id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 23 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041123.4 Rolnummer: 44424;44520 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-04-14 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-03 19:59 Fiche Overeenkomstig artikel 702 Gerechtelijk Wetboek kan de vermelding van een verkeerde identiteit leiden tot nietigheid van de dagvaarding. Die bepaling schrijft immers voor dat de identiteit van de gedaagde dient te worden vermeld op straffe van nietigheid. Het betreft echter geen absolute nietigheid, zodat de gedaagde partij belangenschade dient te bewijzen overeenkomstig artikel 861 Gerechtelijk Wetboek opdat de nietigheid zou kunnen worden uitgesproken. Die belangenschade zou kunnen bestaan in de schending van het recht van verdediging. Het Hof stelt vast dat de vennootschappen FEDERAL EXPRESS EUROPE INC & Co. VOF en FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc hun maatschappelijke zetel hadden op hetzelfde adres en tot dezelfde groep behoorden. De door de gerechtsdeurwaarder bijgebrachte bijzonderheden tonen aan dat op het gemeenschappelijk adres van de maatschappelijke zetel slechts aankondigingen werden aangebracht onder de benaming FEDEX voor beide vennootschappen en dat er zich slechts één enkele brievenbus bevond. Ook hun briefpapier vermeldde als brievenhoofd "FEDEX" en heeft dezelfde lay-out. Er bleek slechts een gemeenschappelijke onthaaldienst te zijn waar het dagvaardingsexploot in ontvangst werd genomen. Uit de motivering van de dagvaarding blijkt duidelijk dat als werkgever de FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc werd aangewezen. Dit was van meetaf aan duidelijk voor elk van beide op het adres gevestigde vennootschappen. Zulks blijkt uit het feit dat de in eerste aanleg neergelegde conclusies in ondergeschikte orde de verdediging van de vennootschap FEDERAL EXPRSS EUROPEAN SERVICES Inc.voordragen en dat de stukken van die vennootschap m.b.t. de tewerkstelling werden neergelegd. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Verkeerde identiteit vermeld in de dagvaarding - Geen absolute nietigheid - Belangenschade dient aangetoond. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 702 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN 23 NOVEMBER
- 3e KAMER Bediendecontract Op tegenspraak Heropening der debatten op 22 maart 2005 om 14 uur. In de zaak : A.R. nr. 44.424 : Meester J. -P. de M. , gerechtsdeurwaarder Appellant, vertegenwoordigd door Mter P. Depuydt, advocaat te 1050 Brussel; Tegen :
- De Heer H. L., gedomicilieerd in Frankrijk, woonstkeuze gedaan hebbende ter kantoor van Mter Lucie Schuind, advocaat met kantoor te 1050 Brussel, Armand Huysmanslaan, 197, 1ste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter L. Schuind, advocaat te 1050 Brussel;
- FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES INC., vennootschap naar Amerikaans recht, met Belgische zetel thans gevestigd te 1000 Brussel, Sint-Goedeleplein, 14,
- DE VOF FEDERAL EXPRESS EUROPE INC. & C°, met zetel thans gevestigd te 1000 Brussel, Sint-Goedeleplein, 14,
- FEDERAL EXPRESS CORPORATION, vennootschap naar Amerikaans recht, met zetel gevestigd te Memphis TN 381.94 (USA), P.O. Box 727, 2de, 3de en 4de geïntimeerde partijen,vertegenwoordigd door Mter N. Luyten loco Mter P. Sculier, advocaat te 1050 Brussel; In de zaak: A.R. nr. 44.520 : De Heer H. L., gedomicilieerd in Frankrijk, woonstkeuze gedaan hebbende ter kantoor van Mter Lucie Schuind, advocaat, met kantoor te 1050 Brussel, Armand Huysmanslaan, 197, Appellant, vertegenwoordigd door Mter L. Schuind, advocaat te 1050 Brussel; Tegen :
- FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES INC., vennootschap naar Amerikaans recht, met Belgische zetel thans gevestigd te 1000 Brussel, Sint-Goedeleplein, 14,
- DE VOF FEDERAL EXPRESS EUROPE INC. & C°, met zetel thans gevestigd te 1000 Brussel, Sint-Goedeleplein, 14,
- FEDERAL EXPRESS CORPORATION, vennootschap naar Amerikaans recht, met zetel gevestigd te Memphis TN 381.94 (USA), P.O. Box 727, 1ste, 2de en 3de geïntimeerde partijen, vertegenwoordigd door Mter N. Luyten loco Mter P. Sculier, advocaat te 1050 Brussel; In aanwezigheid van : Meester J. -P. de M. , gerechtsdeurwaarder Betrokken partij, vertegenwoordigd door Mter P. Depuydt, advocaat te 1050 Brussel; Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van een vonnis van 16 januari 2003 van de Arbeidsrechtbank te Brussel tussen partijen op tegenspraak gewezen; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op10 juli 2003 in de zaak A.R. nr. 44.424 en op 13 augustus 2003 in de zaak A.R. nr. 44.520; - de besluiten van partijen; - gelet op de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 26 oktober 2004; RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING De Heer L., van Amerikaanse nationaliteit, trad in 1996 als Senior Financial Analist in dienst van FEDERAL EXPRESS CORPORATION te Memphis. Hij werd tewerkgesteld in de afdeling International Forecasting Group voor de lange termijn voorspellingen en het 2000-project. Vanaf februari 1998 werd hij naar België gedetacheerd bij de vennootschap FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES, een coördinatiecentrum gevestigd te Melsbroek. Vanaf 10-7->98 werd hij als Forecasting manager EMEA (Europa, Midden Oosten, Afrika) aangesteld bij FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc. De vennootschap FEDERAL EXPRESS CORPORATION bleef zijn loon doorbetalen. Hij werkte 4 dagen per week te Melsbroek en 1 dag per week voor FEDERAL EXPRESS in Parijs. Vanaf 1-11->98 werd hij door FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc. aangeworven met het oog op een permanente tewerkstelling als AManager Forecasting Group@. Vanaf dan werd de Heer L. onderworpen aan de Belgische Sociale Zekerheid. FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc. zou zelf zijn loon uitbetalen en de arbeidsovereenkomst zou volledig onder toepassing vallen van het Belgisch recht. Het loon werd bepaald op een bedrag van 178.000 F. Daarnaast zou de Heer L. nog een woningvergoeding ontvangen t.b.v. 26.700 F per maand en een onkostenvergoeding t.b.v. 23.852 F per maand. Er werd ook een overplaatsingsvergoeding voorzien t.b.v. 178.000 F Op 13-11->98 beëindigde de vennootschap FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc. de overeenkomst met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van 3 maanden t.b.v. 534.000 F bruto wegens onaanvaardbare professionele tekortkomingen bij de opvolging van essentiële taken en verantwoordelijkheden. De Heer L. tekende tegen die beslissing intern beroep aan volgens de Guaranteed Fair Treatment Procedure die binnen de onderneming gold. Op 11-3-1999 bevestigde de voorzitter van Europa, Midden-Oosten en Afrika (EMEA), de Heer R.W.E. hem dat hij een ernstige professionele fout had begaan en hij hem niet langer bekwaam achtte een managementfunctie uit te oefenen. Hij bood hem aan hem opnieuw tewerk te stellen als Senior Financial Analyst omdat de ontslagprocedure van GFT niet correct werd gevolgd. Om de verdere modaliteiten te bespreken diende de Heer L. contact op te nemen met de Heer B. . De Heer L. beschouwde dit voorstel als een degradatie en wenste er niet op in te gaan . De Heer B. stelde voor hem een aanvullende opzeggingsvergoeding te betalen gelijk aan 19.831,48 Euro voor slot van alle rekeningen. Partijen bereikten geen akkoord over het ontwerp van dadingsovereenkomst. Op 15-6->99 schreef de vennootschap hem dat alle voorheen gedane voorstellen vervielen daar de Heer L. naliet een definitief standpunt in te nemen. Op 2-11->99 werd door tussenkomst van gerechtsdeurwaarder de M. dagvaarding betekend aan FEDERAL EXPRESS EUROPE INC & Co. VOF FEDERAL EXPRESS CORPORATION vennootschap naar Amerikaans recht met zetel te Memphis (Verenigde Staten.) De gerechtsdeurwaarder de M. kwam vrijwillig tussen in het geding. De Arbeidsrechtbank oordeelde dat niet kon betwist worden dat de Heer L. de bedoeling had zijn werkgever, de FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES te dagvaarden die evenwel niet betrokken werd in het geding. Aangezien de dagvaarding werd betekend aan de vennootschap FEDERAL EXPRESS EUROPE Inc. & Co. VOF die de werkgever niet was en daarover ook geen twijfel bestond in hoofde van de Heer L., verklaarde ze de vordering voor zover tegen die vennootschap gericht onontvankelijk. Zij achtte de gerechtsdeurwaarder verantwoordelijk voor de begane vergissing. De vordering gericht tegen FEDERAL EXPRESS CORPORATION achtte zij eveneens onontvankelijk in de mate dat de Heer L. op het ogenblik van het ontslag geen werknemer meer was van die vennootschap daar hij vanaf 1-11->98 in dienst trad van FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc. en geen enkel bewijs voorlag dat die vennootschap nog werkgeversgezag over hem uitoefende. De vordering van gerechtsdeurwaarder de M. verklaarde zij ontvankelijk doch ongegrond. Zij veroordeelde de Heer L. tot de kosten van het geding. VOORWERP VAN DE HOGERE BEROEPEN. Zowel gerechtsdeurwaarder de M. als de Heer L. stelden hoger beroep in tegen de beslissing van de Arbeidsrechtbank. Beiden lieten hun hoger beroep eveneens betekenen aan de vennootschap FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc. Zij waren van oordeel dat die vennootschap geldig was bereikt door de oorspronkelijke dagvaarding hetgeen ze ook reeds voor de Arbeidsrechtbank voorhielden. De Heer de M. verzoekt het Hof zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg het bestreden vonnis te hervormen en voor recht te zeggen dat het dagvaardingsexploot van 2-11-1999 op rechtsgeldige wijze FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc. voor de Arbeidsrechtbank had gebracht en derhalve vast te stellen dat die vennootschap ter zake aanwezige procespartij was, die vennootschap te veroordelen tot de kosten in hoger beroep en over de kosten in eerste aanleg uitspraak te doen als naar recht. De Heer L. verzoekt het Hof eveneens het beroepen vonnis te hervormen en doende hetgeen de eerste rechter had behoren te doen, De vorderingen van de Heer L. lastens FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES INC. en FEDERAL EXPRESS CORPORATION ontvankelijk en gegrond te verklaren, Deze vennootschappen te veroordelen hoofdelijk, gezamenlijk of de ene bij gebreke aan de andere tot betaling aan de hem van : - overplaatsingsvergoeding : 4.413 EUR netto, - salaris vanaf 14 november 1999 tot en met 24 maart 1999 : ofwel de tegenwaarde in Euro aan de hoogste koers op de datum van betaling van 14.842 USD netto ofwel 19.120,85 EUR (771.333,-F.) bruto + 5.430,33 EUR (219.059,-F.) netto, - pro rata dertiende maand, ofwel de tegenwaarde in Euro aan de hoogste koers op de datum van betaling van 4.996 USD netto ofwel 4.780,20 EUR (192.833,-F.) bruto + 1.357,56 EUR (54.764,-F.) netto, - vertrekvakantiegeld : provisie van 2.500 EUR bruto, met veroordeling van geïntimeerden de preciese afrekening op te stellen, - de aanvullende opzeggingsvergoeding : ofwel de tegenwaarde in Euro aan de hoogste koers op de datum van de betaling van 20.478 USD netto ofwel 26.475 EUR bruto + 7.518,90 EUR netto, onder deductie van 13.237,51 EUR bruto - abusief ontslag : 8.676 EUR -morele schade : 2.500 EUR vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten met kapitalisatie op 15 november 2000, 5 juli 2002 en 31 maart 2004 en de gedingkosten. De vennootschap FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc. legde conclusies neer waarin zij het Hof verzoekt het hoger beroep tegen haar gericht ontoelaatbaar en onontvankelijk te verklaren, het vonnis a quo te bevestigen en derhalve, " - De gehele vordering onontvankelijk te verklaren t.o.v. FEDERAL EXPRESS EUROPE INC. & C° VOF en FEDERAL EXPRESS CORPORATION aangezien de Heer L. op het moment van zijn ontslag uitsluitend en exclusief tewerkgesteld was door het Belgisch coördinatiecentrum FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES INC., die geen processuele partij is noch in eerste aanleg noch in hoger beroep; - De Heer L. te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding. In ondergeschikte orde - Minstens de vordering inzake de overplaatsingsvergoeding onontvankelijk te verklaren; - Vervolgens voor zover het Arbeidshof van mening zou zijn dat het hoger beroep toch ontvankelijk en toelaatbaar is t.a.v. concludente, dan nog dienen alle onderdelen van de vordering ongegrond verklaard te worden omwille van hogervermelde redenen met uitzondering van een bedrag van hoogstens 992,81 EUR bruto ten titel van aanvullende opzeggingsvergoeding; - De Heer L. te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding; - Te zeggen voor recht dat de intresten ten hoogste kunnen verschuldigd zijn op de netto bedragen doch slechts tot 15 november 2000; - De kapitalisatie geenszins toe te staan." BEOORDELING
- De naleving van de conclusietermijnen Op de inleidingszitting van de zaak ingeleid door de Heer de M. (AR nr. 44.424) werd de zaak verdaagd naar de datum waarop het hoger beroep van de Heer L. werd ingeleid (AR nr. 44520). Op die zitting van 2-12-03 werden de beide appellanten en de vennootschappen FEDERAL EXPRESS EUROPE INC & Co. VOF en FEDERAL EXPRESS CORPORATION vertegenwoordigd door hun raadslieden. Er werden conclusietermijnen afgesproken als volgt : - eerste conclusie de Heer de M. : uiterlijk 2 februar 2003, - eerste conclusie voor FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES INC.& C°, VOF en FEDERAL EXPRESS CORPORATION : uiterlijk 2 maart 2004, - eerste conclusie voor de Heer L. : uiterlijk 2 april 2004, - aanvullende conclusie de Heer de M. : uiterlijk 2 mei 2004, - aanvullende conclusie voor FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES INC. & C°, VOF EN FEDERAL EXPRESS CORPORATION : uiterlijk op 2 juni 2004, - aanvullende conclusie de Heer L. : uiterlijk 2 juli 2004, - 2de aanvullende (synthese) conclusie de Heer de M. : uiterlijk 2 augustus 2004, - 2de aanvullende (synthese) conclusie voor FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES INC. & C°, VOF en FEDERAL EXPRESS CORPORATION : uiterlijk 2 september
- Daarop werd de zaak vastgesteld voor pleidooien op de zitting van 26-10-
- Voor de vennootschappen FEDERAL EXPRESS EUROPE INC & Co. VOF en FEDERAL EXPRESS CORPORATION werden voor de eerste maal conclusies neergelegd op 1-4-04, hetzij een maand na de overeengekomen datum. Op de zitting bevestigen zij dat de overlegging van die conclusies evenmin gebeurde op de datum die op de inleidende zitting was overeengekomen. De aanvullende conclusies die nadien voor die vennootschappen werden genomen werden wel tijdig neergelegd. Appellanten verzoeken dat alle conclusies die voor die vennootschappen werden neergelegd uit de debatten zouden worden geweerd op grond van art 747 ,§ 2 Gerechtelijk Wetboek. Zij merken op dat de aanvullende conclusies voornamelijk een herneming zijn van de eerste conclusies. De vennootschappen betwisten dat toepassing zou kunnen gemaakt worden van de bepaling van art 747 ,§ 2 Gerechtelijk Wetboek. Zij stellen dat daartoe, volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie een beschikking van de rechter vereist is waarin de door partijen afgesproken conclusietermijnen worden geacteerd. In een arrest van 8-6-1995 (Arr.Cass.=95, 284 p.575) heeft het Hof van Cassatie beslist dat wanneer partijen op de inleidingszitting of op een latere zitting conclusietermijnen afspreken en daarvan akte vragen aan de rechter, dit voor gevolg heeft dat de bepaling van art 747 ,§ 2 Gerechtelijk Wetboek van toepassing is en de conclusies die na de vastgestelde vervaldag worden neergelegd uit de debatten moeten worden geweerd. Het Hof van Cassatie bevestigde dit in een arrest van 1-6-2001 (Pas. 01, I,1031). In dat arrest wees het Hof het middel af dat de vennootschappen in huidige zaak inroepen. Het is daarbij niet van belang of de laattijdige neerlegging de tegenpartij heeft gegriefd (Cass. 18-5-2000 Arr.Cass. 2000, 305 p 937). De conclusies moeten uit de debatten worden geweerd daar zij een herneming zijn van de hoofdconclusies en ingaan tegen het systeem dat de wetgever heeft uitgedacht om de debatten te vergemakkelijken en te bespoedigen (Cass,. 22-3-2001 met conclusie van Adv. Gen. Deriemaeker, Pas. 2001, 155.; Krings, Het optreden van de rechter bij het in staat stellen van het Rechtsgeding in Liber Amicorum J.Ronse; J.Englebert, sanctions et pouvoir du juge dans la mise en état des causes, Kluwer >97 n°75-78; G. de Leval, La mise en état de la cause in Le nouveau droit judiciaire privé, Larcier =94 p 78-79). De conclusie van de vennootschap FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc. die niet gebonden was door enig akkoord omtrent conclusietermijnen kan wel in aanmerking worden genomen evenals de conclusie van appellant de M. die als antwoord daarop werden neergelegd.
- Ontvankelijkheid van de hogere beroepen. Beide hogere beroepen zijn regelmatig naar vorm en werden ingesteld binnen de door de wet bepaalde termijn. Zij zijn derhalve ontvankelijk voor zover gericht tegen de in eerste aanleg verschenen partijen. Of het hoger beroep gericht tegen de vennootschap FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc ontvankelijk is hangt af van het antwoord op de vraag of die vennootschap rechtsgeldig voor de Arbeidsrechtbank werd gedaagd door de dagvaarding van 2-11'-99, zoals appellanten voorhouden. Er kan immers slechts hoger beroep worden ingesteld tegen wie procespartij was in eerste aanleg en in die procedure behoorlijk werd opgeroepen. Hoger beroep kan niet tegen derden worden ingesteld. De achterliggende reden hiervoor is dat de appellant geen belang heeft bij de hervorming van een vonnis t.a.v. wie daarbij geen partij was. De opvatting van het hoger beroep is de eenheid van het geding doorheen eerste en tweede aanleg. Derhalve moeten nieuwe eisen worden vermeden tussen partijen die voor de eerste rechter niet met elkaar in betwisting waren (K.Broeckx, hoger beroep en het principe van de dubbele aanleg, Maklu 2000, nr 471, 475, 479). Was zij geen procespartij dan is het hoger beroep ontoelaatbaar (A.Fettweis, Manuel de procédure civile, Liège, Fac. De droit, 1987, p 493; nr 736 en 737; Cass. 21-12-2000, Arr. Cass. 2000, 2013; Cass. 20-10-95, Arr. Cass. 95, 907; Cass. 1-12-88, Arr. Cass. 88-89, 394). De oorspronkelijke dagvaarding werd betekend aan de partijen FEDERAL EXPRESS EUROPE INC & Co. VOF en FEDERAL EXPRESS CORPORATION vennootschap naar Amerkikaans recht met zetel te Memphis (Verenigde Staten). Partijen nemen verschillende uitgangspunten in omtrent de geldigheid van de dagvaarding. De vennootschap FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES stelt vanuit een louter formele benadering, dat de dagvaarding in alle opzichten beantwoordt aan de geldigheidsvoorwaarden gesteld door artikel 702 Gerechtelijk Wetboek met correcte vermelding van de identiteit van partijen en dat eruit moet opgemaakt worden dat er sprake is van een geldige dagvaarding die echter onontvankelijk is omdat de gedaagde vennootschap niet de werkgever was van de Heer L.. De appelante partijen houden voor, uitgaande van de bedoeling van de Heer L. tot dagvaarding van zijn werkgever, de FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc., dat er een vergissing werd begaan m.b.t. de identificatie van die vennootschap die evenwel niet tot nietigheid van de dagvaarding kan leiden aangezien die vennootschap ervan op de hoogte was dat zijzelf en niet de vennootschap FEDERAL EXPRESS EUROPE INC & Co. VOF werd geviseerd door de dagvaarding daar zij de werkelijke werkgever was en dat zij zich overigens ten gronde heeft verdedigd. Het Hof treedt dit standpunt bij. Het is duidelijk dat de Heer L. zijn werkgever de FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc wilde dagvaarden. Dit blijkt niet enkel uit de instructies die hij gaf aan de gerechtsdeurwaarder doch ook uit de motieven van de dagvaarding. Het is de gerechtsdeurwaarder die een fout beging in de vermelding van de naam van de gedaagde partij, door de verkeerde informatie die hij zou hebben gekregen vanwege de diensten van het handelsregister. De dagvaarding was dus in werkelijkheid gericht tegen de FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc. en de gerechtsdeurwaarder vermeldde bij vergissing de identiteit van de vennootschap FEDERAL EXPRESS EUROPE INC & Co. VOF. Vanuit dit uitgangspunt dient vastgesteld te worden dat een verkeerde identiteit van de gedaagde werd vermeld, hetgeen een inbreuk vormt op artikel 702 Gerechtelijk Wetboek. De vermelde identiteit stemde overeen met deze van een andere vennootschap die dezelfde maatschappelijke zetel had en tot dezelfde groep behoorde. Overeenkomstig artikel 702 Gerechtelijk Wetboek kan de vermelding van een verkeerde identiteit leiden tot nietigheid van de dagvaarding. Die bepaling schrijft immers voor dat de identiteit van de gedaagde dient te worden vermeld op straffe van nietigheid. Het betreft echter geen absolute nietigheid, zodat de gedaagde partij belangenschade dient te bewijzen overeenkomstig artikel 861 Gerechtelijk Wetboek opdat de nietigheid zou kunnen worden uitgesproken (Cass. 26-10-92, SRK 93 pe 119). Die belangenschade zou kunnen bestaan in de schending van het recht van verdediging. Het Hof stelt vast dat de vennootschappen FEDERAL EXPRESS EUROPE INC & Co. VOF en FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc hun maatschappelijke zetel hadden op hetzelfde adres en tot dezelfde groep behoorden. De door de gerechtsdeurwaarder bijgebrachte bijzonderheden tonen aan dat op het gemeenschappelijk adres van de maatschappelijke zetel slechts aankondigingen werden aangebracht onder de benaming FEDEX voor beide vennootschappen en dat er zich slechts één enkele brievenbus bevond. Ook hun briefpapier vermeldde als brievenhoofd AFEDEX@ en heeft dezelfde lay-out. Er bleek slechts een gemeenschappelijke onthaaldienst te zijn waar het dagvaardingsexploot in ontvangst werd genomen. Uit de motivering van de dagvaarding blijkt duidelijk dat als werkgever de FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc werd aangewezen. Dit was van meetaf aan duidelijk voor elk van beide op het adres gevestigde vennootschappen. Zulks blijkt uit het feit dat de in eerste aanleg neergelegde conclusies in ondergeschikte orde de verdediging van de vennootschap FEDERAL EXPRSS EUROPEAN SERVICES Inc.voordragen en dat de stukken van die vennootschap m.b.t. de tewerkstelling werden neergelegd. Het Hof leidt daaruit af -dat de dagvaarding door de vennootschap FEDERAL EXPRESS EUROPE INC & Co. VOF werd overgemaakt aan de vennootschap FEDERAL EXPRESS EUROPEAN SERVICES Inc voor wie ze werkelijk bestemd was, hetgeen bleek uit de motivering van de dagvaarding. -dat dit duidelijk was voor die partij die er voor gezorgd heeft dat haar verdediging werd voorgedragen zodat zij geen belangenschade kan inroepen. -dat derhalve de dagvaarding haar normdoel heeft bereikt. (In dezelfde zin AH Luik, 2-5-94, JTT 94, p 333; AH Brussel, 16-2-2004, AR nr. 39096 onuitg.). Daaruit volgt -dat die vennootschap, werkgever van de Heer L. regelmatig werd gedaagd door de oorspronkelijke dagvaarding en er kennis heeft kunnen van nemen,, - dat die vennootschap derhalve geldig als geïntimeerde werd opgeroepen en het hoger beroep tegen haar gericht ontvankelijk is, -dat de vordering t.o.v. de vennootschap FEDERAL EXPRESS EUROPE INC & Co VOF onontvankelijk of alleszins ongegrond is aangezien die vennootschap nooit enig werkgeversgezag over de Heer L. heeft uitgeoefend, in tegenstelling tot wat hij in latere conclusies beweert.
- Ten Gronde: Het hoger beroep van de heer L. De overplaatsingsvergoeding Aangezien de arbeidsovereenkomst, gesteld in de Engelse taal, die gold vanaf 1-11->98 en waarop de Heer L. zich kan beroepen een overplaatsingsvergoeding voorzag gelijk aan het loon van één maand, kan de vennootschap onmogelijk beweren dat de vordering daarvan niet duidelijk is aangezien het geheel der vorderingen de arbeidsovereenkomst(en) tot grondslag hebben. Deze vergoeding beoogde de kosten van overplaatsing vanuit de V.S., gelet op het beoogde permanente karakter van de tewerkstelling in België. Aangezien de vennootschap de betaling van die vergoeding niet aantoont, blijft zij verschuldigd. Het loon voor de periode van 13-11-98 tot 11-3-99 De vennootschap heeft een onmiddellijk einde gesteld aan de arbeidsovereen-komst op 13-11->98 wegens onaanvaardbare professionele tekortkomingen in de opvolging van essentiële taken en verantwoordelijkheden, mits uitbetaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan drie maanden t.b.v. 534.000 F. In tegenstelling tot wat de Heer L. beweert heeft zij hiermee wel degelijk ontslag gegeven. Het ontslag is een rechtshandeling waardoor onmiddellijk en definitief een einde wordt gesteld aan de arbeidsovereenkomst. Zij is onherroepelijk, tenzij partijen in onderlinge overeenstemming beslissen erop terug te komen en de arbeidsrelatie verder te zetten. De Heer L. toont niet aan dat het ontslag niet zou zijn gegeven door de bevoegde persoon en bovendien dient vastgesteld te worden dat zowel hijzelf als de vennootschap ervan uitgegaan zijn dat er sprake was van een werkelijk ontslag. De Heer L. heeft zich immers niet meer op het werk aangeboden, heeft nooit opgeworpen dat er geen geldig ontslag zou zijn geweest en heeft integendeel de beroepsprocedure tegen de ontslagbeslissing ingesteld. De Heer L. heeft op 19-11-98 beroep aangetekend tegen de ontslagbeslissing volgens de procedure gewaarborgde eerlijke behandeling (Guaranteed Fair Treatment Procedure(GFT) die in de onderneming gold. Op 11-3-99 bevestigde de Heer Robert W. E. namens de Raad van Beroep van de GFT procedure dat hij inderdaad een zware professionele fout had begaan en dat hij niet langer bekwaam was een managementfunctie uit te oefenen. Wel werd hem een aanbod van wedertewerkstelling gedaan in de functie van Senior Financial Analyst tegen een lager loon. Hieruit kan de Heer L. niet afleiden dat de arbeidsovereenkomst zolang geschorst was. Het reglement vermeldt duidelijk dat de procedure eerlijke behandeling niet impliceert dat de werknemer opnieuw zal aangeworven worden of dat de tewerkstelling zal verder gezet worden. Daaruit kan dus niet afgeleid worden dat de overeenkomst enkel werd geschorst. De vennootschap heeft op geen enkel ogenblik beslist terug te komen op het ontslag. Wel bood zij een wedertewerkstelling aan in een nieuwe functie tegen een lager loon, hetgeen een nieuwe arbeidsovereenkomst veronderstelde. De Heer L. is op dit aanbod overigens niet ingegaan daar hij meende dat het een degradatie inhield. Zelfs al zou dit geïnterpreteerd worden als een beslissing van de vennootschap om op het ontslag terug te komen, dan zou deze nog geen gevolgen sorteren aangezien daarover geen akkoord tussen partijen tot stand kwam. Uit de door de vennootschap voorgestelde dading kan de Heer L. al evenmin afleiden dat er geen ontslag zou hebben plaats gevonden, nu de dading slechts de modaliteiten van de beëindiging beoogde te regelen. Dat dit pas gebeurde na de beslissing van de Raad van Beroep doet daar niets aan af. Zelfs in de veronderstelling dat de arbeidsovereenkomst zou zijn geschorst tijdens de periode van 19-11-98 tot 11-3-99, dan zou de Heer L. nog geen aanspraak kunnen maken op het salaris voor die periode. Loon is immers tegenprestatie voor de in het raam van de arbeidsovereenkomst gepresteerde arbeid. De Heer L. heeft geen prestaties geleverd tijdens de periode van 19-11-98 tot 11-3-
- Enkel in de door de wet bepaalde gevallen is tijdens de schorsing van de arbeidsovereenkomst loon verschuldigd, tenzij partijen natuurlijk anders overeengekomen zijn, wat niet het geval is. De Heer L. meent ten onrechte dat de regeling die geldt voor de beschermde werknemers zoals vastgesteld in de wet van 19-3-91 naar analogie dient te worden toegepast. Deze wetgeving regelt het specifieke geval van de werknemersafgevaardigden binnen de overlegorganen in de onderneming, hun plaatsvervangers of de kandidaten voor die functie die wegens die hoedanigheid een bijzondere bescherming genieten om de werking van die organen zelf veilig te stellen. Het betreft een wetgeving van openbare orde, zoals de vennootschap terecht opmerkt, die niet naar analogie kan worden toegepast. Bovendien betreft de daarin voorziene schorsing van de arbeidsovereenkomst het geval van de kennisgeving van het voornemen te ontslaan en niet het ontslag zelf. De loonsvordering komt derhalve niet gegrond voor evenmin als de vordering tot betaling van de prorata dertiende maand en het vertrekvakantiegeld gevorderd voor die periode. De verbrekingsvergoeding Bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst werd een verbrekingsvergoeding gelijk aan drie maanden loon uitbetaald. Nadien werd onderhandeld over een aanvullende bruto-vergoeding gelijk aan 800.000 F in het raam van een dading doch aangezien partijen het niet eens werden, werd het voorstel door de vennootschap opnieuw ingetrokken. Het is niet betwist dat op de arbeidsovereenkomst die in België werd uitgevoerd het Belgisch recht van toepassing is. Aangezien het jaarloon van de Heer L. het bij artikel 82 WAO bepaalde grensbedrag overschreed, diende de na te leven opzeggingstermijn of de daarmee overeenstemmende opzegginsvergoeding door partijen in onderling overleg te worden bepaald en bij gebreke aan overeenstemming tussen hen door de rechter, rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd, de functie, het jaarloon van de Heer L. en de mogelijkheid om een gelijkwaardige betrekking te vinden, rekening houdend met de omstandigheden eigen aan de zaak. De anciënniteit die in aanmerking dient genomen te worden, dient berekend te worden vanaf februari >
- Vanaf dan werd hij door de vennootschap waarvoor hij sinds1996 in de Verenigde Staten werkzaam was naar België gedetacheerd om in het coördinatiecentrum van de groep werkzaamheden te verrichten, aanvankelijk voor een korte periode doch met de bedoeling van een aanwerving in vast verband door de Europese vennootschap. Tijdens de eerste periode van zijn tewerkstelling in België bleef FEDERAL EXPRESS CORPORATION zijn loon uitbetalen en bleef hij onderworpen aan de Amerikaanse sociale zekerheid. Dit was ook nog het geval nadat hij in juli >98 door FEDERAL EXPRESS SERVICES Inc.. werd aangesteld als Manager Forecast EMEA(Europa-Midden Oosten-Afrika). Vanaf 1 november 98 werd een schriftelijke overeenkomst afgesloten met die vennootschap die een coördinatiecentrum is. Met deze overeenkomst kan het Hof geen rekening houden aangezien zij, in strijd met het Nederlands taaldecreet in het Engels werd opgesteld, tenzij in de mate dat de Heer L. er zich op beroept. Vanaf dat ogenblik werd de Heer L. door de Belgische vennootschap betaald en werd de Belgische sociale zekerheidsregeling toegepast. Daaruit blijkt dat het de bedoeling was dat de Heer L. van dan af definitief door de Belgische vennootschap in dienst werd genomen en dat de band met de uitzendende vennootschap werd verbroken. Na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de Belgische vennootschap heeft de Heer L. enkel met de FEDERAL EXPRESS SERVICES Inc. onderhandeld over de modaliteiten van de beëindiging en klaarblijkelijk de band met de uitzendende vennootschap als beëindigd beschouwd, hetgeen ook de bedoeling was geweest. Na de contractbeëindiging heeft hij zich nooit tot FEDERAL EXPRESS CORPORATION gewend. Die vennootschap deed de Heer L. in juni >99 een aanbod om hem opnieuw tewerk te stellen doch hij ging daar niet op in. Hieruit blijkt dat hij de rechtsband met die vennootschap als beëindigd beschouwde. Rekening gehouden met het feit dat de Heer L. reeds sinds februari >98 gedetacheerd was bij de Belgsiche vennootschap die hem daarna rechtstreeks in dienst nam en deze vennootschap sinds dat ogenblik minstens gedeeltelijk het werkgeversgezag heeft uitgeoefend, dient een anciënniteit binnen de onderneming vanaf februari 98 in aanmerking te worden genomen. Gelet op de anciënniteit van de Heer L. bij de Belgische vennootschap, zijn leeftijd van 39 jaar, zijn functie van forecasting manager sinds juli 98 en het bedrag van zijn loon en gelet op de bijzonderheden eigen aan de zaak die invloed hebben op de mogelijkheid van de Heer L. om een andere job te vinden, meer bepaald gelet op de omstandigheid dat hij slechts werkervaring had in Amerikaanse bedrijven, is het Hof van mening dat een opzeggingstermijn van 4 maanden diende nageleefd te worden. Het Hof meent dat geen rekening kan gehouden worden met werkaanbiedingen die lang na het ontslag werden gedaan en die overigens van een lager niveau waren dan de functie die werd uitgeoefend op het ogenblik van het ontslag. De in acht te nemen opzeggingstermijn of de daarmee overeenstemmende vergoeding wordt immers bepaald op het ogenblik van het ontslag dat op 13-11-98 plaats vond. Aangezien de rechtsband met FEDERAL EXPRESS CORPORATION volledig beëindigd was sinds 1-11-98, is deze vennootschap niet gehouden tot betaling van de opzeggingsvergoeding. - Berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding. Volgens artikel 39 van de Wet op de Arbeidsovereenkomsten van 3-7-78 (WAO) wordt de opzeggingsvergoeding berekend op het lopend loon en de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst. Er bestaat betwisting over het in aanmerking nemen van de kosten voor logement (26.700F per maand) en een levensduurtevergoeding (23.852 F per maand). Volgens de Heer L. is dit loon, volgens de vennootschap kosten eigen aan de werkgever. Aangezien de permanente tewerkstelling van de Heer L. in België werd beoogd, is het Hof van mening dat deze zogenaamde kostenvergoedingen loon uitmaken. Indien hij die vergoedingen niet zou ontvangen moest hij immers met eigen middelen zijn logementskosten dragen. Wat de levensduurtevergoeding betreft meent het Hof dat het beweerde verlies van koopkracht die deze zou vergoeden hoogst onwaarschijnlijk is voor een personeelslid dat vanuit de Verenigde Staten naar Europa verhuist. De berekening van de Heer L. op 4x 178.000 F (of 4.412,50 Euro) bruto of 17.650 Euro en 4 x 50.552 F (1253,15 Euro) of 5012, 61 Euro netto kan derhalve worden bijgetreden: Pro rata dertiende maand voor de periode van februari 98 tot december 98 Tijdens de eerste periode van tewerkstelling was er duidelijk sprake van detachering en kan worden afgeleid dat er een impliciete rechtskeuze was voor de toepassing van het recht van de Verenigde Staten. Vanaf 1-11-98 is het duidelijk dat tot een permanente tewerkstelling in België werd besloten en dat geopteerd werd voor het Belgisch recht. Alleszins waren de Belgische wetten van politie en veiligheid van toepassing die van dwingend recht zijn. Aangezien binnen het paritair comité 226 waaronder de onderneming ressorteert het recht op een dertiende maand bij algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst van 2-3-98 (BS 25-12-99) wordt vastgesteld, kan de Heer L. er aanspraak op maken. Volgens artikel 19 van die CAO, moet de bediende gedurende het gehele refertejaar in dienst geweest zijn en in dienst zijn op het ogenblik van de uitbetaling om aanspraak te kunnen maken op een volledige 13de maand die gelijk is aan de bezoldiging van de maand waarin de uitbetaling plaatsgrijpt. Is dit niet het geval dan heeft hij recht op de prorata uitbetaling per volledige maand dienst tijdens het refertejaar. De Heer L. kan derhalve aanspraak maken op 9/12de van de dertiende maand of 178.000 F bruto (4412,50 Euro x9/12 of 3309,38 Euro en 50.552 F(1253,15) x 9/12 of 939,86 Euro Vertrekvakantiegeld De Heer L. werd aanvankelijk voor een tijdelijke opdracht naar België gedetacheerd. Krachtens het detacheringsverdrag van 19-2-1982 tussen België en de Verenigde Staten (goedgekeurd bij wet van 3-5-84, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 30-6-84) blijven de werknemers die tijdelijk gedetacheerd worden naar België onderworpen aan de Amerikaanse Sociale Zekerheid. Dit is een uitzondering op het algemeen beginsel dat de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving bepaald wordt door het land van tewerkstelling dat ook in dat verdrag wordt voorop gesteld. Opdat de uitzonderingsregel toepassing zou vinden dient aan de bij artikel 6 gestelde voorwaarden voldaan te zijn. Een van die voorwaarden is dat de werknemer zijn werkzaamheden uitoefent voor rekening van de werkgever die hem detacheert en dat hij dus onder het gezag van die werkgever werkt, in casu de vennootschap FEDERAL EXPRESS CORPORATION. Het Hof meent dat de Heer L. sinds zijn aanstelling door FEDERAL EXPRESS SERVICES Inc. als Forecasting manager EMEA voor rekening van die vennootschap werkte en derhalve aan de Belgische sociale zekerheidsregeling had dienen onderworpen te zijn. Overeenkomstig artikel 1 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28-6-1971 zijn die wetten toepasselijk op de personen die onderworpen zijn aan de sociale zekerheidsregelingen voor werknemers. De Heer L. kan derhalve aanspraak maken op het vakantiegeld voor de periode vanaf 10-7-98 tot aan het ontslag op 13-11-98, onder aftrek van het vakantiegeld dat hem reeds werd uitbetaald door FEDERAL EXPRESS CORPORATION. Een heropening der debatten is noodzakelijk om partijen toe te laten een juiste afrekening op te stellen. Vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht Algemene principes. Het recht voor beide partijen om éénzijdig een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur mits naleving van de wettelijke bepalingen inzake opzegging is een wezenlijk kenmerk van het arbeidsrecht, zoals kan worden afgeleid uit artikel 7 van de Wet op de Arbeidsovereenkomsten van 3 juli 1978 (W.A.O.) en raakt volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie zelfs de openbare orde (Cassatie, 30 september 1991, R.W. >91-92, 777; Cassatie, 31 oktober 1975, AC >76, 287). De uitoefening van het ontslagrecht is begrensd door het algemeen rechtsbeginsel dat verbod inhoudt van rechtsmisbruik en in het ovreenkomstenrecht aan het beginsel dat de overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, vervat in artikel 1134 B.W. dat de partijen een matigingsplicht oplegt in de uitoefening van de uit hun overeenkomst voorvloeiende rechten (zie o.m. Cassatie, 18 juni 1987, J.T. 1988, 8; Cassatie, 30 november 1989, A.C. >89->90, 442; Cassatie, 30 januari 1992, A.C. >91->92, 497; Cassatie, 20 februari 1992, J.T. >92, 454). Het Hof van Cassatie omschreef het rechtsmisbruik als het gebruik van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van een normale uitoefening van dit recht door een normaal bedachtzaam en voorzichtig persoon (zie Cassatie, 10 september 1971, R.W. >71->72, 321 conclusies Procureur-generaal Ganshof Van Der Meersch; Cassatie, 16 december 1982, Pas. 1983, I, 332; Cassatie, 10 maart 1983, A.C. >82->83, 847; Cassatie, 16 januari 1986, J.T. >86, 404; Cassatie, 20 november 1987, A.C. >87->88, 359). Bij de beoordeling zal de rechter rekening houden met de concrete elementen eigen aan de zaak ( Cassatie, 30 januari 1992, AC >91->92, 497). Dat rechtsmisbruik een foutieve uitoefening van het recht veronderstelt, brengt met zich mee dat de titularis van dat recht over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt bij de uitoefening van zijn recht en dat de rechter slechts een marginale controle uitoefent (D. Cuypers, Misbruik van ontslag en willekeurig ontslag, Die Keure, vol. 2., p. 517). Het bestaan van schade is op zichzelf onvoldoende om tot rechtsmisbruik te besluiten. Zij is immers inherent aan de verbreking van de overeenkomst en wordt op forfaitaire wijze vergoed door de opzeggingsvergoeding. De wet legt de ontslaggevende partij niet op het ontslag te motiveren. De werknemer die rechtsmisbruik inroept, dient het bewijs te leveren zowel van het beweerde misbruik als van de schade die hij hierdoor heeft geleden en die niet adekwaat werd vergoed door de opzeggingsvergoeding. De Heer L. werd ontslagen omdat hij een ernstige beroepsfout had begaan. Dit werd bevestigd door de Voorzitter van de Raad van Beroep die uitspraak deed over het verhaal dat de Heer L. tegen zijn ontslag had ingediend overeenkomstig de FTProcedure die de onderneming had onderschreven. Deze besliste evenwel dat de onderneming zich had moeten houden aan de voorschriften van het Aperformance improvement plan@ en dat de Heer L. dan misschien anders zou gehandeld hebben op 6 november. Dit Performance Improvement Plan hield o.m. in dat de verwachtingen duidelijk schriftelijk zouden worden geformuleerd, dat de bediende zou worden bijgestaan om daaraan te beantwoorden en hem een actieplan zou worden overhandigd. De voorzitter besluit dat de Heer L. dan op 6 november misschien anders zou gehandeld hebben. Dit Performance Improvement Plan voorziet verder dat regelmatig evaluaties zouden gebeuren en dat in principe drie negatieve evaluaties of in gebrekestellingen vereist zijn vooraleer tot een ontslag besloten wordt. De vennootschap meent dat dit Plan geen toepassing vindt nu de arbeidsovereen-komst beheerst wordt door de Belgische Wetgeving volgens dewelke partijen vrij zijn de overeenkomst te beëindigen en dit Plan evenmin contractueel van toepassing werd verklaard. Het blijkt echter dat zowel het Improvement Plan als de Fair Treatment Procedure, waarnaar in het plan uitdrukkelijk wordt verwezen door de onderneming werd onderschreven. De FTP werd in 98 in het Belgisch APeople Manual@ gepubliceerd. Men vraagt zich overigens af waarop men zich in een Fair Treatment Procedure zou baseren indien er geen regels zouden bestaan ter beoordeling ervan. In ieder geval was de Raad van Beroep waarin ook het personeelsdepartement is vertegenwoordigd van oordeel dat dit plan wel gold. Het Plan vermeldt echter dat het slechts een referentiewerk is dat niet op alle situaties van toepassing is zodat het geen verplichting inhoudt. Er kan niet uit afgeleid worden dat de vennootschap zich een werkelijke ontslagberperking heeft opgelegd. Er wordt niet bepaald dat ontslag enkel mogelijk zou zijn na voorafgaande negatieve evaluaties of ingebrekestellingen. De beslissing van de Raad van Beroep bekritiseert de ontslagbeslissing als zodanig niet doch enkel het feit dat aan de Heer L. vooraf geen richtlijnen werden gegeven m.b.t. de gestelde verwachtingen. Het Hof meent derhalve dat geen kennelijke fout werd aangetoond in de uitoefening van het ontslagrecht zodat de op die grond ingestelde vordering afgewezen wordt. Intresten De Heer L. verzoekt om toekenning van de intresten op de netto-verschuldigde bedragen en om kapitalisatie ervan. De vennootschap betwist de mogelijkheid van kapitalisatie. Artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat vervallen intresten van kapitalen intresten kunnen opbrengen ten gevolge van een gerechtelijke aanmaning of, tengevolge van een bijzondere overeenkomst, mits de aanmaning of de overeenkomst betrekking heeft op intresten die ten minste voor een geheel jaar verschuldigd zijn. In een arrest van 16 december 2002 (J.T.T. 2003, p. 89) oordeelde het Hof van Cassatie uitdrukkelijk dat die bepaling kan worden toegepast inzake wettelijke intrest van een vergoeding die wordt toegekend wegens de onrechtmatigheid van de beëindiging van een arbeidsovereenkomst en dat evenmin vereist is dat het bedrag van de hoofdschuld vaststaat opdat de kapitalisatie mogelijk zou zijn. Het Hof stelt vast dat aan alle bij artikel 1154 Burgerlijk Wetboek gestelde voorwaarden is voldaan en dat de kapitalisatie van de intresten toegekend kan worden. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken, zoals tot op heden gewijzigd inzonderheid op artikel 25, Voegt de zaken A.R. nrs. 44.424 en 44.520 samen wegens hun samenhang, Verklaart het hoger beroep van de Heer de M. ontvankelijk en gegrond, het hoger beroep van de Heer L. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond in de hierna bepaalde mate. Hervormt het beroepen vonnis Zegt voor recht dat de vennootschap FEDERAL EXPRESS SERVICES Inc. geldig werd bereikt door de oorspronkelijke dagvaarding betekend aan de vennootschap FEDERAL EXPRESS EUROPE Inc &Co en dat zij geldig werd opgeroepen in eerste aanleg en eveneens in de beroepsprocedure; Verklaart de oorspronkelijke vordering van de Heer L. voor zover tegen de venootschap FEDERAL EXPRESS SERVICES Inc. gericht gegrond in volgende mate Veroordeelt die vennootschap tot betaling aan de heer L. van -4.413 Euro overplaatsingsvergoeding, -17.650 Euro bruto onder aftrek van 13.237,51 Euro bruto, en 5012, 61 Euro netto saldo opzeggingsvergoeding gelijk aan 4 maanden loon, -3.309,38 Euro bruto en 939,86 Euro netto als pro rata dertiende maand voor de periode van februari 98 tot november 98, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op de verschuldigde nettobedragen met kapitalisatie van de intrest verschuldigd voor minstens één jaar op 15-11-2000, 5-7-2002 en 31-3-2004 Verklaart de vordering voor zover ingesteld tegen FEDERAL EXPRESS CORPORATION gegrond ten belope van de gevorderde pro rata dertiende maand Veroordeelt die vennootschap solidair met de vennootschap FEDERAL EXPRESS SERVICES Inc. tot betaling van de uit dien hoofde verschuldigde bedragen en de wettelijke en gerechtelijke intresten op de verschuldigde nettobedragen met kapitalisatie van de intrest verschuldigd voor meer dan één jaar. Zegt dat het vertrekvakantiegeld verschuldigd is voor de periode van tewerkstelling vanaf 10 juli= 98 Vooraleer uitspraak te doen m.b.t. het verschuldigde bedrag, Nodigt partijen uit de afrekening ervan voor te leggen, Heropent daartoe de debatten, Stelt deze heropening der debatten vast op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 22 maart 2005 om 14 uur. Bevestigt het beroepen vonnis -in de mate het de vordering jegens de vennootschap FEDERAL EXPRESS EUROPE Inc & Co onontvankelijk verklaart en stelt die partij buiten zake. -in de mate dat het de vordering tot het bekomen van een materiële en morele schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht afwijst evenals de vordering tot het bekomen van het salaris voor de periode van 14-11-98 tot en met 24-3-99, de pro rata dertiende maand vanaf 13-11-98 tot 24-3-99 en het vertrekvakantiegeld voor de periode van 13-11-98 tot 24-3-99; Houdt de beslissing over de kosten aan Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 23 november 2004, waar aanwezig waren : Mevrouw G. BALIS, Raadsheer, De Heer P. KESSELS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer P. BUYENS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041123.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.