id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 14 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041214.2 Rolnummer: 44245 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-03 20:05 Fiche Dat de ontslagbrief geen melding maakte van de toepassing van artikel 78 WAO, belet niet dat de daarin voorziene compensatie kan worden toegepast. Die bepaling vereist geenszins dat uitdrukkelijk bij het ontslag zelf dient te worden vermeld dat de overeenkomst overeenkomstig artikel 78 WAO wordt beëindigd en dat compensatie zal worden toegepast. Het betreft een wettelijk voorziene compensatie zodat daartoe geen tegenvordering dient te worden ingesteld. Het is immers niet betwist dat de bezoldiging werd doorbetaald. Het was voldoende dat de Post nadien haar beslissing daaromtrent kenbaar maakte. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - BEDIENDEN - Compensatie tussen opzeggingsvergoeding en loon betaald sedert het begin van de arbeidsongeschiktheid - Geen verplichte vermelding van deze wetsbepaling in de ontslagbrief - Geen tegenvordering verplicht in betaling van het bedoelde loon. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 78 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN 14 DECEMBER
- 3e KAMER Bediendecontract Op tegenspraak Definitief In de zaak : DE POST N.V. van publiek recht, met zetel gevestigd te Muntcentrum, 14de verdieping te 1000 Brussel, Appellante, vertegenwoordigd door Mter J. Kiekens loco Mter M. Kiekens, advocaat te 1082 Brussel; Tegen : Mevrouw H. Y., Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter Heereman loco Mter D. Van Herzeele, advocaat te 9620 Zottegem; Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van een vonnis van 8 november 2002 tussen partijen op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel (2de kamer); - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op 16 mei 2003; - gelet op de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 9 november 2004; x x x RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING Mevrouw H. is op 14-7->73 in dienst getreden van de Post als plaatsvervangend postman met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Met een brief van 24-7->90 deelde de Post haar mee dat de Algemene Directie beslist had haar contract te verbreken vanaf 1 augustus 1990 omwille van haar afwezigheid wegens ziekte sinds 25-12-
- Tevens werd haar meegedeeld dat de opzeggingsvergoeding gelijk aan 12 maanden waarop zij aanspraak kon maken niet zou worden uitbetaald en zou worden gecompenseerd met de bezoldigingen betaald sinds 24-01->87 ingevolge de beslissing die haar werd ter kennis gebracht op 23-12-
- Met een brief van 11-12->90 stelde de vakvereniging van Mevrouw H. de Post in gebreke tot betaling van de verbrekingsvergoeding gelijk aan 12 maanden loon. De post antwoordde op 16-1->91 dat de arbeidsovereenkomst werd opgezegd overeenkomstig artikel 78 van de Wet op de arbeidsovereenkomsten (WAO) en dat de administratieve gezondheidsdienst haar geschikt had bevonden voor het hernemen van haar normale functie vanaf 24-12-1986 zodat haar afwezigheid vanaf die datum niet meer beschouwd zou worden als het gevolg van het ongeval op de weg van en naar het werk dat haar was overkomen op 13-3->86 en zou omgezet worden in ziekte. Met dagvaarding van 27-6->91 vorderde Mevrouw H. betaling van de opzeggingsvergoeding gelijk aan 12 maanden loon, ten bedrage van 12.865,97 Euro, vermeerderd met de intresten en de kosten. Met het beroepen vonnis willigde de arbeidsrechtbank de vordering volledig in. Zij stelde vast dat de beslissing waarbij aan Mevrouw H. uitsluitsel werd gegeven m.b.t. de gevolgen van haar arbeidsongeval slechts bekend werden gemaakt bij brief van 20-1->93 en dat in de ontslagbrief geen melding werd gemaakt van artikel 78 WAO, dat bovendien geen tegenvordering werd ingesteld om terugbetaling te bekomen van de bezoldiging die vanaf 25-12-1986 ten onrechte zou zijn uitbetaald. Daar de bezoldiging werd uitbetaald zonder enig voorbehoud en haar maandelijks een geel formulier werd overgemaakt waarvan het gebruik is voorgeschreven in het kader van een arbeidsongeval, oordeelde de Arbeidsrechtbank dat post factum geen toepassing kon worden gemaakt van artikel 78 WAO. Op dezelfde basis verwierp zij de redenering van de Post dat zij de bedragen betaald sinds 29-3->90 tot 24-7->90 in rekening kon brengen. Zij aanvaardde evenmin dat de intresten na verloop van 5 jaar zouden zijn verjaard, nu op geldige wijze een dagvaarding werd ingeleid. VOORWERP VAN HET HOGER BEROEP De Post verzoekt het Hof te zeggen voor recht dat de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond is en Mevrouw H. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. In ondergeschikte orde vordert zij te zeggen voor recht dat de vordering gedeeltelijk gegrond is en aan Mevrouw H. slechts een brutobedrag toe te kennen van 8.087,87 Euro en de gerechtelijke intresten op het overeenstemmende nettobedrag over een periode van 5 jaar. Mevrouw H. verzoekt om de bevestiging van het beroepen vonnis; BEOORDELING
- Ontvankelijkheid Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en ingeleid binnen de daartoe voorziene wettelijke termijn. Het is dan ook ontvankelijk.
- Ten gronde Uit de uiteenzetting van De Post en de stukken van het bundel blijkt dat Mevrouw H. een arbeidswegongeval heeft opgelopen op 13-3->86 en dat na het afhandelen van de door haar ingestelde beroepsprocedure tegen een eerste beslissing i.v.m. de gevolgen van dit ongeval, door de Administratieve Gezondeheidsdienst een nieuwe beslissing werd getroffen op 12-1->
- De consolidatiedatum werd daarbij bepaald op 29-3->90 met een blijvende arbeidsongeschiktheidsgraad van 3%. Verder werd beslist dat alle afwezigheden gemeld met AGD1B-attesten tot aan de consolidatiedatum werden beschouwd als het gevolg van het ongeval doch dat de werkonbekwaamheidsperiodes na de consolidatiedatum niet meer aanvaard werden als gevolg van het ongeval en omgezet zouden worden in ziekteverlof. Daaruit volgt dat alle bezoldigingen die door de Post werden uitbetaald tussen 13-3->86 en 29-3->90 als vergoedingen van het arbeidsongeval gelden. De Post is zijn eigen arbeidsongevallenverzekeraar. Deze kunnen zeker niet gecompenseerd worden met de verschuldigde opzeggingsvergoeding (Cass., 9-3->81, RW >81->82, 1846). De bezoldigingen die na 29-3->90 werden uitbetaald komen wel in aanmerking ter compensatie van de verschuldigde opzeggingsvergoeding. Dat de ontslagbrief geen melding maakte van de toepassing van artikel 78 WAO, belet niet dat de daarin voorziene compensatie kan worden toegepast. Die bepaling vereist geenszins dat uitdrukkelijk bij het ontslag zelf dient te worden vermeld dat de overeenkomst overeenkomstig artikel 78 WAO wordt beëindigd en dat compensatie zal worden toegepast. Het betreft een wettelijk voorziene compensatie zodat daartoe geen tegenvordering dient te worden ingesteld. Het is immers niet betwist dat de bezoldiging werd doorbetaald. Het was voldoende dat de Post nadien haar beslissing daaromtrent kenbaar maakte. Het hoger beroep komt derhalve gegrond voor in de mate het in ondergeschikte orde vordert dat de opzeggingsvergoeding zou worden beperkt tot een bedrag van 8.087,87 Euro ingevolge compensatie met de tussen 29-3->90 en het ontslag uitbetaalde bezoldiging. Het Hof treedt de Arbeidsrechtbank bij in haar beslissing dat de gevorderde intresten niet verjaard zijn. De verjaring werd immers gestuit door de inleidende dagvaarding en blijft geschorst zolang de procedure duurt. Aan de vertraging in de rechtspleging heeft appelante mede schuld. Zij heeft immers geen gebruik gemaakt van de middelen die haar door het Gerechtelijk Wetboek ter beschikking werden gesteld om de onwillige tegenpartij te dwingen de procedure te vervolgen. Wat de intresten betreft is het Hof van oordeel dat deze op de brutobedragen dienen te worden toegekend zoals door de Arbeidsrechtbank werd beslist. Aangezien uit de voorbereidende werken van de wet van 26 juni 2002 blijkt dat de aangebrachte wijziging aan artikel 10 loonbeschermingswet een interpretatie bevestigt die steun vindt in het doel zelf van de loonbeschermingswet van 12 april 1965, oordeelt het Hof dat de intresten verschuldigd zijn op de toegekende brutobedragen, ook al is de wet van 26 juni 2002 nog niet in werking getreden. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond voor zover het in subsidiaire orde werd ingesteld Hervormt het beroepen vonnis , Verklaart de oorspronkelijke vordering gedeeltelijk gegrond in de hierna bepaalde mate, Veroordeelt de Post tot betaling aan Mevrouw H. van een bedrag van 8.087,87 Euro als saldo opzeggingsvergoeding gelijk aan 12 maanden loon, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten, Bevestigt het beroepen vonnis voor het overige. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van geïntimeerde Deze kosten werden tot op heden begroot op : voor appellante partij : niet begroot. voor geïntimeerde partij : rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 279, 62 _ Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 14 december 2004, waar aanwezig waren : Mevrouw G. BALIS, Raadsheer, De Heer P. KESSELS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer P. BUYENS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041214.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.