id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 22 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041022.13 Rolnummer: 42828 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-08-31 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-03 19:49 Fiche Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Tergend en roekeloos hoger beroep - Veroordeling. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1072bis - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN VIER. DERDE KAMER Bediendecontract Verstek t.o.v. appellante Definitief In de zaak: F. E. , handeldrijvende onder de benaming "Deutsche Bäckerei Brussel", en ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 596.675; Appellante, verweerster op tegeneis wegens tergend en roekeloos hoger beroep, niet verschenen noch vertegenwoordigd; Tegen: L. G. Geïntimeerde, eiseres op tegeneis wegens tergend en roekeloos hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. H. Ketsman, advocaat te Brussel; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 2e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 19 februari 2002 (AR nr. 11.244/01), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 3 april 2002; - de besluiten en aanvullende van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op 8 oktober 2002 en 11 augustus 2003; - de besluiten van appellante, ontvangen ter griffie op 9 januari 2003; - het tussenarrest in deze zaak gewezen op 2 april 2004 waarmee de debatten worden heropend vooraleer over de grond van de zaak uitspraak te doen; - de besluiten na tussenarrest voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 16 juni 2004; Overwegende dat de zaak ter openbare terechtzitting van 18 juni 2004 tegensprekelijk werd uitgesteld op de openbare terechtzitting van 24 september 2004, waar appellante niet verschijnt noch vertegenwoordigd is. Gehoord de geïntimeerde partij in haar middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 24 september 2004 alwaar de zaak ab initio werd herpleit. Geïntimeerde legde haar bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. DE FEITEN. Geïntimeerde was krachtens een mondelinge arbeidsovereenkomst in dienst van appellante als verkoopster in de aan appellante toebehorende bakkerij van 1 april 1997 tot 15 mei
- Zij werkte er deeltijds. Op 12 september 2000, 12 oktober 2000 en 14 november 2000 verzoekt geïntimeerde appellante met aangetekende brieven via haar vakorganisatie om afgifte van loondocumenten sinds de indiensttreding en stelt dat zij deze nooit ontvangen heeft. Op 29 januari 2001 en 20 februari 2001 maant de vakorganisatie appellante opnieuw aan en verzoekt om afgifte van loondocumenten, loonafrekening en individuele rekening, formulier C4, tewerkstellingsattest en fiscale fiche 281.
- Ook aan deze aanmaningen geeft appellante geen gevolg. Op 19 maart 2001 vordert geïntimeerde via haar vakorganisatie betaling van achterstallig loon, eindejaarspremie en vakantiegeld ten belope van 256.443 F bruto. Op 23 april 2001 maant zij aan tot dagvaarding over te gaan en op 9 maart 2001 verzoekt zij de Sociale Inspectie om tussenkomst. Op 14 mei 2001 maakt het sociaal secretariaat van appellante een afrekening over van achterstallig loon en vakantiegeld ten belope van 148.095 F bruto. Op 14 mei 2001 dagvaardt geïntimeerde appellante voor de eerste rechter en vordert haar veroordeling tot betaling van de som van EUR 6.357,06 (256.443 F) t.t.v. achterstallig loon voor de jaren 1997 tot 2000 alsmede EUR 257,44 (10.385 F) + EUR 869,91 (35.092 F) + EUR 526,92 (21.256 F) + EUR 432,57 (17.450 F) + 334,16 (13.480 F) t.t.v. vakantiegeld en te hoge RSZ-afhoudingen, te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert de respectievelijke data van eisbaarheid, de gerechtelijke intresten en de kosten. Zij vordert tevens appellante te horen veroordelen tot aflevering van sociale documenten (loonfiches, verbeterde individuele rekeningen, C4 en aangepaste vakantieattesten) binnen 8 dagen na het betekenen van het tussen te komen vonnis en bij gebreke hieraan te voldoen tot betaling van een dwangsom van EUR 12,39 (500 F) per ontbrekend document en per dag vertraging en het tussen te komen vonnis tevens uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling noch aanbod van kantonnement. II. HET VONNIS A QUO. Het vonnis a quo verklaart de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond. Het veroordeelt appellante tot betaling aan geïntimeerde van de sommen van: - EUR 6.357,06 (256.443 F) t.t.v. achterstallig loon voor de jaren 1997 t.e.m. 2000 - EUR 257,44 (10.385 F) t.t.v. vakantiegeld 1998 - EUR 869,91 (35.092 F) t.t.v. vakantiegeld 1999 - EUR 526,92 (21.256 F) t.t.v. vakantiegeld 2000 - EUR 432,57 (17.450 F) t.t.v. te hoge afhoudingen RSZ voor 1999 - EUR 334,16 (13.480 F) t.t.v. te hoge afhoudingen RSZ voor 2000 te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf hun opeisbaarheid en met de gerechtelijke intresten. Veroordeelt appellante tevens tot afgifte van de sociale documenten: - loonfiches - verbeterde individuele rekeningen - aangepaste vakantieattesten - document C4 onder verbeurte van een dwangsom van EUR 12,39 (500 F) per document en per dag bij gebreke aan aflevering binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis. Het veroordeelt appellante bovendien tot de kosten van het geding en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De eerste rechter stelt vast dat geïntimeerde nooit loonfiches ontving, dat zij deeltijds was tewerkgesteld zonder dat de minimumduur van 1/3 van 40 uur hetzij 13,3 uur werd gerespecteerd voor de periode van april 1997 tot en met maart
- Dat zij na één jaar anciënniteit recht had op toepassing van de categorie 2 en op de baremieke aanpassingen en dat zij de eindejaarspremie 1999 niet mocht ontvangen zoals voorzien door het PC 201 zelfstandige kleinhandel. III. DE BEROEPSGRIEVEN. Appellante verzoekt het Hof het vonnis a quo te niet te doen en opnieuw rechtdoende de eis van geïntimeerde af te wijzen als onontvankelijk en ongegrond. In subsidiaire orde, mocht ons Hof haar bewijsstukken als ontoereikend beschouwen, verzoekt appellante om de persoonlijke verschijning en de mogelijkheid tot het houden van een getuigenverhoor. Uiterst subsidiair verzoekt appellante om de aanstelling van een deskundige zo het Hof van oordeel mocht zijn dat er eventueel achterstallen zouden verschuldigd zijn. Appellante steunt haar hoger beroep op volgende grieven:
- Appellante stelt dat haar rechten van verdediging manifest geschaad zijn door de eerste rechter. Appellante spreekt Duits, verstaat Nederlands een beetje maar was niet bij machte de gerechtsbrief 751 correct te interpreteren. Appellante maakte daaruit enkel uit dat de zaak op 15 januari 2002 zou behandeld worden. Appellante raadpleegde huidige raadsman enkele dagen voor de zitting. Huidige raadsman vroeg ter zitting van 15 januari 2002 uitstel teneinde de zaak in staat te stellen, het sociaal secretariaat in tussenkomst te kunnen dagvaarden en om nadien een deskundige te laten aanstellen. Dit verzoek werd geweigerd.
- De eerste rechter oordeelt volgens appellante ten onrechte dat appellante achterstallen moet betalen voor de jaren 1997 tot
- De eerste rechter hield geen rekening met de inhoud van de individuele rekeningen voor de jaren 1997-
- Daaruit blijkt dat geïntimeerde in blokken van minimum 4 uren per dag werkte. Uit de stukken blijkt eveneens duidelijk dat de minimumduur van 13,3 uren gerespecteerd werd.
- De eerste rechter aanvaardde volgens appellante ten onrechte de bewering dat tegenpartij haar sociale documenten niet zou ontvangen hebben. Appellante heeft steeds alle documenten overhandigd. Geïntimeerde heeft de bewijslast, doch faalt daaromtrent. In beroepsbesluiten stelt appellante dat geïntimeerde haar vordering ten onrechte steunt op artikel 171 van de Programmawet van 1989, daar zij conform de rechtspraak van het Hof van Cassatie (26.4.93, arr. Cass. 93, nr. 198, 396) en het arbitragehof (arrest 40/98 dd. 1.4.98, BS 20.5.98, 16220) zich niet kan beroepen op het vermoeden, vervat in artikel 171, lid 2 van de Programmawet daar zij als werknemer geen begunstigde van dit vermoeden kan zijn. IV. STANDPUNT VAN GEÏNTIMEERDE. Tegeneis wegens tergend en roekeloos hoger beroep Geïntimeerde stelt dat zij haar vordering stoelt op artikel 11bis van de Arbeidsovereenkomstenwet (AOW) van 3 juli 1978 en helemaal niet op artikel 171 lid 2 van de Programmawet. Geïntimeerde stelt dat het Hof van Cassatie in haar arrest van 31 mei 1999 LAPIERRE/RVA beslist dat wanneer de wekelijkse arbeidsduur van de deeltijds tewerkgestelde werknemer lager ligt dat het bij artikel 11bis AOW bepaalde minimum van 1/3 van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemer het loon verschuldigd is op basis van de minimumgrens. Geïntimeerde stelt dat zij van april 1997 t.e.m. maart 1999 deeltijds was tewerkgesteld bij appellante met een vast uurrooster woensdag 4 uur en zaterdag 4 uur samen 8 uur of minder dat de minimumduur van 1/3 van 40 uur hetzij 13,3 u, zodat zij overeenkomstig artikel 11bis laatste lid van de Arbeidsovereenkomstenwet recht heeft op het door haar gevorderde achterstallig loon. Geïntimeerde vordert bij tegeneis een schadeloosstelling van EUR 1000,- wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Zij stelt dat appellante korte tijd na het indienen van het verzoekschrift tot hoger beroep plotseling van mening verandert en erkent, naar aanleiding van het bezoek van de sociale inspectie, de gevorderde bedragen verschuldigd te zijn en tevens de sociale documenten te willen afleveren. Tot op heden gebeurde dit echter nog niet. Hieruit blijkt volgens geïntimeerde duidelijk de bedoeling van appellante misbruik te maken van het hoger beroep, zodat zij kan ontsnappen aan de uitvoering van het vonnis en aanzienlijk tijd kan winnen. Beroep aantekenen met een dergelijke bedoeling is volgens geïntimeerde tergend en roekeloos. ó ó ó V. BEOORDELING VAN HET HOF. Overwegende dat het hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomt, wat overigens niet betwist wordt; de tegeneis van geïntimeerde wegens roekeloos en tergend hoger beroep eveneens. Over de door appellante aangevoerde schending van haar rechten van verdediging. Overwegende dat de rechtspleging voor de arbeidsrechtbank te Brussel overeenkomstig de artikels 2, 3 en 7 van de wet van 15 juni 1935 in het Nederlands diende te worden gevoerd vermits, deze rechtbank territoriaal bevoegd is wegens de plaats van de tewerkstelling (Wezembeek-Oppem), zijnde een Vlaamse gemeente buiten de Brusselse agglomeratie. Overwegende dat partijen eenstemmig taalwijziging konden vragen vóór alle verweer en exceptie (art. 7) wat zij niet deden. Appellante verzocht voor de eerste rechter overigens (als verweerster woonachtig te Wezembeek-Oppem) niet om taalwijziging. Overwegende dat de gehele rechtspleging voor de eerste rechter aldus in het Nederlands diende te worden gevoerd, zodat appellante terecht werd opgeroepen met een gerechtsbrief overeenkomstig artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek opgesteld in de Nederlandse taal. Overwegende dat appellante werd opgeroepen met een gerechtsbrief dd. 1 oktober 2001 die zij ontving op 5 oktober 2001 voor de openbare terechtzitting van 15 januari
- Dat appellante zonodig onmiddellijk een vertaler of haar sociaal secretariaat of een raadsman had kunnen raadplegen zo zij de inhoud van de gerechtsbrief niet verstond... eerder dan daarmee te wachten tot enkele dagen vóór de pleitzitting. Dat de raadsman werd geraadpleegd op 9 januari 2002 en aldus over 5 dagen beschikte om haar dossier te bestuderen en de zaak te pleiten zodat de eerste rechter terecht uitstel van de zaak weigerde. Gezien de door geïntimeerde neergelegde stukken. Vaststaat dat en dat overigens niet wordt betwist dat geïntimeerde als bediendeverkoopster bij appellante tewerkgesteld was van april 1997 t.e.m. 15 mei 2000 in een deeltijdse arbeidsovereenkomst die prestaties vastlegde van 2 x 4 uur of 8 uur/week, zijnde minder dan 1/3 van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemer nl. 40 uur : 3 = 13,3 uur. Wanneer de wekelijkse arbeidsduur lager ligt dan het bij artikel 11bis van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 bepaalde minimum van 1/3 van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemer, is het loon verschuldigd op basis van de minimumgrens (Cass. 31.5.1999, RW 99-2000, 1234). Overwegende dat appellante aan geïntimeerde voor de periode van 1 april 1997 tot 15 mei 2000 krachtens artikel 11bis AOW loon verschuldigd is op basis van de minimumgrens van 1/3 van een voltijdse tewerkstelling. Dat appellante niet betwist dat zij aan geïntimeerde vanaf april 1998 of na 1 jaar anciënniteit het minimumloon verschuldigd was aan het loonbarema overeenkomstig categorie
- Overwegende dat appellante op een aldus eventueel verschuldigd loonsaldo tevens vakantiegeld verschuldigd is. Overwegende dat appellante niet betwist dat zij de eindejaarspremie voor het jaar 1999 aan geïntimeerde verschuldigd is. Overwegende dat appellante ook in de huidige stand van de procedure voor ons Hof nalaat individuele rekeningen over te leggen i.v.m. de tewerkstelling van geïntimeerde vanaf juli 1999 tot 15 mei
- Het K.B. dd. 8 augustus 1980 tot uitvoering van het K.B. nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, verplicht de werkgever nochtans voor iedere werknemer een individuele rekening bij te houden. Behalve de loonafrekening die bij elke uitbetaling aan de werknemer dient te worden overgemaakt overeenkomstig artikel 15 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965 en aan de werknemer de mogelijkheid moet bieden na te gaan hoe zijn loon wordt berekend en hoeveel er wordt op ingehouden, moet de werkgever aan de werknemer een kopie geven van de individuele rekening. In geval van uitdiensttreding moet dit gebeuren binnen de 2 maand volgend op het einde van het kwartaal waarin de overeenkomst werd beëindigd. Overeenkomstig artikel 46 van het vakantiebesluit dd. 30 maart 1967 dient de werkgever aan de bediende bij uitdiensttreding voor elk vakantiedienstjaar ook een vakantieattest te bezorgen. Het K.B. van 25 november 1991 of Werkloosheidsbesluit verplicht de werkgever een C4-document af te geven. Appellante blijft in gebreke de individuele rekening sinds juli 1999, de vakantieattesten, het C4-document, het tewerkstellingsattest en de fiscale fiche 281.10 af te geven, alsook de loonafrekeningen bedoeld in artikel 15 van de Loonbeschermingswet, behoudens loonfiches betreffende een gedeeltelijke betaling (zie verder). Overwegende dat appellante de door geïntimeerde verrichte berekeningen van het haar overeenkomstig artikel 11bis AOW verschuldigd loonsaldo en bijhorend vakantiegeld betwist. Dat appellante ook het door geïntimeerde gevorderde bedrag van de eindejaarspremie 1999 betwist en alle afrekeningen zonder meer betwist, zonder evenwel concrete objectieve argumenten of cijfers naar voor te brengen. Het Hof bevestigt in al haar bestanddelen het tussenarrest dd. 2 april 2004 waarmee het de heropening der debatten beval om appellante toe te laten tot neerlegging over te gaan van alle gegevens nodig voor de correcte becijfering van het aan geïntimeerde van 1 april 1997 tot 15 mei 2000 verschuldigde loon en vakantiegeld, berekend overeenkomstig artikel 11bis van de arbeidsovereenkomstenwet (AOW) zoals hoger in dit arrest bepaald, evenals van de eindejaarspremie 1999, tevens alle gegevens betreffende de door appellante betaalde loonbedragen en verrichte inhoudingen. Overwegende dat appellante verstek laat gaan voor ons Hof. Dat blijkt uit geïntimeerdes stuk 15 dat appellante op 17 mei 2004 is overgegaan tot betaling van een gedeelte van de gevorderde bedragen op basis van een afrekening in illo tempore opgesteld door het sociaal secretariaat doch beperkt tot het minimumloon berekend op de effectief gepresteerde uren. Ze zou nl. de som van 2.028,96 euro betaald hebben op 17 mei 2004 en loonbrieven desbetreffende afgeleverd hebben. Rekening houdende met het in gebreke blijven van appellante legt geïntimeerde de detailberekening per maand neer van de gevorderde bedragen op basis van artikel 11 bis AOW (stuk 16). Overeenkomstig deze detailberekening is appellante aan geïntimeerde overeenkomstig artikel 11bis AOW achterstallig loon verschuldigd voor de periode april 1997 tot mei 2000 ten belope van de totale som van 256.443 BEF (EUR 6357,06) tot betaling waarvan de eerste rechter appellante terecht veroordeelde alsmede tot het bijhorend vakantiegeld 98,99 en 2000 zijnde de sommen van EUR 257,44, EUR 869,91 en EUR 526,92 alsmede de bedragen teveel betaalde sociale zekerheidsbijdragen van EUR 432,57 voor 1999 en EUR 334,16 voor
- Overwegende dat uit de brief dd. 14 mei 2002 van appellantes raadsman (stuk 14 geïntimeerde) aan het sociaal secretariaat Securex blijkt dat appellante na bespreking met de arbeidsinspectie aan het sociaal secretariaat opdracht gaf om de individuele rekeningen en loonfiches van geïntimeerde binnen de week aan te passen conform het vonnis van de arbeidsrechter, d.w.z. conform het vonnis a quo dd. 19 februari
- Appellante voert tot heden geen enkel ernstig of gewichtig argument of stuk aan ter staving van haar hoger beroep ingesteld op 3 april
- Het Hof stelt vast dat appellante hoger beroep aantekende met de loutere bedoeling aan de uitvoering van het vonnis te ontsnappen, minstens tijd te winnen vooraleer tot uitvoering te moeten overgaan. Het Hof meent dat dergelijke manier van handelen misbruik uitmaakt van wettelijke procedures m.n. van het hoger beroep. Geïntimeerde stelt terecht dat het hoger beroep in de concrete omstandigheden van de zaak tergend en roekeloos is en dat zij hierdoor morele en materiële schade lijdt die ex aequo et bono op 40.000 BEF dient te worden begroot. ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend bij verstek jegens appellante, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond. Bevestigt het vonnis a quo in al zijn bestanddelen en veroordelingen, met dien verstande dat het door appellante op 17 mei 2004 betaald bedrag van 2028,96 euro zal worden in mindering gebracht van de door haar overeenkomstig het vonnis verschuldigde totale netto hoofdsom, nadat deze totale som vermeerderd werd met de wettelijke en gerechtelijke intresten tot 17 mei 2004 en met dien verstande dat appellante gehouden blijft tot betaling van gerechtelijke intresten op het (na aftrek van het betaalde van 2028,96 euro resterende) saldo tot de dag van gehele betaling. Rechtdoende op de tegeneis ingesteld door mevrouw L. , Verklaart deze ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt mevrouw E. F. tot betaling aan mevrouw G. L. van de som van EUR 1000,- (duizend euro) t.t.v. schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden als volgt begroot: - voor appellante: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 261,78 - voor geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 267,73 - aanvullende rechtsplegingsvergoeding EUR 57,02 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op tweeëntwintig oktober tweeduizend en vier. Waren aanwezig: M. VERMAELEN: Raadsheer. P. GROENINCKX: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. M. WAMPERS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041022.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div