← België

ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041022.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 22 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041022.12 Rolnummer: 44095 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-03 19:48 Fiche Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Opzeggingsvergoeding - Vergoeding privé-gebruik wagen t.o.v. fiscaal aangegeven waarde. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 39 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN VIER. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: E. G. , Appellant, vertegenwoordigd door Mevr. I. Veugen, volmachtdrager en syndicaal afgevaardigde voor het ACLVB. Tegen: N.V. EURO SHOE UNIE, met zetel te 3290 DIEST, Leopoldvest nr. 5; Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. S. Bouzoumita loco Mr. W. Van Roeyen, advocaat te Gent; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 1e kamer B van de Arbeidsrechtbank te Leuven op 19 december 2002 (AR nr. 989/01), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 9 april 2003; - de besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op 16 september 2003; - de besluiten van appellant, ontvangen ter griffie op 14 januari 2004; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 24 september

  1. Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. DE FEITEN. Appellant was in dienst van geïntimeerde sinds 28 januari 1991 als districtmanager, d.i. een kaderfunctie. Hij had als taak de inspectie te verrichten van de verkoop in een twintigtal filialen van geïntimeerde. Op 14 september 2000 wordt hij ontslagen mits betaling van een opzegvergoeding gelijk aan 8 maanden loon of EUR 21.412,45 (863.776 BEF). Nadien verklaarde geïntimeerde zich akkoord nog 27.304 BEF (EUR 676,84) te betalen zodat appellant in het totaal de som ontving van 891.080 BEF of EUR 22.089 t.t.v. 8 maanden loon. Appellant is het niet eens met de berekening van zijn basisjaarloon, noch met de hem toegekende opzegtermijn en dagvaardt geïntimeerde voor de eerste rechter in betaling van een aanvullende opzegvergoeding die hij bij besluiten herleidt tot de som van EUR 9865,86 (397.988 BEF) meer de wettelijke en gerechtelijke intresten en van de kosten van het geding. II. HET VONNIS A QUO. Het vonnis a quo geeft akte aan partijen van het akkoord van geïntimeerde om op de verschuldigde opzeg van 8 maanden een saldo te betalen van EUR 676,
  2. Het verklaart de vordering voor het overige niet gegrond en legt de kosten ten laste van appellant. De eerste rechter bepaalt het basisjaarloon van appellant op de som van EUR 33.134, rekening houdende met de waarde van het voordeel in natura van het privé-gebruik van het bedrijfsvoertuig ten belope van EUR 99,157/maand zoals door partijen fiscaal aangegeven. Rekening houdende met appellants anciënniteit (9 jaar 8 maanden), leeftijd (31 jaar), functie (manager) en loon (EUR 33.134), oordeelt hij dat de door geïntimeerde toegekende opzegtermijn terecht op 8 maand werd bepaald. III. DE BEROEPSGRIEVEN. Appellant verzoekt het Hof: - het bestreden vonnis te vernietigen en zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren - in hoofdorde geïntimeerde te veroordelen tot betaling van EUR 9865,86 t.t.v. verbrekingsvergoeding meer de wettelijke en gerechtelijke intresten - in ondergeschikte orde geïntimeerde te veroordelen tot betaling van EUR 8295,48 t.t.v. verbrekingsvergoeding meer de wettelijke en gerechtelijke intresten. Appellant is het oneens met de eerste rechter waar deze de waarde van het privé-gebruik van het bedrijfsvoertuig voor de begroting van zijn jaarloon op EUR 99,157/maand bepaalt. Appellant stelt dat niet de fiscaal aangegeven doch de reële waarde van dit voordeel dient in aanmerking te worden genomen. Gelet op het onbeperkt privé-gebruik van de Renault Laguna is de reële waarde 10.000 BEF/maand (EUR 247,89), zodat zijn totaal jaarloon als volgt dient begroot: - loon 86.760 BEF x 12 m = 1.077.120 BEF EUR 26.701,00 - dubbel vakantiegeld: 89760 BEF x 90% = 80.784 BEF EUR 2.002,58 - eindejaarspremie 89.760 BEF EUR 2.225,09 - firma-wagen: 10.000 BEF x 12m = 120.000 BEF EUR 2.974,72 - groepsverzekering: 2640 BEF x 12m = 31.680 BEF EUR 785,32 - hospitalisatieverzekering 167 BEF x 12m = 2.004 BEF EUR 49,67 - bijkomende verzekering 409 BEF x 12m = 4.908 BEF EUR 121,67 Totaal jaarloon = 1.406.256 BEF EUR 34.860,18 Appellant stelt dat hij, rekening houdende met zijn anciënniteit (9 jaar 7 maand), zijn leeftijd (32 jaar 3 maand) en zijn loon (EUR 34.860,18) gerechtigd is op een opzeggingsvergoeding van 11 maanden en verwijst ter staving naar rechtspraak. Appellant maakt aanspraak op een bijkomende opzeggingsvergoeding van: 1.406.256 BEF/12 m x 11 m = 1.289.068 (863.292 BEF + 27.304) = 397.988 BEF of EUR 9.865,86 Indien ons Hof zou oordelen dat het voordeel van het genot van de firmawagen slechts op 4000 BEF per maand (99,16 euro) kan worden bepaald, maakt appellant aanspraak op een saldo verbrekingsvergoeding gelijk aan 1.336.620 BEF/12 m x 11 m = 1.225.235 BEF (863.292 BEF = 27.304) = 334.639 BEF (EUR 8.295,48). IV. STANDPUNT VAN GEÏNTIMEERDE. Geïntimeerde verzoekt ons Hof het vonnis a quo in al zijn onderdelen te bevestigen. Wat de waarde van het voordeel van het privé-gebruik van het bedrijfsvoertuig betreft, meent Euro Shoe Unie dat de eerste rechter dit terecht bepaalde op het door partijen fiscaal opgegeven en nooit betwiste bedrag van EUR 98,16 per maand. Geïntimeerde stelt dat appellant niet bewijst dat het voordeel EUR 247,89 zou bedragen, daar hij het belang van het privé-gebruik niet bewijst. Geïntimeerde stelt dat zij de waarde van het privé-gebruik van de firmawagen overigens al op EUR 198,32 raamde, vermits zij in de berekening van het jaarloon een som opnam van EUR 99,16 per maand, bovenop het deel dat appellant zelf betaalde. Wat de opzegtermijn betreft, stelt geïntimeerde dat er ten tijde van het ontslag van appellant een gestegen vraag was naar districtmanagers op de arbeidsmarkt (knelpuntberoep VDAB stuk II/1), zodat de opzegtermijn van 8 maand ruim voldoende was om een nieuwe betrekking te kunnen vinden. ó ó ó V. BEOORDELING VAN HET HOF. Overwegende dat het hoger beroep ontvankelijk voorkomt, wat overigens niet betwist wordt. Gezien de door partijen neergelegde stukken. Overwegende dat er niet de minste twijfel bestaat dat het basisjaarloon op het ogenblik van het ontslag alleszins de loongrens overschreed bepaald door artikel 82 ,§3 van de Arbeidsovereenkomstenwet (AOW). Dat partijen geen akkoord over de opzegtermijn bereikten, zodat deze overeenkomstig artikel 82 ,§3 AOW door de rechter dient te worden bepaald. De opzeggingstermijn dient door de rechter te worden bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van de opzegging voor de bediende bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden (Cass. 8.9.1980, Arr. Cass. 1980-81, 17), rekening houdend met zijn anciënniteit, zijn leeftijd en de belangrijkheid van zijn functie en van het bedrag van zijn loon, dit volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass. 17.9.1975, TSR 1976, 14; Cass. 3.2.1986, JTT 1987, 58; Cass. 4.2.1991, RW 1990-91, 1407) en met inachtneming van beiderzijdse belangen (Cass. 9.5.1994, Soc. Kron. 1994, 253, noot). Het bedrag van het loon van appellant. Partijen zijn het eens over alle loonsbestanddelen zoals door appellant begroot (zie hoger onder Beroepsgrieven) behoudens de waarde van het privé-gebruik van het bedrijfsvoertuig. Overwegende dat het privé-gebruik van een bedrijfsvoertuig een voordeel is, verworven krachtens de arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 39 AOW (Cass. 4.1.1993, JTT 93, 329). Om het loon te bepalen ter berekening van de opzegvergoeding moet rekening worden gehouden met de reële waarde van de voordelen in natura. Het arrest dat de conventioneel vastgestelde waarde van het voordeel in natura in aanmerking neemt en de reële waarde weigert te onderzoeken, schendt artikel 39 AOW (Cass. 29.1.1996, JTT 96, 188). Het voordeel bestaande in het privé-gebruik van een bedrijfsvoertuig dat in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de opzeggingsvergoeding, moet niet worden geraamd op de last die het voor de werkgever betekent maar op de besparing die het effectief voor de werknemer vertegenwoordigt (AH Luik, afd. Neufchâteau 6.5.1998, JTT 99, 156). Ons Hof meent dat niet de door partijen pro fisco vastgestelde waarde, doch de reële waarde van het voordeel in aanmerking dient genomen te worden (Cass. 29.1.1996, JTT 96, 188; AH Luik 29.11.2000, JTT 2001, 213; AH Brussel 10.1.2001, JTT 2001, 141). Ons Hof stelt overigens vast dat Euro Shoe Unie in besluiten stelt dat zij zelf de totale waarde van het voordeel van het privé-gebruik van de bedrijfswagen van appellant op EUR 198,32 (8000 BEF) raamt (en in rekening bracht in het basisloon voor EUR 198,32, verminderd met de door appellant betaalde maandelijkse bijdrage van EUR 99,16 of EUR 99,16). Overwegende dat Euro Shoe Unie niet betwist dat appellant het bedrijfsvoertuig buiten zijn professionele verplaatsingen onbeperkt mocht benutten niet alleen voor woon-werkverkeer maar ook voor al zijn privé-verplaatsingen buiten de werkuren, 's avonds, in de weekends en tijdens de vakantie. De bedrijfswagen is een ruime gezinswagen Renault Laguna. Het Hof meent dat de reële waarde van het genot van het onbeperkt privé-gebruik van dergelijke wagen op het ogenblik van het ontslag in september 2000 ex aequo et bono in alle redelijkheid op 10.000 BEF per maand dient te worden geraamd (vgl. AH Brussel 10.1.2001, JTT 2001, 141; AH Brussel 7.3.2001, JTT 2001, 207). Overwegende dat appellant voor het genot van dit voordeel zelf geen maandelijkse bijdrage betaalde van 4000 BEF per maand zoals geïntimeerde beweert. Uit de loonfiche blijkt immers dat de "eigen bijdrage 4000 BEF" is gecompenseerd door een loonsverhoging "+ 4000 BEF privé-gebruik bedrijfswagen", zodat het Hof vaststelt dat appellant in werkelijkheid NIETS diende te betalen aan geïntimeerde in ruil voor het privé-gebruik van de bedrijfswagen. Het totale in aanmerking te nemen jaarloon (artikel 39 AOW) bedraagt aldus: 1.286.256 BEF (niet betwist gedeelte) + 120.000 BEF (10.000 BEF/maand x 12) = 1.406.256 BEF of EUR 34.860,
  3. Overwegende dat geïntimeerde stukken neerlegt waaruit blijkt dat het beroep van district verkoopmanager in het jaar 2000 als een knelpuntberoep voorkomt op de vacatures vaste circuits in Vlaanderen (130 vacante jobs, 66,9% vervuld). Rekening houdende met de hoger genoemde criteria, zijnde de anciënniteit van appellant (9 jaar 7 maand), zijn gunstige leeftijd (31 jaar 3 maand), zijn kaderfunctie als district manager (een knelpuntberoep) en zijn loon, meent het Hof dat de opzeggingstermijn om een gelijkwaardige betrekking te vinden op 9 maanden dient te worden bepaald. Overwegende dat appellant gerechtigd is op een opzeggingsvergoeding gelijk aan: EUR 34.860,17 x 9/12 = EUR 26.145,13 verminderd met het betaalde bedrag van 890.596 BEF of EUR 22.077,30 = een saldo aanvullende opzegvergoeding van EUR 4.067,83 (164.096 BEF). ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het vonnis a quo en opnieuw rechtdoende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellant ontvankelijk en deels gegrond in hierna bepaalde mate, Veroordeelt geïntimeerde tot betaling aan appellant van de som van EUR 4067,83 (vierduizend en zevenenzestig euro en drieëntachtig cent of 164.096 BEF) t.t.v. aanvullende opzegvergoeding te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op het ermee overeenstemmend netto bedrag. Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden als volgt begroot: - voor appellant: -- - voor geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 267,73 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op tweeëntwintig oktober tweeduizend en vier. Waren aanwezig: M. VERMAELEN: Raadsheer. P. GROENINCKX: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. M. WAMPERS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041022.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.