← België

ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041122.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 22 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041122.6 Rolnummer: 44143 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-03 19:58 Fiche Zware schuld is in de zin van artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet een onopzettelijke maar dusdanig grove en extreme fout, dat ze niet verschoonbaar is. Het feit dat de ten laste gelegde fout strafrechterlijk kan vervolgd worden is op zichzelf niet dienend om tot het bestaan van zware schuld te besluiten. Een gewoonte blijkt uit een herhaling van foutieve handelingen die wijzen op een zekere geestesgesteldheid van de werknemer. Het moet gaan om een bewuste herhaling van handelingen of nalatigheden van dezelfde aard. De omstandigheden zoals vermeld op de drie ongevalsaangiftes zijnde het achteraan inrijden op een voertuig, het door het rode licht rijden aangezien de bestuurder zou verblind zijn door de zon, en het geen voorrang verlenen aan een bus kunnen niet als een onverschoonbare en zware fout worden aanzien. Zij kunnen op een tijdspanne van 13 maanden en een dagelijkse voltijdse aanwezigheid in het verkeer van Brussel niet aanzien worden als een bewuste herhaling van fouten en evenmin wordt hiervoor het bewijs geleverd dat ze eerder gewoonlijk dan toevallig voorkwamen. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Zware schuld - Drie verkeersongevallen veroorzaakt op 13 maanden tijd door een voltijdse ziekenwagenchauffeur in het Brusselse stadsverkeer leveren nog geen bewijs van een zware schuld zoals voorzien in art. 18 Arbeidsovereenkomstenwet. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 18 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN 22 NOVEMBER

  1. 5de KAMER Arbeidscontract Op tegenspraak Definitief INZAKE : N.V. MEDICAL ASSISTANCE, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1190 BRUSSEL, Van Volxemlaan 400-
  2. Appellante en geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr R. VAN DE PUT, advocaat te Brussel. TEGEN : V. N. J., Geïntimeerde en appellant op incidenteel beroep, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mr E. SWYSEN, advocaat te Brussel. x x x Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken der rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de vierde kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel d.d. 3 december 2002; - de betekening van voormeld vonnis bij deurwaardersexploot van 24 maart 2003; - het beroepsverzoekschrift ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 22 april 2003; - de besluiten, aanvullende en synthesebesluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 25 oktober 2004, waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de neergelegde stukken. x x x Feiten en procedurevoorgaanden De heer V. N. was in dienst van N.V. Medical Assistance vanaf 1 november 1995 als chauffeur van ziekenwagens krachtens arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Bij schrijven van 25 mei 1998 beëindigde N.V. Medical Assistance zijn arbeidsovereenkomst mits een opzegtermijn van 28 dagen aanvangend op 1 juni
  3. Op 30 juni 1998 stelde N.V. Medical Assistance een onmiddellijk einde aan de arbeidsovereenkomst met betaling van een opzegvergoeding gelijk aan de resterende duur van de opzegtermijn. De heer V. N. liet een onderzoek uitvoeren door de inspectie van sociale wetten bij N.V. Medical Assistance waarna het proces verbaal werd opgemaakt wegens het niet naleven van de CAO van 12 oktober 1987 met betrekking tot de vermindering van de arbeidsduur in het Paritair Comité 305.02 evenals het niet naleven van de CAO van 26 januari 1992 met betrekking tot de loon en arbeidsvoorwaarden. N.V. Medical Assistance verzoekt bij schrijven van 1 oktober 1998 van haar sociaal secretariaat betaling van een schadevergoeding voor de verkeersongevallen die de heer V. N. met zijn dienstwagen heeft veroorzaakt. Bij schrijven van 18 november 1998 maakt de heer V. N. aanspraak op diverse achterstallen alsook op een vergoeding wegens willekeurig ontslag. Vervolgens gingen partijen over tot dagvaarding en N.V. Medical Assistance vordert veroordeling tot betaling van de som van 15.552,29 EUR ten titel van vergoeding van ongevalschade aan ziekenwagens, meer de moratoire intresten sedert de datum van in gebrekestelling en de gerechtelijke intresten. Bij dagvaarding van vier dagen later vordert de heer V. N. veroordeling tot betaling van : - 1.576,18 EUR ten titel van de loonregularisatie over de gehele periode van tewerkstelling, - 882,58 EUR ten titel van overuren, - 406,05 EUR ten titel van achterstallig loon over de periode van 1 januari 1998 tot 29 juni 1998, - 40,15 EUR ten titel van saldo contractbreukvergoeding, - 107,29 EUR ten titel van loonsaldo juni 1998 twee dagen om ander werk te zoeken, - 107,29 EUR ten titel van loonsaldo in juni 1998 twee dagen welke ten onrechte als jaarlijks verlof werden geboekt, - 53,64 EUR ten titel van loon voor de feestdag van 21 juli 1998, - 223,10 EUR ten titel van saldo premie juni 1998, - 6.625,05 EUR ten titel van vergoeding wegens willekeurig ontslag, bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten en de gerechtelijke intresten. Met het bestreden vonnis voegt de Arbeidsrechtbank de twee zaken samen op grond van artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek. De vordering tot achterstallig loon werd gegrond verklaard nu sectoriële CAO's uitdrukkelijk voorzien in een directe premie voor onregelmatige prestaties op zondagwacht en ononderbroken dienst naast en bovenop de voormelde minimumlonen. Met betrekking tot de overuren en de feestdag van 21 juli 1998 gedraagt N.V. Medical Assistance zich naar de wijsheid van de rechtbank . De vorderingen komen voor als gegrond . Nu de heer V. N. betwist dat hij akkoord was met betrekking tot de afschaffing van zijn maaltijdcheques en dit feit niet met voldoende zekerheid door getuigen kan worden bewezen is het bedrag van de achterstallige maaltijdcheques verschuldigd evenals de aanvullende opzegvergoeding. Het ontslag is niet willekeurig aangezien dit verband houdt met diens gedrag, nl. het plaatshebben van 3 verkeersongevallen, waarvan er minstens 2 door zijn fout waren veroorzaakt en ter gelegenheid hiervan gesprekken hadden plaatsgevonden tussen de directie en de heer V. N. waarin hij werd terechtgewezen. x x x Beoordeling
  4. Ontvankelijkheid van het hoger beroep en het incidenteel beroep Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. Het is derhalve ontvankelijk. Appellante berust in de veroordeling wegens betaling van 882,58 EUR t.t.v. overuren, 50,97 EUR t.t.v. vergoeding van de feestdag van 21 juli 1998 en 223,10 EUR ter vergoeding van het saldo premie
  5. Deze vorderingen behoren niet meer tot de saisine van het Hof. Met beroepsbesluiten neergelegd ter griffie van het Arbeidshof d.d. 24 mei 2004 stelt de heer V. N. incidenteel beroep in en verzoekt hij om de gegrondverklaring van zijn oorspronkelijke vorderingen m.b.t. het loonsaldo juni 1998 en het willekeurig ontslag, meer de wettelijke en gerechtelijke interesten. Het incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk. x x x
  6. Ten gronde Artikel 18 van de Wet op de Arbeidsovereenkomsten N.V. Medical Assistance vordert de betaling door de heer V. N. van de schade die zij geleden heeft naar aanleiding van vier verkeersongevallen in een periode van dertien maanden waarin hij als bestuurder schade heeft berokkend aan de bedrijfsvoertuigen van N.V. Medical Assistance, en dit op grond van artikel 18 van de wet op de arbeidsovereenkomsten. De heer V. N. erkent slechts betrokken te zijn bij drie verkeersongevallen. Daarenboven gelden de facturen niet als bewijs van aansprakelijkheid in zijn hoofde. Er werd geen tegensprekelijke expertise gehouden, en de aansprakelijkheid van partijen werd niet bepaald. x x x Artikel 18 op de wet op de arbeidsovereenkomsten luidt : " Ingeval de werknemer bij de uitvoering van zijn overeenkomst de werkgever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is hij enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt." Zware schuld is in de zin van artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet een onopzettelijke maar dusdanig grove en extreme fout, dat ze niet verschoonbaar is ( Arbeidshof Antwerpen 11 oktober 1993,TSR 94,431). Het feit dat de ten laste gelegde fout strafrechterlijk kan vervolgd worden is op zichzelf niet dienend om tot het bestaan van zware schuld te besluiten. Een gewoonte blijkt uit een herhaling van foutieve handelingen die wijzen op een zekere geestesgesteldheid van de werknemer. Het moet gaan om een bewuste herhaling van handelingen of nalatigheden van dezelfde aard. De omstandigheden zoals vermeld op de drie ongevalsaangiftes zijnde het achteraan inrijden op een voertuig, het door het rode licht rijden aangezien de bestuurder zou verblind zijn door de zon, en het geen voorrang verlenen aan een bus kunnen niet als een onverschoonbare en zware fout worden aanzien . Zij kunnen op een tijdspanne van 13 maanden en een dagelijkse voltijdse aanwezigheid in het verkeer van Brussel niet aanzien worden als een bewuste herhaling van fouten en evenmin wordt hiervoor het bewijs geleverd dat ze eerder gewoonlijk dan toevallig voorkwamen. De heer V. N. reed dagelijks en voltijds met een ziekenwagen in het verkeer te Brussel. De drie verkeersongevallen zijn van een verschillende aard met verschillende inbreuken op de wegcode. Er blijkt geen roekeloos rijgedrag uit. Het dagelijks verkeer te Brussel is per definitie reeds gevaarlijk met reële mogelijkheid voor iedere normale wegbestuurder betrokken te zijn in een verkeersongeval. Volledig ten overvloede stelt het Arbeidshof vast dat het bewijs slechts voorligt van drie verkeersongevallen met name 10 februari 1997, 19 juli 1997 en 6 maart
  7. De ingebrekestellingen, opgesteld in de Franse taal, zijn absoluut nietig op grond van het 59 van het Koninklijk Besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in de bestuurszaken, temeer daar de heer V. N. te L. woont, hijzelf zijn werkgever aanschrijft in het nederlands (stuk 5 bundel V. N. en ook zijn raadsman mededeelde dat zijn kliënt de inhoud van de brieven niet begrijpt). Het hoger beroep komt voor als niet gegrond. x x x Loonregularisatie Volgens appellante dient het betaalde uurloon verhoogd te worden met de maandelijkse premie hetgeen vervolgens resulteert in een basisuurloon dat minstens gelijk is aan de minimumlonen in de sector. Er werden geen onregelmatige prestaties op zondag of 's nachts verricht. Geïntimeerde betwist dit formeel en roept in dat de betaling van de maandelijkse premies betrekking hebben op de vergoeding van wacht, nacht en zondag en onderbroken diensten. Bijgevolg betaalde appellante een loon onder het in de CAO gewaarborgde minimumuurloon en is loonregularisatie verschuldigd. Het Arbeidshof stelt vast dat de Arbeidsrechtbank de feitelijke en juridische argumenten van de partijen grondig heeft onderzocht vooraleer op uitvoerige wijze overtuigend en gemotiveerd te beslissen de vordering gegrond te verklaren. Het Arbeidshof houdt deze overwegingen van de Arbeidsrechtbank hier uitdrukkelijk als herhaald. Ten overvloede wordt hieraan toegevoegd dat de artikelen 3 en 15 van de arbeidsovereenkomst voorzien in respectievelijk de mogelijkheid van presteren van onderbroken dienst en het verzekeren van wachten. Artikel 4 van de arbeidsovereenkomstenwet voorziet eveneens in een forfait voor onregelmatige prestaties bovenop het basisuurloon..Daarenboven variëren de premies maandelijks en heeft de werkgever de verplichting de loonfiches klaar en doorzichtelijk op te stellen met afzonderlijke vermelding van het basisuurloon per uur en de maandelijkse premies zodat hij achteraf moeilijk beide verschillende loontoekenningsgronden met verschillende codes kan vermengen om het minimum gegarandeerd uurloon te berekenen. Appellante bewijst op geen enkele wijze dat er geen premies wegens onregelmatige prestaties verschuldigd waren en bijgevolg kan haar redenering niet worden gevolgd. x x x Het achterstallig loon over de periode van 1.1.98 tot 29.6.98 en het saldo contractbreukvergoeding voor maaltijdcheques De eerste rechter heeft terecht gesteld dat het akkoord van de heer V. N. m.b.t. de afschaffing van de maaltijdcheques niet werd bewezen, en evenmin met voldoende zekerheid door getuigen kon worden bewezen, zodat appellante deze niet eenzijdig kon herroepen. Het niet uiten van een protest tijdens de dienstbetrekking in ondergeschikt verband kan niet als akkoord gelden. Het hoger beroep komt voor als ongegrond. x x x Loonsaldo voor 2 dagen sollicitatieverlof Appellante verwijt de eerste rechter dat deze geen rekening hield met het feit dat de heer V. N. slechts op vrijdag 5 juni te 17 u verwittigde dat hij op maandag 8 juni afwezig zou zijn wegens sollicitatieverlof. De werkgever mag het recht van de bediende om tijdens de opzeggingstermijn afwezig te zijn om een nieuwe dienstbetrekking te zoeken niet beperken door de bediende ertoe te verplichten vooraf toelating te vragen om afwezig te mogen zijn of te bewijzen dat hij van de afwezigheid gebruik heeft gemaakt om een nieuwe dienstbetrekking te zoeken ( Cass 3 .11.1976,A.C.1976 1977,256). Het effectief doch in ogen van appellante laat verwittigen van het sollicitatieverlof is in casu geen rechtsmisbruik of is niet van aard het recht op loon ongedaan te maken. x x x Het incidenteel beroep Loon voor 2 dagen verlof in juni 1998 De heer V. N. tekent incidenteel beroep aan omdat de werkgever 2 dagen verlof heeft vermeld daar waar hij in de maand juni geen vakantie heeft genomen, doch 2 dagen recuperatie. De eerste rechter stelde terecht vast dat er door de heer V. N. geen loonfiche wordt voorgelegd evenmin als een specificatie van de dagen waarop de vordering betrekking heeft. Dit blijtft gelden voor de procedure in hoger beroep. Er worden geen verdere grieven aangehaald tegen het eerste vonnis. N.V. Medical Assistance roept terecht in dat de heer V. N. geen dagen van wacht bewijst waardoor hij het recht opent op recuperatie. x x x Willekeurig ontslag Volgens artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 wordt onder een willekeurig ontslag verstaan, het ontslag van een werkman die is aangeworven voor een onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of de dienst. In het Belgisch arbeidsovereenkomstenrecht bestaat er in principe geen verplichting van de werkgever om het ontslag te motiveren. De redenen waarop het ontslag steunt, dienen niet noodzakelijk op het ogenblik van het ontslag medegedeeld te worden. Het volstaat dat ze worden medegedeeld en bewezen nadat de ontslagen werknemer het willekeurig karakter van de afdanking heeft ingeroepen, hetgeen ook tijdens de procedure kan gebeuren. De toepassing van artikel 63 W.A.O. hangt namelijk af van de verklaring van de werkman dat het ontslag willekeurig is. Bij betwisting behoort het de werkgever het bewijs te leveren van de door de wet opgesomde motieven van ontslag . Eenzijdige beweringen van de werkgever kunnen niet als bewijs gelden. De werkgever zal de redenen waarop het ontslag steunt, dienen te bewijzen. Hij dient daartoe de nodige elementen bij te brengen om de rechter toe te laten zijn toetsingsbevoegdheid uit te oefenen . De rechter moet kunnen nagaan of de ingeroepen redenen wel degelijk bestaan, niet vals zijn of voorgewend. De werkgever behoudt nochtans een ruime beleidsvrijheid bij het bestuur van de onderneming en bij het nemen van een ontslagbeslissing en het beoordelen van de opportuniteit ervan, binnen de grenzen van artikel 63 van de wet van 3 juli
  8. Bij de beoordeling dient steeds rekening te worden gehouden met de specifieke omstandigheden van het ontslag. Artikel 63 WAO vereist niet dat het gedrag foutief moet zijn (Cass 7 mei 2001, JTT 2001, 407 met noot van Cl.Wantiez). Feiten en omstandigheden die geen fout van de werknemer impliceren kunnen een ontslag niet willekeurig maken (Cass 6 juni 1994, RW 94 95, 996 en Cass 22.01.1996, JTT 1996, 236). De rechter kan zijn beslissing niet alleen steunen op de door de werkgever opgegeven en bewezen redenen, maar ook op andere regelmatig aangebrachte gegevens die, hoewel door de werkgever niet als reden voorgesteld, volgens de rechter mee bij het ontslag hebben voorgezeten en verband houden met het gedrag of de geschiktheid van de werknemer of berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of dienst (Cass 15.06.1988 JTT 1989, 6 met noot). Het eisen van een aan het ontslag voorafgaande verwittiging nopens het gedrag van de werkman om het ontslag als niet willekeurig te aanzien is een vereiste toevoegen die artikel 63 W.A.O. niet stelt. In casu roept de heer V. N. terecht in dat de diverse in gebrekestellingen, opgesteld in de Franse taal, waartegen de raadsman van de heer V. N. bij schrijven van 9 maart 1998 in de Nederlandse taal, mededeelde dat zijn cliënt de inhoud ervan niet begreep, nietig zijn ex nunc wegens inbreuk op artikel 52 van het Koninklijk Besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in de bestuurszaken, zeker nu de heer V. N. woonachtig is te Lennik en de werkgever niet meer kon twijfelen dat de heer V. N. behoorde tot haar nederlandstalig personeel. Het is echter zinloos nog tot vertaling van de te vervangen stukken over te gaan. Het gedrag van de heer V. N. blijkt echter ook uit de ingebrekestelling, d.d. 1.10.1998 en 20 oktober 1998, gericht aan de heer V. N. door het Sociaal Secretariaat van appellante in de nederlandse taal, evenals uit de aangiftes van ongeval d.d. 10.2.1997 en 19.07.1997 dat minstens 2 verkeersongevallen toerekenbaar zijn aan geïntimeerde (bij gebrek aan bewijs van het defect en verblind zijn door de zon), minstens de voertuigen bestuurd door geïntimeerde als chauffeur op 13 maanden tijd een schade hadden van 627.387 fr. hetgeen dan weer de noodwendigheden van de onderneming raakt. Het ontslag is bijgevolg niet willekeurig en het incidenteel hoger beroep niet gegrond. x x x OM DEZE REDENEN : En al deze hierin impliciet vervat; Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Rechtsprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch niet gegrond; Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk doch niet gegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in al haar beschikkingen; Veroordeelt appellante tot de kosten van het geding; Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot : - voor appellante partij : niet begroot, - voor geïntimeerde partij : _ 273,67 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 22 november 2004, waar aanwezig waren : Mevr. B. CEULEMANS, Raadsheer, De Heren : I. VAN DAMME, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van de heer J. VAN HOLM, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 Ger. W.) , D. REGA, Raadsheer in sociale zaken als werknemer - arbeider, aangeduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van de heer P. MANS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer - arbeider, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 Ger. W.) , D. DE RAEDT, Griffier, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041122.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.