← België

ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041203.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 03 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041203.6 Rolnummer: 42037 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2006-11-23 Raadplegingen: 421 - laatst gezien 2026-07-04 13:08 Fiche De partij die het slachtoffer wordt van een eenzijdige wijziging van een wezenlijk bestanddeel van zijn overeenkomst moet daarop binnen een korte bedenktijd reageren. Wanneer de werkgever eenzijdige essentiële bestanddelen van de arbeidsovereenkomst wijzigt, kan de voortzetting van de arbeidsprestatie door de werknemer gedurende een langere termijn dan nodig is om standpunt in te nemen impliceren dat afstand wordt gedaan van het aanvoeren van de aan de werkgever verweten beëindiging, zelfs al gaat het voortzetten van de arbeid gepaard met het formuleren van voorbehoud. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden - Werknemer moet binnen korte bedenktijd reageren. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 25 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: gedeeltelijk vernietigd door Hof van Cassatie 18 september 2006, 3de kamer, nr S. 05.0068.N. Een verzoekschrift in cassatie werd ingesteld op 28.6.2007. Dit verzoekschrift strekt tot uitlegging en verbetering van het bovenvermelde arrest van het Hof van cassatie.Dit verzoek werd verworpen door cass 10.12.2007, 3de Kamer , nr C. 07.0313.N. Annotaties Publicaties: ARRESTEN VAN HET HOF VAN CASSATIE - TE RAADPLEGEN - 1981

(82)(P.1367) RECHTSKUNDIG WEEKBLAD - TE RAADPLEGEN - 1980
(81)(P.1214) JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - TE RAADPLEGEN - 2002(P.417) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIE DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: N.V. LOTUS DEVELOPMENT BELGIUM, met zetel te 1930 ZAVENTEM, Exelsiorlaan nr. 4b en ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 618.918; Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. A. Witters, advocaat te Brussel; Tegen: S. B. , Geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. P. Geerebaert, advocaat te Brussel; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 2e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 16 juli 2001 (AR nr. 29.986/00), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 4 september 2001; - de besluiten, aanvullende besluiten van geïnti-meerde, ontvangen ter griffie op respectievelijk 19 augustus 2002 en 19 november 2003; - de besluiten en samenvattende besluiten van appellante, ontvangen ter griffie op respectievelijk 4 december 2003 en 31 maart 2004; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 15 oktober
  1. Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. x x x I. DE FEITEN. Het Hof verwijst naar de omstandige uiteenzetting van de feiten in het vonnis a quo 3e,4e en 5e blad en acht deze voor herhaald. Het Hof zal verder in de beoordeling van de zaak de belangrijkste feiten be-nadrukken. II. DE OORSPRONKELIJKE VORDERINGEN EN HET VON-NIS A QUO. Met dagvaarding betekend aan Lotus op 10 oktober 2000 en verder aangepast met besluiten, vordert de heer S. voor de eerste rechter veroordeling van Lotus tot betaling van: - een opzeggingsvergoeding ten belope van 58.906.773 BEF bruto; - een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht van 3.000.000 BEF; - loonachterstallen ten belope van 4.741.224 BEF bruto en (onterechte inhouding) en 105.964 BEF netto; - 1 BEF provisioneel t.t.v. achterstallig vakantiegeld; - de wettelijke en gerechtelijke intresten op de met voormelde bedragen overeenstemmende netto bedragen, vanaf 1 september 2000; - de kosten van het geding; - de afgifte overeenkomstig art. 871 Ger.Wb. en volgende van het op aanlegger toepasselijk aandelen-aankoopplan en alle dienaangaande relevante documenten; - de afgifte van de correcte sociale documenten: C4-formulier, vakantieattesten, onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 BEF per document per dag vertraging in de afgifte; In ondergeschikte orde: - afgifte overeenkomstig art. 871 Ger.Wb. en volgende van alle nuttige documenten ter bepaling van de nog verschuldigde commissies, supercommissies en bonussen voor 2000 en desgevallend eveneens ter bepaling van de opzeggingsvergoeding; - terugbetaling van de op grond van het aandelenaankoopplan (SPP) ingehouden bedragen, in totaal 123.093 BEF, vermeerderd met de gerechtelijke in-tresten op dit bedrag sedert de datum van inhouding; Dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Het vonnis a quo oordeelt als volgt over: De hoofdvordering - verklaart de vordering zoals uitgebreid bij besluiten ontvankelijk en gegrond ten belope van het bedrag van 20.556.984 BEF t.t.v. opzegvergoeding, - verklaart de vordering m.b.t. vergoeding wegens misbruik ontslagrecht ongegrond, - verzendt de zaak voor het overige naar de bijzondere rol teneinde partijen toe te laten de zaak voor de nog hangende punten verder in staat te stellen, - veroordeelt Lotus tot het betalen van de wettelijke en de gerechtelijke intresten, - veroordeelt Lotus eveneens tot de afgifte van de sociale en fiscale documenten m.b.t. de toegekende opzegvergoeding en bij gebreke van deze afgifte binnen de 8 dagen na de betekening van dit vonnis tot het betalen van een dwangsom van 1000 BEF per ontbrekend document en per dag vertraging in de afgifte; De tegenvordering - verklaart de door Lotus ingestelde tegeneis ont-vankelijk maar ongegrond, - veroordeelt Lotus tot de kosten van het geding, - verklaart huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder borg. De eerste rechters oordelen dat NV Lotus bij brief van 1 september 2000 ten onrechte heeft gesteld dat B. S. de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke in-gang zou hebben beëindigd op basis van "de blijvende wil om de arbeidsovereenkomst niet meer uit te voeren en dus te beëindigen" en dit om de volgende redenen: - B. S. heeft nu juist in diverse berichten bekend gemaakt dat hij de functie van "Regional Director West" in alle geval zou uitoefenen en dit welis-waar onder alle voorbehoud; - het uitbrengen van een dagvaarding teneinde de arbeidsrechtbank toe te laten zich uit te spreken over de gevorderde ontbinding van de bestaande arbeidsovereenkomst (een procedure die trouwens op voorhand door S. was aangekondigd) is geenszins te aanzien als een uiting van de manifeste wil van de heer S. om de arbeidsovereenkomst niet meer verder te zetten vermits de gevorderde ontbinding inderdaad aan de rechtbank werd gevraagd maar dat S. ook tijdens deze procedure en in afwachting van de uitspraak door de rechtbank wel degelijk de intentie had om de nieuwe functie uit te oefenen, - uit het door Lotus geciteerde persartikel van 21 maart 2001 kan evenmin worden afgeleid dat S. op 1 september 200 niet meer de bedoeling had om nog enige verdere uitvoering te verlenen aan de bestaande arbeidsovereenkomst, - er wordt door Lotus geen enkel bewijs bijgebracht van de door haar in besluiten genoemde "contractuele wanprestatie" begaan door S. en waaruit de wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen zou kunnen worden afgeleid. De eerste rechter bepaalt het basisloon van de heer S. als volgt: - vaste wedde 6.795.056 BEF - commissie 7.781.175 BEF - bonus 620.256 BEF - groepsverzekering 945.590 BEF - ziektekostenverzekering 83.911 BEF - maaltijdcheques 39.600 BEF - privé gebruik bedrijfswagen 180.000 BEF - GSM 30.000 BEF TOTAAL : 16.445.588 BEF Rekening houdend met de anciënniteit (10jaar + 3 maanden), de leeftijd (42 jaar), het verdiende loon en de uitgeoefende functie, oordeelt de rechtbank dat de theoretische termijn voor het vinden van een gelijkaardige betrekking kan worden bepaald op 15 maanden zodat het bedrag van de verbrekingsvergoeding dan dient bepaald op: 16.445.588 BEF : 12 x 15 = 20.556.984 BEF. Daar de opzegvergoeding een forfaitair karakter heeft waardoor alle mogelijke schade naar aanleiding van de verbreking van de arbeidsovereenkomst wordt verondersteld te zijn vergoed en daar B. S. verder in gebreke blijft het bewijs bij te brengen van andere bijzondere schadeposten die hij zou hebben geleden naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, verklaart de eerste rechter de eerste rechter de eis tot vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht ongegrond. III. DE BEROEPSGRIEVEN. A) Het hoger hoofdberoep NV Lotus Development Belgium verzoekt het Hof het vonnis a quo te niet te doen in de mate dat de vordering van geïntimeerde tot het bekomen van een opzeggingsvergoeding ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond werd verklaard en appellante werd veroordeeld tot het betalen van een opzeggingsvergoeding van 20.556.984 BEF bruto, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten, alsook tot betaling van de kosten van het geding, en opnieuw recht-doende, voor recht te zeggen dat de arbeidsovereenkomst onregelmatig werd beëindigd door geïntimeerde en geïntimeerde mitsdien te veroordelen tot het be-talen aan appellante van een opzeggingsvergoeding van 5.034.521 BEF te vermeerderen met intresten, voor recht te zeggen dat het in uitvoering van het vonnis a quo gekantonneerde bedrag integraal toekomt aan appellante, de oorspronkelijke vorderingen van geïntimeerde af te wijzen als ongegrond en geïntimeerde te verwijzen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen. Lotus stelt dat de heer S. zich schuldig heeft gemaakt aan wanprestatie met de wil de arbeidsovereenkomst te beëindigen, en derhalve de arbeidsovereen-komst heeft beëindigd door impliciet ontslag, zodat de arbeidsrechtbank appellante dan ook ten onrechte veroordeelde tot het betalen van een opzeggingsvergoeding en ten onrechte de vordering van appellante tot het bekomen van een opzeggingsvergoeding vanwege de heer S. ongegrond verklaarde. Appellante stelde dat zij in juni 2000 ingevolge de fusie met IBM tot reorganisatie moest overgaan van Lotus Belgium wat als gevolg had dat de lopende functie van de heer S. van Senior Director EMBEA Strategies and Programs werd afgeschaft, met ingang op 21 juli 2000 (stuk 3). Appellante stelt dat zij aan de heer S. 2 gelijkwaardige functies voorstelde die hij weigerde te aanvaarden medio juli 2000, stellende dat hij een carrière buiten Lotus of IBM overwoog. Zij stelt dat zij hem op 27 juli 2000 een functie voorstelde van Senior Director West Region, met daaraan gekoppeld een verantwoordelijkheid voor de Messaging and Collaboration Business Unit Europa (stuk 6). Niet alleen zou geïntimeerde in vergelijking met zijn vorige functie als Senior Director EMEA Strategies and Programs zodoende een hogergeplaatste rol bekleden binnen het EMEA department maar zou hem ook een loonsverhoging ten belope van 7% worden toegekend (stuk 6). Bovendien werd een tewerkstelling vanuit Brussel gewaarborgd. Appellante stelt dat S. ook deze promotie weigerde met e-mail 28 juli 2000 en dreigde appellante te verlaten (stuk 7). Appellante stelt dat de heer S. haar op 7 augustus 2000 meedeelde de voorgestelde functie te aanvaarden, doch deze aanvaarding was volgens appellante echter geheel artificieel gezien geïntimeerde tegelijkertijd aankondigde dat hij voor de rechtbank zou vragen of de nieuwe functie al dan niet een degradatie uitmaakte (stuk 9). Op 29 augustus 2000 ging geïntimeerde over tot dagvaarding van appellante in ontbinding van de arbeidsovereenkomst en vorderde tevens de veroordeling van appellante tot betaling van een schadevergoeding vaan 45.000.000 BEF (stuk 10). Appellante stelt dat de heer S. met deze dagvaarding overduidelijk zijn wil uitte om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, vermits dit nu precies het voorwerp was van zijn eis. Appellante verwijst ook naar een artikel in de pers People Focus van 21 maart 2001 waaruit zou blijken dat de heer S. reeds in april 2000 beslist had appellante te verlaten omdat hij het vele reizen moe was. Appellante stelt dat de heer S. zich heeft schuldig gemaakt aan wanprestatie en aan zijn verplichting de arbeidsovereenkomst te goeder trouw uit te voeren door volledig verantwoorde functiewijzigingen als kaderlid van wie een hoge flexibiliteit mag worden verwacht niet te aanvaarden. Daar hij op 29 augustus 2000 tevens uitdrukkelijk de wil heeft geuit de arbeidsovereenkomst te beëindigen door appellante te dagvaarden in ontbinding van de arbeidsovereenkomst, kon appellante niet anders dan op 1 september 2000 impliciet ontslag vast te stellen in hoofde van de heer S. . In ondergeschikte orde stelt appellante dat de eis van de heer S. manifest overdreven is. Appellante stelt dat zijn jaarloon als volgt is samengesteld: - basisloon 6.795.056 BEF - commissies 2.207.585 BEF - groepsverzekering 945.590 BEF - ziektekostenverzekering 83.911 BEF - maaltijdcheques 36.900 BEF TOTAAL : 10.069.042 BEF Gelet op de anciënniteit (10 jaar), de leeftijd (41 jaar) en het loon (10.069.042 BEF) van geïntimeerde dient in casu de redelijke opzeggingstermijn op 15 maanden, hetzij 1,5 maand per jaar anciënniteit te worden vastgesteld. Het hoge jaarloon mag slechts een geringe invloed hebben bij de vaststelling van de opzeggingstermijn (AH Brussel, 12.1.2000, Bull. FEB, 1/2001, 78). B. Het incidenteel hoger beroep De heer S. verzoekt ons Hof bij beroepsbesluiten het vonnis a quo te bevestigen in de mate dat het heeft beslist dat Lotus zelf is overgegaan tot onregelmatige verbreking van de arbeidsovereenkomst en gehouden is tot betaling van de wettelijke verbrekingsvergoeding. Evenwel het eerste vonnis teniet te doen op volgende punten en opnieuw recht doende, In hoofdorde, Lotus te veroordelen tot: - betaling van een opzeggingsvergoeding ten belope van EUR 1.108.307,7 - betaling van een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht van EUR 74.368 - betaling van loonachterstallen ten belope van EUR 80.442,8 bruto (commissies), EUR 10.250,49 bruto (bonus) en (onterechte inhouding) EUR 2.626,77 net-to - betaling van EUR 13.912,34 t.t.v. achterstallig vakantiegeld - wettelijke en gerechtelijke intresten op voormelde bruto bedragen, vanaf 1 september 2000 - betaling van een bedrag van $ 12.672,5 als vergoeding uit hoofde van het aandelenoptieplan, alsme-de de wettelijke en gerechtelijke intresten op dit bedrag sedert 16 augustus 2002 - afgifte van correcte sociale documenten: C4-formulier, vakantieattesten, onder verbeurte van een dwangsom van EUR 247,90 per document en per dag vertraging in de afgifte In ondergeschikte orde, Lotus te veroordelen tot terugbetaling van de op grond van het aandelenaankoopplan (SPP) ingehouden bedragen, in totaal 123.093 BEF of EUR 3.051,39, vermeerderd met de gerechtelijke intresten op dit bedrag sedert de datum van inhouding. Voor recht te zeggen dat de heer S. tot op de respectievelijke vervaldata 23 februari 2008 en 28 maart 2009 gerechtigd is om 2 x 1500 aandelenopties op aandelen IBM (zoals op NYSE genoteerd) uit te oefenen. Lotus te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding met inbegrip van rechtsplegingsvergoedingen. Onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkenning. De heer S. meent dat de eerste rechter zijn jaarlijks basisloon ten onrechte op slechts 16.445.588 BEF bepaalde i.p.v. op 16.765.884 BEF of EUR 415.615,
  2. Hij stelt dat de eerste rechter de waarde van het gebruik GSM-toestel en de bedrijfswagen te laag begrootte en ten onrechte geen rekening hield met de patronale bijdragen in het aandelenaankoopplan SPP. Hij stelt dat naast een aandelenoptieplan, tevens een aandelenaankoopplan in voege was op het ogenblik van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Dat het een systeem betreft waarbij ten be-hoeve van de werknemer maandelijks een bedrag door de werkgever werd gereserveerd, teneinde aandelen te kunnen kopen van IBM en anderzijds met hetzelfde doel een bepaald percentage van het loon van de werknemer netto van dit loon werd afgehouden (stuk 33). Dat het los van de vraag van het lot van deze bedra-gen vaststaat dat het voordeel hiermee aan de heer S. verschaft 12.525 BEF per maand bedroeg (stuk 33 "voordelen van alle aard"). Dat Lotus de opname van dergelijk voordeel in een zaak tegen andere beneficiaris van dit aankoopplan (stuk 53) overigens uitdrukkelijk heeft aanvaard. Dat derhalve op jaarbasis uit dien hoofde een bedrag van 150.3000 BEF in reke-ning dient te worden genomen. Hij meent dat gelet op het type van wagen dat hem ter beschikking gesteld was (BMW 7-reeks) een schatting van het voordeel op 25.000 BEF per maand als redelijk voorkomt. Hij stelt dat het vrij gebruikelijk is dat managers de hen ter beschikking gestelde GSM tevens voor privé-doeleinden mogen gebruiken. Dat de overeenkomst tussen partijen of enig ander document het tegendeel niet aantoont. Dat dergelijk voordeel volgens de heer S. redelijk kan worden begroot op 50.000 BEF per jaar. Gelet op zijn functie (en zijn verplaatsingen) heeft de arbeidsrechtbank dit voordeel ten onrechte slechts op 30.000 BEF per jaar heeft begroot. Hij begroot zijn totaal bruto jaarloon en voordelen aldus op: - basisloon 6.795.056 BEF - commissies 7.781.175 BEF - bonus 620.256 BEF - groepsverzekering 945.590 BEF - ziektekostenverzekering 83.911 BEF - maaltijdcheques 39.600 BEF - aandelenaankoopplan 150.300 BEF - privé gebruik bedrijfswagen 300.000 BEF - privé gebruik GSM 50.000 BEF Totaal bruto jaarlijks: 16.765.884 BEF(EUR 415.615,42) Hij stelt dat de eerste rechter hem ten onrechte slechts een opzeggingsvergoeding gelijk aan 15 maan-den loon heeft toegekend. Dat dit als uiterst ontoereikend dient te worden beschouwd. Hij stelt dat, gelet op zijn anciënniteit (1.6.1990 tot 1.9.2000), de leeftijd (28.10.1958) en het loon (EUR 415.615,42 bruto) de opzeggingstermijn redelijkerwijze op 32 maand moet worden begroot, hetgeen ook het resultaat is van de vaak als richtlijn gehanteerde formule Claeys in deze, zodat hem een op-zegvergoeding verschuldigd is van EUR 1.108.307,7 (44.709.021 BEF). De heer S. stelt dat uit de brief van Lotus dd. 1 september 2000 blijkt dat de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst een represaillemaatregel is voor het feit dat hij de arbeidsrechtbank heeft gevraagd een oordeel te vellen omtrent de door Lotus doorgevoerde degradatie. Hij stelt dat het zijn recht was zich als werknemer tot de arbeidsrechtbank te wenden en dat de rechtspraak algemeen aanneemt dat wanneer een werkgever de arbeidsovereenkomst van een werknemer beëindigt, om de enkele reden dat deze stappen heeft gezet om zijn rechten te laten gelden, de werkgever zich schuldig maakt aan misbruik van ontslagrecht. In tegenstelling tot wat de arbeidsrechtbank heeft geoordeeld, is deze schade een afzonderlijke en bijzondere schade, die geenszins is gedekt door de opzeggingsvergoeding. De schade, hieruit voortvloeiend, kan volgens de heer S. uiteraard enkel ex aequo et bono worden begroot. De heer S. begroot deze op 3.000.000 BEF (EUR 74.368). De heer S. vordert vervolgens nog loonachterstallen: - EUR 2.626,77 netto dat door Lotus ten onrechte werd ingehouden op zijn loon voor september (stuk 34) als persoonlijke bijdrage pensioenplan terwijl dit plan sinds 1 september 2000 was stopgezet; - variabel pro rata loon voor het jaar 2000; De heer S. stelt dat hij niet over de nodige gegevens beschikt om zijn commissies en bonus voor 2000 te berekenen. Dat het dan ook (nog steeds) passend voorkomt zoals de eerste rechter het overigens stelde dat Lotus alle nuttige documenten zou overleggen teneinde de gewone commissies, supercommissies en bonus voor 2000 te kunnen bepalen. Vermits Lotus ook nu in gebreke blijft om deze es-sentiële informatie over te maken, verzoekt de heer S. ons Hof Lotus te veroordelen op basis van de voor 1999 gekende cijfers, hetzij: - gewone commissies en supercommissies: 7.111.837 BEF : 12 x 8 = 4.741.224 BEF of EUR 117.531 bruto; onder vermindering van de betaalde voorschotten en de afrekening van de eerste jaarhelft + juli en augustus 2000 (samen 1.496.191 BEF of EUR 37.089) = EUR 80.442,8 bruto. - bonus 620.256 BEF : 12 x 8 = 413.504 BEF of EUR 10.250,49 - $ 12.672,5 t.t.v. vergoeding van de door de heer S. op 16 augustus 2002 uitgeoefende aandelenop-ties, hem toegekend in 1999 door Lotus (stuk 35 ind. rekening bedrijfsvoorheffing ingehouden door Lotus). De heer S. vordert dit bedrag overeenkomstig de tussen partijen voorziene mogelijkheid hiertoe (cashless: uitoefening zonder als werknemer geld te moeten bovenhalen) Hij verzoekt ons Hof om voor recht te zeggen dat hij tot op respectievelijke 23 februari 2008 en 28 maart 2009 gerechtigd is om de bewuste 1500 + 1500 aande-lenopties uit te oefenen (zie stuk 54 en de bijlage ervan). De heer S. vordert op de nog te betalen aanvullende commissies en bonus (cfr. supra) vakantiegeld in de zin van artikel 46 van het KB van 30 maart 1967 (vertrekvakantiegeld) 80.442,8 x 15,34% = EUR 12.339,92 10.250,49 x 15,34% = EUR 1.572,42 Totaal = EUR 13.912,34 De heer S. stelt tenslotte dat Lotus, in uitvoering van het vonnis a quo, een nieuw C4-formulier heeft afgeleverd hetwelke echter de vermelding draagt "on-der alle voorbehoud van recht" (stuk 50bis) en vordert afgifte van een definitief C4-formulier, onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 BEF (EUR 247,90) per document per dag vertraging in de afgifte. x x x IV. BEOORDELING VAN HET HOF. Overwegende dat het hoger hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomen, wat overigens niet wordt betwist. Gezien de door partijen neergelegde stukken.
  3. Is de door appellante voorgestelde nieuwe functie een ernstige wijziging van essentiële arbeids-voorwaarden? Overwegende dat feitelijk vaststaat aan de hand van de neergelegde stukken dat de heer S. vanaf zijn indiensttreding bij Lotus (1 juli 1990) als sales manager België gestadig promoveerde en van functie wijzigde. Van 1 juni 1994 t.e.m. 31 augustus 1994 vervulde geintimeerde de functie van commercieel directeur (graad 13). Van 1 september 1994 t.e.m. 31 augustus 1995 bekleedde bij de functie van Country manager Benelux (graad 14). Op 1 september 1995 werd geïntimeerde gepromoveerd tot Country Manager Benelux met graad
  4. Op 1 september 1997 werd geïntimeerde gepromoveerd tot Managing Director (met behoud van graad 15). vanaf 1 januari 1998 vervulde hij de functie van Re-gional Director Northern Europe binnen het departement EMEA ("East Middle East Africa") (graad 16). Ter voorbereiding van de opslorping van Lotus door IBM in 2001 werd in het jaar 2000 gestart met harmo-nisatie van de structuur van beide ondernemingen. Binnen het kader van deze harmonisatie werd aan ge-intimeerde per 1 januari 2000 de functie van Senior Director EMEA Strategies and Programs (graad 17) toegewezen en werd zijn loon met 15% verhoogd. In deze functie stond hij onder het gezag van de Senior Vice President EMEA (P. Van Beneden). Enkele maanden later diende Lotus om organisatorische redenen die niet ter betwisting staan terug te grijpen naar zijn vroegere regionale indeling van de kaderfuncties van de Lotusgroep, zodat de functie waarin S. laatst werd aangesteld kwam te vervallen omdat zij geen nut meer had. In de maanden mei-juni 2000 stelde appellante hem twee nieuwe functies voor: - Die van vice-president regio west, met basis Noord-Amerika. De heer S. weigerde deze promotie wegens persoonlijke redenen; krachtens zijn ar-beidsovereenkomst was zijn plaats van tewerkstelling België zodat hij deze overplaatsing naar de VS terecht kon weigeren. Het Hof stelt evenwel vast dat Lotus er op 19 juli 2000 schriftelijk mee instemde dat de heer S. ook voor deze functie in Brussel zou gebaseerd blijven. Appellante stelt desondanks niet dat de heer S. deze functie ten onrechte zou geweigerd hebben zodat het Hof deze weigering ook niet verder zal bespreken. - Die van senior director Regio West (Frankrijk en België, aangevuld met de bijkomende verantwoordelijkheid voor het beheer management van de afdeling "Messaging en colaboration" berichten en samenwerking. Appellante bevestigt schriftelijk aan de heer S. het behoud van zijn functie-graad 17 en een loonverhoging van 7% in deze functie en benadrukt het belang van de omzet van Regio West zodat deze tot de belangrijkste regio's van EMEA behoort. De heer S. weigert deze tweede functie schriftelijk en kordaat op 24 juli, 28 juli en 3 augustus omdat ze inhoudelijk een sterke degradatie betekent. Hij stelt dat hij deze functie half 1997 uitoefende samen met zijn verantwoordelijkheden voor Nederland en C.E.R. en dat hij sindsdien tweemaal werd gepromoveerd, zodat de functiewijziging een demotie is, wat volgens hem tevens wordt bewezen door het feit dat hij zijn opvolger in deze functie destijds aanwierf. Bij besluiten voor ons Hof stelt hij dat de degradatie hierin bestaat dat hij laatst nog op 1 januari 2000 tot senior director EMEA Strategies & Programs was gepromoveerd, functie waarin hij net als de heer F. en de heer G. rechtstreeks verslag uitbracht aan de heer V. B., senior vice president van EMEA (stukken 39 en 40). Dat door opnieuw een functie aan te nemen van regionaal directeur voor een veel kleiner gebied dan in 1999, de heer S. : - Een stap terug zou hebben gezet in de hiërarchie van Lotus. Hij zou opnieuw, net als in 1999, vóór zijn promotie, aan de heer Fleischmann dienen te rapporteren (stukken 39 en 40). - Terug op het niveau van de regionale directeurs geplaatst, uiteraard de rapportering aan hem vanwege deze laatsten zou verliezen en als dusdanig dan ook zijn (indirecte) scope of control drastisch zou beperkt zien. Gezien appellantes stuk 6, een vergelijking tussen een functie van managing director (voorgestelde functie) en een functie van senior director EMEA Strategies & Progam. Uit dit stuk blijkt inderdaad dat geïntimeerde in de functie van senior director EMEA Strategies & Por-grams verantwoording aflegde aan de senior vice president EMEA terwijl hij in de functie van senior managing director Regio West (Frankrijk en België) verantwoording diende af te leggen aan de vice president EMEA (die op zijn beurt rapporteert aan de senior vice president EMEA. Overwegende dat het Hof vaststelt dat appellante er zich schriftelijk toe verbond de functiegraad van de heer S. te behouden en de loonsvoorwaarden voor de voorgestelde nieuwe functie te verbeteren. Zij belooft immers een loonsverhoging van 7% wat niet min is. Overwegende dat volgens het Hof vaststaat dat de nieuwe functie in de reorganisatie van de onderneming een vergelijkbare verantwoordelijkheid inhoudt als de vorige functie. De Regio West (Frankrijk en België) is inderdaad beperkter dan de EMEA-regio. Het gaat evenwel niet op hieruit zo meteen te besluiten dat de functie van een regionaal verantwoordelijke EMEA derhalve belangrijker is dan de functie van een management director voor een regio Frankrijk en België. De verantwoordelijkheden en taken van een managing director voor een bepaalde regio met inbegrip van de verantwoordelijkheid voor winst en verlies van zijn regio (stuk 6 appellante) zijn anders dan de verantwoordelijkheden van een regionaal EMEA-verantwoordelijke voor strategie en plannen doch zijn daarom inhoudelijk niet minderwaardig. De regionaal managing director leidt dagdagelijks de ondernemingen binnen zijn regio, met inbegrip hun winst/verlies. De EMEA verantwoordelijke voor strategieën en plannen denkt er werkt strategieën en plannen uit voor de coördinatie van of tussen de ondernemingen van de groep binnen de grote regio Europa, Midden-Oosten en Afrika. De EMEA verantwoordelijke voor strategieën en plannen is overeenkomstig de neergelegde stukken evenwel niet de overste van de regionale managing direc-teurs. De overste van de regionale managing directeurs is blijkens de stukken een vice president van de regio EMEA, dit is een functie met een hogere graad (meer dan 17) die de heer S. niet had als EMEA strategieën en Plannen en waarvan hij ook niet bewijst dat appellante hem deze titel (vice president) zou hebben beloofd binnen korte termijn. Uit de stukken blijkt niet dat de heer S. als EMEA Director Plannen en Strategieën de hiërarchische overste was van de regionale managing directors. Het feit dat de heer S. twee jaar eerder een mana-ging directeur zou hebben aangeworven te zijner vervanging voor de regio België-Frankrijk is uiteraard op zich geen bewijs dat deze functie twee jaar later in de hiërarchie der functies van de groep aan hem ondergeschikt zou zijn. Uit de stukken blijkt het tegendeel en de heer S. spreekt appellante bovendien niet tegen waar zij uiteen zet dat de omzet van de regio België-Frankrijk de laatste twee jaar dermate is gestegen dat dit één van de belangrijkste regio's van de EMEA-groep is geworden. De heer S. bewijst niet dat de hem door appellante voorgestelde functie als managing director België-Frankrijk samen met de verantwoordelijkheid voor de afdeling Messaging en samenwerking zijn essentiële arbeidsvoorwaarden aanzienlijk wijzigden. De loonsvoorwaarden werden welintegendeel gunstiger (+7%) en qua inhoud en belangrijkheid blijkt de nieuwe functie weliswaar anders zowel geografisch als inhoudelijk, doch volgens het Hof even belangrijk zowel qua inhoud als quo plaats in de gereorganiseerde hiërarchie van de functies binnen de groep (graad 17 bleef behouden). De heer S. bewijst niet dat zijn "scope of control" (controlespectrum) drastisch beperkt zou worden in de nieuwe functie t.o.v. zijn vorige functie. Het Hof stelt vast dat de door appellante voorgestelde functiewijziging geen essentiële bestanddelen van de arbeidsvoorwaarden ernstig wijzigt.
  5. De wil tot het beëindigen van de overeenkomst. Overwegende dat het Hof aan de hand van de neergelegde stukken vaststelt dat de heer S. de door ap-pellante voorgestelde nieuwe functie herhaaldelijk medio 2000, 24 juli 2000, 28 juli 2000 en 3 augustus 2000 en uitdrukkelijk weigerde. Dat hij aan appel-lante meedeelde dat hij een carrière buiten Lotus of IBM zou dienen te overwegen en dat hij op 3 augustus 2000 schriftelijk meedeelt dat hij de arbeidsrechtbank zal vragen zijn arbeidsovereenkomst ongedaan te maken (stuk 8 S. ), waarop appellante op 4 augustus 2000 antwoordt dat zij zijn weigering om de aangeboden functies te aanvaarden als een beslissing van zijnentwege zal beschouwen om de arbeidsovereenkomst niet verder te zetten tenzij hij op zijn positie terugkomt voor zijn terugkeer uit vakantie op 1 september
  6. Op 7 augustus 2000 schrijft de heer S. dat hij de West job binnen EMEA zal uitvoeren zonder nadelige erkentenis en onder alle voorbehoud in het bijzonder onder het voorbehoud van de beslissing van de rechtbank aangaande de vraag of deze nieuwe betrekking al dan niet een degradatie betekent. Hij kondigt ook aan dat hij zal dagvaarden bij terugkeer uit vakantie. Op 29 augustus 2000 dagvaardt hij appellante voor de arbeidsrechtbank en vordert dat de arbeidsrechtbank zijn arbeidsovereenkomst zou ontbinden overeenkom-stig artikel 1184 B.W. ten laste van appellante en haar tevens te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding provisioneel begroot op 45.000.000 BEF, rekening houdende met zijn anciënniteit, loon, hoge positie en leeftijd. Overwegende dat eenieder inderdaad het recht heeft zich tot een rechter te wenden ter beslechting van een geschil aangaande zijn rechten. Overwegende dat de burgerlijke rechtbanken als taak hebben geschillen te beslechten, d.w.z. vonnissen of beslissingen uit te spreken. Rechtbanken hebben geen adviserende doch een beslissende bevoegdheid aangaande de bij hen aanhangig gemaakte geschillen. De partij die het slachtoffer wordt van een eenzijdige wijziging van een wezenlijk bestanddeel van zijn overeenkomst moet daarop binnen een korte be-denktijd reageren. Wanneer de werkgever eenzijdige essentiële bestanddelen van de arbeidsovereenkomst wijzigt, kan de voortzetting van de arbeidsprestatie door de werknemer gedurende een langere termijn dan nodig is om standpunt in te nemen impliceren dat afstand wordt gedaan van het aanvoeren van de aan de werkgever verweten beëindiging, zelfs al gaat het voortzetten van de arbeid gepaard met het formuleren van voorbehoud (Cass. 7.1.1980, RW 80-81, 1214; Cass. 28.6.1982, arr. Cass. 81-82, 1367; Cass. 17.6.2002, JTT 2002, 417). Overwegende dat de heer S. met brieven van 24 juli 2000, 28 juli 2000 en 3 augustus 2000 uitdrukkelijk stelde dat hij de gewijzigde functie niet aanvaardde en aan appellante herhaaldelijk en duidelijk meedeelde dat hij de eenzijdige functiewijziging als een impliciet ontslag beschouwt in hoofde van appel-lante. Dat hij daarna op 8 augustus 2000 schijnbaar van mening verandert en zegt dat hij de gewijzigde functie aanvaardt doch onder het voorbehoud van de beslis-sing van de rechtbank of de functiewijziging een degradatie betekent. Het Hof stelt vast dat de heer S. in feite op 8 augustus 2000 niet van mening is veranderd en de eenzijdige functiewijziging wel degelijk nog steeds als een impliciet ontslag beschouwt, reden waarom hij op 29 augustus 2000 ook de ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor de arbeidsrechter vordert daar "gedaagde hem verplicht een functie uit te oefenen die voor verzoeker een degradatie inhoudt t.o.v. de positie, verantwoordelijkheden, voordelen en per-spectieven die hem voorheen waren toebedeeld en toegezegd" (aldus de dagvaarding dd. 29 augustus 2000 in ontbinding). Deze dagvaarding bewijst onomstotelijk dat de heer S. de hem door appellante opgelegde functiewijziging (nog steeds) als een impliciet ontslag beschouwt, zoals hij haar ook voordien reeds herhaaldelijk ter kennis bracht. Het feit dat hij gerechtelijke ontbinding wegens wanprestatie vordert is een juridische nuance die de werkelijke motieven van deze dagvaarding niet uitschakelt. De heer S. vordert ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten laste van appellante en bijhorende schadevergoeding wegens ernstige eenzijdige wijziging van essentiële arbeidsvoorwaarden door appellante. Het Hof kan niet anders dan vaststellen dat de heer S. op 8 augustus 2000 nog steeds meende dat zijn werkgever eenzijdig essentiële bestanddelen van zijn arbeidsovereenkomst ernstig heeft gewijzigd, doch dit standpunt niet officieel wilde of durfde in te nemen, hoewel een partij die het slachtoffer wordt van een eenzijdige wijziging dit binnen een korte bedenktijd dient te doen (zie hoger geciteerde rechtspraak van het Hof van Cassatie). Met de dagvaarding dd. 29 augustus 2000 drukt de heer S. volgens het Hof wél zijn duidelijk standpunt uit. Zijn vordering tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst lastens appellante wegens impliciet ontslag is volgens het Hof de duidelijke uiting van zijn wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Dit vordert hij immers. In de concrete omstandigheden van deze zaak be-schouwt het Hof deze dagvaarding dan ook als de kennisgeving van de werknemer aan de werkgever dat hij de arbeidsovereenkomst als beëindigd beschouwt omdat de werkgever eenzijdig een belangrijke wijziging heeft aangebracht in essentiële bestanddelen van zijn arbeidsovereenkomst. Appellante stelt in haar schrijven dd. 1 september 2000 volgens het Hof dan ook terecht dat de heer S. met zijn dagvaarding dd. 29 augustus 2000 zijn wil heeft te kennen gegeven om de arbeidsrelatie en de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Overwegende dat uit wat voorafgaat onder "1" volgt dat de heer S. ten onrechte impliciet ontslag verwijt aan appellante zodat hij zelf de arbeidsovereenkomst onregelmatig beëindigde. Appellante maakt terecht aanspraak op een opzeggingsvergoeding. Het Hof meent dat voor het bepalen van de passende opzeggingstermijn overeenkomstig artikel 83 AOW die de werkgever nodig heeft om een bediende met dezelfde kennis en kwaliteiten aan te werven, rekening moet worden gehouden met het feit dat appellante ingevolge de fusie van Lotus en IBM de facto geen aanwervingmoeilijkheden of personeelstekorten heeft gekend. Uit de nota van de heer Van beneden (stuk 57 bundel S. ) blijkt het tegendeel. In deze omstandigheden bepaalt het Hof de passende termijn om een werknemer met dezelfde kwalificatie te vinden op één maand en de opzegvergoeding op één maand loon of EUR 249.605 : 12 = EUR 20.800,
  7. HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP. Gelet op de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de heer S. is hij niet gerechtigd op opzeggingsvergoeding noch vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht. LOONACHTERTSALLEN De heer S. vordert: - EUR 2.626,77 netto ten onrechte ingehouden bijdragen pensioenplan - EUR 80.442,80 bruto t.t.v. commissies - EUR 10.250,49 bruto t.t.v. bonus Overwegende dat Lotus beaamt dat de op het loon van september ingehouden som van EUR 2.626,77 (105.964 BEF) betrekking heeft op verhoogde persoonlijke bijdragen aan het pensioenplan op jaarbasis. Voor het jaar 2000 bedroegen de werknemersbijdragen op jaarbasis volgens Lotus (p.22 synthesebesluiten) EUR 9.469,58 (382.022 BEF) waarvan de heer S. tot juni EUR 2.288,90 (92.334 BEF) betaalde en nog EUR 1.445,81 in juli 2000 en EUR 1.445,81 in augustus 2000, maakt in totaal EUR 5.180,
  8. Overwegende dat Lotus niet betwist dat het pensioenplan werd "stopgezet" ingevolge de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vanaf september, zodat de heer S. logischerwijze geen bijdragen meer verschuldigd was voor de laatste 4 maanden van
  9. Voor de periode van 1 januari 2000 tot 30 augustus 2000 is hij als bijdragen verschuldigd: jaarlijkse bijdrage : 12 x 18 = EUR 9.469,58 : 12 x 8 = EUR 6.313,
  10. Hij was aldus nog een betaling verschuldigd van EUR 6.313,05 EUR 5.180,52 = EUR 1.132,
  11. Lotus hield op zijn loon voor september ten onrechte EUR 2.626,77 in. De heer S. heeft recht op terugbetaling van te veel ingehouden bijdragen ten belope van EUR 1.494,
  12. ACHTERSTALLIGE BONUS EN COMMISSIES PRO RATA
  13. Overwegende dat uit de neergelegde stukken blijkt dat de heer S. krachtens zijn arbeidsovereenkomst (art. 5) recht had op een jaarlijks variabel loon van 870.000 BEF volgens het Compensation Plan van Lotus Development Benelux BV. Dit compensatieplan van Lotus Development NV België wordt niet door partijen neergelegd noch zelfs vermeld in besluiten. Deze commissieregeling schijnt te zijn vervangen door een variabele verloning die werd overeengekomen tussen de heer S. en Lotus Development International Corporation (omwille van zijn internationale activiteiten binnen de regio EMEA). De voorwaarden en regels m.b.t. deze commissies zijn vervat in het "Lotus Compensatieplan Algemene Voorwaarden" uitgevaardigd door Lotus Development Corporation International vennootschap naar Engels recht met maatschappelijke zetel te Staines (UK) (stuk 13a bundel IBM + vertaling). Uit de door de heer S. neergelegde stukken 40 en 44 blijkt dat Lotus Development International hem bevestigde dat zij ook in 2000 het commissieloon zou behouden. Dit blijkt ook uit de mail van 24 augustus 2000 (stuk 14 S. ): "De commissies voor H1-2000 (eerste helft) zullen met de payroll van september worden afgerekend. Er werd besloten om de uitbetaling op 100 % te laten verlopen voor jou Commissie H1=1.242.965 BEF - (voorschotten) = 745.779 BEF: betaalbaar = 497.186 BEF" (mail van 24 augustus 2000, stuk 14). Dit voorschot werd aan de heer S. trouwens ook uitbetaald, wat bewijst dat Lotus International de toepassing van het commissieplan ook voor het jaar 2000 aan de heer S. bevestigde, ondanks het feit dat partijen geen individueel plan voor het jaar 2000 opstelden. Bij gebrek aan een bijzondere overeenkomst tussen NV Lotus en de heer S. m.b.t. het jaar 2000, dienen de rechten van de heer S. op bonussen, accelerators en super-accelerators pro rata voor het jaar 2000 te worden beoordeeld op grond van de bonus en premie-voorwaarden, zoals voorgeschreven door het hoger reeds genoemd Lotus Compensation Plan Algemene Voorwaarden (stuk 13a bundel Lotus + vertaling). De heer S. stelt dat dit stuk nietig is overeenkomstig het Nederlands taaldecreet. Overwegende dat niet bewezen is dat de Lotus Development International Corporation een exploitatiezetel heeft in het Nederlands taalgebied. Dat blijkt dat de heer S. als senior director EMEA Strategies & Programs niet meer in België was tewerkgesteld maar in Amsterdam (stuk 40- Plaats van tewerkstelling Amsterdam). Overwegende dat de sociale betrekkingen m.b.t. het variabel loon en m.n. de door de heer S. gevorderde voordelen van het commissieplan door de heer S. werden gevoerd met Lotus Development International Corporation in de persoon van M. C. (Staines UK) (stuk 44 m.b.t. Commissieplan 2000), stukken die de heer S. m.b.t. dat commissieplan neerlegt in het Engels (en zelfs niet vertaald). Dat het Hof meent dat het Nederlands Taaldecreet in casu dan ook niet van toepassing is op het Lotus Development International Corporation compensatieplan. NV Lotus België had i.v.m. de rechten en verplichtingen van S. aangaande dit compensatieplan geen betrekkingen met S. en kan niet als de werkgever van de heer S. worden beschouwd zoals bedoeld in het Taaldecreet. De rol van NV Lotus beperkte zich tot de uitbetaling van deze commissies omdat S. op de Belgische pay-roll stond, maar de sociale betrekkingen voor het toekennen, het bepalen van de te bereiken doelen en de hoegrootheid van de commissies geschiedden uitsluitend bij Lotus Development International die ten deze als de echte werkgever moet beschouwd worden. Zelfs al diende het compensatieplan als nietig te worden beschouwd omdat het niet in de Nederlandse taal is opgesteld (quod non), dan nog dient het Hof alleszins de werkelijke bedoeling (wil) der partijen met dit verloningstelsel te achterhalen. Uit de neergelegde vertaling blijkt dat overeenkomstig ar-tikel 7.1.8 van de compensatieregeling "In het geval een deelnemer de Corporation verlaat voor om het even welke reden voor het einde van de duur van het plan, geen enkele betaling onder het plan verschuldigd is". Overwegende dat de heer S. door zijn eigen toedoen (zie hoger) de Lotuscorporation verliet op 29 augus-tus 2000, d.i.vóór het einde van de duur van het Plan, zodat hem geen enkele betaling verschuldigd is. De vergoeding van $12.672,50 voor de uitoefening op 16 augustus 2002 van de aandelenopties toegekend in 1999 en de overige vorderingen en voorbehouden i.v.m. aandelenoptieplan en aandelenaankoopplan. De heer S. legt dienaangaande de in het Engels opgestelde stukken 37,38 en 47 alsook stukken 32,33,35 en 54 neer. Overwegende dat uit de door de heer S. neergelegde stukken blijkt dat hem het voordeel werd toegekend van een aandelenoptieplan IBM en een aandelenaan-koopplan IBM, meer bepaald het IBM stockoptionplan, hem toegekend op 29 maart 1999 (stuk 19 Lotus) en het IBM Employees Stock Purchase Plan dd. 15 mei 2000 (stuk 18 bundel Lotus) voor het jaar
  14. In uitvoering van dit laatste plan werd op het loon van de heer S. 123.093 BEF netto ingehouden (zijn stukken 32 en 33) en werd hem 12.525 BEF betaald (loonbrief augustus 2000 Voordelen allerlei aard SPP). In uitvoering van het IBM aandelenoptieplan voor 1999 werd aan de heer S. op 29 maart 1999 een stock option award agreement toegekend (stuk 19 Lotus) dat is opgesteld op zijn persoonlijke naam. De heer S. vordert betaling van $12.672,5 voor de uitoefening van aandelenopties door hem verricht op 16 augustus
  15. Hij stelt dat hij deze aandelen "cashless" kon uitoefenen doch legt geen enkel stuk neer ter staving van deze bewering. Uit het door Lotus neergelegd aandelenoptiecertificaat, toegekend aan de heer S. in 1999 blijkt dat ingeval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst de opties die niet uitvoerbaar zijn uiterlijk op de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst onmiddellijk vervallen. Het Hof meent dat de door de heer S. aangevoerde nietigheid van deze clausule wegens strijdigheid met het Nederlands Taaldecreet om hoger reeds uiteenge-zette redenen niet gegrond is. Hij trad vrijwillig toe tot het IBM aandelenoptieplan (en het IBM aandelenaankoopplan) beide uitgevaardigd door de International Business Machines Corporation, One New Orchard Road, Amonk, New York 10504, vennootschap naar Amerikaans recht en voerde de sociale betrekkingen dienaangaande blijkbaar via Lotus Development International UK, zoals blijkt uit zijn stuk
  16. Wat de vordering tot teruggave van 123.093 BEF betreft: Dat bewezen is dat Lotus NV deze betaling inhield op zijn loon als bijdragen aan het aandelenkoopspaar-plan. Dat Lotus stelt dat zij dit ingehouden bedrag ter beschikking stelde van de heer S. . Dit bewijst Lotus niet. De heer S. vordert terecht terugbetaling ervan, alsook de overhandiging van het op hem toepasselijk aandelenkoopplan. Wat betreft het achterstallig vakantiegeld bij uit-diensttreding op de achterstallige commissies en bonus. Deze vordering is ongegrond (zie hoger). De afgifte van een nieuw formulier C
  17. Lotus NV dient een met onderhavig arrest overeenstemmend formulier C4 af te leveren met als datum van indiensttreding 01 juni
  18. Het Hof meent niet dat het opleggen van een dwangsom in huidige omstandigheden noodzakelijk is. ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het hoger hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk. Verklaart het hoger hoofdberoep gegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep zeer gedeeltelijk gegrond in de mate zoals hierna bepaald. Hervormt het vonnis a quo in al zijn bestanddelen. Trekt de zaak in haar geheel tot zich. Opnieuw rechtdoende, Verklaart de oorspronkelijke hoofdvordering van huidig geïntimeerde en de tegenvordering van huidig appellante ontvankelijk. Verklaart de hoofdvordering van de heer B. S. gedeeltelijk gegrond als volgt: Veroordeelt NV Lotus Development Belgium tot betaling aan de heer B. S. t.t.v. onterecht verrichte inhoudingen: - de som van EUR 3.051,40 (drieduizend eenenvijftig euro en veertig cent) netto vermeerderd met wettelijke en gerechtelijke intresten, - de som van EUR 1.494,24 (duizend vierhonderd vierennegentig euro en vierentwintig cent) netto, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten. Veroordeelt NV Lotus Development Belgium tot afgifte aan de heer B. S. van de bescheiden betreffende het op hem toepasselijk IBM aandelenkoopplan (SPP) en van een verbeterd document C4 overeenstemmend met onderhavig arrest binnen de termijn van één maand na betekening van dit arrest. Wijst de heer S. af van het meergevorderde als zijnde ongegrond. Verklaart de tegenvordering van NV Lotus Development Belgium als volgt gegrond: - Veroordeelt de heer B. S. tot betaling aan NV Lotus Development Belgium van een opzegvergoeding gelijk aan EUR 20.800,42 (twintigduizend achthonderd euro en tweeënveertig cent) te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten. Veroordeelt de heer B. S. tot 4/5 van de kosten van beide aanleggen en NV Lotus Development Belgium tot 1/5, tot op heden als volgt begroot: - voor appellante: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg EUR 205,25 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 267,73 - voor geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg EUR 196,33 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 261,78 - betekeningbevel EUR 160,16 - proces-verbaal kantonnement EUR 146,85 - proces-verbaal consignatie EUR 146,95 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op drie december tweeduizend en vier. Waren aanwezig: M. VERMAELEN: Raadsheer. P. GROENINCKX: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. M. WAMPERS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. L. COEN. M. VERMAELEN. M. WAMPERS. P. GROENINCKX. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041203.6 Gerelateerde publicatie(s) Link JUSTEL: ECLI:BE:CASS:1980:ARR.19800107.2 ECLI:BE:CASS:1982:ARR.19820628.15 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020617.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.