening der debatten In de zaak: VAN A. A. , Appellant, in persoon verschijnend en bijgestaan voor de pleidooien door Mr. E. Nieuwdorp, advocaat te Brussel en Mr. K. Storme loco Mr. W. Van Eeckhoutte, advocaat te Gent; Tegen: C.V. LABORELEC, met zetel te 1630 LINKEBEEK, Rodestraat nr. 125 en ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 307.906; Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mrs. B. Paquot & S. Lacombe, advocaten te Brussel; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 12e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 20 maart 2003 (AR nr. 21.063/96), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 23 mei 2003; - de besluiten en aanvullende van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op 5 maart 2004 en 28 mei 2004; - de besluiten van appellant, ontvangen ter griffie op 22 april 2004; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 10 september 2004. Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. DE FEITEN. Het Hof verwijst naar de uiteenzetting van de feiten zoals gedaan door de eerste rechter en acht het vonnis (blz. 3 en 4) dienaangaande voor herhaald. II. DE OORSPRONKELIJKE VORDERING. Met gedinginleidende dagvaarding dd. 13 juni 1996 vordert appellant voor de eerste rechter de CV Laborelec te horen veroordelen tot betaling van: - 23.436.540 BEF wegens verbrekingsvergoeding - 185.694 BEF wegens pro rata eindejaarspremie In het kader van het regime 55+: - 17.930.166 BEF wegens loonverlies - 503.724 BEF wegens tussenkomst ambulante zorgen - 184.126 BEF wegens tussenkomst hospitalisatie - 240.002 BEF wegens tarifaire voordelen - 142.080 BEF wegens verlieskorting 0,50% op hypothecaire lening - 943.000 BEF wegens bijkomende hypothecaire dekking voor hypothecaire lening in geval van overlijden - 803.267 BEF wegens verlies van fiscale afschrijving van infrastructuur nodig om met de handicap te kunnen werken. In het kader van de opruststelling op 60 jaar: - 2.126.694 BEF wegens tussenkomst ambulante zorgen - 777.334 BEF wegens tussenkomst hospitalisatie - 1.013.225 BEF wegens tarifaire voordelen - 142.080 BEF wegens verlieskorting 0,50% op hypothecaire lening - 34.581.902 BEF wegens buitenwettelijk rustpensioen - 2.500.000 BEF wegens misbruik van ontslagrecht. Dit alles te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert 10 april 1996, met de gerechtelijke intresten en met de gerechtskosten. De vordering strekt er tevens toe CV Laborelec te horen veroordelen tot: - de afgifte van een nieuw aangepast sociaal document C4, op straffe van een dwangsom van 5000 BEF per dag vertraging vanaf de betekening van het tussenkomst te komen vonnis; - de publicatie van het tussen te komen vonnis ad valvas binnen de kantoren van CV Laborelec op straffe van een dwangsom van 10.000 BEF per dag vertraging bij gebreke dit te doen binnen de maand van uitspraak van het vonnis. Tenslotte strekt de vordering ertoe, in ondergeschikte orde, een deskundige te horen aanstellen, met als opdracht de correctheid van de berekeningswijze en van de resultaten na te kijken. Het vonnis a quo verklaart appellants vordering ontvankelijk en ongegrond in al haar bestanddelen. De eerste rechter oordeelt dat appellant op 10 april 1996 terecht werd ontslagen wegens dringende reden en dat het ontslag regelmatig geschiedde overeenkomstig de vormen en termijnen voorzien in artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Nu het ontslag om dringende redenen gegrond is, kan appellant volgens de eerste rechter geen aanspraak maken op de gevorderde vergoedingen. Gezien de arbeidsovereenkomst aldus beëindigd werd op 10 april 1996, verviel ook de overeenkomst die partijen op 8 januari 1996 sloten inzake de 55+ regeling. Deze overeenkomst bepaalde dat appellant vanaf 1 augustus 1996 zou vrijgesteld worden van prestaties en dat partijen de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord beëindigden op 1 augustus 2001 (nl. nadat eiser 60 jaar zou zijn geworden), wat vanzelf veronderstelde dat appellant op 1 augustus 1996 nog in dienst zou zijn. III. DE BEROEPSGRIEVEN. Appellant verzoekt het Hof het vonnis a quo teniet te doen en opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vordering van appellant ontvankelijk en gegrond te verklaren; de dringende reden onregelmatig en ongeldig te verklaren, waardoor appellant recht heeft op de vergoeding overeenkomstig artikel 39 ,§1 WAO, minstens en ondergeschikt op een schadevergoeding naar gemeen recht overeenkomstig artikel 1134 en 1146 e.v. B.W. Dienvolgens geïntimeerde te veroordelen tot betalen van: - 23.436.540 BEF wegens verbrekingsvergoeding - 185.694 BEF wegens pro rata eindejaarspremie - o.v. 25.000 BEF wegens afrekening vakantiegeld, nog 34 dagen op te nemen verlofdagen - o.v. 25.000 BEF vertrekvakantiegeld 95-96 - 2.387.012 BEF wegens loonverlies 10.04.96 tot 31.07.96 - 4.137.194 BEF wegens verlies wettelijk pensioen Inzake het regime 55+: - 17.930.166 BEF wegens loonverlies 1.08.96 tot 31.07.2001 - 503.724 BEF wegens tussenkomst ambulante zorgen - 184.126 BEF wegens tussenkomst hospitalisatie - 240.022 BEF wegens tarifaire voordelen - 142.080 BEF wegens verlies korting 0,50% op hypothecaire lening - 943.000 BEF wegens verplichte bijkomende dekking voor hypothecaire lening in geval van overlijden - 803.267 BEF wegens verlies van fiscale afschrijving van infrastructuur nodig om met de handicap te kunnen werken Inzake de opruststelling op 60 jaar: - 2.126.694 BEF wegens tussenkomst ambulante zorgen - 777.334 BEF wegens tussenkomst hospitalisatie - 1.013.225 BEF wegens tarifaire voordelen - 142.080 BEF wegens verlies korting 0,50% op hypothecaire lening - 34.581.902 BEF wegens buitenwettelijk rustpensioen - 2.500.000 BEF wegens misbruik van ontslagrecht Geïntimeerde te veroordelen tot de wettelijke intresten sedert 10 april 1996 en de gerechtelijke intresten sedert de datum van de dagvaarding. Geïntimeerde te veroordelen tot de afgifte van een nieuw en aangepast sociaal document C4 op straffe van een dwangsom van 5.000 BEF per dag vertraging vanaf de betekening van het tussen te komen vonnis. Te zeggen dat geïntimeerde op haar kosten het tussen te komen vonnis

(1)zal publiceren en bij wijze van eerherstel de geïntimeerde in het tijdschrift Accent en in het dagblad Echo de la Bourse (-vertaalkosten voor rekening van de verweerster -) en
(2)gedurende 1 maand zal moeten uithangen ad valvas binnen de kantoren van CV Laborelec binnen de maand van uitspraak van het vonnis en op straffe van een dwangsom van 10.000 BEF per dag vertraging. Geïntimeerde te veroordelen tot de gerechtkosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. In ondergeschikte orde appellant toe te laten tot het getuigenbewijs m.b.t. de feitelijkheden, die hoger in zijn besluiten beschreven worden zowel i.v.m. het kladje met zogezegde kilometerstanden van de hand van de heer H. V. als i.v.m. het éénzijdig pv van het onderhoud tussen F. D. S. en A. V. A. . Dat volgende personen als nuttige getuigen gehoord kunnen worden: - dhr. A. G. - dhr. J. W. - dhr. A. W. - dhr. N. G. - dhr. H. V. - dhr. F. D. S. - dhr. D. B. In zeer ondergeschikte orde een gerechtelijk deskundige aan te stellen, die tot opdracht zal hebben de correctheid van de berekeningswijze en van de resultaten na te kijken en te bepalen voor wat de indexatie en de actualisatie van de cijfers betreft in de posten (regime 55+) (opruststelling op 60 jaar); de kosten en provisie van de expertise ten laste van de verweerster te leggen en te zeggen dat de voorschotten voor de deskundige door de verweerster dienen gedragen te worden. IV. DE GRIEVEN EN MIDDELEN EN TOT HOGER BEROEP. Appellant stelt in zijn verzoekschrift: - Dat met betrekking tot de regelmatigheid en geldigheidsvereisten van de dringende reden de Eerste Rechter ten onrechte voorbijgaat aan de argumentatie van appellant m.b.t. het gesprek dat op 9 april 1996 met de heer F. D. S. plaats vond, en dat verkeerdelijk en onvolledig in de aangetekende ontslagbrief van 10 april 1996 werd weergegeven. Ten onrechte nam de eerste rechter een aantal door de werkgever neergeschreven zogezegde verklaringen voor waar aan, doch werd door de werkgever de context van de gebeurtenissen en de verklaringen geenszins gerespecteerd, zodat de gevolgtrekkingen van de eerste rechter in het vonnis a quo onterecht en foutief zijn; maar bovendien werd door de eerste rechter de regel miskend dat de bewijslast op de schouders van de werkgever rust, zodat de redenering en motivering van de eerste rechter niet gevolgd kan worden waar deze zonder meer de achteraf slechts overgelegde eenzijdige notities van de heer H. V. welke nooit eerder op tegensprekelijke wijze aan appellant voorgelegd werden voor waar aanneemt. - Dat gezien de ontslagbrief door twee personen getekend werd en op basis van de subdelegatie van volmachtigen binnen de CV Laborelec de directeur-generaal F. D. S. zich bij afwezigheid wegens ziekte diende te laten vervangen, was er geen verschil in de situatie vóór en na de afwezigheid van F. D. S.. - Dat appellant zich op 9 en 10 april 1996 uitdrukkelijk ter beschikking hield voor een bespreking van de aangelegenheid, zoals het op 9 april 1996 met F. D. S. ook zo overeengekomen was, terwijl noch deze laatste noch de voorzitter van de raad van bestuur de heer B. appellant de gelegenheid hebben geboden om samen de zogezegde de notities van H. V. te controleren of te vergelijken met de kilometerstand van de wagen. Dat de hoorplicht zoals in het arbeidsreglement voorzien is, miskend werd. - Dat de ingebrekestelling van appellant niet laattijdig is daar waar de eerste rechter ten onrechte in beweerde laattijdige ingebrekestelling een element van berusting in het ontslag zoekt. Appellant voert eveneens als grief tegen het vonnis a quo aan dat daarin op ongenuanceerde wijze gesteld wordt dat de inhoud van de ontslagbrief van 10 april 1996 met opgave van zogezegde (doch betwiste) uitingen van verzoeker, zouden overeenkomen met de door de strafrechter weerhouden gronden en welke uitsluitend gesteund werden op de verklaringen van de bezinepompuitbaters, van wie nochtans absoluut geen sprake was op het ogenblik van het gesprek en de ontslagbrief van respectievelijk 9 en 10 april
  1. Appellant stelt dan ook dat de eerste rechter onvoldoende de middelen beantwoordde op grond waarvan verzoeker aantoonde dat de arbeidsrechter nog steeds bevoegd was om, naast de feitelijke vaststelling van de strafrechter, te oordelen over de elementen die toelaten om het ontslag om dringende reden aan te vechten. Vrij kritiekloos gaat de eerste rechter niet in op de verplichting van de werkgever om zogezegd bestaand bewijsmateriaal over te leggen en tegensprekelijk met betrokken bediende te bespreken. Dat de zogezegde eenzijdige notities van de heer Verbeke slechts voor het eerst in het kader van de strafrechterlijke procedure aan appellant werden overgemaakt. Dat m.a.w. verzoeker in begin april 1996 noch in gesprek met de heer D. S., noch in een gesprek met de heer B. de gelegenheid kreeg om inzage te hebben en uitleg te verstrekken nopens het beweerde gedetailleerde onderzoek dat de werkgever zou hebben ingesteld en waaruit, volgens de werkgever, voor de bediende bezwarende bewijzen zouden volgen m.b.t. het zogezegd frauduleus opdrijven van de benzinebons. Aangezien de werkgever het bewijsmateriaal niet ter sprake bracht, noch tegensprekelijk en inhoudelijk met appellant besprak, kan aan de bediende niet het verwijt gemaakt worden dat hij niet spontaan gereageerd zou hebben. De door de eerste rechter in het vonnis a quo gemaakte twee hypothesen (blz. 8 en 9) zijn bijgevolg aanvechtbaar en beantwoorden geenszins aan de bewijsplicht in hoofde van de werkgever noch aan de motiveringsplicht van de rechter. Het vonnis a quo geeft des aangaande geen afdoende antwoord op de door appellant aangevoerde middelen en argumenten in conclusies voor de eerste rechter. Verzoeker beklemtoont nadrukkelijk dat het vonnis a quo in de tweede hypothese (blz. 9) van de veronderstelling uitgaat dat appellant kennis had gekregen van de eenzijdige notities van de heer Verbeke quod non. Dat appellant beschikte over een firmawagen, waarbij hij zoals het ander kaderpersoneel een overeenkomst m.b.t. het regime van directievoertuigen onderschreef (zie document dd. 20.3.1992 stuk 39). Appellant was volgens dit reglement niet verplicht om het voertuig exclusief of grotendeels professioneel aan te wenden. Tevens ziet hij niet in hoe een redenering, volgens dewelke de werkgever de bediende nog met het voertuig laat rijden na de ontslagdatum, een bewijs zou kunnen inhouden van het feit dat de werkgever de juiste kilometerstand genoteerd zou hebben. Een dergelijke motivering gaat totaal voorbij aan de uitvoerige argumentatie welke door appellant in de conclusies voor de eerste rechter ontwikkeld werd. Zelfs indien aangenomen zou worden dat appellant het "directievoertuigreglement" foutief geïnterpreteerd of toegepast zou hebben quod non dan nog zou er aanleiding geweest zijn om het proportionaliteitsprincipe toe te passen en het ontslag om dringende reden ongegrond te verklaren. Appellant zet in besluiten voor ons Hof zeer uitvoerig zijn grieven nader uiteen. Hij benadrukt dat de draagwijdte van het gezag van gewijsde van de beslissing van de strafrechter beperkt is tot wat deze zeker en noodzakelijk beslist heeft (Cass. 30.10.1997, arr. Cass. 97, blz. 1046). Hij stelt dat de strafrechter heeft geoordeeld over één constitutief bestanddeel van de dringende reden bedoeld in artikel 35 AOW nl. over de tekortkoming of de fout. Hij stelt dat het niet zijn bedoeling is de tekortkoming waarover de strafrechter heeft geoordeeld, te ontkrachten. Daaraan kleeft immers het gezag van gewijsde. Hij benadrukt dat de arbeidsrechter soeverein en op onaantastbare wijze over de andere bestanddelen van de dringende reden (art; 35 AOW) oordeelt nl. over de ernst van de tekortkoming en de vraag of de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst er door verantwoord wordt. Aan deze aspecten kleeft niet het gezag van gewijsde. Appellant stelt dat hij de feitelijke context van het ontslag wil bespreken om de ernst en de omvang van de feiten te relativeren en aan te tonen dat de strafrechterlijk weerhouden tekortkoming geen ernstig karakter heeft (zoals bedoeld in artikel 35 AOW), en niet tot onmiddellijke en definitieve beëindiging van de overeenkomst d.i. de zwaarste sanctie in ontslagrecht moet leiden. Hij stelt dat de normale stijging van de benzinekosten een zeer eenvoudige reden en uitleg heeft en dat hij het reglement m.b.t. de directiewagens bovendien niet heeft overtreden. Hij zet uitvoering uiteen dat het door de heer Verbeke eenzijdig opgestelde schema i.v.m. de kilometerstanden en het benzineverbruik van het bedrijfsvoertuig, dat CV Laborelec aanwendt als bewijsstuk voor het ontslag, niet tegensprekelijk, onbetrouwbaar en onjuist is want strijdig met de objectieve kilometerstanden zoals die blijken uit garagefacturen. Appellant stelt dat zijn gemiddelde hoeveelheid brandstof vanaf 1 januari 1995 verdubbelde omdat de wagen vanaf dan, in alle wettigheid en conform het bedrijfswagenreglement, ook door zijn echtgenote werd gebruikt, zodat er vanaf 1 januari 1995 gemiddeld het dubbel aantal kilometers per maand werd gereden t.o.v. het aantal kilometers in de periode van 16 oktober 1993 tot 1 januari
  2. Appellant becijfert tevens het gemiddelde specifieke benzineverbruik per 100 km en stelt dat dit ongeveer 13 à 14 l/100km bedraagt zowel in de periode van 16 oktober 1993 tot 1 januari 1995 als in de periode van 5 januari 1995 tot aan het ontslag. Dergelijk verbruik (14 l/100km) is volgens appellant trouwens normaal voor deze wagen zoals aangepast aan zijn handicap. Appellant stelt dat hij omwille van zijn handicap onkostennota's met ronde bedragen moest indienen en dus niet met bankkaarten kon betalen, doch dit was door de werkgever sinds lang geweten en dat was door appellant al uitgelegd. Dat de onkostennota's dus niet 100% tot op de frank de realiteit weergaven was dus al lang duidelijk en was ook geweten vermist de directie sedert enkele maanden dergelijke kostennota's had ontvangen en voor akkoord getekend had. Het tanken van ronde bedragen was omwille van de handicap van appellant een noodzaak. Hij tankte in hetzelfde station tegenover zijn deur. De uitbater kende de geplogenheden nl. dat soms ook de ruiten gekuist werden, banden bijgepompt werden, nazicht van één en ander, betaling met een briefje voor een vast bedrag, gemak voor de uitbater om hetzelfde ontvangstbewijs mee naar buiten te nemen... Er werd zonder bedrieglijk inzicht gehandeld. De omvang van de beweerde fraude was minimaal en de werkgever heeft zelfs geen eigenlijk vermogensnadeel geleden, voor zover er een geschil zou bestaan tussen de werkelijke en de aangegeven kosten, aangezien de uiteindelijke ingebrachte kosten binnen de perken bleven van wat door de reglementering op de bedrijfswagens als kost voorzien was. Appellant stelt dat het proportionaliteits- en het redelijkheidsbeginsel toelaat te eisen dat de werkgever zelf ook ermee rekening had moeten houden dat de dringende reden wel degelijk de zwaarste sanctie in het ontslagrecht inhoudt (AH Brussel, 8.4.1987, TSR 1988, blz. 162). Zoals op alle gebied dient een proportionaliteitsprincipe toegepast te worden. De sanctie is in casu niet in verhouding met de beweerde fout; De vennootschap kan niet bewijzen dat het vertrouwen volledig verloren was (AH Brussel, 13.5.1998, JTT 1998, blz 380). Volgens het Arbeidshof te Brussel is het eventueel ongeoorloofd karakter van een houding niet voldoende om als enig appreciatiecriterium voor een dringende reden in aanmerking te komen. Uit artikel 35 WAO blijkt dat er inzake dringende redenen, een hiërarchie bestaat die toelaat te oordelen dat een aantal van deze ernstige tekortkomingen niet van aard zijn onmiddellijk de professionele samenwerking te beletten (AH Brussel 6.9.1988, JTT 1988, blz. 383). Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met de enorm zware gevolgen van het ontslag om dringende reden, nl. geen recht op werkloosheidsuitkering, verlies van pensioenrechten, enz. ...) temeer daar appellant op zijn leeftijd en met zijn handicap duidelijk zeer moeilijk ander werk kon vinden. Een dergelijke sanctie voor een werknemer die op enkele maanden van zijn vervroegd pensioen staat, is buiten iedere proportie, zeker wanneer het mogelijk was om andere oplossingen voor het conflict te bieden. Appellant stelt dat het ontslag onregelmatig is omdat hij niet voorafgaandelijk werd gehoord door de ontslagbevoegde persoon zijnde de heer Beeuwsaert (voorzitter van de raad van bestuur) en de heer De Schauwer (directeur-generaal). Hij stelt dat de ontslagbevoegde personen hem niet voorafgaandelijk uitnodigden tot een behoorlijk gesprek waarbij hij zich had kunnen laten bijstaan door een personeelsafgevaardigde, noch dat zij de vakbondsafvaardiging hadden gehoord vóór het ontslag, zodat geïntimeerde artikel 5 en 7 van het arbeidsreglement heeft geschonden, alsook zijn fundamentele rechten van verdediging waardoor het ontslag ongeldig is (AH Antwerpen 11.3.198, JTT 99, 465) zodat hij gerechtigd is op een vergoeding overeenkomstig artikel 39 AOW, minstens overeenkomstig de artikels 1146,1149,1150 en 1151 van het Burgerlijk Wetboek. Het ontslag is volgens appellant ook onregelmatig omdat het laattijdig gegeven werd omdat CV Laborelec zelf toegeeft dat "de directie er zich omstreeks september 1995 van bewust werd dat de door appellant ingediende onkostennota's steeds hoger werden" (uit de klacht van CV Laborelec blijkt dat zij daar reeds in maart 1995 kennis van hadden). Appellant meent dat er geen uitleg voorhanden is waarom geïntimeerde tot 10 april 1996 heeft gewacht om te ontslaan op basis van feiten waarvan zij reeds veel vroeger kennis had. CV Laborelec schreef in haar strafklacht van 3 september 1996 "door een vergelijking door te voeren tussen 1 september 1995 en 7 maart 1996 kan men tot het besluit komen dat de wagen van de heer V. A. beweerlijk 30 liter per 100 km verbruikte..." Aldus geeft CV Laborelec zelf toe dat er vanaf 7 maart geen reden was om nog tot 10 april 1996 te wachten om het ontslag te geven. Het zogezegde verhoor van de bediende mag natuurlijk niet door de werkgever als een lapmiddel gebruikt worden om de formele driedagenregel van artikel 35 AOW te omzeilen. De strikte toepassing van artikel 35 AOW laat niet toe dat de werkgever, die tijdelijk verhinderd is om een verhoor af te nemen, hiermee zou wachten tot na de verhindering. Algemeen stelt men dan ook in de rechtspraak dat de werkgever in zo'n geval van verhindering zijn bevoegdheid moet delegeren (AH Brussel 7.9.1981, Rechtspr. Arb. Br. 1989, 9). Appellant stelt tevens dat zijn ontslag een inbreuk uitmaakt op de vastheid van betrekking waarop hij recht had overeenkomstig artikel 7 van het arbeidsreglement. In pleidooien voor ons Hof verwijst hij mondeling en voor het eerst tevens naar een conventionele vastheid van betrekking op grond van een CAO dd. 2 maart 1989, afgesloten in het PC 326 en naar een in hetzelfde PC 326 afgesloten CAO dd. 13 mei
  3. (Bij nazicht door het Hof blijkt dit een CAO te zijn, afgesloten op 13 mei 2004 in het PC 326 en algemeen bindend verklaard bij KB dd. 1 september 2004 (BS 17.9.2004, p. 67875) betreffende de graduele toepassing voor sommige ondernemingen van de CAO van 29 september 2003 betreffende de arbeids- en loonvoorwaarden, geregistreerd op 27 juli 2004 onder nr. 72106/co/326) Appellant becijfert de hem ingevolge het onregelmatig ontslag toekomende vergoeding hoger geciteerd in dit arrest en vordert 2.500.000 BEF schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht. Hij stelt dat de werkgever zijn ontslagrecht misbruikte en zich goedkoop van haar directeur wilde ontdoen enkele maanden voor het hem toegezegde 55+ plan om zijn plaats te laten innemen door de heer Verbeke, dit alles tijdens een afslanking van haar personeelsbestand (300 werknemers in 1996, 155 in maart 2004). Appellant stelt dat geïntimeerde niet handelde als een normaal en voorzichtig werkgever en dat de wijze waarop het ontslag werd gegeven zijn fout bewijst: - hij hoorde appellant niet voorafgaandelijk en schond dusdoende het arbeidsreglement en zijn rechten van verdediging te meer daar hij hem zijn verslag van onderzoek niet toonde, - hij schond de vastheid van betrekking, - er bestonden andere middelen om het conflict op te lossen dan met een ontslag om dringende reden, - hij ontsloeg op basis van een eenzijdig en lichtzinnig oncontroleerbaar onderzoek en op een bewust verdraaide versie van het onderhoud met de heer F. D. S. dd. 9 april 1996 terwijl appellant aan de heer D. S. precies heeft uitgelegd hoe de hoogte van zijn benzine-onkostennota's begrepen moest worden. In het kader van zijn revalidatie mocht appellant gaandeweg meer en meer uren presteren tot hij opnieuw voltijds kon werken. De contractuele richtlijnen lieten hem toe om 20.000 km/jaar te rijden (privé en beroepshalve). De loonfiches tonen aan dat hij voor het gebruik van de wagen forfaitair 7.300 BEF x 12 = 87.600 BEF bijdroeg. Meer nog, appellant heeft de heer D. S. haarfijn uitgelegd waarom hij telkens op den duur voor een rond bedrag van 2.000 BEF tankte. Als paraplegie-rolstoelgebruiker was appellant voor zijn tankbeurten afhankelijk van derden. Dit is de reden waarom hij de tankkaart niet gebruikte uit veiligheidsoverwegingen. Vaak tankte hij bijgevolg bij de BP automatische zelfbediening rechtover de deur, waar de bediende hem kende en behulpzaam was om de tankbeurt te verrichten ramen kuisen oliepeil en bandenspanning - zelfs van de rolstoel na te kijken. Appellant vroeg telkens dan een vulling van 2.000 BEF en de bediende maakte naar gewoonte meteen het ontvangstbewijs voor 2.000 BEF klaar. ó ó ó V. BEOORDELING DOOR HET HOF. Het hoger beroep komt naar vorm en tijd ontvankelijk voor, wat overigens niet betwist wordt. Enkele toepasselijke principes inzake het ontslag om dringende reden. 1) Wie het initiatief neemt om een arbeidsovereenkomst om dringende reden te beëindigen, moet de dringende reden bewijzen. Hij mag de motieven, ingeroepen in de ontslagbrief, bewijzen door alle wettelijke middelen (Cass. 24.9.1979, JTT 80, 98). Ook feiten waarvoor de partij die ontslaat wegens dringende reden slechts op de hoogte komt NA het ontslag en de kennisgeving ervan kunnen aangewend worden om de ingeroepen dringende reden te bewijzen (Cass. 24.9.1979; Cass. 13.10.1986, RW 86-87, 1711). In tegenstelling met wat appellant meent, kunnen wettelijke bewijsmiddelen die pas ná het ontslag verkregen worden (bv. getuigenbewijs voor een rechter of inlichtingen uit een strafonderzoek) worden aangewend om de ingeroepen ontslagmotieven te bewijzen. 2) De in artikel 35 AOW voorgeschreven termijn van drie werkdagen begint slechts te lopen vanaf het ogenblik waarop de ontslagbevoegde persoon voldoende kennis heeft van de feiten (Cass. 23.5.1973, JTT 73, 212; Cass. 11.1.1993, JTT 93, 58) d.w.z. voldoende zekerheid om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen voor haar eigen overtuiging en t.a.v. de andere partij en t.a.v. de rechtbank (Cass. 14.5.1979, RW 79-80, 1791; Cass. 14.5.2001, JTT, 390). Het tijdstip waarop men met zekerheid kennis heeft van het feit dat de dringende reden uitmaakt stemt niet noodzakelijk overeen met het tijdstip waarop het mogelijk is dit feit te bewijzen (AH Brussel 21.5.1997, Bull. VBO 1/82, 82). Het verkrijgen van voldoende zekerheid nopens de werkelijkheid en de zwaarwichtigheid van de feiten betekent niet dat de werkgever het bewijs ervan in handen moet hebben vóóraleer tot ontslag over te gaan. De zekerheid kan bestaan vóór het ogenblik waarop alle bewijsstukken in handen zijn van de werkgever (Cass. 21.1.1990, TSR 90, 139). 3) Ingeval van een voortdurende tekortkoming of herhaalde tekortkomingen is het de werkgever die oordeelt vanaf welk ogenblik de voortdurende tekortkoming of herhaalde tekortkomingen de professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt (Cass. 27.11.1995, JTT 96, 141; Cass. 8.4.2002, JTT 2002, 419). De rechter zal nagaan of de tekortkoming nog voorhanden is en of het laatste feit gepleegd werd uiterlijk drie werkdagen vóór de dag waarop ontslag werd gegeven. 4) Uit artikel 35 AOW volgt niet dat de werkgever zich tijdig rekenschap moet geven van de feiten of van hun ernst (Cass. 25.4.1988, JTT89, 81). Een ontslag kan niet als onregelmatig worden bestempeld omdat de werkgever in feite reeds vroeger de mogelijkheid had om kennis te nemen van de feiten (Cass. 28.2.1994, JTT 94, 286). Er is geen verplichting om informatie zo vlug mogelijk mede te delen aan de bevoegde persoon. De beslissing die oordeelt dat een bedrijf zodanig georganiseerd moet zijn dat de hiërarchische leden of de bevoegde chefs in het bedrijf de constitutieve elementen die als een dringende reden tot ontlag kunnen worden aangewend ten spoedigste ter kennis moeten brengen van de tot ontslag bevoegde persoon voegt een onwettige voorwaarde toe aan artikel 35 AOW (Cass. 13.5.1991, RW 91-93, 406). ó ó ó Het Hof stelt aan de hand van de ontslagbrief vast dat aan appellant herhaalde tekortkomingen worden verweten, nl. "systematisch sinds 1 januari 19995 het benzineverbruik op zijn benzinebons en onkostennota's te hebben opgedreven". Het laatste in de ontslagbrief vermelde feit is de voorlegging van de onkostennota voor de maand maart 1996 met een abnormaal hoog verbruik van benzine op basis van de ingebrachte benzinebons. Overwegende dat bewezen is dat de directe overste van appellant de heer D. S. sinds september 1995 vermoedens of verdenkingen koesterde over de stijgende onkostennota's voor benzine van appellant. Dat het hem niet mag worden verweten een onderzoek te hebben ingesteld, ingevolge deze vermoedens en de kilometerstanden van zijn bedrijfswagen gedurende enkele maanden te laten controleren teneinde voldoende zekerheid te verkrijgen omtrent de waarachtigheid van zijn verdenkingen (Cass. 16.6.1971, JTT 72, 37) vooraleer tot ontlag te beslissen. Dergelijk onderzoek acht het Hof redelijk verantwoord en is een geldige reden waarom niet eerder tot ontslag beslist werd. Overwegende dat dezelfde overste van appellant de heer D. S., directeur-generaal, die bevoegd was om appellants onkostennota's goed te keuren, van het laatste feit "voorlegging van onkostennota maart 1996 met abnormaal hoog verbruik", kennis kreeg op 9 april 1996 (onkostennota ingediend op 29 maart 1996 en overste afwezig wegens ziekte van 25 maart 1996 tot 8 april 1996 wat hem ten onrechte door appellant wordt verweten...). Dat hij appellant over deze onkostennota hoorde op 9 april 1996 en van zijn bevindingen (onderzoek kilometerstanden door de heer Verbeke en gesprek met appellant) onmiddellijk de voorzitter van de raad van bestuur op de hoogte bracht die samen met hem voor het ondertekenen van de beslissing tot ontslag bevoegd was (stuk 7 appellant), wat niet door partijen wordt betwist. De ontslagbrief werd op 10 april 1996 verstuurd. Gezien herhaalde tekortkomingen aan appellant worden verweten in de ontslagbrief. Dat de laatste tekortkoming of het laatste gepleegde feit dateert van 9 april 1996 (nl. onkostennota opgesteld op 29 maart 1996 en aan de heer De Schauwer ter kennis gebracht op 9 april 1996). Dat het Hof vaststelt dat feitelijk vaststaat dat geïntimeerde van het ontslag tijdig kennis gaf aan appellant op 10 april 1996 overeenkomstig artikel 35 AOW, nl. vóór de derde werkdag nadat zij kennis kreeg (op 9 april 1996) van de laatste aan appellant verweten tekortkoming. Over het voorafgaandelijk verhoor van appellant. Overwegende dat het Hof aan de hand van de neergelegde stukken en de eigen verklaringen van appellant (o.a. in zijn aanvullende besluiten dd. 7 februari 1997 voor de eerste rechter op p.8) vaststelt dat appellant over het verhoogde benzineverbruik en de benzinebons met ronde cijfers werd gehoord door de heer D. S., directeur-generaal op 9 april 1996 aan wie hij "haarfijn" uitlegde waarom hij telkens voor een rond bedrag van 2.000 BEF tankte, uitleg die hij voor ons Hof herhaalt (zie hoger). Overwegende dat de heer D. S. de hoedanigheid had van directeur-generaal van geïntimeerde, belast met het dagelijks beheer van de onderneming, inbegrepen het uitoefenen van het werkgeversgezag, zoals blijkt uit de stukken 7 van appellant en de statuten van geïntimeerde. Overwegende dat appellant niet betwist dat hij tevens zijn rechtstreekse overste was. Overwegende dat de werkgever wettelijk niet formeel verplicht is de werknemer die hij van plan is te ontslaan wegens dringende reden vooraf te horen in zijn verdediging (AH Brussel 21.5.1997, Bull. VBO, jan. 98, 82; AH Luik 15.3.199, Soc. Kron. 99, 498; AH Bergen 28.6.1999, JTT 2000, 214). Ook het arbeidsreglement schrijft dergelijk verhoor niet voor. Dat het Hof vaststelt dat appellant voorafgaandelijk in zijn middelen en verdediging omtrent verhoogde kostennota's en benzinebons voor ronde bedragen werd gehoord door zijn directe overste, directeur generaal van de onderneming, belast met het uitoefenen van het werkgeversgezag. Dat appellant dan ook ten onrechte aanvoert dat zijn fundamentele rechten van verdediging zouden zijn geschonden. Dat de werkgever hem niet het "verslagje" toonde van de kilometerstanden, opgemaakt door de heer V., is niet dienend, daar (zoals verder uiteengezet) ons Hof met dit "verslagje" geen rekening meent te moeten houden bij de beoordeling van de ernst van de dringende reden en haar invloed op de mogelijkheid om de arbeidsrelaties verder te zetten. Overwegende dat appellant niet betwist dat de in het arbeidsreglement bedoelde syndicale afvaardiging een syndicale afvaardiging voor bedienden-niet-kader is, zoals blijkt uit het arbeidsreglement (stuk 38 appellant bijlage c). Overwegende dat hijzelf niet bij enige vakorganisatie was aangesloten. Dat hij als patroonsafgevaardigde zetelde in de ondernemingsraad en als voorzitter van het C.V.G. (arbeidsreglement, bijlage). Dat hij als directeur een toezichthoudende functie op het personeel uitoefende. Overwegende dat het arbeidsreglement in artikel 5 regels voorschrijft te volgen in geval van ontslag behoudens ontslag om dringende reden, in artikel 7 in geval van ontslag om dringende reden, in artikel 36 in geval van tuchtmaatregelen en sancties. De artikels 7 en 36 schrijven inderdaad voor dat de vakbondsdelegatie door de directie moet worden gehoord vooraleer zij tot een ontslag om dringende reden of definitieve wegzending beslist. Overwegende dat de vakbondsafgevaardigde overeenkomstig artikel 6 van de CAO nr. 5 van 24 mei 1971 gesloten in de N.A.R. betreffende het statuut van de syndicale afvaardiging van het personeel der ondernemingen, het bij een vakbond aangesloten personeel vertegenwoordigt. Dat de vakbondsdelegatie derhalve niet de directieleden vertegenwoordigt die niet bij enige vakorganisatie zijn aangesloten zoals appellant. Dat de werkgever in deze concrete omstandigheden niet verplicht was voorafgaand aan het ontslag om dringende reden van haar directeur de vakbondsafvaardiging te horen of in kennis te stellen. Dat het Hof vaststelt dat de werkgever aan het ontslag om dringende reden noch vóór noch ná het ontslag enige ruchtbaarheid heeft gegeven binnen of buiten de onderneming om begrijpelijke redenen de eer en de goede faam van haar directeur, lid van de ondernemingsraad en voorzitter van het comité V.G. niet nodeloos in opspraak te brengen. Wat de conventionele vastheid van betrekking betreft. Appellant beroept zich op een werkzekerheidsbeding dat zou voortvloeien uit artikel 7 van het arbeidsreglement. Artikel 7 van het arbeidsreglement betreft ontslag zonder opzegging noch vergoeding en voorziet dergelijk beding duidelijk niet. Artikel 5 spreekt over een paritair akkoord inzake arbeidszekerheid doch is niet van toepassing ingeval van ontslag wegens dringende reden, dus niet van toepassing in casu (zie infra). Appellant beroept zich voor het eerst ter openbare terechtzitting van 10 september 2004 op collectieve arbeidsovereenkomsten, hoger in dit arrest geciteerd (12e blz) die geen algemeen verbindend verklaarde CAO's zijn en die appellant niet neerlegt noch meedeelde aan tegenpartij. De termijnen voor neerlegging van besluiten en de pleitdatum werden in deze zaak vastgesteld bij beschikking van ons Hof overeenkomstig artikel 747 Ger.Wb. CV Laborelec merkte dan ook terecht ter openbare terechtzitting van 10 september 2004 op dat dit middel niet werd aangevoerd in appellants besluiten. CV Laborelec heeft Aldus niet de gelegenheid gehad haar standpunt kenbaar te maken m.b.t. dit door appellant aangevoerd middel. Het Hof heropent de debatten teneinde partijen te horen in hun standpunt over de door appellant ter openbare terechtzitting aangevoerde conventionele vastheid van betrekking op basis van genoemde CAO's. Het bewijs van de dringende reden. Zoals hoger reeds gesteld en in tegenstelling met wat appellant meent, kunnen ook feiten en bewijsmiddelen waarvan de ontslaggevende partij pas kennis krijgt NÁ het ontslag aangewend worden om de ingeroepen dringende reden te bewijzen (Cass. 24.9.1979 o.c.; Cass. 13.10.1986 o.c.). Overwegende dat de ontslagbrief als dringende reden o.a. volgende bewoordingen vermeldt (letterlijk): - "dat u systematisch sinds 1 januari 1995 het benzineverbruik op uw benzinebons hebt opgedreven" - "meer benzinebons in rekening bracht dan de wagen effectief verbruikte" - "fraude" dat deze bewoordingen in hun onderlinge samenhang gelezen niet anders kunnen worden begrepen dan dat in de ontslagbrief aan appellant wordt verweten dat hij zich door de werkgever vanaf 1 januari 1995 benzinekostennota's liet terugbetalen die valselijk een hoger bedrag vermeldden dan het reëel verbruik. De eerste rechter stelde reeds terecht dat het gezag van het strafrechtelijk gewijsde verbonden is aan al hetgeen de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist, met inbegrip van de redenen die de onmisbare steun van zijn beslissing ten aanzien van het bestaan van de ten laste van de beklaagde gelede strafbare feiten opleveren (cfr. conclusie van de advocaat-generaal G. D'Oore bij arrest van het Hof van Cassatie dd. 15.2.1991, RW 1991-92, 15 met verwijzing naar rechtspraak van het Hof van cassatie en rechtsleer). Overwegende dat ons Hof gehouden is door wat de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist. "A. tussen 1 januari 1995 en 19 april 1996, als mededader met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, in authentieke en openbare geschriften, in handels- of bankgeschriften of private geschriften valsheid te hebben gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of ze door achteraf in akten in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, van verklaringen of van feiten die deze akten ten doel hadden op te nemen of vast te stellen, om namelijk met bedrieglijk opzet aan zijn werkgever te doen geloven dat hij telkenmale voor 2.000 frank had getankt, valse kasticketten te hebben laten opstellen door een hoger bedrag te laten aanbrengen dan datgene dat hij werkelijk betaalde, en met hetzelfde bedrieglijk opzet of hetzelfde oogmerk om te schaden van de gezegde valse stukken gebruik gemaakt te hebben wetende dat ze vals waren; B. met het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen die aan een ander toebehoort, zich gelden, totale waarde niet bepaald, te hebben doen afgeven of leveren ten nadele van de CV Laborelec, hetzij door het gebruikmaken van valse namen of valse hoedanigheden, hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen om te doen geloven aan het bestaan van valse ondernemingen, van een denkbeeldige macht of van een denkbeeldig krediet, om een goede afloop, een ongeval of enige andere hersenschimmige gebeurtenis te doen verwachten of te doen vrezen of om op een andere wijze van het vertrouwen of van de lichtgelovigheid misbruik te maken." Met inbegrip van volgende middelen onmisbare vaststellingen waarop deze beslissing steunt: "Overwegende dat uit de eensluidende verklaringen afgelegd op 20 november 1996 door R. R. en diens echtgenote G. D., die op het ogenblik der feiten de uitbaters waren van het BP-station nr 166 gelegen te Anderlecht aan de N. Melbalaan nr 54, blijkt dat de beklaagde en zijn echtgenote vaste klanten waren in 1995 en sindsdien geregeld kwamen tanken, de beklaagde met voertuig Opel Omega dat door zijn werkgever sinds oktober 1993 ter zijner beschikking werd gesteld en zijn echtgenote met haar persoonlijk voertuig; dat dit door de beklaagde niet wordt betwist; Dat uit de verklaringen tevens blijkt dat de beklaagde en diens echtgenote bij het tanken telkens een bon (bedoeld wordt een leveringsborderel met vermelding van de prijs) vroegen ten bedrage van 2.000,-frank, terwijl zij slechts voor 1.000,-frank of 1.500,-frank afnamen; dat hieraan wordt toegevoegd dat midden 1996 de uitbaters door de beklaagde werden aangesproken om in geval van onderzoek door de werkgever van de beklaagde, voor te houden dat de afgeleverde benzinebons in feite verschillende diensten vertegenwoordigden zoals het opblazen van de banden, wassen, nazicht oliepeil enz. Overwegende dat er geen enkel reden is om te twijfelen aan de waarachtigheid van de verklaringen afgelegd door de echtgenoten R.-D.; Overwegende dat uit de bestreden beslissing bovendien blijkt dat de beklaagde tijdens zijn verhoor ter zitting voor de eerste rechter toegaf: niet steeds voor precies 2.000,-frank benzine te hebben gekregen maar toch een benaderend bedrag en (dat) de rest diende voor andere stationdiensten zoals banden oppompen of het feit alleen dat hij steeds verder geholpen werd." Ingevolge het gezag van het strafrechtelijk gewijsde staat aldus erga omnes vast dat appellant tussen 1 januari 1995 en 19 april 1996: - valsheid in geschrifte heeft gepleegd door valse kastickets in casu leveringsbons met vermelding van de prijs, te hebben laten opstellen en hierop een hoger bedrag te laten aanbrengen dan datgene dat hij werkelijk betaalde, met het bedrieglijk opzet om aan zijn werkgever te laten geeloven dat hij telkenmale voor 2.000,-frank had getankt en door van deze valse kastickets gebruik te hebben gemaakt om valse onkostennota's op te maken en te staven; - oplichting heeft gepleegd ten nadele van zijn werkgever door valse stukken bij deze laatste te hebben ingediend teneinde zich gelden (onbepaald bedrag) te doen afgeven ten nadele van CV Laborelec, met het bedrieglijk opzet zich een zaak toe te eigenen die aan een ander toebehoort. Deze feiten van oplichting en valsheid in geschrifte zijn zeer zeker ernstige tekortkomingen die iedere verderzetting van de professionele relaties tussen partijen onmiddellijk en definitief onmogelijk maken zoals bedoeld in artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet. De vertrouwensfunctie en beleidsfunctie, d.w.z. een voorbeeldfunctie waarin appellant als directeur en rechterhand van de voorzitter van de raad van bestuur was tewerkgesteld, is een verzwarende omstandigheid. Zijn bewering dat hij telkens niet precies voor 2.000,-frank tankte, maar wel voor een benaderend bedrag, bewijst hij niet en is flagrant in tegenstrijd met het strafrechtelijk gewijsde, hoger geciteerd (uit de verklaringen blijkt dat de beklaagde telkens een bon vroeg voor 2.000,-frank terwijl hij slechts voor 1.000,-frank of 1.500,-frank afnam). Al was deze bewering bewezen, dan nog meent het Hof dat zij geen verrechtvaardiging kan opleveren voor het vervalsen van benzinebons en indienen van valse onkostennota's door een werknemer met een vertrouwensfunctie als appellant. Dergelijke oneerlijke handelingen zijn bedrog en blijven bedrog, ongeacht het bedrag van de bedrieglijk ontvangen gelden. Het feit dat appellant volgens het bedrijfswagenreglement een totaal van 20.000 km per jaar voor privé-doeleinden met de bedrijfswagen mocht rijden op kosten van de werkgever is hoegenaamd geen geldige reden of verschoning om valse benzine-onkostennota's in te dienen. Appellant meent dat de ernst van de sanctie (ontslag om dringende reden) niet in verhouding staat met de door hem begane feiten. Het Hof meent dat het indienen van valse onkostennota's een bedrieglijk handelen is en dat deze oneerlijkheden een zeer zware tekortkoming zijn die, in de concrete verzwarende omstandigheden van de zaak, gelet op het herhaaldelijk indienen van valse onkostennota's en op de vertrouwensfunctie en leidinggevende functie van appellant, het vertrouwen van de werkgever dermate hebben geschokt dat deze terecht heeft geoordeeld dat de arbeidsrelatie niet meer kon verder gezet worden, zelfs niet gedurende een korte tijdspanne en ondanks het onberispelijk beroepsverleden van appellant. Overwegende dat het Hof niet nader zal uitweiden over de tussen partijen betwiste vraag of het benzineverbruik van appellants wagen over de periode van 1 januari 1995 tot 18 april 1996 al dan niet "normaal" was (in zijn totaliteit en in l/100 km) en of het verslag van het intern onderzoek ("verslagje" Verbeke) al dan niet een betrouwbaar bewijsmiddel is. Dit eenzijdig intern onderzoeksverslag is na het strafrechtelijk gewijsde een overbodig en derhalve niet dienend bewijsmiddel. Het Hof houdt er geen rekening mee, evenmin met de inhoud van het eenzijdig verslag van de heer De Schauwer van het gesprek dd. 9 april 1996 tussen appellant en hemzelf. Zoals door het Hof hoger is uiteengezet, meent het Hof dat appellant, rekening houdende met de ernst van de tekortkomingen en ook met het proportionaliteitsbeginsel, terecht is ontslagen wegens dringende reden. Hij werd voorafgaandelijk in zijn verdediging over de verweten tekortkomingen door de werkgever gehoord. Al kreeg hij geen inzage in het eenzijdig verslag van intern onderzoek gevoerd door een collega (dat heden niet dienend is), toch blijkt dat de werkgever hem tijdens het gesprek dd. 9 april 1996 daadwerkelijk confronteerde met de hem verweten tekortkomingen, zijnde het indienen van verhoogde benzine-onkostennota's en benzinebons met ronde bedragen begin
  4. Appellants rechten van verdediging werden aldus niet geschonden. Niets belette appellant bovendien de voorzitter van de raad van bestuur, wiens rechterarm hij immers was, op 9 april 1996 of 10 april 1996 zelf te contacteren voor een gesprek zo hij het wenste. Appellant bewijst geen ontslagomstandigheden die een fout inhouden in hoofde van geïntimeerde. Geïntimeerde ontsloeg appellant om reden van oneerlijkheden die ook door het Hof als een dringende reden worden beschouwd, dus terecht. Appellant bewijst niet dat geïntimeerde niet heeft gehandeld als een "normaal en voorzichtig" werkgever, evenmin dat de werkgever zich goedkoop wou ontdoen van een directeur enkele maanden voor het hem toegezegde 55+plan. Het Hof benadrukt dat de dringende reden d.w.z. de ernstige tekortkoming die aan het ontslag ten gronde ligt BEWEZEN is. Dit is het werkelijke ontslagmotief. Appellant stelt dat er andere middelen waren om het conflict op te lossen dan een ontslag om dringende reden. Appellant is inderdaad bereid gebleven tot een minnelijke regeling post factum en de werkgever was daar niet toe bereid. Deze onwil beschouwt het Hof, gelet op de ernst van de tekortkoming, als normaal en voorzichtig handelen in hoofde van de werkgever. Wat tenslotte de schadevergoeding wegens gederfde uitstapregeling 55+ betreft vanaf 1 augustus
  5. Gelet op de door partijen gesloten overeenkomst dd. 8 januari 1996 (stuk 6,7 en 8 appellant), waarmee partijen overeenkwamen: - dat zij de arbeidsovereenkomst zullen beëindigen op 1 augustus 2001, - dat appellant zal worden vrijgesteld van prestaties tijdens de periode van 1 augustus 1996 tot 31 juli
  6. Op blz. 2 van deze overeenkomst (3e alinea) staat nog eens letterlijk te lezen "de arbeidsovereenkomst die ons bindt". Deze overeenkomst betreffende de uitstapregeling bevat verbintenissen die zijn onderworpen aan de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst op 1 augustus 2001 nog steeds bestaat, waarzonder appellant uiteraard niet zou kunnen worden vrijgesteld van prestaties en waarzonder partijen de arbeidsovereenkomst niet kunnen beëindigen op 1 augustus
  7. Ingevolge het terecht ontslag om dringende reden, d.w.z. tekortkomingen te wijten aan appellant, is de arbeidsovereenkomst onmiddellijk beëindigd op 10 april 1996 en komt aldus de opschortende voorwaarde te vervallen nl. dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat. Appellant kan geen aanspraak maken, noch op uitvoering van deze overeenkomst, noch op schadevergoeding daar zij is tenietgegaan omwille van tekortkomingen in zijnen hoofde of m.a.w. door zijn eigen toedoen of schuld. Over de afrekening vakantiegeld. De heer V. A. vordert twee provisionele bedragen van elk 25.000 BEF, hetzij EUR 619,73 t.t.v. nog 34 op te nemen verlofdagen enerzijds en vertrekvakantiegeld 1995-96 anderzijds. Uit de neergelegde stukken 32 tot 37 (dossier appellant) blijkt dat geïntimeerde in april 1996 niet alleen enkel en dubbel vakantiegeld betaalde en dubbel bijkomend vakantiegeld voor het jaar 1996 (vakantie dienstjaar 95), doch tevens voorafbetaald enkel en dubbel vakantiegeld of m.a.w. vakantiegeld uitdiensttreding. Uit zijn stuk 37 moge dan nog blijken dat appellant voor het jaar 1996 nog een aanzienlijk aantal openstaande vakantiedagen had op het ogenblik van het ontslag, appellant bewijst met geen enkel stuk dat hij nog recht zou hebben op enkel of dubbel vakantiegeld, geïntimeerde heeft dit betaald en appellant betwist de betalingen cijfermatig niet. Zijn eis is ongegrond. Over de pro rata eindejaarspremie
  8. Overwegende dat appellant niet stelt krachtens welke contractuele of reglementaire bepalingen hij recht heeft op een pro rata eindejaarspremie, CV Laborelec evenmin. Partijen dienen dienaangaande standpunt in te nemen. Het Hof heropent de debatten te dien einde. ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Vooraleer recht te doen over de grond van de zaak. Heropent de debatten voor de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op VRIJDAG 18 FEBRUARI 2005 om 14u30 in zaal 06 (gelijkvloers), Poelaertplein 3 te 1000 Brussel, teneinde partijen te horen in hun standpunt over de door appellant ingeroepen conventionele vastheid van betrekking (blz 19 van dit arrest) en over zijn vordering van de pro rata eindejaarspremie 1996 (blz 27 van dit arrest). Houdt de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op acht oktober tweeduizend en vier. Waren aanwezig: M. VERMAELEN: Raadsheer. P. GROENINCKX: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. M. WAMPERS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041008.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.