id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 26 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041126.6 Rolnummer: 44681 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-02-24 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-03 20:00 Fiche Men kan niet van de werkgever eisen dat bij een verhuis van een exploitatiezetel, of een inplanting van een exploitatiezetel van een van een buitenlandse vennootschap deze tot herafsluiten van alle bestaande arbeidscontracten overgaat. Dit geldt tevens voor het geldig afgesloten en vooraf bestaand niet-concurrentiebeding, zelfs al vereist de wetgever niet dat dit uiterlijk op het ogenblik van de indiensttreding schriftelijk wordt vastgelegd. De rechten van dit concurrentiebeding, geldig afgesloten onder toepassing van het KB van 66 gezien de exploitatiezetel in Brussel Hoofdstad was, zijn reeds verworven, weze het onder voorwaarden, onder andere dat het loon bij het einde van de arbeidsovereenkomst onder de grens ligt zoals bepaald in artikel 65 ,§ 2 en 86 ,§ 1 WAO. Eens de voorwaarden verwezenlijkt ontstaat de verbintenis met terugwerkende kracht en heeft de nieuwe wet hierop geen impact (Dekkers verbintenissen en De Page deel 1 nr 164). De verbintenissen en de bedingen in de arbeidsovereenkomst zijn geldig en de arbeidsovereenkomst dient niet opnieuw te worden aangegaan in de Nederlandse taal. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - DECRETEN VAN DE CULTUURRADEN - Taalgebruik in het bedrijfsleven - Verhuis van exploitatiezetel van het Brussels Gewest naar het Vlaams Gewest - Geen verplichting om in het Frans opgestelde arbeidsovereenkomst te vervangen door een Nederlandstalige - Concurrentiebeperkend beding in het Frans opgesteld blijft rechtsgeldig ook na de verplaatsing van de exploitatiezetel in Vlaanderen. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 19-07-1973 - 1 - 01 ELI link Pub nr 1973071902 Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(P.467-469) Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. Bediendecontract Tegensprekelijk Heropening der debatten 3e Kamer In de zaak: PRICEWATERHOUSECOOPERS BUSINESS ADVISORS C.V.B.A., (voorheen NV PriceWaterhouseCoopers ABC Services), met zetel te 1932 SINT-STEVENS-WOLUWE, Woluwedal nr. 18; Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. A. Vanden Abeele, advocaat te Brussel; Tegen: V. G. , Geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. I. Lambrechts, advocaat te Brussel; x x x Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 2e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 4 april 2003 (AR nr. 37028/02), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 6 oktober 2003; - de besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op respectievelijk 30 april 2004 en 12 augustus 2004 - de besluiten van appellant, ontvangen ter griffie op 25 juni 2004; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 22 oktober
- De partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. ó ó ó I. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN. De heer V. trad in dienst van NV PriceWaterhouseCoopers ABC Services (thans PriceWaterhouseCoopers Business Advisors c.v.b.a.), hierna afgekort PWC genoemd, op 1 juni 1997 krachtens een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur ondertekend op 21 maart
- De arbeidsovereenkomst voorzag in artikel 17 in een niet-concurrentieverbintenis, een onderschreven door beide partijen. De heer V. beëindigde de arbeidsovereenkomst bij schrijven van 11 september 2001, met betekening van een opzegtermijn van 4 maanden, aanvangend op 1 oktober
- De arbeidsovereenkomst eindigde effectief op 15 december
- PWC verzaakt niet aan het concurrentiebeding. De heer V. treedt vervolgens in dienst van nv Watson Wyatt. Op 21 maart 2002 ontving de heer V. een in het Frans gestelde brief van PWC waarin hem werd verweten een concurrerende activiteiten uit te oefenen. PWC vorderde een forfaitaire schadevergoeding wegens schending van artikel achttien van de arbeidsovereenkomst. Op 27 maart 2002 ontving de heer V. een in het Nederlands gestelde brief van PWC waarin hem werd verweten een concurrerende activiteit uit te oefenen. PWC vorderde hiervoor een schadevergoeding van 40961,94 EUR bruto wegens schending van artikel 18 van de arbeidsovereenkomst. Bij schrijven van 16 april 2002 stellen de raadslieden van de heer V. dat er van een niet-concurrentiebeding geen sprake kon zijn vermits de arbeidsovereenkomst bepalingen bevat m.b.t. het concurrentiebeding die niet in overeenstemming zijn opgesteld met het Nederlandse Taaldecreet, en bijgevolg nietig zijn. Bij dagvaarding betekend op 4 juli 2002 vordert PWC veroordeling van de heer V. tot betaling van een schadevergoeding van 39.444,82 EUR bruto wegens schending van het niet-concurrentiebeding, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten, vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder borg noch kantonnement. Bij besluiten d.d. 10 oktober 2002 stelt de heer V. een tegenvordering in en vordert hij veroordeling van PWC tot betaling van een symbolische vergoeding van 1 EUR wegens tergend en roekeloos geding. Met het bestreden vonnis wordt de hoofdvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en de tegenvordering eveneens ontvankelijk doch ongegrond. Elke partij dient zijn eigen kosten te dragen. Volgens de Arbeidsrechtbank is het Taaldecreet onmiddellijk van toepassing op rechtspersonen die een exploitatiezetel hebben in het Nederlands taalgebied. Bij het aanwenden van de verkeerde taal is de sanctie een absolute nietigheid ex. tunc, zodat zowel de arbeidsovereenkomst opgesteld in het Frans nietig is, evenals de achterliggende wil m.b.t. het niet-concurrentiebeding als onbestaande worden beschouwd en dus ook het concurrentiebeding nietig is. II. BEROEPSGRIEVEN. Het niet-concurrentiebeding voldoet aan de vier geldigheidsvoorwaarden voorzien in artikel 65 van de wet op de arbeidsovereenkomsten, met name het heeft betrekking op soortgelijke activiteiten. De geldigheidduur is beperkt tot twaalf maanden. Het strekt zich uit tot het Belgisch grondgebied en het voorziet in een enige forfaitaire compensatoire vergoeding. De geldigheidsvoorwaarden werden nageleefd en de heer V. heeft een bijzondere industriële en commerciële kennis verworven die eigen is aan de onderneming van PWC en waarmee hij haar nadeel kan berokkenen. Het niet-concurrentiebeding vindt toepassing want geïntimeerde heeft zelf ontslag genomen. Dit niet-concurrentiebeding waartoe geïntimeerde zich heeft verbonden bij de ondertekening van de arbeidsovereenkomst werd derhalve geldig gesloten en strekt hem tot de wet. Ook de Taalregeling werd bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomsten gerespecteerd. De exploitatiezetel van appellante lag op het ogenblik van het aangaan van de arbeidsovereenkomst in Brusselse het hoofdstedelijke gewest, meer precies 1200 Brussel. Het niet-concurrentiebeding vervat in de in het Frans opgestelde arbeidsovereenkomst is niet nietig wanneer na verplaatsing van de zetel van appellante van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest naar Nederlandstalig grondgebied de arbeidsovereenkomst niet opnieuw in het Nederlands wordt opgesteld. Dit heeft talrijke onbillijke gevolgen aangezien vele bedingen schriftelijk dienen te worden aangegaan, uiterlijk op het ogenblik van de indiensttreding. ó ó ó III. BEOORDELING.
- Ontvankelijkheid van het hoger hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep. Er wordt geen betekening van het bestreden vonnis overgelegd . Het verzoekschrift tot hoger beroep is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. Het is derhalve ontvankelijk. Dit geldt tevens voor het incidenteel hoger beroep, ingesteld bij beroepsbesluiten neergelegd ter griffie van het Arbeidshof dd 30.04.2004, en waarbij de heer V. verzoekt de in eerste aanleg ingeleide en afgewezen tegenvordering wegens tergend en roekeloos geding gegrond te verklaren en PWC integraal te veroordelen tot de kosten van het geding.
- Ten gronde. Het wordt niet betwist door partijen dat op het ogenblik van het opstellen van de arbeidsovereenkomst de exploitatiezetel van PWC gelegen was te 1200 Brussel, waardoor het KB houdende coördinatie van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken van 18 juli 1966 van toepassing is. Het wordt door partijen doch vooral door geïntimeerde niet betwist dat de arbeidsovereenkomst op geldige wijze op 29 april 1998 in de Franse taal werd afgesloten conform het KB van 18 juli
- Evenmin wordt door geïntimeerde, die de functie van manager bekleedde in besluiten voorgehouden dat hij niet behoorde tot het Franssprekend personeel. Geïntimeerde wordt vermoed Franstalig te zijn nu hij aan de ULB zijn diploma behaalde. Artikel 20 van de arbeidsovereenkomst, alhoewel niet relevant en dus ten overvloede, stelt dat de bediende uitdrukkelijk verkoos de Franse taal te gebruiken in zijn betrekkingen met zijn werkgever. Geïntimeerde laat gelden dat het Taaldecreet duidelijk is en van openbare orde en geen ruimte laat voor interpretatie nl. dat het onmiddellijk van toepassing is op rechtspersonen die een exploitatiezetel hebben in het Nederlands taalgebied. Nergens wordt een overgangsregeling bepaald voor vennootschappen die hun exploitatiezetel verhuizen van Brussel hoofdstad naar het Nederlandstalig gebied. Bijgevolg dienen alle documenten bestemd voor het personeel van een vennootschap met exploitatiezetel in het Nederlandstalig gebied, in het Nederlands gesteld te zijn, ongeacht het ogenblik waarop ze werden opgesteld, wil de werkgever zich erop beroepen. Bijgevolg dient de arbeidsovereenkomst opnieuw te worden afgesloten in de Nederlandse taal om geldig te zijn na de verhuis. Geïntimeerde haalt wellicht deze interpretatie uit de vaststelling van vorige rechtspraak en rechtsleer De Page traité Compl. TI p. 186 en vlg.; Blanpain Het Taaldecreet in de Praktijk 1978 Kluwer blz 13 en de aldaar aangehaalde rechtspraak dat het Taaldecreet, als zijnde een wet van openbare orde, onmiddellijk van toepassing is, en ook onmiddellijk ingrijpt op de lopende arbeidsverhoudingen. Bijgevolg wordt een arbeidsovereenkomst, geldig in de Franse taal opgesteld op grond van de toenmalige exploitatiezetel in 1200 Brussel, na de verhuis naar Sint Stevens Woluwe (Zaventem) nietig en zonder enig rechtsgevolg en dit vanaf haar ontstaan zelf. Het lijkt correct dat het Taaldecreet van openbare orde is en dat het bedrijfsleven van ondernemingen met exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied voortaan in het Nederlands geschiedt en dat de werkgever zich tot de werknemers in het Nederlands dient te richten. Doch betreft het hier een verzwakte openbare orde die ergens ligt tussen de strikte openbare orde en de regels van dwingend recht (zie E. Wijmeersch Intertemporaal recht in verband met de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet in RW 93-94 1010) of is er slechts sprake van een openbare orde met onmiddellijke toepassing wanneer deze "particulièrement exigeant" vertaald "bijzonder veeleisend" is? (zie Cass Civ. Fr. 15 maart 1989 Bull Civ. III nr 65 en besproken door Wijmeersch op cit. in zijn nrs 12). Dienen bij een verhuis van een exploitatiezetel van een vennootschap naar het Nederlands taalgebied, of ingeval van een langdurige tewerkstelling van een buitenlands bediende naar een exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied, of in geval van een tewerkstelling van een bediende in de exploitatiezetel in Brussel hoofdstad en nadien in een nieuwe tweede exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied alle arbeidsovereenkomsten opnieuw afgesloten te worden? Artikel 1 van het decreet van 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik van de talen voor sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede van de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen (hier Taaldecreet genoemd) bepaalt: "Dit decreet is van toepassing op de natuurlijke personen en rechtspersonen die een exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied hebben." Het Arbeidshof stelt vast dat artikel 1 van het Taaldecreet zelf het woord onmiddellijk niet gebruikt. Artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek dient gerespecteerd dat stelt dat de wet alleen voor het toekomende beschikt en geen terugwerkende kracht heeft. Het Taaldecreet voorziet behoudens het bepaalde van artikel 10 al 6 niet in een terugwerkende kracht. Daarom blijven reeds bestaande en voltrokken overeenkomsten (behoudens het bepaalde van artikel 10 al. 6) die vroeger rechtsgeldig tot stand zijn gekomen gelden, zelfs indien de nieuwe wet nieuwe regelen bepaalt en hierbij is het zonder belang te weten of deze regelen al dan niet van openbare orde zijn (zie Roubier Le droit transitoire 1960 nr. 84 zie Scholten zoals aangehaald door Wijmeersch op cit. in voetnoot onder nr 6 "Verbiedt de wetgever bepaalde overeenkomsten of eist hij een vorm, dan hangt de toepassing van deze regel af van het ogenblik van het verrichten van de handeling af." In de oude doctrine wordt dit eveneens aanvaard als het eerbiedigen van de verworven rechten. Aan de vorige (behoudens art. 10 al. 6) reeds tot stand gekomen rechtsgevolgen wordt door het Taaldecreet niets gewijzigd aangezien ze reeds verworven zijn. Wordt mogelijks wel gewijzigd door het openbare ordekarakter, alle nog niet verworven rechtsgevolgen van een bestaande arbeidsovereenkomst zoals bijvoorbeeld het recht op een opzegvergoeding dat ontstaat op het ogenblik dat het ontslag zonder termijn en zonder dringende reden is gegeven (Cass. 6.9.1982 JTT 83.94). Het recht op een aanvullende opzegvergoeding ontstaat vanaf de kennisgeving van de opzegging, wanneer een te korte opzegtermijn wordt gegeven (Cass. 24.03.1966 Pas 1966 I 957). Dit principe is echter niet absoluut. Zo heeft het Hof van Cassatie in haar arrest van 3 mei 1993, bij toepassing van de wet van 12 april 1965 m.b.t. de bescherming van het loon, blijkbaar van openbare orde, als aanknopingspunt in artikel 6 ,§1 tweede lid de indienstneming genomen gezien de tekst van voornoemd artikel m.b.t. arbeidsovereenkomsten aangegaan voor die datum, niet van de werkgever kan worden geëist dat hij alsnog het loon schriftelijk schat en ter kennis brengt van de werknemer. Zo heeft het Franse Hof van Cassatie reeds meermaals bij wetten van openbare orde in de strikte zin, deze niet van toepassing verklaard op voorheen gesloten overeenkomsten, bij gebrek aan een uitdrukkelijke bepaling die de regel van niet retroactiviteit bedoeld in artikel 2 BW, uitsluit. Hieruit leidt Wijmeersch af dat een regel die de openbare orde raakt niet per se dient te leiden tot de onmiddellijke werking van de nieuwe wet (Zie Wijmeersch op cit RW 93-94 onder nr 7 en o.a. Cass. Fr. 1 juli 1987 ,J.P.C.1987 ,IV ,313, en volgende). Zo werd er door het Taaldecreet niets geregeld bij verhuis van de exploitatiezetel van een rechtspersoon van één geldig taalgebied naar een ander geldig taalgebied binnen België zelf. Het Belgisch Hof van Cassatie heeft bij de aansprakelijkheid inzake arbeidsongevallen bij de wet van 15 mei 1929, zelfs al is van openbare orde, "fut-elle d'ordre public" "weze zij van openbare orde" gesteld dat de nieuwe wet slechts van toepassing is op de arbeidsongevallen, overkomen na de datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet. Het Arbeidshof meent dat bij de beoordeling van de geldigheidsvoorwaarden en vormvoorschriften van de bedingen van een arbeidsovereenkomst zoals proefbeding, arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd of bepaald werk, een beding m.b.t. de opzegtermijn voorzien in artikel 82 ,§5 WAO (jaarloongrens bij indiensttreding wordt wettelijk in aanmerking genomen), deze dienen beoordeeld op grond van de alsdan geldende wetgeving aangezien deze rechten op dat ogenblik onmiddellijk verworven zijn. De wet van 3 juli 1978 schrijft duidelijk en formeel voor dat deze bedingen uiterlijk op het ogenblik van de indiensttreding en schriftelijk dus bij het afsluiten van de arbeidsovereenkomst dienen te worden gestipuleerd. Men kan niet van de werkgever eisen dat bij een verhuis van een exploitatiezetel, of een inplanting van een exploitatiezetel van een van een buitenlandse vennootschap deze tot herafsluiten van alle bestaande arbeidscontracten overgaat. Dit geldt tevens voor het geldig afgesloten en vooraf bestaand niet-concurrentiebeding, zelfs al vereist de wetgever niet dat dit uiterlijk op het ogenblik van de indiensttreding schriftelijk wordt vastgelegd. De rechten van dit concurrentiebeding, geldig afgesloten onder toepassing van het KB van 66 gezien de exploitatiezetel in Brussel Hoofdstad was, zijn reeds verworven, weze het onder voorwaarden, onder andere dat het loon bij het einde van de arbeidsovereenkomst onder de grens ligt zoals bepaald in artikel 65 ,§2 en 86,§1 WAO. Eens de voorwaarden verwezenlijkt ontstaat de verbintenis met terugwerkende kracht en heeft de nieuwe wet hierop geen impact (Dekkers verbintenissen en De Page deel 1 nr 164). De verbintenissen en de bedingen in de arbeidsovereenkomst zijn geldig en de arbeidsovereenkomst dient niet opnieuw te worden aangegaan in de Nederlandse taal. De vraag is of en welke sanctie er bestaat wanneer de werkgever zich na de verhuis in Nederlandstalig gebied hierop wil beroepen doch nog steeds de Franse taal gebruikt voor de sociale betrekkingen tussen werkgever en geïntimeerde. Geïntimeerde, roept in, zonder hierin te worden tegengesproken door appellante, dat in praktijk ook na de verhuis deze in het Frans verder gebeurden. De ingebrekestelling d.d. 21 maart 2002 van PWC zelf, is in het Frans gesteld, en hierbij neemt deze akte van het feit dat zij geen afstand heeft gedaan van het concurrentiebeding en dat zij een inbreuk hierop vaststelt. Is op dit schrijven, dat zich situeert na de verhuis, en alhoewel na het einde van de arbeidsrelaties opgesteld, eveneens het Taaldecreet van toepassing en met welke sancties? De bepalingen van het Nederlandse Taaldecreet voorzien in sancties door de rechter ambtshalve toe te passen. De rechter kan dit echter niet doen alvorens de partijen te hebben gehoord. De debatten worden met dit doel ambtshalve heropend. In afwachting kan geen uitspraak gedaan worden over het incidenteel beroep. ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het hoger hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk. Beveelt om de hoger in dit arrest aangehaalde redenen de heropening der debatten voor deze kamer van het Arbeidshof te Brussel op VRIJDAG 25 FEBRUARI 2005 om 14.30 uur in zaal 06, Poelaertplein 3 te 1000 BRUSSEL. Houdt de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op zesentwintig november tweeduizend en vier. Waren aanwezig: B. CEULEMANS: Raadsheer. P. KESSELS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de heer P. GROENINCKX, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). M. WAMPERS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041126.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div