id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 16 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041216.4 Rolnummer: 44452 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-03 20:08 Fiche In de periode die voorafgaat aan de regularisatie van de wet van 22 december 1999 voldoet de vreemdeling niet aan de wetgeving die betrekking heeft op het verblijf van de vreemdelingen. Door als voorwaarde van toelaatbaarheid te eisen dat de vreemdeling aan de vreemdelingenwet zou voldoen, beoogt de koning het recht op de sociale zekerheidsprestatie te laten afhangen van een wetsconforme administratiefrechterlijke toestand van de vreemdeling inzake, toegang, verblijf en vestiging, wat hij vermocht te doen gezien de wetgever hem hiertoe had gemachtigd. Hierdoor heeft de koning geen ongelijkheid in het leven geroepen die afbreuk zou doen aan een grondwettelijke norm. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - Toelaatbaarheid - Wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 43,§1 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. 7de KAMER Not. 580, 2° G.W. Werkloosheid Op tegenspraak Definitief In de zaak : C. J., appellant, verschijnend bij Mr. H. Melotte, advocaat te 3000 Leuven, Tegen : de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, verschijnend bij Mr. J. De Ketelaere, advocaat te 3000 Leuven, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven op 16 juni 2003; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 17 juli 2003; - de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2004, waarna de debatten gesloten werden. het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. Voorgaanden Bij beslissing dd. 3 mei 2002 van de directeur van het werkloosheidsbureau Leuven wordt appellant niet toegelaten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen op 1 februari 2002 als tijdelijke werkloze, gezien appellant geen voldoende aantal arbeidsdagen (of gelijkgestelde dagen) bewijst. De directeur motiveerde als volgt : " Op de datum van uw aanvraag was u 32 jaar. De reglementering voorziet dat de werknemer die minder dan 36 jaar is, 312 arbeidsdagen moet bewijzen in de loop van de 18 maanden vóór zijn uitkeringsaanvraag om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen (artikel 30, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering). Deze periode van 18 maanden strekt zich uit van 01/08/2000 tot en met de dag vóór 01/02/
- Tijdens die periode bewijst u met de ingediende documenten geen enkele arbeidsdag (of gelijkgestelde dag). Uw prestaties als arbeider in de periode van 23/06/2000 tot en met 31/01/2002 worden niet in aanmerking genomen aangezien u niet voldeed aan de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten. In de voormelde periode was u immers niet in het bezit van een geldige arbeidsvergunning (artikel 43, ' 1 van voormeld koninklijk besluit) en ook geen geldige verblijfsvergunning. Bovendien bewijst u niet het aantal arbeidsdagen dat vereist is voor een hogere leeftijdscategorie : 468 arbeidsdagen in de loop van 27 maanden of 624 arbeids-dagen in de loop van 36 maanden voor uw aanvraag (artikel 30, tweede lid van voormeld koninklijk besluit). U bent nog geen 36 jaar. Er kan bijgevolg niet onderzocht worden of u op grond van uw beroepsverleden toegelaten kan worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen zoals voorzien in artikel 32 van voormeld koninklijk besluit". Bij vonnis dd. 16 juni 2003 van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Leuven wordt de vordering van appellant ontvankelijk doch ongegrond verklaard en wordt de bestreden beslissing van geïntimeerde bevestigd. De eerste rechter was van oordeel dat de minister bij omzendbrief van 6 april 2000 betreffende de voorlopige arbeidsvergunningen voor de buitenlandse onderdanen die een aanvraag tot regularisatie van het verblijf hebben ingediend, is opgetreden en dat de arbeidsdagen naar analogie met het Cassatiearrest dd. 28 mei 2001 geacht dienen te zijn voldaan aan de voorwaarden die bepaald zijn in de wetten op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten en dat in afwachting van de afronding van de regularisatieprocedure (op grond van de wet van 22 december 1999) de verblijfssituatie van appellant niet verschilt van de andere vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven. De eerste rechter besluit dat appellant niet voldoet aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen. Appellant tekent hoger beroep aan en verzoekt het Hof : " Het hoger beroep van appellant toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren, Te doen wat de eerste rechter had moeten doen en derhalve de beslissing van geïntimeerde van 3 mei 2002 te vernietigen, Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de wettelijke rechtsplegingsvergoeding". Appellant verwijst vooreerst naar het arrest van het Hof van Cassatie dd. 17 juni 2002 dat per analogie in casu van toepassing is, dat betrokkene op 26 januari 2000 aan de Burgemeester van Tienen overeenkomstig de wet van 22 december 1999 om de regularisatie van zijn verblijf heeft verzocht en met deze aanvraag hij op grond van artikel 14 van deze wet een titel heeft of het recht niet uitgewezen te worden, zodat hij voldoet aan de wetgeving op de vreemdelingen. Appellant stelt dat hij voldeed aan de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten en dat hij tijdens deze periode ook werknemersbijdragen betaalde. Geïntimeerde verzoekt het Hof het beroep ontvankelijk doch als ongegrond af te wijzen, dienvolgens het vonnis a quo in al zijn beschikkingen te bevestigen. Geïntimeerde verwijst naar artikel 57 ,§ 2, eerste lid van de organieke wet van 8 juli 1976 en stelt dat appellant een aanvraag tot regularisatie heeft ingediend omdat hij zonder titel of recht in het land verblijft, hij zich illegaal op het grondgebied bevindt, maar toelating krijgt er voorlopig te verblijven. Beoordeling door het Hof Artikel 43 ,§ 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering bepaalt dat de vreemde of staatloze werknemer slechts toegelaten wordt tot het recht op uitkeringen indien hij voldoet aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen en op deze die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten. De Minister van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling migratie en arbeidsmarktbeleid heeft conform de omzendbrief dd. 6 april 2000 betreffende de voorlopige arbeidsvergunningen voor de buitenlandse onderdanen die een aanvraag tot regularisatie van het verblijf hebben ingediend, een voorlopige vergunning tot tewerkstelling tot 22 juni 2002 afgeleverd en de dagen waarop de werkloze arbeid heeft verricht, zijn gedekt door deze vergunning, zodat de appellant voldoet aan de wetgeving nopens de tewerkstelling van vreemde arbeidskrachten (cfr. Cass., 28 mei 2001, J.T.T., 2002, 24). Appellant heeft op 26 januari 2000 regularisatie in toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk aangevraagd en deze aanvraag wijzigt zijn illegale verblijfsstatus niet. Artikel 14 van voormelde wet van 22 december 1999 bepaalt inderdaad dat behalve voor maatregelen tot verwijdering die gemotiveerd zijn door de openbare orde of de nationale veiligheid, of tenzij de aanvraag kennelijk niet beantwoordt aan de voorwaarde bepaald in artikel 9, er niet feitelijk zal worden overgegaan tot verwijdering tussen de indiening van de aanvraag en de dag waarop een negatieve beslissing wordt genomen. De verwijzing door appellant naar het arrest van het Hof van Cassatie dd. 17 juni 2002 is niet dienend. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat uit de samenhang van artikel 23 van de Grondwet, artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 en de in artikel 2 en 14 van de wet van 22 december 1999 volgt dat de beperking van het recht op maatschappelijke hulp tot dringende medische hulp zoals voorzien door artikel 57, ,§ 2, alinea 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 niet van toepassing is op de vreemdeling tegen wie niet tot materiële verwijdering kan worden overgegaan krachtens artikel 14 van de wet van 22 december
- Het Hof van Cassatie heeft alleen duidelijk willen maken dat de regularisatieaanvraag in toepassing van voormelde wet de vreemdeling toelaat in afwachting van de regularisatieprocedure beroep te doen op maatschappelijke steun niet beperkt tot dringende medische hulp, gelet op de feitelijke onmogelijkheid van verwijdering conform artikel 14 van de wet van 22 december
- Het Hof merkt trouwens op dat het Hof van Cassatie hierin een ander standpunt ingenomen heeft dan het Arbitragehof (arresten nr. 131 /01 van 30 oktober 2001 en nr. 14/02 van 17 januari 2002 en hierover heeft de achtste kamer van het Arbeidshof in haar arresten dd. 18 september 2003 en 25 september 2003 (A.R. nr. 42.429 en 42.464) drie prejudiciële vragen gesteld aan het Arbitragehof. Het Hof is van oordeel dat in de periode voorafgaand aan de beslissing tot regularisatie (op 8 juli 2002 is appellant ingeschreven in het vreemdelingenregister) appellant niet voldeed aan de voorwaarden zoals voorzien in de wetgeving die betrekking heeft op het verblijf van vreemdelingen en dat zijn verblijfssituatie in deze periode juridisch niet verschilt van die van andere vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven. Het Arbitragehof oordeelde dat het aan de wetgever staat een beleid betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling te voeren en daaromtrent, met inachtneming van de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, in de nodige maatregelen te voorzien die betrekking kunnen hebben op onder meer het vaststellen van de voorwaarden volgens welke het verblijf van een vreemdeling in België al dan niet wettig is en dat daaruit een verschil in behandeling voortvloeit tussen vreemdelingen naargelang zij al dan niet wettig in België verblijven, is het logische gevolg van de inwerkingstelling van voormeld beleid (Arbitragehof nr. 40/2001 dd. 29 maart 2001, B.S. 18 april 2001). Terecht stelt het Auditoraat-generaal in zijn advies : " Door als voorwaarde van toelaatbaarheid te eisen dat de vreemdeling aan de vreemdelingenwetgeving zou voldoen, beoogt de koning het recht op de sociale zekerheidsprestatie te laten afhangen van een wetsconforme administratiefrechtelijke toestand van de vreemdeling inzake toegang, verblijf en vestiging, wat hij vermocht te doen gezien de wetgever hem hiertoe had gemachtigd. Hierdoor heeft de koning zelf geen ongelijkheid in het leven geroepen die afbreuk zou doen aan een grondwettelijke norm. Deze ongelijkheid vloeit immers voort uit de vreemdelingenwet waarnaar hij verwijst". De betaling van sociale zekerheidsbijdragen doet hieraan geen afbreuk. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn schriftelijk eensluidend advies, voorgelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 21 oktober 2004; Gelet op de termijn verleend aan partijen tot 16 november 2004 om te repliceren m.b.t. het advies; Gelet op de samenvattende beroepsbesluiten van appellant neergelegd ter griffie op 8 november 2004, waarna de zaak op 18 november 2004 in beraad is genomen; Ontvangt het hoger beroep, wijst dit evenwel af als zijnde ongegrond: Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen; Verwijst overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, geïntimeerde tot de kosten van hoger beroep, kosten tot op heden begroot op : - voor appellant 136,84 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor geïntimeerde niet begroot Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zestien december tweeduizend en vier. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VAN DE VELDE, Raadsheer de heer I. VAN DAMME, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer K. GACOMS, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041216.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div