id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 17 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041217.3 Rolnummer: 44560 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-12-15 Raadplegingen: 274 - laatst gezien 2026-07-04 21:00 Fiche De vordering van appellant tot terugbetaling van alle erelonen en kosten, ten belope van 256.431,67 EUR meer de wettelijke en gerechtelijke intresten, dewelke verschuldigd zou zijn omwille van de bijzondere schade die appellant lijdt doordat geïntimeerden hem wetens en willens in een langdurige en energierovende gerechtelijke procedure hebben gedwongen, voor het eerst ingesteld na cassatie voor de verwijzende rechter is niet toelaatbaar. Zoals door appellant voorgesteld en ook in besluiten uiteengezet is deze dus verschillend van de opzegvergoeding dewelke een vergoeding is voor het verbreken van de arbeidsovereenkomst en verschillend van de vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht. Het is een vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat de cassatie van een arrest, hoe algemeen de bewoordingen waarin zij is uitgesproken ook moge zijn, beperkt is tot de draagwijdte van het middel, dat de grondslag ervan vormt. Er is geen reden in casu tot relativering van deze regel (zie desbetreffend A. Meeus "l'étendue de la cassation en matière civile" in een noot onder cass. 18.03.1983, R.C.J.B. 1986, 261). In casu had de cassatie betrekking op de bepaling van de opzegtermijn en daaruit voortvloeiende opzegvergoeding. De vordering tot betaling van de erelonen van advocaat (in casu 3) en fiscaal raadsman ten belope van 256.431,67 EUR, ter vergoeding van de bijzondere schade geleden ingevolge het wetens en willens dwingen van appellant in een langdurige gerechtelijke procedure is ten overvloede niet ontvankelijk en niet toegelaten op grond van artikel 807 Ger.W. wegens gebrek aan vermelding van dit feit in de dagvaarding. De aanvoering in de dagvaarding van het gedwongen ontslag of van de veroordeling tot de gerechtskosten kan niet als dusdanig feit ter staving van de gewijzigde of uitgebreide vordering worden aangenomen. De kosten van advocaat en technisch raadsman zijn geen uitgaven en kosten in de zin van artikel 1017 tot 1022 van het Ger. Wb. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Advokatenkosten - Eis in terugbetaling voor het eerst ingesteld na cassatie - Ontoelaatbaarheid - Eis zelfs niet toelaatbaar op basis van art. 807 Ger.W. wegens niet vermelding van het feit dat aan de grondslag ligt in de dagvaarding. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 807 Annotaties Publicaties: REVUE CRITIQUE DE JURISPRUDENCE BELGE - MEEUS,A. - 1986(P.261) JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(P.343-345) Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: E. L. G., Appellant, vertegenwoordigd door M° Christian Willems en M° Filip Saelens advocaten te Brussel en M° Luc Vanaverbeke, advocaat te Antwerpen; Tegen: 1) de Naamloze Venootschap Gates Europe C.C., met zetel te 9320 Erembodegem, Dokter Carlierlaan, 30 2) The Gates Corporation, handel drijvende onder de benaming The Gates Rubber Company, venootschap opgericht onder de wetgeving van de Staat Colorado, Verenigde Staten van Amerika, met zetel in de Verenigde Staten van Amerika, te Denver, Colorado 80217-5887, 900 South Broadway, P.O. Box 5887, Geïntimeerden, beiden vertegenwoordigd door M° Herman van Hoogenbemt, advocaat te Antwerpen; -x- Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op de stukken der rechtspleging en onder meer op: - het arrest uitgesproken door het Hof van cassatie d.d. 3 februari 2002; - het deurwaardersexploot d.d. 8 mei 2003 tot betekening van het arrest gewezen door het Hof van Cassatie van België d.d. 3 februari 2003 en houdende dagvaarding voor het Arbeidshof te Brussel na Cassatie; - de besluiten van geïntimeerden, ontvangen ter griffie op 22.10.2003 en 24.12.2003; - de besluiten van appellant, ontvangen ter griffie op 14.11.2003; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 24 november
- De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen. Feiten en procedure voorgaanden: De heer E. trad in dienst van geïntimeerden op 28 november '61, met tewerkstellingen vervolgens zowel in de Verenigde Staten, doch ook in talrijke andere landen waaronder België, Brazilië, Venezuela; Van 1980 tot 1992 was de heer E. hoofd van de internationale divisie en dus verantwoordelijk voor alle bedrijvigheden buiten de Verenigde Staten. In 1992 werd de internationale divisie opgesplitst in drie regio's en de heer E. werd verantwoordelijk voor de Europese regio met Afrika en het Midden-Oosten. Midden 1996 werden de aandelen van geïntimeerden overgenomen door de Britse groep Tomkins PLC. Ongeveer 50 managers kregen als beloning voor hun medewerking aan de overname, na de afronding van deze overname, een speciale beloning en voor de heer E. bedroeg deze 1.554.125 EUR. Volgens de heer E. ontstond daar een plan om hem uit zijn functie te manoeuvreren met verlies van verantwoordelijkheden waaronder isolement van de topbijeenkomsten van het management. Door deze gang van zaken ontstond een enorme mentale druk, angst, stress en depressie zodat midden juni 1997 hij op ziekteverlof diende te gaan. Volgens Gates Europe N.V. werd er na de overname een herstructurering doorgevoerd met afschaffing van de indeling van de bedrijvigheid en management per regio en invoering van een organisatie wereldwijd per productielijn. Hier had de heer E. reserves bij, gezien deze herstructurering vermindering van zijn bevoegdheden tot gevolg zou hebben. Hierdoor rezen bij geïntimeerden twijfels over het behoud van de heer E. in zijn functie. Verschillende opties werden overwogen hetzij een beëindiging en pensionering op een latere datum, hetzij de terugkeer van de heer E. naar de Verenigde Staten als "senior vice-president Corporate Development". In een nota van 6 april 1997 drukte de heer E. zijn teleurstelling uit over de inhoud van het schrijven van 4 april
- Hij waarschuwde ondubbelzinnig voor de juridische gevolgen die de geplande herstructurering voor de partijen zou hebben, met name de mogelijke toepassing van de Belgische regeling inzake impliciet ontslag (Zie eveneens 1.7 van het arrest van het Arbeidshof Gent d.d. 11 december 2 000). In een tweede nota van 7 april 1997 bevestigde de heer E. voormelde waarschuwing, tevens liet hij blijken dat de pensioenvoordelen zoals zij op dat ogenblik werden voorgesteld hem niet voldoende bleken. Na nog diverse briefwisseling gaat de heer E. over tot dagvaarding strekkende tot hoofdelijk en solidaire veroordeling tot betaling van: -362.923.295,- Belgische frank, lees 8.996.633,48 EUR ten titel van opzegvergoeding; -5.000.000,- Belgische frank, lees 123.946,76 EUR ten titel van misbruik van ontslagrecht; -0,02 EUR provisioneel ten titel van achterstallige eindejaarspremies voor de jaren 1992 tot 1997; -0,02EURprovisioneel ten titel van levensduurte vergoeding. Alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten en de gerechtelijke intresten, afleveren afgifte van sociale documenten en de gerechtskosten, vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Enkele van deze vorderingen werden gewijzigd in de loop van het geding. De Arbeidsrechtbank te Dendermonde, afdeling Aalst, verklaarde bij vonnis van 3 mei 1999 de vordering ontvankelijk doch ongegrond en de appellant werd verwezen in de kosten van het geding. Bij arrest van het Arbeidshof Gent d.d. 11 december 2000 werd beslist dat het Amerikaans recht als lex contractus toepasselijk was en de Belgische wetten van politie en veiligheid ook, ingevolge de gewoonlijke tewerkstelling van appellant in België (5 jaar detachering). Geïntimeerden hebben de arbeidsovereenkomst op onregelmatige wijze beëindigd en zijn bijgevolg overeenkomstig het Belgisch arbeidsrecht, inzonderheid artikel 39-,§1 van de wet op de arbeidsovereenkomsten, een opzeggingsvergoeding verschuldigd, overeenkomstig artikel 82 ,§3 W.A.O. De debatten werden heropend teneinde het basisloon verder te bepalen evenals na te gaan of een hoofdelijke veroordeling op de bepalingen van de uitzendarbeidswet kan gegrond worden. De debatten worden eveneens heropend nopens de sociale documenten en de tegenvordering. De vordering wegens misbruik van recht wordt ongegrond verklaard aangezien niet van politie en veiligheid en dus het hoger beroep afgewezen; de vordering wegens eindejaarspremies is ongegrond aangezien de heer E. niet tot de in de algemene verbindend verklaarde CAO's tot de gebaremiseerde bedienden behoort. De voorziening in cassatie die door de geïntimeerden tegen het tussenarrest van 11 december 2000 werd ingesteld, werd bij arrest van het Hof van Cassatie van 10 december 2001 verworpen en de geïntimeerden werden in de gerechtskosten verwezen. Het Arbeidshof te Gent, bij arrest van 13 mei 2002 bepaalt het basisloon op 13.737.915 Belgische frank, hetzij 340.554,02 EUR. Gelet op de leeftijd van appellant ten belope van 60 jaar en elf maanden, de anciënniteit van 35 jaar en zeven maanden, de functie verantwoordelijke voor de Europese operaties, en het basisloon, hetzij 340.554,02 EUR, bepaalt het Arbeidshof de opzegtermijn op 39 maanden. Er kan geen hoofdelijke veroordeling of een veroordeling in solidum worden uitgesproken gezien appellant niet bewijst dat er naar Amerikaans recht enige rechtsgrond hiertoe is en dat daarenboven de Belgische regels ter zake geen wetten van politie en veiligheid zijn. De overige vorderingen van afgifte van sociale documenten en de tegenvordering worden niet gehandhaafd. Geïntimeerden werden veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten aangezien zelfs het gedeeltelijk gegrond verklaren van het hoger beroep dit voor het Arbeidshof in casu geen reden was om de kosten over de partijen om te slaan. Het Hof van cassatie heeft in haar arrest van 3 februari 2003 geoordeeld dat de appel rechters de artikelen 82 en 131 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten niet schenden door bij de vaststelling van de aan de heer E. toekomende opzegtermijn niet de bonus van 41.047 US dollar en de LTSRP bonus van 1.802.048 US dollar in aanmerking te nemen. Anderzijds heeft het Hof van Cassatie in hetzelfde arrest geoordeeld dat de omstandigheden "door een arbeidsovereenkomst naar Amerikaans recht verbonden zijn" en "eerder toevallig werd ontslagen op een ogenblik waarop hij zich nog kon beroepen op de Belgische wetten van politie en veiligheid" geen omstandigheden uitmaken die verband houden met de kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden; "dat het arrest met de bedoelde overweging te kennen geeft dat de opzegtermijn in enige mate mag worden beperkt". Bijgevolg wordt het bestreden arrest vernietigd in zover het de aan de heer E. toekomende opzeggingstermijn op 39 maanden bepaalt en de verweersters op grond hiervan veroordeelt tot het betalen van een opzegvergoeding ten belope van 1.106.800, 56 EUR met intrest en kosten. De heer E. wordt veroordeeld tot twee derden van de kosten. De overige kosten worden aangehouden zodat de feitenrechter hieromtrent een beslissing kan treffen. Ten gronde: de opzegtermijn: Appellant meent dat een toekenning van een opzegtermijn van 60 maanden redelijk is gezien de specifieke exclusieve omstandigheden van deze zaak met name het uiterst belangrijke criterium van de lange anciënniteit van 35 jaar en zeven maanden, de topfunctie van appellant als verantwoordelijke voor alle Europese operaties, de gevorderde leeftijd van bijna 61 jaar waardoor zijn kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden tot quasi onmogelijk te reduceren is. Appellant meent ten onrechte dat het uitbouwen van een loopbaan binnen één enkele onderneming een negatieve keerzijde heeft op de wedertewerkstellingskansen omdat het vanaf een bepaalde leeftijd en anciënniteit vrijwel uitgesloten is om een andere betrekking te vinden, laat staan een gelijkwaardige betrekking. Appellant is burgerlijk ingenieur, en heeft dus een zeer doorgedreven technische vorming en is veelal een expatriate geweest, met kennis van alle markten en werelddelen. Hij heeft een zeer veelzijdige carrière uitgebouwd in zijn loopbaan en veel ervaring en know-how verworven en dit zowel op het commerciële- als het managements- als Human Ressources niveau. Daarenboven bezit appellant over een ruime talenkennis en is hij op de hoogte van de verschillende markten wereldwijd in een steeds verder globaliserende economische en arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt zoals zij bestond op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag kende reeds dergelijke verschuivingen naar nieuwe "nog te ontginnen" continenten zoals het Verre Oosten met oa. China en ook naar Oost Europa. De opzegtermijn dient door de rechter te worden bepaald met inachtneming van de op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging voor de bediende bestaande kans om spoedig een evenwaardige betrekking te vinden, rekening houdend met de anciënniteit van de betrokkenen, zijn leeftijd, het bedrag van zijn loon en zijn functie, dit volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cassatie 8 september 1980, Arr Cass 1980-81, 17). De gegevens eigen aan de zaak dienen een omstandigheid uit te maken in verband met de kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden. De beweringen, dat geïntimeerden appellant met opzet in een langdurige procedure geduwd hebben na het vernederende schouwspel van verbroken beloften en lastercampagnes, en dat hem een professionele fout zou zijn verweten, komen niet voor als zijnde bewezen doch zij zijn vooral, zoals weerhouden door appellant, niet relevant voor de beoordeling van de kansen tot het vinden van een gelijkwaardige betrekking. Dit geldt eveneens voor het feit dat geen minimum opzegvergoeding werd uitbetaald door geïntimeerden aangezien het principe zelf van de eenzijdige verbreking van de arbeidsovereenkomst - ten zeerste werd betwist. De opzegtermijn is gelijk aan de termijn waarover de heer E. in abstracto moet beschikken om een gelijkwaardige betrekking te vinden. Het is evident dat de rechter niet gebonden is door de een of de andere formule. Het Arbeidshof bepaalt bijgevolg op grond van de voormelde motieven voor appellant de in acht te nemen opzegtermijn op 39 maanden, gelet op het gewicht van de factoren leeftijd van 60 jaar en elf maanden, anciënniteit van 35 jaar en zeven maanden, functie als verantwoordelijke voor de Europese operaties en basisloon van 340.554,02 EUR en gelet op de hierboven vermelde omstandigheden. Appellant meent ten onrechte dat door de vernietiging van het Hof van Cassatie de opzegtermijn noodzakelijkerwijze langer dient te zijn. Het Hof van Cassatie heeft alleen vastgesteld dat een bepaling, of impliciet inkorting van de opzegtermijn zoals in het bestreden arrest ,,door rekening te houden met omstandigheden als toepassing van Amerikaans gekozen recht en het eerder toevallig in België zijn op het ogenblik van het ontslag", een schending uitmaken van artikel 82 WAO en artikel 3 van het B.W. aangezien het geen omstandigheden uitmaken in verband met de kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden. Appellant maakt aanspraak op een opzegvergoeding ten belope van 1.106.800,56 EUR meer de wettelijke en gerechtelijke intrest op het netto opeisbare bedrag. Bijgevolg is geen rente verschuldigd over het deel van diens loon dat hij als bedrijfsvoorheffing en sociale zekerheidsbijdragen inhoudt (artikel 10 loonbeschermingswet) dit ingevolge de vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie oa. dd. 10 maart 1986 (zie www.cass.be). Over de vordering tot hoofdelijkheid werd door het Arbeidshof Gent in haar arrest van 13 mei 2002 definitief beslist nu het middel tot voorziening in cassatie dit niet als voorwerp had en deze behoort dus niet meer tot de saisine van het Arbeidshof na cassatie. - de advocaatkosten: De vordering van appellant tot terugbetaling van alle erelonen en kosten, ten belope van 256.431,67 EUR meer de wettelijke en gerechtelijke intresten, dewelke verschuldigd zou zijn omwille van de bijzondere schade die appellant lijdt doordat geïntimeerden hem wetens en willens in een langdurige en energierovende gerechtelijke procedure hebben gedwongen, voor het eerst ingesteld na cassatie voor de verwijzende rechter is niet toelaatbaar. Zoals door appellant voorgesteld en ook in besluiten uiteengezet is deze dus verschillend van de opzegvergoeding dewelke een vergoeding is voor het verbreken van de arbeidsovereenkomst en verschillend van de vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht. Het is een vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat de cassatie van een arrest, hoe algemeen de bewoordingen waarin zij is uitgesproken ook moge zijn, beperkt is tot de draagwijdte van het middel, dat de grondslag ervan vormt (zie Cass 21.06.1982, Pas 1982 1, 1226; Cass 4.01.1980, Pas 1980, 1324). Er is geen reden in casu tot relativering van deze regel (zie desbetreffend A. Meeus "l'étendue de la cassation en matière civile" in een noot onder cass. 18.03.1983, R.C.J.B. 1986, 261). In casu had de cassatie betrekking op de bepaling van de opzegtermijn en daaruit voortvloeiende opzegvergoeding. De vordering tot betaling van de erelonen van advocaat (in casu 3) en fiscaal raadsman ten belope van 256.431,67 EUR, ter vergoeding van de bijzondere schade geleden ingevolge het wetens en willens dwingen van appellant in een langdurige gerechtelijke procedure is ten overvloede niet ontvankelijk en niet toegelaten op grond van artikel 807 Ger.W. wegens gebrek aan vermelding van dit feit in de dagvaarding. De aanvoering in de dagvaarding van het gedwongen ontslag of van de veroordeling tot de gerechtskosten kan niet als dusdanig feit ter staving van de gewijzigde of uitgebreide vordering worden aangenomen. De kosten van advocaat en technisch raadsman zijn geen uitgaven en kosten in de zin van artikel 1017 tot 1022 van het Ger. Wb. (zie rechtsleer en oa. ook Cass. 2.9.2004 C.01.0186.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040902.8/8, www.cass.be en zie Boigelot in JT
- 472). Nog meer ten overtollige titel dient tevens vastgesteld dat deze vordering ongegrond is aangezien het de vrijwillige keuze van appellant zelf was niet in te gaan op de minnelijke voorstellen van de werkgever oa. het terug in Denver de functie opnemen van Executive Vice President Bussiness Development doch door zelf een procedure, met toepassing van het Amerikaans recht, bij een detachering van 5 jaar vanuit de USA in Belgie, af te handelen voor de Belgische Rechtbanken. Er is overigens nog een procedure hangend voor de Amerikaanse Rechtbanken in verband met hetzelfde ontslag. ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Veroordeelt geïntimeerden tot betaling aan appellant van de som van 1.106.800,56 EUR ten titel van opzegvergoeding, meer de wettelijke en gerechtelijke interesten op het overeenstemmend netto eisbaar bedrag onder aftrek van het op 6 juni 2002 betaalde bedrag van 1.106.800,56 EUR. Veroordeelt geïntimeerden overeenkomstig artikel 1017, eerste lid Ger. W. tot het betalen van de gerechtskosten van de procedure voor het Arbeidshof Gent, tot één derde van de gerechtskosten van de procedure voor het Hof van Cassatie en tot de kosten van onderhavig geding niet begroot door partijen. Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op 17 december tweeduizend en vier. Waren aanwezig: B. CEULEMANS: Raadsheer. P. GROENINCKX: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de heer H. VERMEULEN, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek).. R. VANDENPUT: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. J-M. MICHIELS: Hoofdgriffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041217.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040902.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div