← België

ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041029.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 29 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041029.2 Rolnummer: 43570 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-08-31 Raadplegingen: 136 - laatst gezien 2026-07-03 19:51 Fiche Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Het adagium "nemo auditur turpitudinem suam" en "nemo auditur" - Herleiding van oorspronkelijke tegeneisen - Artikel 824 Gerechtelijk Wetboek. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 824 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: H. B. H., Appellant, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. L. Hofkens, advocaat te Brussel; Tegen: ADT SECURITY SERVICES NV (voorheen ADT Security Systems NV), met zetel te 1070 BRUSSEL, Humaniteitslaan nr. 114 en ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 534.988; Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. B. Adriaens, advocaat te Kortrijk; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van de vonnissen uitgesproken op tegenspraak door de 12e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op respectievelijk 26 juni 1998 en 18 oktober 2001 (AR nr. 44651/97), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 26 november 2002; - de besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op respectievelijk 24 september 2003, 16 april 2004 en 15 juli 2004; - de besluiten en synthesebesluiten van appellant, ontvangen ter griffie op 31 maart 2004 en 15 juni 2004; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 1 oktober

  1. Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. DE FEITEN. Het Hof verwijst voor de feitelijke uiteenzetting van de zaak naar de hoger geciteerde vonnissen dd. 26 juni 1998 en 18 oktober 2001 gewezen door de Arbeidsrechtbank. Het Hof zal verder in dit arrest de door partijen betwiste bevoegdheden bespreken van de heer H. binnen de NV ADT Security Services, afgekort ADT genoemd. II. DE OORSPRONKELIJKE VORDERINGEN EN HET VONNIS A QUO. Met dagvaarding dd. 18 april 1997 vordert de heer H. voor de eerste rechter veroordeling van NV ADT tot betaling van: - 6.141.479 F t.t.v. aanvullende opzeggingsvergoeding, - 1.457.441 F achterstallig loon wegens niet-uitvoering van de toegekende loonsverhogingen, - 8.649.456 F achterstallig loon wegens niet-uitvoering van de toegekende loonsverhogingen - 8.649.456 F achterstallig loon t.t.v. bijkomende opzeggingsvergoeding, bedragen te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten en de kosten - 3.500.235 F achterstallige dertiende maanden - 1.254.126 F vakantiegeld op bonussen - 504.022 F dubbel vakantiegeld op voordelen, - 47.037 F pro rata dertiende maand 1997 - 68.339 F tekort aan vakantiegeld bij vertrek voor vakantiejaar 1997 - 40.602 F tekort aan vakantiegeld bij vertrek voor vakantiejaar 1998 - 59.919 F netto + 26.517 F netto dat onrechtmatig werd ingehouden op de in april 1997 betaalde netto bedragen - de wettelijke en moratoire intresten op bovenstaande bedragen vanaf de datum van de eisbaarheid ervan tot op de datum van betekening van de dagvaarding, en de gerechtelijke intresten vanaf de datum van dagvaarding tot op de datum van effectieve betaling, - de wettelijke intresten op het in april 1997 betaalde loon (122.043 F) en de verbrekingsvergoeding (8.878.602 F hetzij 56.203 F netto - de kosten van de rechtspleging Alsook de afgifte van: - het C4-formulier en tewerkstellingsattest met vermelding van de juiste datum van indiensttreding (1 april 1971) en de ware ontslagreden ("wijziging management") - de loonfiches, individuele rekening, vakantieattesten en fiche 281.10 betreffende de bedragen waartoe verweerster eventueel zou veroordeeld worden Dit alles onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 F per document en per dag vertraging in de afgifte, vanaf de betekening van het tussen te komen vonnis. Het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande enig rechtsmiddel en zonder recht van borg noch kantonnement. Met besluiten dd. 15 februari 1997 vormt ADT een tegeneis en vordert veroordeling van de heer H. tot betaling van: - 4.432.378 F wegens verrijking zonder oorzaak, dat wordt teruggevorderd conform artikel 1235 BW - 138.310.310 F effectief geleden schade wegens zware fout, bedrog en/of gebeurlijk lichte fout conform artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet lastens de heer H. . - 1 F provisioneel voor de nog mogelijks vervallen boetes, die een maximaal bedrag kunnen vertegenwoordigen van 210.075.000 F. NV ADT verzoekt in subsidiaire orde te acteren dat alle verschuldigde bedragen eerst moeten worden gecompenseerd met de tegeneisen en de heer H. te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding. Ter openbare terechtzitting van 21 juni 2001 zou ADT gesteld hebben dat ze deze tegeneis beperkte tot 1 F, aldus het vonnis a quo dd. 18 oktober
  2. Het vonnis a quo dd. 18 oktober
  3. Rechtsprekende over de hoofdeis: "Verklaart de vordering met betrekking tot het saldo verbrekingsvergoeding ontvankelijk doch ongegrond; Verklaart de vordering met betrekking tot het achterstallig loon, niet-geïndexeerde lonen, vakantiegelden op bonussen, dubbel vakantiegeld op voordelen niet toelaatbaar. De vordering met betrekking tot de pro rata eindejaarspremie 1997 ontvankelijk doch ongegrond; De vordering met betrekking tot het vakantiegeld bij vertrek ontvankelijk en als volgt gegrond; Veroordeelt verweerster tot het betalen van een saldo vakantiegeld 1997 ten belope van 24.561 frank en voor 1998 ten belope van 1.892 frank bruto te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op de netto bedragen; Verklaart de vordering met betrekking tot de onrechtmatig ingehouden bedragen ontvankelijk en gegrond; Veroordeelt verweerster tot het betalen aan eiser 59.919 frank netto en 26.517 frank netto te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten van af april
  4. Verklaart de vordering met betrekking tot de intresten ontvankelijk en gegrond; Veroordeelt verweerster tot het betalen van de wettelijke intresten op het in april betaalde loon en op de verbrekingsvergoeding van 8.878.602 frank hetzij netto 56.203 frank. Verklaart de vordering tot afgifte van de aangepaste sociale documenten ontvankelijk en gegrond behalve wat de C4 betreft en de dwangsom; Wat de tegeneis betreft Verklaart de tegeneis verjaard voor al de vorderingen die betrekking hebben op feiten gepleegd vóór 15/12/
  5. Verklaart de tegeneis gegrond wat de onverschuldigde betalingen betreft vanaf 15/12/92 nl. 685.715 frank en wat de onregelmatigheden betreft in de loonadministratie (met uitzondering van de hoegrootheid van de vordering). Veroordeelt verweerder op tegeneis tot het betalen van 1 frank. wat de vordering met betrekking tot het aanbieden aan de bedrijfsrevisoren van totaal misleidende en vertekende resultaten, het toelaten dat beveiligingsinstallaties worden geplaatst zonder dat hiervoor een duidelijke prijsafspraak werd gemaakt en het negeren van de bij de wet bepaalde verplichtingen opgelegd aan bedrijven actief in de veiligheidssector en het opmaken van de vereiste gelijkvormigheidattesten betreft verklaart de rechtbank deze onontvankelijk bij gebreke aan duidelijk bewijs van de schade, de oorzaak en ogenblik van tenlastelegging; Veroordeelt verweerster op hoofdvordering (NV ADT) tot de kosten van het geding." De eerste rechter bepaalt het bruto jaarloon van de heer H. op de som van 3.452.442 F en de hem toekomende opzegvergoeding gelijk aan 31 maanden loon op 8.918.808 F. Vermits ADT een opzegvergoeding betaalde van 9.401.959 F, kan de heer H. geen aanspraak meer maken op een bijkomende opzegvergoeding. Zijn eis van achterstallig loon wegens niet-indexering en bijhorend vakantiegeld verklaart de eerste rechter ontoelaatbaar krachtens de rechtspraak nemo auditur turpitudinem suam allegans (niemand wordt gehoord die zich beroept op eigen wandaden Mr. H.R.W. Gokkel en Mr. N. van der Wal in Juridisch Latijn, H.H. Tjeenk Willink bv Groningen): "De bepalingen inzake de indexering van lonen zit vervat in de algemeen bindend verklaarde CAO's waarvan de naleving strafrechtelijk gesanctioneerd is. De strafrechtelijke aansprakelijkheid van een rechtspersoon rust op de natuurlijke persoon die het ten laste gelegde misdrijf heeft gepleegd of die met andere woorden in werkelijkheid de oorzaak van de wetsovertreding is geweest ongeacht of deze als directeur dan wel als orgaan van die rechtspersoon is opgetreden" (Cass. 9.10.1984, arr. Cass. 1984-85, I). In casu is het de heer H. die een misdrijf pleegde door zijn loon vormelijk niet te indexeren, zodat hij op grond van dit misdrijf geen vergoeding kan vorderen van door hemzelf toegebrachte schade. De eerste rechter oordeelt dat de heer H. geen recht heeft op eindejaarspremie voor 1996 en 1997 daar hij een niet gebaremiseerde bediende is (Cass. 16.1.1989, JTT 89). De eerste rechter veroordeelt ADT tot betaling van vertrekvakantiegeld voor 1997 en 1998 op de voordelen van het privé-gebruik van de bedrijfswagen en de tenlasteneming van de privé telefoononkosten (25.000 F/jaar) of 24.561 F

(1997)en 1.992 F
(1998), alsook tot betaling van ten onrechte verrichte inhoudingen op het loon van 59.949 F en 26.517 F en tot afgifte van aangepaste sociale bescheiden, behalve de C4. De reden van afdanking komt correct over. III. DE BEROEPSGRIEVEN. Het hoger hoofdberoep. De heer H. verzoekt het Hof het vonnis a quo te hervormen en opnieuw rechtdoende, zijn oorspronkelijke eis ontvankelijk en gegrond te verklaren en, In hoofdorde, NV ADT te veroordelen tot betaling van: - de aanvullende opzeggingsvergoeding ten bedrage van EUR 152.243,29 bruto - achterstallig loon wegens niet-uitvoering van de toegekende loonsverhogingen, hetzij EUR 34.593,12 bruto - achterstallig loon wegens niet-indexering, hetzij EUR 214.428,17 bruto - achterstallige dertiende maanden, hetzij EUR 86.768,56 bruto - vakantiegeld op bonussen, ten bedrage van EUR 41.262,97 bruto - dubbel vakantiegeld op voordelen, hetzij EUR 12.494,38 bruto - pro rata dertiende maand 1997, hetzij EUR 1.166,02 bruto - het tekort aan vakantiegeld bij vertrek, hetzij EUR 1.965 bruto voor vakantiejaar 1997 en EUR 1.006,50 bruto voor vakantiejaar 1998 - een bedrag van EUR 1.485,35 netto en EUR 657,34 netto dat onrechtmatig werd ingehouden op de in april 1997 betaalde bedragen - de wettelijke en moratoire intresten op bovenstaande bedragen vanaf de datum van de eisbaarheid ervan tot op de datum van betekening van de dagvaarding (28 april 1997) en de gerechtelijke intresten vanaf datum van dagvaarding tot op datum van effectieve betaling - de wettelijke intresten op het in april 1997 betaalde loon (EUR 3.025,37) en de verbrekingsvergoeding (EUR 220.094,79) hetzij EUR 1.393,24 netto - de kosten van de rechtspleging, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding aan het geïndexeerd bedrag op datum van de uitspraak Tevens geïntimeerde te veroordelen tot de afgifte van de volgende documenten: - een nieuw C4 formulier met een aangepaste reden tot ontslag en de correcte datum van indiensttreding, en het gecorrigeerde tewerkstellingsattest (juiste datum van indiensttreding) - de loonfiches, individuele rekening, vakantieattest en fiche 281.10 betreffende de bedragen waartoe gedaagde partij eventueel zou veroordeeld worden. Dit alles onder verbeurte van een dwangsom van EUR 247,89 per document en per dag vertraging in de afgifte, vanaf de betekening van het tussen te komen vonnis. In ondergeschikt orde, Geïntimeerde te bevelen conform artikel 877 Ger.Wb. de volgende documenten over te leggen en neer te leggen: - loonfiches en expense reports van de heer H. en de heer M. sinds 1990, - de individuele rekeningen en loonfiches m.b.t. de periode van 1990 tot en met 1997 m.b.t. de heer P. - een overzicht van de aan de heer P. voor de jaren 1990 tot en met 1997 toegekende lonen en bevestiging van de al dan niet indexering van zijn loon, - de eindafrekening en een overzicht van de bedragen en de hierop betrekking hebbende overeenkomsten die desgevallend werden opgesteld n.a.v. de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten van de heer P. . Appellant toe te laten door middel van getuigen het bewijs te leveren van volgende feiten: - dat binnen ADT een strikte bevoegdheidsdelegatie bestond die het appellant niet toelaat te beslissen over zijn eigen loon, - dat de instructie tot het doorvoeren van de door de hogere directie van appellant toegekende loonsverhogingen diende uit te gaan van dezelfde hiërarchische oversten, - dat ook voor andere werknemers het loon niet werd geïndexeerd (waaronder Peter M. , M. H. e.d.), - dat de heer P. zich zeer verregaand inliet met het financiële beleid, en op dit vlak een strikt toezicht uitoefende over en instructies gaf aan appellant, - tijdstip plaats en datum van het getuigenverhoor te bevelen, en appellant toe te laten een lijst van op te roepen getuigen neer te leggen, - de oorspronkelijke tegeneis onontvankelijk te verklaren, minstens ongegrond. - NV ADT tot de kosten van het geding te veroordelen Het incidenteel hoger beroep. NV ADT verzoekt ons Hof bij wege van incidenteel hoger beroep het vonnis a quo gedeeltelijk te hervormen als volgt en opnieuw rechtdoende over haar oorspronkelijke tegeneis de heer H. te veroordelen tot betaling van: - 4.353.628 F (EUR 107.923,62) wegens verrijking zonder oorzaak, dat wordt teruggevorderd conform artikel 1235 BW - in subsidiaire orde, te zeggen voor recht dat de heer H. een totaal bedrag van EUR 16.998,43 (685.715 F) bruto verschuldigd is - 1 euro schadevergoeding wegens zware fout, bedrog en/of gebeurlijk lichte fout conform artikel 18 AOW, lastens de heer H. - tenslotte, de heer H. te willen veroordelen tot alle kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding. IV. STANDPUNT VAN NV ADT M.B.T. HET HOGER HOOFDBEROEP. NV ADT verzoekt ons Hof het hoger beroep ingesteld door de heer H. onontvankelijk te verklaren, minstens ongegrond en het vonnis a quo in zijn beslissing over de oorspronkelijke hoofdeis integraal te bevestigen en te zeggen voor recht: - dat de heer H. geen recht heeft op een aanvullende opzeggingsvergoeding - dat de heer H. geen recht heeft op achterstallig loon (uit hoofde van niet doorgevoerde loonsverhogingen, niet indexering van zijn loon en/of niet betalen ven eindejaarspremies) - bijgevolg, dat de heer H. geen recht heeft op achterstallig vakantiegeld op bovenbedoelde sommen - dat de heer H. geen recht heeft op achterstallig vakantiegeld op ontvangen bonussen, noch op bepaalde genoten voordelen - dat de heer H. geen recht had op eindejaarspremies en bijgevolg ten onrecht aanspraak maakt op een pro rata eindejaarspremie voor 1997 - dat de heer H. recht heeft op achterstallig vakantiegeld bij uitdiensttreding t.b.v. 3.769 F (EUR 93,44) bruto - dat de betwisting inzake de groepsverzekering tussen partijen werd geregeld - dat de heer H. recht heeft op de terugbetaling van een bedrag van 86.466 F (EUR 2.143,44) netto, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf april 1997 - dat ADT desgevallend aangepaste sociale documenten dient af te leveren, met uitzondering van de C4 overwegende dat de vermelde ontslagreden correct is - de heer H. recht heeft op een netto bedrag van 56.203 F (EUR 1.393,24) uit hoofde van wettelijke intresten wegens laattijdige betaling van de opzeggingsvergoeding - dat bovenvermelde bedragen in ieder geval eerst dienen te worden gecompenseerd met de bedragen die de heer H. verschuldigd is in gevolge de tegeneis. In subsidiaire orde, indien ons Hof twijfels mocht hebben omtrent de omvang van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de heer H. , verzoekt ADT om aan de hand van het getuigenverhoor van de heer P. de werkelijke bevoegdheden van de heer H. te mogen aantonen. In uiterst subsidiaire orde, te willen acteren dat eventuele verschuldigde bedragen aan de heer H. eerst moeten gecompenseerd worden met de tegeneisen. V. MIDDELEN VAN DE HEER H. . 1. De eerste rechter bepaalde verkeerdelijk zijn basisjaarloon en opzegvergoeding. De heer H. stelt dat de eerste rechter een onjuist vast maandloon in aanmerking nam voor de berekening van de opzegvergoeding. Het maandloon bedraagt niet 244.085 F bruto, maar wel 376.294 F (EUR 9.328,08) minstens 294.417 F (EUR 7.298,40). Bij brief van 2 augustus 1996 vanwege de heer P. werd het loon van de heer H. immers verhoogd tot 3.533.000 F (EUR 87.580,78) met ingang vanaf 1 juli 1996 ((stuk II.5). Conform de jarenlange praktijk, werd immers jaarlijks het loon van de heer H. via een afzonderlijk schrijven verhoogd. dit jaarloon werd in 12gelijke delen betaald, en maakte derhalve het maandloon uit (Farde II: loonbrieven). Aldus kan niet betwist worden dat het aan de heer H. toekomende maandloon ten tijde van zijn ontslag op 17 februari 1997 tenminste gelijk was aan: 3.533.000 F : 12 = 294.417 F (EUR 7.298,40) Indien daarnaast ook rekening wordt gehouden met de niet doorgevoerde indexeringen, diende het maandloon bij ontslag zelfs 376.294 F (EUR 9.328,08) te bedragen (Farde VII: gedetailleerde herberekening loon rekening houdend met niet-toegekende loonsverhogingen en indexeringen. Hij meent dat de eerste rechter ten onrechte geen rekening hield met volgende voordelen bij de bepaling van zijn basisjaarloon: - de fiscale bijstand door PriceWaterhouse daar deze louter private kosten dekt (waarde van het voordeel: 30.000 F) - de forfaitaire onkostenvergoeding 14.314 F per maand daar geïntimeerde in het ontslagschrijven van 17 februari 1997 (Farde 2: stuk 1) uitdrukkelijk heeft erkend dat het bedrag van 14.314 F in het basisjaarloon dient te worden opgenomen (terugbetaling onkosten: 5.915 F x 31; representatiekosten: 8.400 F x 31). Gelet op de ondertekening van dit schrijven door de heer P. in zijn hoedanigheid van afgevaardigd bestuurder, valt de geloofwaardigheid van de aldus afgelegde buitengerechtelijke betekenis niet te betwijfelen. Het dubbel vakantiegeld op voormelde voordelen dient berekend te worden als volgt: 25.000 F (privé telefoon) + 30.000 F (belastingsadvies) = 55.000 F : 12 = 4.583,33 F + 14.314 F (forfaitaire vergoedingen) = 18.897,33 / EUR 468,45 x 0,897515 = EUR 420,44. De eerste rechter hield ten onrechte geen rekening met de eindejaarspremie betaald in 1996, zoals blijkt uit zijn loonfiche (Farde 3 stuk 8). Indien dit bedrag niet als een eindejaarspremie in die zin van artikel 5 van de toepasselijke CAO (PC 218) kan beschouwd worden (quod non, gelet op de duidelijke kwalificatie op de loonfiche), dient ondergeschikt minstens te worden aanvaard dat het een uitzonderlijke premie betreft, zoals de heer H. deze ook gedurende de voorgaande jaren steeds heeft ontvangen (voor een overzicht van de toegekende bonussen: Farde 6, stuk 1) en waarvan de betaling noch de geldigheid door geïntimeerde (kunnen) betwist worden. Minstens kaderde deze betaling in de aanzuivering van de ontstane loonachterstallen. De eerste rechter berekende het dubbel vakantiegeld ten onrechte op een onjuist vast loon. De heer H. meent dat hem toekomt: EUR 8.372,08 bruto per jaar (376.294 x 89,7515%) De heer H. berekent zijn jaarloon overeenkomstig artikel 39 AOW en de hem verschuldigde opzegvergoeding als volgt. Het bruto jaarloon is derhalve gelijk aan:
  1. a)Uitgaande van het laatste maandloon inclusief indexeringen
  2. a)maandloon 376.294 x 12 4.515.528 F EUR 11.937,02
  3. b)13e maand 376.426 F EUR 9.331,36
  4. c)dubbel vakantiegeld 337.730 F EUR 8.372,10
  5. d)bedrijfswagen 15.000 x 12 180.000 F EUR 4.462,08
  6. e)dubbel vakantiegeld wagen 15.000 x 0,897515 13.463 F EUR 333,73
  7. f)forfaitaire kostenvergoedingen 14.315 x 12 171.780 F EUR 4.258,31
  8. g)privé-telefoon 25.000 F EUR 619,73
  9. h)fiscaal advies PWC 30.000 F EUR 743,68
  10. i)dubbel vakantiegeld voordelen (f t.e.m.
  11. h)x 0,897515 16.962 F EUR 420,47
  12. j)verzekering DKV 7.002 x 12 84.024 F EUR 2.082,90 TOTAAL 5.750.912 F EUR 142.561,38 Verbrekingsvergoeding (31 maanden) 14.856.522 F EUR 368.283,56 Reeds betaald 8.878.602 F EUR 220.094,79 SALDO 5.977.920 F EUR 148.188,77
  13. b)Uitgaande van het laatste maandloon zoals vermeld op de loonbrief van 2 augustus 1996 (stuk II.15) zonder indexeringen en zonder premie/13e maand
  14. a)maandloon 294.417 x 12 3.533.004 F EUR 87.580,88
  15. b)13e maand 0 F EUR 0,00
  16. c)dubbel vakantiegeld 264.244 F EUR 6.550,43
  17. d)bedrijfswagen 15.000 x 12 180.000 F EUR 4.462,08
  18. e)dubbel vakantiegeld wagen 15.000 x 0,897515 13.463 F EUR 333,73
  19. f)forfaitaire kostenvergoedingen 14.315 x 12 171.780 F 4.258,31
  20. g)privé telefoon 25.000 F EUR 619,73
  21. h)fiscaal advies PWC 30.000 F EUR 743,68
  22. i)dubbel vakantiegeld voordelen (f t.e.m.
  23. h)x 0,897515 16.962 F EUR 420,47
  24. j)verzekering DKV 7.002 x 12 84.024 F EUR 2.082,90 TOTAAL 4.318.476 F EUR 107.052,22 Verbrekingsvergoeding (31 maanden) 11.156.063 F EUR 276.551,57 Reeds betaald 8.878.602 F EUR 220.094,79 SALDO 2.277.461 F EUR 56.456,78 2. De heer H. vordert achterstallig loon wegens het sinds 1989 niet of laattijdig doorvoeren van loonsverhogingen ten belope van 1.457.441 F en wettelijk verplichte indexeringen t.b.v. 8.605.011 F Het niet of laattijdig doorvoeren van de loonsverhogingen was geenszins de verantwoordelijkheid van appellant maar was toe te schrijven aan de nonchalance van de hiërarchische oversten van appellant die weigerden de daadwerkelijke instructies te geven aan de loonadministratie van ADT in België. Op basis van de aan appellant toegekende bevoegdheden (zie de delegation of authority) kon hij omtrent zijn loon geen enkele beslissing nemen. (Farde XII, B, stuk 2) In deze interne bevoegdheidsdelegatie is immers uitdrukkelijk vermeld (p.16, punt C (iv)) dat (vrije vertaling) "na herziening door de Vice President, Human resources, moet de President CEO loonsverhogingen goedkeuren voor de medewerkers die rechtstreeks aan hem rapporteren" (hetgeen voor appellant het geval was...) In de nota van de heer P. van 4 juli 1995 (Farde XII, B, stuk 3) werd de bevoegdheid van de heer H. inzake loonsverhogingen trouwens nog strikter beperkt dan uit de bevoegdheidsdelegatie blijkt. De heer H. stelt dat hij de facto enkel formeel een aantal bevoegdheden had doch dat hij enkel de commerciële en operationele leiding van ADT waarnam en dat hij wat het financiële beleid betreft, van nabij werd gecontroleerd en gedirigeerd door zijn meerderen in de internationale beslissingstructuur van de ADT-groep. De stukken toegevoegd in Farde 12 (A en B) tonen volgens appellant genoegzaam het strikt toezicht van de heer P. op het financieel beleid en de loonpolitiek aan, alsook het organogram (farde 2 stuk A11) alsook de evaluaties van H. door P. (Farde 2 en 6). Een loonsverhoging kon slechts door de hiërarchische overste van appellant doorgevoerd worden, en appellant had dienaangaande dus geen enkele bevoegdheid om zijn eigen loonverhogingen eenzijdig door te voeren. Teneinde aan de klachten terzake van appellant tegemoet te komen, werd hem enkele malen toegestaan een (deel van) de loonachterstand in te halen door de toekenning van een bijkomende premie ("loonssupplementen" genoemd op de loonfiches): - vanaf januari werd de loonachterstand (gedeeltelijk) weggewerkt, doordat voor de maanden januari tot en met juni 1991 een hoger loon werd uitbetaald (225.365 F i.p.v. 210.550 F) (Farde III, stuk 5: loonfiches; zie ook blz 10 stuk VII.1) - in oktober 1992 werd een eenmalig loonsupplement betaald van 45.699 F ter (gedeeltelijke) compensatie van de opgelopen achterstellen en werd het maandloon vanaf november 1992 op 240.598 f bruto per maand gebracht (Farde III, stuk 6: loonfiche oktober 1992) - in maart en oktober 1994 werd andermaal een loonsupplement betaald van 66.253 F en 75.429 F tot (gedeeltelijke) compensatie van de loonachterstallen (farde III, stuk 8: loonfiche maart 1994) - in februari, mei en december 1995 werd ook een loonsupplement betaald tot (gedeeltelijke) compensatie van de loonachterstallen (farde III, stuk 9: loonfiches 1995) - de eindejaarspremie t.b.v. 376.426 F betaald einde december 1996 (Farde 3, stuk 7) kaderde ook in de aanzuivering van de achterstallen. Deze loonsupplementen waren dus geen bijzondere premies die appellant zich eenzijdig en frauduleus zou hebben toegekend, doch kaderden in de verrekening van de ontstane loonachterstallen tengevolge van de niet-doorvoering van de toegekende loonsverhogingen. deze werden steeds in alle openheid en transparantie op de loonfiches vermeld, zodat van verduistering of fraude geenszins sprake was. Appellant ziet dan ook niet in op welke grond hem enige turpitudinem kan verweten worden bij de niet (of laattijdige/gedeeltelijke) doorvoering van de loonsverhogingen. De eerste rechter heeft volgens appellant ten onrechte toepassing gemaakt van het adagium nemo auditur... om aan appellant de betaling van de hem toekomende lonen te ontzeggen zonder zich uit te spreken over welke turpitudinem hem op het vlak van de niet-doorvoering van de loonsverhogingen wordt verweten. Het loutere feit de functie van algemeen directeur/general manager te vervullen, kan onmogelijk volstaan opdat sprake is van bedrog bij de niet correcte doorvoering van eigen loonsverhogingen. de heer H. stelt dat hij niet bedrieglijk kan hebben gehandeld daar de betaling van zijn lonen en voordelen afhing van de instructies van de heer P. aan de boekhouding. Bovendien is door het getuigenverhoor bewezen dat niet hij doch enkel de heer V. instond voor de loonadministratie en contacten met het sociaal secretariaat Groep S. de eerste rechter maakte ten onrechte toepassing van de rechtsspreuk nemo auditur daar appellant helemaal geen bedrog heeft gepleegd, zelfs geen fout in de zin van artikel 18 AOW. Daarenboven heeft het adagium nemo auditur niet de betekenis die geïntimeerde er al te graag aan toeschrijft. Volgens professor Van Gerven betekent het adagium dat een contractpartij niet de uitvoering mag vorderen van een met de openbare orde of met de goede zeden strijdige overeenkomst (W. Van Gerven: Verbintenissenrecht, deel I, Acco Leuven, 1990, 81). De heer H. vordert geen uitvoering van een met de openbare orde strijdige overeenkomst, maar vordert uitsluitend de correcte toepassing van zijn contractuele wettelijke rechten. Appellant stelt dat de eerste rechter eveneens ten onrechte oordeelde dat hij geen recht had op eindejaarspremies en maakt hierop aanspraak krachtens artikel 5 van de CAO 29.5.1989, algemeen bindend verklaard bij KB dd. 6 augustus 1990 (BS 31.8.190) ten belope van de som van 3.500.235 F. Appellant stelt dat de eerste rechter ook zijn eis van enkel en dubbel vakantiegeld op bonussen krachtens artikel 39 vakantiebesluit ten onrechte heeft afgewezen en vordert uit deze hoofde 1.664.544 F achterstallig vakantiegeld. Appellant stelt dat de eerste rechter ook ten onrechte zijn vordering van achterstallig dubbel vakantiegeld op voordelen heeft afgewezen of 504.022 F (1982 tot 1996). 3. De heer H. stelt dat ADT zijn oorspronkelijke tegeneis voor de eerste rechter herleidde tot 1 F zodat hij door ons Hof niet tot méér dan 1 F kan veroordeeld worden en het incidenteel hoger beroep van ADT aldus onontvankelijk is. Daar de tegenvordering werd ingeleid bij besluiten dd. 15 december 1997 is zij verjaard overeenkomstig artikel 15 AOW wat de beweerde onverschuldigde betalingen betreft die dateren van vóór 15 december 1992 of premie juli 1987 1.159.134 F en premie maart 1988 2.143.090 F. De premies betaald in oktober 1992 (45.699 F), maart 1994 (66.253 F), oktober 1994 (75.429 F), februari 1995 (94.831 F), juni 1995 (72.776 F) en december 1995 (90.27 F) en eindejaarpremie 1996 werden op de loonfiches als "supplementen loon" aangemerkt en betreffen compensaties van niet (tijdig) doorgevoerde loonsverhogingen. Van betaling zonder oorzaak kan dan ook geen sprake zijn. De tegenvordering van 138.310.310 F wegens zware fout of gewoonlijk lichte fout (artikel 18 AOW) en van 1 F provisioneel voor mogelijke schade wegens boeten, is volgens appellant onontvankelijk wegens obscuri libelli, minstens wegens gebrek aan belang en bovendien verjaard. In de mate dat lastens de heer V. dezelfde aansprakelijkheidsvorderingen werden gesteld, dienen beide zaken wat dit punt betreft worden samengevoegd, teneinde tegenstrijdige uitspraken te vermijden (art. 30 Ger.WB). Het feit dat geïntimeerde het niet nodig geacht heeft appellant in de procedure m.b.t. de heer V. te betrekken, toont aan dat geïntimeerde uitsluitend de heer V. als werkelijke aansprakelijke beschouwt. Appellant stelt dat ADT geen van de vijf lastens hem ingeroepen fouten bewijst noch een schade die door deze zou veroorzaakt zijn. ó ó ó VI. BEOORDELING VAN HET HOF. Overwegende dat het hoger hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomen. Over de exceptie van de herleiding van de oorspronkelijke tegeneisen. Overwegende dat een vordering die voor de rechter aanhangig is overeenkomstig artikel 807 Ger.Wb. kan worden gewijzigd met op tegenspraak genomen conclusies. Overwegende dat NV ADT zijn oorspronkelijke tegenvordering (zie hoger in dit arrest onder oorspronkelijke vordering) ingeleid bij op tegenspraak genomen conclusies dd. 15 december 1997, niet bij op tegenspraak genomen conclusies herleidde tot 1 F. Dat NV ADT stelt dat zij voor de eerste rechter mondeling ter openbare terechtzitting slechts haar oorspronkelijke tegeneis, voor zover gesteund op de aansprakelijkheid van de heer H. op grond van artikel 18 AOW en strekkende tot veroordeling tot betaling van vergoeding van 138.310.310 F schade heeft herleid tot 1 F, doch niet haar tegeneis strekkende tot zijn veroordeling tot betaling van 4.432.378 F onverschuldigde betalingen (verrijking zonder oorzaak). Overwegende dat de eerste rechter geen mondelinge verklaring van één of andere partij heeft geakteerd op het proces-verbaal der terechtzitting dd. 21 juni 2001. Overwegende dat geen wijziging van de tegeneis voor de eerste rechter geschiedde bij op tegenspraak genomen conclusies overeenkomstig de voorschriften van artikel 807 Ger.Wb. Overwegende dat de afstand van een vordering niet wordt vermoed. Dat stilzwijgende afstand van een vordering overeenkomstig artikel 824 Ger.Wb. slechts mag worden afgeleid uit akten of uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende feiten waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen van vordering. Overwegende dat het Hof vaststelt dat er geen akten of met elkaar overeenstemmende feiten voorhanden zijn, waaruit het met zekerheid kan vaststellen dat NV ADT haar oorspronkelijke tegeneis strekkende tot veroordeling van de heer H. tot betaling van 4.353.628 F t.t.v. onverschuldigde betalingen zou hebben herleid tot 1 F en aldus afstand zou hebben gedaan van deze vordering voor het meergevorderde of 4.353.627 F. Overwegende dat het incidenteel hoger beroep van NV ADT strekkende tot hervorming van het vonnis a quo voor zover de eerste rechter heeft geoordeeld dat NV ADT haar oorspronkelijke vordering tot terugbetaling van onverschuldigde betalingen van 4.353.628 F heeft herleid tot 1 F ontvankelijk en gegrond is, daar deze oorspronkelijke tegeneis niet bij op tegenspraak genomen besluiten werd gewijzigd, conform artikel 807 Ger.Wb. en geen afstand van de vordering is bewezen. Studie van de neergelegde stukken over de bevoegdheden van de heer H. de iure en de facto. Aan de hand van de neergelegde stukken stelt het Hof vast dat feitelijk vaststaat dat de heer H. in dienst was van de ADT-groep sinds 1971. Dat hij vanaf 1980 de titel en functie opnam van general Manager (algemeen directeur) en zijn bevoegdheden als algemeen directeur werden gepubliceerd in het Belgisch staatsblad van 23 september 1980 (stuk 1 bis 1.1 ADT) waaronder: - elke procedure ondernemen en elke formaliteit van administratieve en fiscale of juridische aard stellen die nodig is om zich te onderwerpen aan de wetten van het land waarin wordt gewerkt, en waarin het personeel wordt tewerkgesteld; - alle documenten tekenen en daden stellen die nodig zijn voor de inschrijvingen met het nodige effect; - openen en gebruiken van bankrekeningen, zowel in België als in het buitenland; - de onderneming vertegenwoordigen naar derden, de administratie, de overheid, en meer specifiek naar wat betreft de gemeenten, de fiscale administratie, de douane ... - alle bedragen ontvangen van de vennootschap en alle bedragen betalen die verschuldigd zijn; - alle aankopen, verkopen, overdrachten van welkdanige aard ook sluiten en laten plaatsvinden; Van 1980 tot 1990beschikte ADT in België slechts over een bijhuis zonder rechtspersoonlijkheid. Op 19 juni 1990 werd de heer H. naar aanleiding van de omvorming van het ADT-filiaal te België tot naamloze vennootschap, tot bestuurder van de vennootschap benoemd, en werd hij aangesteld tot afgevaardigd bestuurder (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op respectievelijk 11 juli en 4 augustus 1990 Farde 11, stukken 1 en 2 H. ). Als overige bestuurders werden de heer P. (Belg, tevens Vice President en European Financial Controller) en de heer W. (Engelsman en Vice President) aangesteld. Uit de notulen van de Raad van Bestuur dd. 19 juni 1990 (stuk I, 1,3a ADT) blijken de bevoegdheden die hem werden toevertrouwd als afgevaardigd bestuurder: "De afgevaardigd bestuurder, afzonderlijk handelend, en in zoverre in overeenstemming met het reglement van interne orde, is bevoegd om:
  25. a)de inschrijvingen van de vennootschap in het handelsregister te bekomen en te wijzigen;
  26. b)de vennootschap aan te sluiten bij beroepsverenigingen en bij bedrijfsorganisaties;
  27. c)alle briefwisseling te ondertekenen;
  28. d)bestellingen te bekomen en contracten te ondertekenen voor de aankoop, bereiding en verzorging aan grondstoffen en bevooradingsmateriaal alsook voor de propaganda en verkoop van de producten en diensten van de vennootschap;
  29. e)de vennootschap te vertegenwoordigen voor alle handelingen met de Staat, de gouvernementele, provinciale en gemeentelijke administraties, de belastingadministraties, douane en accijnzen, de post, telefoon- en telegraafdiensten, de spoorweg- en luchtvaartmaatschappijen en alle andere openbare diensten en alle verbintenissen te tekenen tegenover deze administraties, diensten en maatschappijen;
  30. f)ontvangstbewijzen te ondertekenen voor alle ontvangen bedragen en ook voor de aangetekende brieven en colli aan de vennootschap geadresseerd door tussenkomst van de post, de douane en accijnzen, de spoorweg, luchtvaart en andere transportmaatschappijen en deze volmachten aan bedienden van de vennootschap over te dragen;
  31. g)alle checks, betalingen en wissels te endosseren voor deposito op credit van "deposito" of "gewone" rekeningen geopend op naam van de vennootschap bij banken en bij het bestuur der postchecks;
  32. h)alle trekkingen op "gewone", "directe" of "onkosten" rekeningen die geopend zijn op naam van de vennootschap bij banken en bij het bestuur der postchecks te ondertekenen;
  33. i)alle verzekeringen aan te gaan;
  34. j)huurcontracten voor de kantoren en magazijnen van de vennootschap aan te gaan;
  35. k)personeel aan te werven en te ontslaan en hun bezoldiging vast te stellen;
  36. l)wissels en rekeningen op klanten getrokken te ondertekenen;
  37. m)alle cognossementen en andere transportdocumenten te endosseren;
  38. n)alle rechtsvorderingen, in naam van de vennootschap in te stellen en te vervolgen, zowel in de hoedanigheid van eiser als in die van verweerster en alle verzoeken en klachten te introduceren bij alle regeringslichamen, belastingsinstanties, douanen, accijnzen, openbare instellingen en diensten;
  39. o)één of meer van deze volmachten aan derden over te dragen op de wijze en voor de duur die hij bepaalt;
  40. p)rekeningen te openen onder gelijk welke benaming zoals "deposito" of "gewone" rekeningen en "directe" of "onkosten" rekeningen bij banken en bij et bestuur der postchecks;
  41. q)alle verbintenissen ten aanzien van derden te ondertekenen." Uit de door ADT neergelegde stukken blijkt dat dit mandaat als afgevaardigd bestuurder en bestuurder van de heer H. pas werd herroepen op 17 februari 1997 (stuk 1,3 a,b,c,
  42. d)en dat de heer H. afgevaardigd bestuurder bleef tot deze herroeping. De heer H. beroept zich op de bevoegdheidsdelegatie (Farde XII, stuk B,2), d.i. een interne bevoegdheidsdelegatie tussen verschillende ondernemingen van de groep ADT, meer bepaald de bevoegdheidsregeling tussen de algemene directeurs van de (lokale) ADT-filialen enerzijds en de personen die verantwoordelijken waren voor de Europese financiële en economische organisatie van de ADT-groep. Als algemeen directeur voor NV ADT België diende de heer H. financiële resultatenrapporten over te maken aan de Europese verantwoordelijke de heer P. die de titel droeg van Vice President Europa. Uit het geheel van de neergelegde stukken blijkt eveneens duidelijk dat de heer P. , hoewel hij bestuurder was van de NV ADT België, geen strikte controle of toezicht uitoefende op het door de heer H. gevoerde dagdagelijkse operationeel beleid en de door hem gevoerde loonadministratie. De heer P. verbleef de facto overigens slechts enkele dagen per jaar in de Belgische filiale (9 in 1995, 15 in 1996) en hield zich bezig met de controle van de commerciële en financiële resultaten van het bedrijf, doch niet met het dagdagelijks beheer. Uit de neergelegde stukken (bevoegdheidsdelegatie en brief P. dd. 17 juli 1995) blijkt dat niet de heer H. zelf doch de heer P. bevoegd was om loonsverhogingen, boni, premies enz... aan de heer H. en aan de rechtstreeks aan hem rapporterende kaderleden goed te keuren (voor de overige personeelsleden bleef de heer H. alleen bevoegd). De heer H. bleef bevoegd voor het toekennen van de wettelijke of bij CAO verplichte loonsverhogingen. Slechts de overige (niet wettelijk verplichte) loonsverhogingen moesten door de heer P. goedgekeurd worden. Overwegende dat uit de samenlezing van het geheel der door partijen neergelegde stukken onomstotelijk vaststaat dat de heer P. jaarlijks een loonsverhoging aan de heer H. toekende onder de vorm van een procentuele verhoging van het globaal bruto jaarloon (brief P. 17.7.1995 en 2.8.1996) en met dien verstande: - dat de heer H. verplicht was er zelf voor te zorgen dat de globale loonsverhoging op een wettelijke manier werd uitgevoerd "dat de verhoging werd toegepast is volledige overeenstemming met de geldende wettelijke omgeving" (brief P. 2.8.1996) - dat in deze globale verhoging nl. een procentuele verhoging van het globaal bedrag van het loon van het vorig jaar eveneens een lokale inflatie met een ruime marge was ingerekend zoals blijkt uit de letterlijke bewoordingen van de beslissingen houdende loonsverhogingen (17.7.1995 en 2.8.1996). Deze verhogingen omvatten m.a.w. indexeringen. Uit de neergelegde stukken blijkt dat de heer H. aan het sociaal secretariaat via de heer V. instructie gaf opdat dit globaal verhoogde loon hem zou worden uitbetaald in 12 gelijke maandelijkse schijven. In deze vaste maandelijkse ontvangen bedragen zaten aldus de wettelijke indexeringen overeenkomstig het Belgisch recht inbegrepen, niet alleen met het uitdrukkelijk akkoord van de heer H. maar tevens in opdracht van de heer H. . Uit het getuigenverhoor blijkt immers dat het sociaal secretariaat schriftelijk instructie ontving om voor verschillende directieleden, tewerkgesteld bij ADT geen loonindexeringen door te voeren o.m. voor de heer H. en de heer Mayphan. Het sociaal secretariaat ontving deze schriftelijke instructies van de heer V. die de financieel manager was van NV ADT en die handelde in opdracht van zijn hiërarchisch overste de heer H. die (overeenkomstig de reeds hoger geciteerde stukken) als afgevaardigd bestuurder en als algemeen directeur wettelijk bevoegd en verantwoordelijk was voor o.a. de loonadministratie van het personeel (stukken 1.1,1.2,1.3 en 1 bis van ADT). Beoordeling van de middelen van de heer H. . 1. De opzegvergoeding
  43. a)De heer H. legt stukken neer waaruit blijkt dat hij op 2 augustus 1996 een loonsverhoging kreeg toegezegd vanwege de heer P. (stuk II.15), zodat hij op het ogenblik van het ontslag recht had op een vast maandloon van 3.533.000 F : 12 = 294.417 F al werd hem slechts 244.085 F betaald. Appellant bewijst aan de hand van stukken (Farde 7 stuk 1) dat de hem toegekende loonsverhogingen vanaf 1989 in de praktijk inderdaad met vertraging werden uitbetaald (Farde 7 stuk 1), reden waarom er hem af en toe loonsupplementen werden uitbetaald. Appellant heeft volgens het Hof geen recht op indexeringen van dit vast maandelijks loon. Uit de door partijen neergelegde stukken blijkt dat de indexeringen naar Belgisch recht ruimschoots vervat zitten in de door P. toegekende loonsverhogingen (zie hoger, de feiten) en de heer H. besliste zelf tot de betaling van de verhogingen door middel van het verhoogd bruto jaarloon te delen door twaalf gelijke maandelijkse schijven die de indexering naar Belgisch recht ruimschoots omvatten. Overwegende dat appellants eigen loonbeschrijving (bijlage bij stuk II, 11) bevestigt dat hij zijn jaarlijks loon begroot in twaalf gelijke schijven van 250.000 F vakantiegeld NIET inbegrepen, benevens een maandelijkse forfaitaire kostenvergoeding, extra legale verzekeringen, privé telefoonkosten en bedrijfswagen. Van recht op dertiende maand is er NERGENS een spoor te vinden.
  44. b)Uit het ontslagschrijven (appellants stuk Farde 1 stuk 1) blijkt inderdaad dat de NV ADT uitdrukkelijk heeft erkend dat het bedrag van 14.314 F forfaitaire kostenvergoeding in het basisjaarloon van de opzegvergoeding dient te worden opgenomen als een voordeel en dat de NV ADT deze vergoeding zelf als een verdoken loon beschouwt. Overwegende dat appellant deze forfaitaire kostenvergoedingen genoot buiten en benevens al de beroepskosten die hij bij ADT via uitgavenverslagen indiende en door ADT ten laste werden genomen. Deze forfaitaire kostenvergoedingen dekten derhalve geen reële uitgaven en zij als loon te beschouwen. De terugbetaling door de werkgever van de kosten van het belastingsadvies (waarde 30.000 F/jaar) werd door de eerste rechter terecht niet als een voordeel overeenkomstig artikel 39 AOW beschouwd. Appellant bewijst helemaal niet dat hij deze kosten niet echt maakte. Een vergoeding van reële kosten is geen loon of voordeel in de zin van artikel 39 AOW. Appellant is weinig geloofwaardig waar hij stelt dat deze fiscale bijstand geen uitstaans had met zijn tewerkstelling.
  45. c)Op de waarde van de voordelen in natura van het privé-gebruik van de bedrijfswagen, de privé telefoonkostenrekeningen en de forfaitaire kostenvergoeding - is dubbel vakantiegeld verschuldigd daar zij deel uitmaken van de in artikel 38 van het Vakantiebesluit bedoelde bruto wedde van de maand waarin de vakantie ingaat (Cass. 4.1.1993, JTT 93, 328; Cass. 4.2.2002, RW 2001-2002, 1356).
  46. d)De eerste rechter stelde reeds en terecht dat het Hof van Cassatie met betrekking tot de CAO's van 29 april 1977 en 19 maart 1979 ondubbelzinnig heeft gesteld dat de artikelen die deze CAO's bevatten inzake eindejaarspremies "enkel toepasselijk zijn op de bedienden die behoren tot één van de omschreven beroepsklassen" hetgeen de niet gebaremiseerde bediende, zoals appellant uitsluit (Cass. 16.1.1989, JTT 1989)en dat de ingeroepen CAO van 29 mei 1989 slechts een coördinatie is van de voornoemde CAO's die door eerstgenoemde CAO werden opgeheven zodat appellant er geen voordeel kan uittrekken. Overwegende dat artikel 5 van deze CAO uitdrukkelijk stelt dat de bepalingen in verband met de eindejaarspremie niet van toepassing zijn op "de onderneming welke in de loop van het jaar een evenwaardig voordeel toekennen, welke ook haar benaming weze, hetzij onder de vorm van een conventionele premie, hetzij ten titel van gift". Overwegende dat het Hof meent dat de door partijen overeengekomen jaarlijkse gobale lonen en jaarlijkse loonsverhogingen de eindejaarspremies omvatten. Zoals verder is uiteengezet, was appellant zelf als algemeen directeur autonoom verantwoordelijk voor de loonadministratie en is hijzelf verantwoordelijk voor de niet-correcte uitbetaling van eindejaarspremie zodat zijn eis dienaangaande niet toelaatbaar is overeenkomstig het adagium nemo auditur. Overwegende dat uit de door partijen gemaakte loonafspraken (inzonder stuk II, 11 en bijlagen van appellant) NERGENS een spoor te vinden is van een recht op eindejaarspremie, welintegendeel de rubiek Any other benefits/Entitlements (enig ander voordeel/aanspraak) is blanco. De betaling van de som van 376.426 F einde december 1996 werd op de individuele rekening ten onrechte betiteld als "eindejaarspremie" en blijkt in feit een aanzuivering te zijn van achterstallige loonverhoging (zie hoger) toegekend door de heer P. op 2 augustus 1996 met ingang op 1 juni 1996 doch nog niet doorgevoerd in de betalingen.
  47. e)Het totaal jaarloon dient overeenkomstig artikel 39 AOW te worden bepaald op: - vast maandloon 294.417 x 12 = 3.533.000 F - dubbel vakantiegeld x 0,8975 = 264.239 F - voordeel bedrijfswagen 15.000 x 12 = 180.000 - verdoken loon 14.314 x 12 = 171.768 F - privé-telefoon 25.000 F - dubbel vakantiegeld (op voordeel bedrijfswagen, verdoken loon en privé-telefoon) 31.397 x 0,8975 = 28.179 F - Verzekering DKV 7.002 x 12 = 84.024 F 4.286.210 F De opzegvergoeding bedraagt 4.286.210 F : 12 x 31 maand (niet betwist) = 11.072.709 F. Het aan appellant verschuldigd saldo is 11.072.709 F 8.878.602 F (reeds betaald -stuk III, 11 appellant) = 2.194.107 F (EUR 54.390,49)
  48. f)Het vakantiegeld einde dienst. Appellant vordert uit deze hoofde een bedrag van 79.269 F (EUR 1965,03) voor vakantiedienstjaar 1997 en 40.602 F (EUR 1006,50) voor vakantiedienstjaar 1998. Overwegende dat de eerste rechter deze vordering gegrond verklaarde ten belope van: - voor 1997: een saldo van 24.561 F - voor 1998: een saldo van 1.892 F Overwegende dat ADT vertrekvakantiegeld betaalde op het voordeel van de bedrijfswagen (ter waarde van 43.200 F). Overwegende dat ADT overeenkomstig artikel 46 van het Vakantiebesluit vertrekvakantiegeld verschuldigd is op de door de bediende verdiende bruto wedde. Dat deze bruto wedde overeenkomstig het Hof van Cassatie betekent: elk voordeel in geld of in geld waardeerbaar toegekend als tegenprestatie voor arbeid (Cass. 4.2.2002, RW 2001-2002, 1356). Het Hof onderschrijft deze rechtspraak. Het KB dd. 18 februari 2003 tot wijziging van artikel 38bis van het Vakantiebesluit was ten tijde van de feiten nog niet in voege en aldus niet toepasbaar in onderhavige zaak. Overwegende dat ons Hof als voordelen (dus loon) beschouwt (zie hoger in dit arrest): - bedrijfswagen 180.000 F/jaar - telefoonkosten 25.000 F/jaar - forfaitaire tegemoetkoming 171.768 F/jaar 376.768 F/jaar (- 43.200 F, weerhouden door ADT = 333.568 F) Overwegende dat appellant gerechtigd is op vertrekvakantiegeld - voor 1997: 333.568 F x 15,18% = 50.536 F - voor 1998: 9.999 F (saldo wagen) + 3.124 f (telefoon) + 21.471 F forfaitaire vergoeding tot 17.2.1998) = 33.594 F x 15,18% = 5.099,50 F Totaal = 55.735,50 F (EUR 1.381,66) 2. De vorderingen achterstallige loonsverhogingen en wettelijke indexeringen Overwegende dat ons Hof aan de hand van de neergelegde stukken vaststelt dat appellant als algemeen directeur bevoegd en belast was met de uitvoering van de loonadministratie ook wat de betaling van zijn eigen loon en voordelen betreft (zie hoger). Hij had binnen de NV de wettelijke en feitelijke bevoegdheid en tevens de verantwoordelijkheid om te waken over de correcte uitbetaling van de lonen, vakantiegelden, premies enz... van de tewerkgestelde werknemers, hemzelf inbegrepen. Enkel over de loonverhogingen of verdienste-bonussen van kaderleden besliste de heer P. , vice-voorzitter van ADT Europa. Met de uitvoering van de loonadministratie was appellant alleen belast zonder inmenging en zonder controle van de heer P. . De eerste rechter oordeelde terecht dat: "De bewering (van appellant) dat niet hij doch de heer V. instond voor de loonadministratie en de contacten met het sociaal secretariaat groep S kan niet als argument worden weerhouden daar hij als algemeen directeur en afgevaardigd bestuurder eindverantwoordelijkheid droeg voor de correcte naleving door de vennootschap van de wettelijke bepalingen. het loon van de heer V. was wel geïndexeerd en uit het getuigenverhoor blijkt duidelijk dat er door de werkgever in casu appellant instructies gegeven werden om bepaalde lonen niet te indexeren. De heer Vevinckt was een bediende, in rechtstreeks ondergeschikt verband met de werkgever waarvan appellant afgevaardigd bestuurder en algemeen directeur was. Dit is dus een loutere arbeidsrelatie, met een volkomen ondergeschikt verband, dat bestaat uit de leiding, het toezicht en de controle door de heer H. , waarvoor deze dan ook de verantwoordelijkheid draagt." Overwegende dat bewezen is dat appellant zijn lonen niet vormelijk indexeerde omdat zijn loonsverhogingen de indexaties naar Belgisch recht ruimschoots omvatten zoals hoger reeds uiteengezet. Via de jaarlijks genoten loonsverhogingen heeft appellant het voordeel van de wettelijk indexeringen naar Belgisch recht genoten. Hij heeft via de heer V. instructie gegeven aan het sociaal secretariaat om geen loonindexeringen van zijn loon te verrichten. Bovendien gaf hij geen (tijdige) instructies om de toegekende loonsverhogingen effectief toe te passen en tijdig de loonsverhogingen uit te betalen. Zoals blijkt uit de stukken, gaf hij af en toe (lukraak) instructies om loonachterstallen te compenseren door betaling van "loonsupplementen", "premies", in 1996 "eindejaarspremie" gedoopt. Als algemeen directeur en aangestelde van de werkgever is appellant strafbaar wegens het niet-tijdig betalen van lonen (art. 42, 1° Loonbeschermingswet), vakantiegelden (art. 54 e.v. van het KB van 28.6.1971 houdende Coördinatie Vakantiewet) en het niet-toepassen van bij algemeen bindend verklaarde CAO's verplichte indexeringen of eindejaarspremies (art. 56 en 57 CAO-wet van 5.12.1968) (Cass. 29.10.1990, RW 90-91, 1052). Hij was als algemeen directeur (aangestelde) wel degelijk bekleed met het gezag en de nodige bevoegdheid om effectief over de naleving van de wet te waken en handelde de iure en de facto autonoom en niet op bevel van anderen zodat deze misdrijven hem toerekenbaar zijn (Cass. 15.9.1981, RW 81-82, 1123). Gelet op de veelvuldigheid aan niet verrichte indexeringen en laattijdige loonsverhogingen zijn deze misdrijven in hoofde van appellant minstens een lichte schuld die eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt, zoals bedoeld in artikel 18 AOW, zodat appellant zich ten onrechte op de aansprakelijkheidsbeperking overeenkomstig artikel 18 AOW beroept. Het begaan van strafbare misdrijven is een schending van de openbare orde. Het adagium nemo auditur turpitudinem suam allegans betekent dat een partij in een geding geen vorderingen kan stellen op grond van door haar gepleegde feiten die strijdig zijn met de openbare orde of goede zeden (het woord turpitudo betekent lelijkheid, slechtheid Geerebaert : Woordenboek Latijn/Nederlands). Appellant vordert heden de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van indexverhogingen, loonsverhogingen, vakantiegelden op bonussen en voordelen en eindejaarspremies die hijzelf (sinds 1982) niet of niet tijdig betaalde, terwijl nochtans hijzelf hiervoor aansprakelijk was. Hij stelt een vordering op grond van feiten die door hem begane en hem toerekenbare misdrijven zijn, d.w.z. feiten die strijdig zijn met de openbare orde. De eerste rechter verklaarde deze vorderingen terecht ontoelaatbaar op grond van het principe nemo auditur. Het Hof stelt bovendien vast dat appellant betaling wenst te bekomen van wettelijke indexeringen terwijl hij de waarde van de wettelijke indexeringen ruimschoots heeft genoten via loonsverhogingen, verder van achterstallige loonverhogingen, terwijl hij deze zelf compenseerde met (lukrake) betalingen van "loonsupplementen" en "premies" enz... Appellant beroept zich aldus op zijn eigen tekortkomingen die strafbare misdrijven zijn met de bedoeling betaling te bekomen van loonindexeringen (8.605.011 F) en achterstallen die hij de facto reeds genoot, wat volgens het Hof gelijk staat met ongeoorloofde verrijking zonder oorzaak. 3. De tegenvorderingen
  49. a)De tegenvordering van onverschuldigde betalingen t.b.v. 4.432.378 F, ingesteld bij besluiten dd. 15 december 1997. Deze vordering is verjaard overeenkomstig artikel 15 AOW voor zover ze betrekking heeft op feiten en betalingen uitgevoerd vóór 15 december 1992. Deze eis vloeit immers voort uit de arbeidsovereenkomst tussen partijen zodat artikel 15 AOW van toepassing is. Overwegende dat de heer H. stukken neerlegt waaruit blijkt dat de "premies" die werden uitbetaald in maart 1994 (66.253 F), oktober 1994 (75.429 F), februari 1994 (94.831 F), juni 1995 (72.976 F) en december 1995 (90.527 F) en die als supplementen loon werden aangeduid op de loonfiches en als "eindejaarspremie van 1996" t.b.v. 376.426 F betaald werden als compensaties voor niet tijdig doorgevoerde loonsverhogingen (Farde II, stuk 6,7,8,9 en Farde 2 stukken 11,12,13,14,15 de door de heer P. toegestane loonsverhogingen). Overwegende dat, zoals reeds hoger in dit arrest uitvoerig werd uiteengezet, de heer H. autonoom instond voor de loonadministratie inbegrepen voor de betaling van zijn eigen loon. Dat hij bevoegd was om de hem toegestane loonsverhogingen, eens zij door de heer P. waren toegekend, eigenhandig door te voeren. Dat hij deze loonsverhogingen blijkbaar laattijdig doorvoerde en op een slordige manier via betalingen van "loonsupplementen". Uit de door hem neergelegde stukken blijkt dat deze supplementen hem evenwel verschuldigd zijn vermits hem loonsverhogingen waren toegezegd door de daartoe bevoegde heer P. , doch deze verhogingen niet tijdig werden betaald. Deze loonsupplementen zijn geen onverschuldigde betalingen. 2. De aansprakelijkheidsvordering overeenkomstig artikel 18 AOW herleid tot 1 BEF (= EUR 0,02). Gezien de aangetekende ingebrekestelling van de heer H. (stukken 5.1) dd. 22 april 1997. Gezien de door ADT neergelegde stukken I, 5.2,5.3,5.4,5.6,5.7,10 en het verslag van de bedrijfsrevisor voor boekjaar 1996 (II, 3). Overwegende dat de vordering, gelet op de aan de heer H. welomschreven verweten feiten (stuk 5.1) en de zeer talrijke stukken die ADT neerlegt m.b.t. deze feiten alsook m.b.t. de door ADT beweerde geleden schade ontvankelijk en toelaatbaar voorkomt. De gedinginleidende akte (in casu besluiten ADT) bevat een volledige en duidelijke opgave van het onderwerp en een voldoende samenvatting van de middelen (art. 702, 3° Ger.Wb.). Op 15 december 1997, inleiding van de tegeneis, had ADT een reeds verkregen en dadelijk belang (art. 18 Ger.Wb.). Haar vordering strekt tot betaling van schadevergoeding wegens de beweerde fouten van de heer H. . Haar vordering berust niet op een hypothese doch op welomschreven feiten. Het feit dat de hoegrootheid van de schade nog niet volledig kon worden begroot ontneemt de vordering haar toelaatbaarheid niet. Overeenkomstig artikel 18 Ger.Wb. is een vordering overigens zelfs toelaatbaar zo zij is ingesteld om de schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen. Het Hof stelt vast dat de tegenvordering in al haar bestanddelen ontvankelijk en toelaatbaar is. Overeenkomstig artikel 15 AOW verjaren de vorderingen die uit arbeidsovereenkomsten ontstaan vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan. Deze verjaringstermijn is uiteraard ook van toepassing op de aansprakelijkheidsvordering gegrond op artikel 18 AOW. In de mate dat de tegenvordering betrekking heeft op feiten die plaatsgrepen op méér dan vijf jaar voor het (geldig) instellen van de vordering (bij besluiten van 18 december 1997, is de tegenvordering inderdaad verjaard zoals de heer H. opmerkt. ADT vordert met synthesebesluiten veroordeling van de heer H. tot betaling van 1 euro t.t.v. schadevergoeding wegens zware fout, bedrog en/of gebeurlijke lichte fout overeenkomstig artikel 18 AOW. Daar ADT deze oorspronkelijke tegeneis uitdrukkelijk herleidde tot 1 BEF en zij deze herleiding voor ons Hof handhaaft, is deze tegeneis heden slechts ontvankelijk t.b.v. 0,02 euro. ADT weerhoudt vijf tenlasteleggingen en vijf bijhorende schadeposten als volgt begroot: 1) Het aanbieden van verkeerde financiële resultaten aan de bedrijfsrevisoren waarvan de schade 955.000 F bedraagt (stukken 5.2) 2) Het laten installeren van systemen zonder duidelijke prijsafspraken, waarvan de schade 1.220.380 F bedraagt (stukken 5.3) 3) Het wanbeleid op sociaal recht en overtredingen die zijn vastgesteld door de sociale inspectie, waarvan de schade, na regularisatie, 9.114.576 F bedraagt (stukken 5.4) 4) Het negeren van wettelijke bepalingen en richtlijnen van toepassing op bedrijven, actief in de bewaking en beveiliging, waarbij de schade moet worden opgedeeld in drie posten: - gemaakte kosten 963.352 F - verlies aan omzetcijfer installaties 63.325.000 F - verlies aan omzetcijfer diensten 60.679.000 F Daarbij komt nog de risicowaarde aan boeten en verbeurt verklaringen van systemen, waarvoor ADT een risico loopt van 163.500.000 F (stukken 5.5) 5) Tenslotte is er ook nog de schade die het gevolg is van het uitschrijven van vervalste certificaten door en onder toezicht van de heer H. waarvoor de effectieve schade op dit ogenblik 1.035.000 F bedraagt. Het betreft hier: - mogelijke vervangkosten systemen 15.525.000 F - mogelijke boeten 31.050.000 F (stukken 5.6) Overwegende dat het Hof aan de hand van de door ADT neergelegde stukken vaststelt dat de feiten 1 t.e.m.5 niet zijn verjaard daar ADT m.b.t. iedere verweten tekortkoming stukken neerlegt van feiten die dateren van 1995,1996 en begin 1997. Feit 1 Overwegende dat het Hof aan de hand van de stukken II,3 bundel ADT, nl. het verslag van de bedrijfsrevisoren en de stukken 5,2 en stukken 10 vaststelt dat bewezen is dat de heer H. verkeerde financiële resultaten meedeelde aan de bedrijfsrevisoren en dat hij meerdere onregelmatigheden beging in de boekhouding, waarvoor hij als general manager nochtans verantwoordelijk was. Het Hof stelt vast dat ADT een zware fout in zijnen hoofde bewijst alsook een schade dientengevolge, bestaande uit de meerkost aan werkuren vanwege de bedrijfsrevisoren om orde op rekeningen te zetten (485.000 F). Feit 2 Dit wordt door ADT niet bewezen door een eenzijdig opgestelde lijst (stuk 5.3a). Feit 3 Het Hof beaamt de vaststellingen en overwegingen van de eerste rechter dienaangaande. Dit feit is een zware fout. ADT bewijst dat zij een aanzienlijke loon regularisatie diende door te voeren (RSZ-facturen) en een intern personeelsmanager diende aan te werven om orde op zaken te stellen in samenspraak met de inspectie Sociale Wetten waarvan zij de kostprijs bewijst (9.114.578 F). Feiten 4 en 5 ADT bewijst aan de hand van stukken dat de heer H. aan verschillende verkopers de opdracht gaf gelijkvormigheidattesten op te maken met verkeerde registratienummers (goedkeuringsnummers). ADT legt ook klachten van klanten neer die geen BVVO-attest ontvingen, hoewel dit hun was beloofd, omdat ADT niet voldeed aan de goedkeuringsvereisten. ADT bewijst haar schade dientengevolge niet met voldoende stukken. Het Hof stelt vast dat ADT wél een zware fout van haar algemeen directeur bewijst. Het uitschrijven van gelijkvormigheidattesten met een wetens en willens verkeerd goedkeuringsnummer en het beloven van BVVO-verzekeringattesten aan klanten voor niet goedgekeurde alarminstallaties zijn een professionele en commerciële fout, daar hij als algemeen directeur verantwoordelijk was voor het naleven van de wettelijke bepalingen bij het afleveren van beveiligingssystemen. xxx Overwegende dat ADT een zware schuld bewijst waarvoor de heer H. aansprakelijk si overeenkomstig artikel 18 AOW, zodat de eerste rechter hem terecht veroordeelde tot betaling van 1 F of 0,02 euro. xxx Er is geen reden voorhanden tot aflevering van een verbeterd document C4. Dit document is juist opgesteld, zoals de eerste rechter reeds vaststelde. ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het hoger hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk. Verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond behoudens wat de ontvankelijkheid van de tegenvordering betreft. verklaart het hoger beroep gedeeltelijk gegrond als volgt, Hervormt het vonnis a quo en opnieuw rechtdoende, Over de oorspronkelijke vordering van de heer H. Verklaart deze ontvankelijk en deels gegrond als volgt: Veroordeelt NV ADT Security Services tot betaling aan de heer B. H. H. van: - EUR 54.390,49 (vierenvijftigduizend driehonderdnegentig euro en negenenveertig cent 2.194.107 BEF) bruto t.t.v. aanvullende opzeggingsvergoeding - EUR 1.381,66 (duizend driehonderd eenentachtig euro en zesenzestig cent 55.735,50 BEF) bruto t.t.v. vertrekvakantiegeld 1997 en 1998 - EUR 1.485,35 (duizend vierhonderd vijfentachtig euro en vijfendertig cent 59.919 BEF) + EUR 657,34 (zeshonderd zevenenvijftig euro en vierendertig cent - 26.517 BEF) netto t.t.v. ten onrechte verrichte inhoudingen op het loon Al deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op de overeenstemmende netto bedragen. - EUR 1.393,24 (duizend driehonderd drieënnegentig euro en vierentwintig cent 56.203 BEF) netto t.t.v. intresten op laattijdig betaald loon en verbrekingsvergoeding. Veroordeelt NV ADT Security Services tot afgifte van aan deze veroordeling aangepaste sociale en fiscale bescheiden. Er is geen reden tot het opleggen van dwangsom. Wijst de hoofdvordering voor het meergevorderde, zijnde achterstallige lonen, vakantiegelden en eindejaarspremie af als zijnde ongegrond. Zegt dat er geen reden is tot afgifte van een verbeterd document C4. Rechtsprekende over de tegeneis van NV ADT Security Services. Verklaart de oorspronkelijke tegeneisen van NV ADT Security Services in hun geheel ontvankelijk. Verklaart de oorspronkelijke tegeneis strekkende tot betaling door de heer B. H. H. van EUR 109.875,78 (4.432.378 BEF) wegens verrijking zonder oorzaak ongegrond. Stelt vast dat NV ADT Security Services haar oorspronkelijke tegeneis, strekkende tot veroordeling van de heer B. H. H. tot betaling van 138.310.310 BEF en 1 BEF provisioneel t.t.v. schadevergoeding wegens zware schuld, bedrog of gewoonlijke lichte schuld overeenkomstig artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet heeft herleid tot 1 BEF of 0,02 euro. Verklaart deze aldus herleide eis gegrond en veroordeelt de heer B. H. H. tot betaling aan de NV ADT Security Services van EUR 0,02 (1 BEF) t.t.v. vergoeding van door zijn zware schuld veroorzaakte schade. Veroordeelt NV ADT Security Services tot de kosten van beide aanleggen, tot op heden als volgt begroot: - voor appellant: - dagvaarding EUR 109,32 - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg EUR 200,79 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 267,73 - voor geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 187,41 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 267,73 Aldus gewezen en uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op negenentwintig oktober tweeduizend en vier. Waren aanwezig: M. VERMAELEN: Raadsheer. P. GROENINCKX: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. M. WAMPERS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041029.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.