id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 14 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041214.6 Rolnummer: 44504 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-18 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-03 20:07 Fiche De controle van e-mail en internetgebruik dient eveneens getoetst te worden aan de communicatiebescherming gewaarborgd door de telecomwet van 21 MAART 1991,en onder meer aan artikel 109 ter C tot E. Artikel 109 ter D van de Telecomwet verbiedt onder meer de kennisname met bedrieglijk opzet van het bestaan van telecommunicatieberichten, behoudens toestemming van alle betrokkenen. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - W.A.O. Art. 35 - Feiten door de werkgever ontdekt tengevolge van een systematische en niet vooraf aangekondigde controle van de inhoud van alle door de werknemers uitgezonden e-mails - Schending van het recht op communicatieve privacy voorzien door art. 22 van de Grondwet, art. 8 E.V.R.M. en artikel 17 BUPO, met als sanctie de verwerping van het bewijsmiddel; erkenning van deze feiten in besluiten neergelegd tijdens het proces voor de arbeidsrechtbank dient eveneens verworpen. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Een korte inhoud door A. Vanoppen is gepubliceerd in Oriëntatie 2005, n°4, R.B.U.B., p. 3. In het Frans : een korte inhoud door A. Vanoppen is gepubliceerd in Orientations 2005, n° 5, P. 26 (J.L.P.V.). Eveneens gepubliceerd in S.R.K. 2006, 143. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - ORIENTATIE - VANOPPEN,A. - 2005
(04)(RBUB,P.3) SOCIAAL RECHT EN PERSONEELSBELEID - VANOPPEN,A. - 2005
(05)(JLPV,P.26-27) ORIENTATIONS - - 2006(P.143-145) DROIT SOCIAL ET GESTION DU PERSONNEL - - Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN 14 DECEMBER
- 3e KAMER Bediendecontract Op tegenspraak Definitief In de zaak : De Heer K. H., Appellant, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mter Jacobs loco Mter A. Van De Steen, advocaat te 9300 Aalst; Tegen : DE N.V. TECH DATA, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1740 Ternat, Assesteenweg, 117/1, Geïntimeerde, appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mter S. Bouzoumita loco Mter S. Vanoverbeke, advocaat te 9051 Sint-Denijs-Westrem; Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van een vonnis van 27 juni 2003 tussen partijen op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op 6 augustus 2003; - de besluiten en aanvullende besluiten neergelegd door geïntimeerde partij ter griffie van dit Hof respectievelijk op 9 oktober 2003 en 11 augustus 2004; - de besluiten van appellante neergelegd ter griffie van dit Hof op 11 mei 2004; - gelet op de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 9 november 2004; x x x RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING De Heer K. is op 15-12->98 als Business Unit Manager Datech in dienst getreden van de vennootschap wier activiteit bestaat in het verstrekken van advies inzake informaticaproducten, zowel hard- als software, multimediaproducten en kantoorbenodigdheden en de verkoop ervan. Daarna oefende hij de functie van Education Manager uit. Hij werkte onder de leiding van de Heer J. D.V., medeoprichter van de vennootschap, financieel en administratief directeur en afgevaardigd bestuurder. Op 22-12-2001 kondigde de vennootschap aan dat de Heer D. V. het bedrijf zou verlaten op 1-2-
- In de loop van de maand april contacteerde de Heer D. V. de Heer K. per e-mail en verzocht hij om mededeling van de gebruikelijke lonen. De Heer K. gaf hieraan gevolg en deelde de lonen van 5 met de voornaam genoemde werknemers mee. Deze mails werden gedetecteerd door de vennootschap die een filter had laten plaatsen op het mailverkeer omdat zij vreesde dat de Heer D. V. met wie ze een niet-concurrentiebeding had afgesloten, zich schuldig zou maken aan oneerlijke concurrentie met de hulp van haar werknemers. De vennootschap achtte de feiten onaanvaardbaar. Zij confronteerde de Heer K. met onderschepte e-mails en deze bekende. Zij stelde hem eerst voor de overeenkomst onmiddellijk te beëindigen in onderling overleg. De Heer K. weigerde echter op dit voorstel in te gaan, waarna de vennootschap besliste hem om dringende reden te ontslaan, hetgeen zij hem met een aangetekende brief van 3-4-2001 ter kennis bracht. De Heer K. betwistte de gegrondheid van het ontslag via zijn vakorganisatie. In de daarop volgende briefwisseling bleven beide partijen bij hun standpunt. Op 7-1-2002 spande de Heer K. een geding aan voor de Arbeidsrechtbank. Hij vorderde de betaling van een opzeggingsvergoeding ten bedrage van 23.002,91 Euro en van een uitwinningsvergoeding gelijk aan 13.801,74 Euro. Bij conclusie neergelegd op 3-4-2002, stelde de vennootschap een tegenvordering in tot het bekomen van een schadevergoeding ten bedrage van 25.000 Euro. Met het beroepen vonnis verklaarde de Arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde zij de Heer K. tot de kosten van het geding. Zij verklaarde de tegenvordering gegrond ten belope van een bedrag van 1.250 _ ten titel van schadevergoeding, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 3 april
- VOORWERP VAN HET HOGER BEROEP De Heer K. verzoekt het Hof de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en de vennootschap bijgevolg te veroordelen tot betaling van een bedrag van 23.002,91 Euro als verbrekingsvergoeding en 13.801,74 Euro uitwinningsvergoeding, de wettelijke intresten op de daarmee corresponderende netto-bedragen en tot de kosten. De vennootschap stelde bij conclusie incidenteel hoger beroep in en verzoekt het Hof het bestreden vonnis te bevestigen wat de afwijzing van de vorderingen van de Heer K. betreft, de door haarzelf ingestelde oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en de Heer K. te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van 25.000 Euro te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en tot de kosten van het geding. BEOORDELING
- Ontvankelijkheid Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en werd ingeleid binnen de daartoe voorziene wettelijke termijn. Hetzelfde geldt voor het incidenteel hoger beroep. Beiden zijn dan ook ontvankelijk.
- Ten gronde A.Met betrekking tot het hoofdberoep Het ontslag om dringende reden De Heer K. houdt voor dat de werkgever een onrechtmatige controle van de e-mails uitoefende nl. door het verdoken plaatsen van een filter en aldus de grenzen heeft overschreden die gesteld worden aan inbreuken op de privacy en wel deze van het legaliteitsbeginsel, het finaliteitsbeginsel, en het proportionaliteitsbeginsel. Hij meent dat noch met het aldus verzamelde bewijsmateriaal, noch met het zogenaamd secundair bewijsmateriaal, nl. de verklaringen die hij aflegde na de confrontatie met het onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal rekening kan worden gehouden, zodat de arbeidsovereenkomst onrechtmatig werd verbroken. Hij verwijt de Arbeidsrechtbank elke sanctie te hebben ontnomen aan het onrechtmatig verzamelen van bewijsmateriaal. Met betrekking tot de grond van de zaak stelt hij dat de meegedeelde informatie amper vertrouwelijk kon worden genoemd aangezien de bestemmeling ervan de voormalig algemeen directeur was en dat hij haast reflexmatig gehandeld heeft op de vraag van de pas vertrokken algemeen directeur met wie de morele gezagsrelatie ingevolge onduidelijke informatie over zijn vertrek niet duidelijk verbroken was. De Arbeidsrechtbank oordeelde terecht dat de werkgever door de controle van de e-mails van het personeel zonder hen vooraf te verwittigen van de mogelijkheid daartoe een inbreuk pleegde op de persoonlijke levenssfeer. Het recht op communicatieve privacy is een bestanddeel van het recht op privacy dat als grondrecht ingeschreven is in artikel 22 van de Grondwet, in artikel 8 EVRM, artikel 17 van het BUPO en directe derdenwerking heeft. Het geldt eveneens in de arbeidsrelatie. De communicatie-privacy impliceert o.m. het gebruik van communicatiemiddelen en de vertrouwelijkheid van de communicatie.(F. Hendrickx, Privacy in het Arbeidsrecht, die Keure, 1999, p 305). Volgens artikel 8 EVRM is inmenging in de persoonlijke levenssfeer slechts toegelaten met inachtname van het legaliteitsbeginsel, het finaliteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel . Dit geldt ook voor de inmenging van de werkgever in de persoonlijke levenssfeer van de werknemers. Het legaliteitsbeginsel veronderstelt dat de inmenging door de Awet@ is voorzien. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt daarmee geen wet in formele zin bedoeld doch een wet in materiële zin: te verstaan als een regel die aan de betrokkenen bekend is zodat zij het effect ervan kunnen voorzien en hun gedrag eraan kunnen aanpassen ( Arrest Knopp. T Zwiterland 25-3->
- Rep. Eur Court H.R. 1998,II, 524). In de arbeidsverhouding kan dit het arbeidsregelement zijn of een ander document dat aan de werknemers werd meegedeeld m.b.t. het gebruik van internet of e-mail (J.Dumortier, Little brother is watching you in Liber Amicorum R.Blanpain, Die Keure, 98 p 248) . Het finaliteitsbeginsel behelst het bestaan van gerechtvaardigde doeleinden. Het proportionaliteitsbeginsel houdt in dat dit doel op geen enkele andere manier kan worden bereikt. De werkgever dient zijn gezag uit te oefenen op een wijze die zo min mogelijk afbreuk doet aan de grondrechten van de werknemers. De werkgever dient ook de bepalingen in acht te nemen van de wet van 8-12->92 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer m.b.t. de verwerking van persoonsgegevens die via de wetswijziging van 11-12->98 werden aangepast aan de EG richtlijn 95/
- Zodra bij een observatie individuele werknemers worden geïdentificeerd is er sprake van verwerking van persoonsgegevens in de zin van die reglementering. Elke communicatie via telefoon fax, brief of computer valt onder toepassing van die wet. De verwerking kan gerechtvaardigd zijn indien ze noodzakelijk is voor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en voor de behartiging van het gerechtvaardigd belang van de werkgever. Dit is een toepassing van het proprotionaliteitsbeginsel (A.Dumortier o.c. p 250). Ook deze wet bepaalt dat de werknemers moeten worden ingelicht over de controle en over wat met de verzamelde gegevens zal gebeuren (legaliteitsbeginsel). Geheim toezicht kan dus in beginsel niet. De controle van e-mail en internetgebruik dient eveneens getoetst te worden aan de communicatiebescherming gewaarborgd door de telecomwet van 21-3->91,en o.m. aan artikel 109 ter C tot E. Artikel 109 ter D van de telecomwet verbiedt o.m. de kennisname met bedrieglijk opzet van het bestaan van telecommunicatieberichten, behoudens toestemming van alle betrokkenen. Van een bedrieglijk opzet is in voorliggende zaak kennelijk geen sprake. Artikel 109 ter D, 3E van die wet verbiedt echter eveneens, behoudens toestemming van alle betrokkenen, met opzet kennis te nemen van gegevens inzake telecommunicatie die betrekking hebben op een ander persoon. SMS en e-mail berichten vallen onder het begrip Agegevens inzake telecommunicatie@ zoals beschreven in artikel 58,4E van diezelfde wet en hebben betrekking op een ander persoon. Om kennis te nemen van dergelijke gegevens is derhalve toestemming nodig van alle betrokken personen (F. Dumortier o.c. P 39; F.Hendrickx o.c. p 91). Het opzet bestaat in het voornemen om het geheim te doorbreken ten nadele van de werknemer en eventuele andere deelnemers door kennis te nemen van het bestaan van e-mail of internetgebruik en dus de privacy van minstens één deelnemer te schenden (L. Arnou, Het respecteren van het telefoongeheim in België na de afluisterwet van 30-6-94, Computerrecht 95, p 162E). Het kennisnemen van de inhoud van de communicatie veronderstelt natuurlijk kennisname van het bestaan ervan (J.Dumortier, Internet op het werk, controlerechten van de werkgever. Or. 2000 p 35 e.v. in het bijzonder 37; F.Hendrickx, Electronisch toezicht op het werk, internet en camera=s, Ced. Samson 2000 p 90-91). Het bgrip telecommunicatie behelst volgens artikel 68,4E van de wet van 21-3->91 Aelke overbrenging, uitzending, ontvangst van tekens, seinen, geschriften, beelden, klanken en gegevens van alle aard, per draad of via een ander elektromagnetisch systeem@. Artikel 109 ter E ' 1 voorziet in drie uitzonderingen op het verbod nl. wanneer de wet het stellen van bedoelde handelingen toelaat of oplegt, wannneer zij worden gesteld met als enig doel de goede werking van het netwerk na te gaan en de goede uitvoering vande communicatie te garanderen of wanneer zij de interventie van hulp-en nooddiensten mogelijk maken die antwoorden op aan hun gerichte verzoeken. Dat artikel 17,2E WAO de werkgever op grond van zijn patronaal gezag een vrijbrief zou geven om registratie toe te laten in de zin van de eerste uitzondering van artikel 109 ter E van de wet kan niet worden aanvaard. De bepaling is te weinig precies om een beperking van een grondrecht te kunnen verantwoorden (J.Dumortier o.c. 154; F. Hendrickx o.c. p 308). Volgens de rechtspraak van het EHRM is vereist dat de wettelijke bepalingen die een beperking instellen voldoende toegankelijk en precies zijn en de toepassing ervan voldoende voorspelbaar ( EHRM 2-8->84 inzake Malone, Publ. Cour série 2 vol 95, 32-33). Het is niet betwist dat de vennootschap niet vooraf toesteming heeft bekomen van de betrokkenen om kennis te nemen van de e-mailberichten die zij als bewijs voorlegt en evenmin dat de werknemers niet werden ingelicht over een mogelijke controle. De vennootschap meent een verantwoording van de controlemaatregel te kunnen vinden in artikel 17,3E WAO dat de werknemer oplegt zowel gedurende de overeenkomst als na de beëindiging daarvan zich ervan te onthouden fabrieksgeheimen, zakengeheimen of geheimen in verband met persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden, waarvan hij in de uitoefening van zijn beroepsarbeid kennis kan hebben, bekend te maken. Zij betoogt dat de schending van het beroepsgeheim bovendien door artikel 309 Strafwetboek wordt gesanctionneerd. Met verwijzing naar cassatierechtspraak meent zij dat de maatregel derhalve gerechtvaardigd was. Het Hof van Cassatie stelde dat het recht op eerbiediging van het privéleven vastgelegd in artikel 8 lid 2 EVRM geen absoluut recht is. Het Hof achtte de plaatsing van camerabewaking door een werkgever in een voor het publiek toegankelijke winkelruimte niet in strijd met die bepaling, op grond van een gewettigd vermoeden van betrokkenheid van zijn werknemer bij te zijnen nadele gepleegde misdrijven als maatregel om nieuwe strafbare feiten te voorkomen of vast te stellen. Het Hof achtte die maatregel derhalve conform met het finaliteitsbeginsel. Deze rechtspraak kan niet zonder meer toegepast worden op voorliggende zaak. Het blijkt niet dat in casu reeds een misdrijf zou zijn gepleegd waarbij de Heer K. vermoedelijk betrokken was, noch kunnen de feiten zoals die door de werkgever worden voorgesteld als een misdrijf in de zin van artikel 309 Strafwetboek worden beschouwd. Die bepaling vereist immers een bijzonder opzet nl. het kwaadwillig of bedrieglijk opzet, het oogmerk schade te berokkenen en zich ongeoorloofde winsten toe te eigenen (RPDB, V° Secret professionnel n° 52) Bovendien kunnen de feiten die erin bestaan aproximatief lonen mee te delen van vijf werknemers aan de persoon die amper drie maanden terug nog de algemeen directeur van de vennootschap was, die deze heeft opgericht en ze steeds heeft geleid bezwaarlijk als fabrieksgeheimen in de zin van artikel 309 SWB worden aangezien. Tenslotte dient nog met appellant opgemerkt te worden dat klaarblijkelijk niet is voldaan aan het proportionaliteitsbeginsel nu niet blijkt dat de vennootschap haar werknemers behoorlijk heeft ingelicht m.b.t. het vertrek van de Heer D. en hen evenmin heeft meegedeeld dat verder contact met de Heer D. een gevaar zou kunnen inhouden voor het bedrijf. Het gaat er niet om dat het recht op privacy van de werknemer absoluut zou zijn en de werkgever machteloos zou staan t.o.v. ongeoorloofde praktijken die via het e-mailverkeer zouden gebeuren. Het gaat erom dat een aantal beginselen moeten gerespecteerd worden. Aangezien bij het verzamelen van het bewijsmateriaal de drie regels die een inbreuk op de privacy kunnen verantwoorden niet werden nageleefd kan met het onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal geen rekening worden gehouden. Hierin treedt het Hof de beslissing van de Arbeidsrechtbank bij(H.Buyssens, bewijs inzake arbeidsovereenkomstenrecht, in Actuele problemen van het Arbeidsrecht 4, Rigaux M. ed. Maklu 93, 312; W. Rauws en H. Schrijvens, De bescherming van de werknemers grondrechten binnen de individuele arbeidsverhouding in De toepasselijkheid van de grondrechten in private verhoudingen, Antwerpen Kluwer 82 p. 215). Het Hof treedt het standpunt van de Heer K. bij dat evenmin rekening kan worden gehouden met verklaringen die op grond van het onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal werden bekomen. Dit principe wordt door het Hof van Cassatie aanvaard i.v.m. het bewijs in strafzaken (Cassatie, 29 oktober 1962, Pas., I, 1963, 4). Aangezien het bewijs in voorliggende zaak verband houdt met feiten die als een dringende reden tot ontslag werden ingeroepen en niet met rechtshandelingen, meent het Hof dat dit principe ook hier moet gelden. Het in aanmerking nemen van verklaringen bekomen op grond van bewijsmateriaal verkregen door schending van een grondrecht zou immers als gevolg hebben dat elke sanctie aan de schending van het beschermd grondrecht zou worden onthouden. De bekentenis opgenomen in de conclusie van de Heer K. ligt in het verlengde van zijn eerdere bekentenissen die slechts op grond van het onrechtmatig bewijsmateriaal konden worden bekomen en kunnen derhalve evenmin in aanmerking worden genomen. Nu het bewijs van de ingeroepen dringende reden niet in aanmerking kan worden genomen, is de vennootschap ertoe gehouden een opzeggingsvergoeding te betalen. Rekening gehouden met de gangbare criteria, de anciënniteit van de Heer K. ( 2 jaar, 1m), zijn leeftijd ( 34 jaar), zijn functie van International and Education Manager en zijn jaarloon acht het Hof de gevorderde opzeggingsvergoeding gelijk aan 5 maanden loon in overeenstemming met de periode die op het ogenblik van het ontslag theoretisch nodig was om een evenwaardige betrekking te vinden. De uitwinningsvergoeding De uitwinningsvergoeding voorzien door artikel 101 WAO is voorbehouden aan de handelsvertegenwoordigers. Zulks blijkt duidelijk uit de bepaling van artikel 88 WAO. Enkel de werknemer waarvan de voornaamste taak bestaat uit handelsvertegenwoordiging kan zich op die hoedanigheid beroepen (Cassatie, 28 juni 1999, Arr. Cass., >99, 403; Cassatie, 18 april 1988, TSR >88, 284). De Heer K. toont niet aan dat zijn voornaamste taak erin zou bestaan hebben een cliënteel op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over en afsluiten van zaken. Als Business Unit Manager was hij verantwoordelijk voor het motiveren en coachen van een team bestaande uit acht werknemers. Dat hij in die hoedanigheid contacten had met het cliënteel heeft niet als gevolg dat hij als handelsvertegenwoordiger kan beschouwd worden. Als Education Manager was hij verantwoordelijke voor vier Abusiness units@. Het blijkt derhalve dat de taak van de Heer K. voornamelijk op het vlak van organisatie en leiding lag. Zij vordering tot het bekomen van een uitwinningsvergoeding is dan ook ongegrond. De oorspronkelijke tegenvordering De exceptie van verjaring die de Heer K. met betrekking tot de door de vennootschap ingestelde tegenvordering opwerpt, kan niet worden toegewezen. De conclusies van de vennootschap waarin deze tegeneis werd geformuleerd werden immers op 3-4-2002 ter griffie neergelegd en dus binnen het jaar na de beëindiging van de arbeidsoverenkomst. Derhalve is voldaan aan artikel 15 van de wet van 3-7->78 op de arbeidsovereenkomsten. De vennootschap stelt dat ze schade heeft geleden als gevolg van de door de Heer K. aan de Heer D. V. overgemaakte informatie betreffende de lonen en bijkomende voordelen van vijf personeelsleden aangezien drie van die vijf werknemers hun arbeidsovereenkomst hebben opgezegd binnen een termijn van amper twee maanden en in dienst zijn getreden van ondernemingen met tegenstrijdige belangen. Aangezien het aangereikte bewijsmateriaal onrechtmatig werd verkregen komt de tegenvordering niet bewezen voor. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Verklaart zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep ontvankelijk, het principaal hoger beroep gedeeltelijk gegrond en het incidenteel hoger beroep ongegrond, Hervormt het beroepen vonnis in volgende mate Verklaart de oorspronkelijk hoofdvordering tot het bekomen van een opzeggingsvergoeding gegrond, Veroordeelt de NV TECH DATA tot betaling van een bedrag van 23.002,91 Euro als opzeggingsvergoeding gelijk aan 5 maanden loon en de wettelijke en gerechtelijke intresten op de daarmee overeenstemmende nettobedragen, Verklaart de oorspronkelijke tegenvordering ongegrond, Bevestigt het beroepen vonnis in de mate dat het de hoofdvordering tot het bekomen van een uitwinningsvergoeding afwijst, Legt de kosten van beide aanleggen ten laste van de NV TECH DATA. Deze kosten werden tot op heden begroot op : - voor appellante partij : rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 273,67 _ beroepsakte : 57, 02 _ - voor geïntimeerde partij : rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 273, 67 _ Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 14 decemer 2004, waar aanwezig waren : Mevrouw G. BALIS, Raadsheer, De Heer P. KESSELS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer P. BUYENS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041214.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div